Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 15

Chapter 153,754 wordsPublic domain

Behalve dan dat ik overal waar ik mijn schreden richtte, het spook der ellende moest ontmoeten, had ik in Duitschland het treurig feit vernomen, dat zeker nog wel een half millioen krijgsgevangenen in Siberië verbleven. Van velen hunner was sinds maanden, soms zelfs sinds jaren, geen bericht meer ontvangen. Of zij nog op dit ondermaansche waren, bleef voor echtgenooten of ouders onbeantwoord. Vervuld van alles wat ik in het naburige rijk had aanschouwd, was ik in den beginne mij het tragisch lot dier krijgsgevangenen niet ten volle bewust geworden. Toen echter enkele maanden later, bij het naderen van den winter, al de misère waaronder de wereld gebukt ging, mij meer en meer bezig hield, toen kwam ook bij mij de herinnering op aan die ongelukkigen, die in de koude, onherbergzame streken van Siberië, oogenschijnlijk door ieder vergeten, hunne levensdagen sleten.

In November 1913 had mijn weg mij van Japan naar Duitschland gevoerd. Ik doorkruiste op die reis Siberië en duidelijk stond mij den ontzettenden aanblik voor oogen, welke op een der stations een transport gevangenen, slachtoffers van de toenmalige Russische regeering, opleverde. Duizenden en duizenden jonge mannen, slachtoffers van den krankzinnigen oorlog, verkeerden nu in denzelfden toestand. De gedachte dat voor deze ongelukkigen iets moest worden gedaan, drong zich steeds sterker aan mij op.

In die gemoedsstemming verkeerde ik, toen eenige vrouwen mij voorstelden een actie op touw te zetten ten behoeve dier ongelukkigen. Wij zouden trachten hun thuiskomst te bevorderen. Ik verklaarde mij bereid de leiding van een dergelijk comité op mij te nemen. Bij de daaraan verbonden werkzaamheden werd ik van den aanvang af krachtig en daadwerkelijk gesteund door de dames baronesse W. van Lijnden-von Schmidt auf Altenstadt en L. Eschauzier-Pabst. Het kostte ons aanvankelijk veel moeite om de menschen te overtuigen dat in het onherbergzame Siberië, een jaar nadat de oorlog officieel was geëindigd, nog minstens een half millioen Duitschers, Oostenrijkers, Hongaren, Tsjecho-Slowaken en Turken, in ballingschap leefden. Bijna niemand wist het en toen wij er iets over wilden publiceeren, weigerde men eerst onze mededeelingen te accepteeren. Dat kon niet waar zijn, meende men.

Uit Duitschland en Oostenrijk had ik ondertusschen de officieele gegevens daarover ontvangen en wekelijks werd ik van daar op de hoogte van den stand van zaken gehouden.

Ons eerste werk was om over de geheele wereld de verschillende vrouwenorganisaties van de feiten op de hoogte te brengen, en aan te dringen om in eigen land een actie te beginnen teneinde de ongelukkigen zoo spoedig mogelijk huiswaarts te doen keeren. Vele buitenlandsche vereenigingen gaven aan onze roepstem gehoor, andere berichtten dat zij haar aandacht reeds op het vraagstuk hadden gevestigd.

Ons comité belegde openbare vergaderingen, publiceerde telkens opnieuw de gegevens die wij daartoe uit het buitenland ontvingen en zamelde geld in, dat zoowel voor warme kleederen als voor den terugtocht der bannelingen zou dienen.

Toen ten laatste het Internationaal Bureau van het Roode Kruis, tot wie wij ons ook herhaaldelijk hadden gewend, zich met de zaak ging bemoeien en Fridjof Nansen, de groote Noor die later zoo oneindig veel voor hongerend Rusland heeft gedaan, zich tot taak stelde de Siberische krijgsgevangenen aan hunne gezinnen terug te geven, toen was onze taak geëindigd en zonden wij de door ons bijeengebrachte gelden aan het Intern. Bureau van het Roode Kruis.

Mij van deze vrijwillig op mij genomen taak ontheven ziende, nam ik mij voor, in de toekomst geen arbeid van dergelijken aard meer op mij te nemen. De jaren deden meer en meer hun invloed gelden. Ik voelde dat mijn werkkracht, maar meer nog mijn uithoudingsvermogen, gaandeweg verminderd waren. De vele en sterke emoties welke gedurende de oorlogsjaren en wellicht nog meer gedurende het daarop onmiddellijk gevolgde tijdperk, van alle kanten op mij waren aangestormd, hadden veel te veel van mijn krachten gevergd. In de rustige studeerkamer zou ik wellicht nog iets kunnen presteeren, in het openbaar leven echter niet meer. En zoo achtte ik dan den tijd gekomen om wat „herinneringen uit mijn leven en werken” op papier te zetten. Die arbeid zou mijn levensavond eenig relief geven; en wellicht konden jongeren met mijne ervaring hier en daar hun voordeel doen.

Evenwel, wie gedurende vele tientallen jaren aan den weg heeft getimmerd, verlaat maar al te gaarne het rustige pad dat naar de afzondering leidt. En zoo kon ik dan ook geen weerstand bieden aan de verleiding, om deel te nemen aan het in den zomer van dat zelfde jaar (1920) te Kristiania uitgeschreven Internationaal Congres van den Internationalen Vrouwenraad. Op deze bijeenkomst, de eerste van den Internationalen Vrouwenraad sinds het uitbreken van den oorlog, zouden vele mijner oudere en jongere vrienden uit alle deelen der wereld bijeenkomen. Toen ik mij dat voorstelde, toen ik dacht aan de velen die ik zou ontmoeten, besloot ik er heen te gaan. Daardoor zou ik tevens in de gelegenheid komen om op de doorreis enkele dagen in Duitschland te blijven, teneinde mij omtrent de economische en hygiënische toestanden daar te lande opnieuw te oriënteeren.

Zeer duidelijk heb ik toen begrepen, dat dit Rijk met zijn meer dan zestig millioen inwoners met philanthropie alleen niet te redden was. Ik vond de bevolking, ik vond ook het land zelf, sinds mijn laatste verblijf sterk achteruitgegaan, ondanks het feit, dat men overal in de wereld trachtte den door den oorlog in Duitschland ontstanen nood te lenigen. Maar tegenover dien inderdaad goed bedoelden steun, stond het vredesverdrag van Versailles, waaraan haat en wraakzucht ten grondslag lagen.

Zonder te willen beseffen, dat Duitschland’s vernietiging tevens den ondergang van het eigen land zou beteekenen, hield het chauvinistische Frankrijk vast aan den dwazen wensch om Duitschland ten onder te brengen, omdat het zich anders niet veilig voelde. Wilde er inderdaad vrede heerschen, dan moest, dat voelde ik in die dagen heel sterk, de te Versailles gesloten overeenkomst herzien worden.

Het wilde mij voorkomen, dat ook in deze kwestie voor de vrouwenorganisaties der verschillende landen een taak was weggelegd. Als zij begonnen met een herziening van de vredesverdragen te eischen, zouden andere, krachtiger bonden en vereenigingen, daardoor wellicht worden wakker geschud.

Persoonlijk richtte ik tot verschillende leidende vrouwen en voorts tot alle mij bekende organisaties van vrouwen, een oproep, waarin ik mijn denkbeeld uiteenzette. Andere resultaten dan dat verscheidene vrouwen mij haren individueelen steun toezegden, mocht ik niet bereiken. De organisaties durfden het plan niet aan. Toch was ik overtuigd dat de actie véél kans van slagen zou hebben. Ware ik eenige jaren jonger geweest en had ik mij, wat mijn financiën betreft, ruimer kunnen bewegen, dan zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben om het risico en den arbeid voor eigen rekening te nemen. Nu moest ik, noodgedwongen, de zaak laten rusten, in de hoop dat op het in 1921 te Weenen uitgeschreven Internationaal Congres van „the Women’s International League for Peace and Freedom”, mijn denkbeeld een punt van bespreking zou uitmaken.

Een poging om het plan als voorstel van de Nederlandsche Vereeniging voor duurzamen vrede op de Congres-agenda geplaatst te krijgen, mislukte. Vandaar dat ik besloot naar Weenen te gaan, om te zien wat ik persoonlijk zou kunnen doen. Het toeval was mij gunstig. Op een der vóórvergaderingen toch wees de presidente, Miss Jane Addams mij aan, om op het Congres een inleiding te houden over de middelen tot het voorkomen van oorlog. Beter aanleiding om met mijn denkbeeld voor den dag te komen, had ik moeilijk kunnen vinden. In een betrekkelijk korte rede zette ik dan ook uiteen, dat de op dat oogenblik geldende vredestractaten den duurzamen vrede ernstig bedreigden. Vandaar dat ik het als den plicht der aangesloten organisaties beschouwde, met alle ten dienste staande krachten en middelen te ijveren voor een herziening dier tractaten. Zóó urgent achtte ik deze kwestie, dat m.i. alle andere arbeid er voor moest wijken.

„Laten wij”, stelde ik voor, „na een jaar lang in alle aangesloten landen voor ons denkbeeld propaganda te hebben gemaakt, een internationale conferentie beleggen, waar alle mogelijke organisaties die in dezen onze opvatting deelen, hun stem kunnen doen hooren”.

Vol geestdrift werd mijn voorstel te Weenen aangenomen, maar daarbij bleef het. In geen enkel land, ook ten onzent niet, werd aan het plan een begin van uitvoering gegeven. En tot mijn groote spijt moest ik constateeren, dat mijn lichamelijke krachten te kort schoten om zelf de hand aan den ploeg te slaan.

Intusschen werd de toestand in Centraal Europa met den dag hachelijker. Staatslieden van erkende reputatie, zoo goed als toonaangevende bladen in alle landen, voorspelden onomwonden dat Europa tot ondergang gedoemd was. En als een der voornaamste oorzaken van de catastrophe noemden zij de vredesverdragen met de daaruit voortspruitende consequenties.

Het was in die dagen dat het bestuur van the Women’s International League for Peace and Freedom, voor zijn jaarvergadering te Freiburg bijeenkwam. De presidente van de Nederlandsche afdeeling, tevens lid van het Centraal Bestuur, kreeg de opdracht om er bij de andere bestuursleden op aan te dringen, zoo spoedig mogelijk een Internationaal Congres bijeen te roepen met het eenige agendapunt: Herziening der Vredes-tractaten. De woorden van Mevrouw Ramondt-Hirschmann vonden weerklank. Na eenige discussie werd besloten een congres bijeen te roepen, dat evenwel niet herziening der bestaande tractaten, waarvan men ook bij een eventueele wijziging weinig goeds verwachtte, maar het sluiten van „een nieuwe vrede” zou bepleiten. Als plaats van samenkomst werd Den Haag gekozen.

Daar is inderdaad van 7 tot 10 December 1922 over de mogelijkheid om op andere dan te Versailles aangenomen eischen den vrede te baseeren, gediscussieerd. Ondanks het slechte jaargetijde voor een zeereis, was Miss Jane Addams onmiddellijk bereid het verzoek tot haar gericht om het congres te leiden, in te willigen. Met een groot aantal Amerikaansche medewerksters stak zij den Oceaan over en kwam tijdig genoeg in Nederland aan om een deel der voorbereidende werkzaamheden voor haar rekening te nemen.

Wat mij betreft, ik kon het congres niet veel meer schenken dan mijn volle sympathie. Van den arbeid aan een dergelijke bijeenkomst verbonden, kon ik slechts een zeer klein gedeelte verrichten. Ik voelde maar al te goed, dat voor mij het tijdstip was aangebroken dat ten opzichte van mijne bemoeiingen in en met het openbare leven, een „tot hier en niet verder” moest gelden.

Nu ik van mijn werken en streven op pacifistisch gebied een beknopt overzicht heb gegeven, wil ik aan het slot van dit hoofdstuk even het voor mij heugelijke feit memoreeren, dat deze tak van arbeid mij, voor zoover ik weet, geen enkelen vijand heeft bezorgd, maar wel veel, heel veel lieve vrienden en vriendinnen, aan wie ik menig zonnig oogenblik dank.

Hoe dankbaar toonen zich nog steeds velen van de vrouwen en meisjes, die bij het begin van den oorlog op de doorreis hier te lande gestrand, omdat hare passen niet in orde waren, of omdat zij geen geld meer bij zich hadden om verder te reizen, of doordat de Vlissingsche booten de eerstkomende dagen reeds overvuld waren en door tal van andere onvoorziene omstandigheden, bij mij om hulp kwamen aankloppen. Velen harer kenden mijn naam uit de internationale vrouwenbeweging, sommigen hadden een aanbevelingsbrief van vrienden, weer anderen beriepen zich op wederzijdsche kennissen.

Dank zij de vele relaties die ik in den loop der jaren mocht verwerven, viel het mij betrekkelijk gemakkelijk aan de gestranden de noodige hulp te verleenen. Mijn kleine woning was in die dagen vaak een overvol doorgangshuis, waar vrouwen en meisjes van verschillende nationaliteit, die elkander te voren nooit hadden ontmoet, zusterlijk een slaapkamer, soms zelfs een bed deelden. Na enkele dagen toevens waren de moeilijkheden meestal uit den weg geruimd. Soms was het ontroerend, hoe niet alleen de belanghebbende zelve, maar later ook hunne familieleden, uiting gaven aan hun dankbaarheid.

Het zou te ver voeren en het zou bovendien een te persoonlijk karakter krijgen, wilde ik hier uit de toen en later ontvangen brieven gaan citeeren. Vandaar dat ik volsta met het weergeven van de volgende dichtregels, welke mij in het begin van 1923 door een der in de oorlogsjaren verworven vrienden werden opgedragen, ter gelegenheid van mijn verjaardag.

Auf neuem Schlag Dein Lebensschifflein gleitet, Gelassen liegt am Ruder Deine Hand, Indes ausspähend nach des Friedens Land, Dein Blick sich höher zu den Sternen weitet.

Du zitterst nicht, und liegt auch ausgebreitet, Um Dich der Menschen Weh, der Zeiten Schand, Du weiszt, es löst des bangen Traumes Band, Die Sonne, die ein Gott am Himmel leitet.

So ziehst Du stark und einsam Deine Kreise, Ein Morgenhauch umweht Dich, zag und leise, Und Deutung gibst Du ihm für Dein Geschlecht.

Wir wollen länger Kinder nicht gebären, Dasz sie in Mord und Hassen sich verzehren, Wir schaffen ihnen Weisheit, Liebe, Recht.

Frau Dr. Aletta Jacobs in Verehrung und Dankbarkeit dargebracht zum 9. Februar 1923. Franz Wegner.

IX

HET PROSTITUTIE-VRAAGSTUK

Toen ik mij met het vraagstuk inliet stuitte ik overal op tegenstand; een vrouw mocht zich daarmee niet bemoeien.—Een botsing met een hoogleeraar.—Mijn ervaring te Londen onder voorlichting van Dr. Drysdale, en die in mijn praktijk te Amsterdam.—Mijn eerste publicaties over het vraagstuk.—Mijn eerste lezing hierover te Rotterdam in 1897 en hoe die voordracht werd opgenomen.—Het congres te Boedapest in 1909.—Reisavonturen.—Ondervinding in Serajewo. Onze excursie daarheen.—Voordrachten over dit onderwerp in Zuid-Afrika.—„Open brief aan de vrouwen van Zuid-Afrika.”—Overige bemoeiingen op dit gebied.

Wie van het relaas mijner levenservaringen uit het voorafgaande heeft kennis genomen, zal zich herinneren dat het vraagstuk der prostitutie en al de uit dezen geesel voortspruitende ellende zich reeds in mijn studententijd aan mij opdrong, zonder dat ik daarop in het minst was voorbereid. De lichamelijke en geestelijke misère van de jonge vrouw die, door ieder verafschuwd en gemeden, in het Groningsche ziekenhuis den dood wachtte als een verlosser, had diepen indruk op mij gemaakt. Haar lijden opende mij de oogen. Het was oorzaak dat sindsdien de gedachte aan de zee van ellende, welke in de prostitutie haar grondoorzaak vindt, mij eigenlijk voortdurend bleef kwellen. Onbegrensd was het medelijden, dat de slachtoffers van dit, over de geheele wereld verspreide kwaad, mij inboezemden, maar daarnaast voelde ik toch ook diep de vernedering welke de vrouwen werd aangedaan door de wijze waarop de overheid meende over hare lichamen te kunnen beschikken.

Dat ook de volksgezondheid deerlijk door en onder het prostitutie-kwaad had te lijden, drong in die dagen nog niet ten volle tot mij door. Onervaren dorpskind als ik was, kon ik die gevolgen niet overzien, al voelde ik intuïtief, dat ik stond tegenover een vraagstuk waarbij niet alleen de belangen der vrouw, maar zelfs die van de geheele gemeenschap waren betrokken. Mijn ervaringen te Groningen deden mij besluiten de kwestie nader onder de oogen te zien, hoewel zij die mij konden voorlichten, daartoe allerminst bereid bleken en mij vaak op zeer ondubbelzinnige wijze te kennen gaven, dat het een vrouw niet paste zich met deze dingen in te laten.

Het woord „prostitutie” mocht in behoorlijk gezelschap niet worden genoemd. De vrouwen, ook de meest ontwikkelde, verklaarden onomwonden dat zij zich zouden schamen er ook maar iets van af te weten. En als ik een enkele maal de voldoening mocht smaken, dat een man bereid bleek over dit onderwerp een ernstig gesprek met mij te voeren, moest ik altijd weer uit den mond van zoo’n ter zake kundige vernemen: „Prostitutie is een noodzakelijk kwaad, dat sedert onheugelijke tijden heeft bestaan en nooit kan worden uitgeroeid”.

Een kwaad had in mijn oogen geen recht van bestaan, en kon dus veel minder nog noodzakelijk wezen. In dit bijzondere geval verzette mijn gevoel voor recht en billijkheid zich bovendien tegen een theorie, volgens welke de gemeenschap verplicht zou zijn, om de mannen die hunne geslachtsdrift wilden bevredigen „zooveel mogelijk gezonde vrouwen te leveren.”

Hoe dikwijls heb ik tevergeefs getracht dien muur van vooroordeel en sleur omver te gooien! Hierbij denk ik o.a. aan een dispuut met een mijner hoogleeraren. Volkomen te goeder trouw, verkondigde „professor” de toentertijd vrijwel door ieder gehuldigde stelling, dat het voldoen aan zijn geslachtsdrift bij den man een eisch der gezondheid was en dat het daarom gemeenschapsbelang was er voor te zorgen, dat door het bevredigen van dien drift aan zijn gezondheid geen of zoo weinig mogelijk schade werd berokkend.

„Indien dat werkelijk uwe meening is”, antwoordde ik, „zijt gij zedelijk verplicht uw dochters voor dit doel beschikbaar te stellen.”

Gelegenheid om deze stelling nader te motiveeren, werd mij niet geschonken. Woedend liep de hoogleeraar de kamer uit, na mij toegevoegd te hebben dat ik verstandiger deed mij geen oordeel aan te matigen over dingen en toestanden waarvan ik niet op de hoogte was.

Alsof het niet mijn vurige wensch was de kwestie waar het om ging, nader te bestudeeren! En alsof mij dit niet, door wie mij van voorlichting hadden kunnen dienen, vrijwel onmogelijk werd gemaakt.

De vragen die ik stelde, werden met een algemeenheid, een vage dooddoener beantwoord. Informeerde ik in het Leesmuseum naar werken van bepaalde schrijvers, noemde ik titels op het onderwerp betrekking hebbend, dan keek men mij wantrouwend aan en deed alsof men niet begreep wat ik wilde.

De eerste die mij volledig omtrent het prostitutie-vraagstuk inlichtte, was Dr. Charles Drysdale, de eminente medicus, dien ik, zooals ik vroeger reeds heb verteld, na afloop van mijn studietijd in Nederland, te Londen mocht ontmoeten. Dank zij zijn ervaringen in de praktijk, dank zij ook de uitvoerige boekenstudie welke hij van dit onderwerp had gemaakt, kon hij al mijn vragen beantwoorden, en hij deed het met de grootst mogelijke, ernstige nauwgezetheid. Dr. Drysdale nam mij ook mede naar een der Londensche inrichtingen, waar prostituées, of zij die men van prostitutie verdacht, zich aan een geneeskundig onderzoek moesten onderwerpen.

Evenals indertijd te Groningen, wekte dit onderzoek bij mij weerzin op. Ik kon niet begrijpen hoe een medicus er zich toe wilde leenen, om te constateeren of deze maatschappelijke verschoppelingen haar luguber beroep al dan niet mochten uitoefenen. Ik kreeg gelegenheid met enkele van die ongelukkigen te spreken. Bijna zonder onderscheid kwamen zij voort uit de volksklasse. Zonder voldoende voorlichting, zonder bescherming, hadden zij reeds jong haar eigen weg moeten zoeken, met het gevolg dat wanneer ze eenmaal, en vaak zonder schuld, afgedoold waren van het rechte pad, zij door de omstandigheden van kwaad tot erger waren gekomen.

Toen ik in het vaderland terug was, hoorde ik al spoedig van den strijd dien ds. H. Pierson en zijn geestverwanten hadden aangebonden tegen het voortbestaan der huizen van ontucht hier te lande, alsmede tegen de reglementeering der prostitutie. Al wat pro en contra dien strijd werd gepubliceerd, had in hooge mate mijn belangstelling. Nu en dan gaf ik trouwens in dagbladen en tijdschriften blijk van mijn opvatting, die volkomen met het principe van ds. Pierson en de zijnen overeen kwam. Welke ontzettende gevolgen het kwaad na zich sleepte, leerde de praktijk mij ter dege. Hoe dikwijls kreeg ik in het spreekuur jonge vrouwen, bij wie zich ziekteverschijnselen openbaarden, veroorzaakt door besmetting.

Wat al ellende heb ik zien voortspruiten uit huwelijken, gesloten met jonge mannen, die er zich niet van bewust waren, dat de venerische ziekte welke zij hadden opgedaan, nog woekerde toen zij met de vrouw hunner keuze in het huwelijk traden. En daarnaast waren het ook de prostituées zelve, die bij de toen nog eenige vrouw-doctor in Nederland hulp kwamen zoeken voor ziekten, waarvan ik te voren het bestaan nauwelijks had vermoed. Uit den aard der zaak kan ik hier over die ervaringen niet uitweiden. Ik volsta dan ook met de verklaring, dat ik na ongeveer een tiental jaren als praktisch medica werkzaam te zijn geweest, van de meeste vormen der hier te lande voorkomende prostitutie en de slachtoffers daarvan, volkomen op de hoogte was.

Toen wist ik ook maar al te goed dat niet alleen vrouwen, onkundig van wat er in de wereld te koop is, die onkunde vaak met haar gezondheid moeten betalen, maar dat ook heel wat jonge mannen slachtoffers worden van wat men als zede en gewoonte beschouwde. En ook hier was onkunde dikwijls grondoorzaak van een in haar gevolgen heillooze ramp.

Meer en meer begon ik te beseffen dat voorlichting dringende eisch was. Met allen eerbied die ik had voor al wie tegen de reglementeering den strijd hadden aangebonden, en ondanks mijn groote sympathie voor het werk van de toen nog jonge Vrouwenvereeniging tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn, zoo uitnemend door mevrouw De Klerck-van Hogendorp geleid, was ik er mij van bewust, dat het element der openbaarheid in dezen niet mocht worden uitgeschakeld.

Jonge mannen, ook jonge vrouwen, moesten m.i. niet op de maatschappij worden losgelaten zonder dat men hen volkomen had ingelicht omtrent de verderfelijke machten die, wroetend in ’t geheim, aan allen kant hun bestaan bedreigden. Van de zooeven genoemde vereeniging tot verhooging van het zedelijk bewustzijn was in dezen niet veel te wachten. Zij droeg een streng godsdienstig karakter en zocht haar werkkring slechts onder één bepaalde categorie.

Zoo dikwijls ik de kans schoon zag om een artikel geplaatst te krijgen, haastte ik mij, mijn meening over het onderwerp dat mij zoo na aan het hart lag, kenbaar te maken. En heel dikwijls mocht ik dan van moeders en echtgenooten brieven ontvangen, waarin werd getuigd dat men mijn opvattingen deelde. Hélène Mercier (1839–1910) de begaafde schrijfster aan wier bemoeiingen het mede te danken is, dat „Ons Huis” te Amsterdam werd opgericht, schreef mij o.a. in 1895, naar aanleiding van een in het weekblad „de Amsterdammer” voorkomend artikel van mijn hand:

„Neen, nooit kan het onomwonden uitspreken van een waarheid kwetsend zijn, als het met een hoogzedelijk doel geschiedt. En een ware zegen vind ik het, dat een onderwerp, dat vroeger alleen behandeld werd als een vuile geheimzinnigheid, waarmede alleen mannen hadden te maken en in later jaren en nog steeds tot stof diende voor realistische schrijverskunst, nu eindelijk eens door de vrouw, uit hoog zedelijk oogpunt wordt behandeld. Het is toch al te gek, dat de vrouw zóólang zich heeft gehouden buiten zaken, die haar juist als vrouw en moeder rechtstreeks aangaan”.

Hoe dankbaar was ik voor een dergelijke adhaesiebetuiging, komend van een vrouw tegen wier arbeid op maatschappelijk gebied ik hoog opzag. Hoe voelde ik mij gesterkt door de woorden van een Hélène Mercier, woorden die het mij gemakkelijk maakten, te glimlachen over beleedigende epistels van lieden die den moed misten om hun kwetsende uitlatingen van een onderteekening te voorzien.

„Gij moet wel zeer diep zedelijk gevallen zijn” schreef een dier dappere anonymi, „om lust te gevoelen over die viezigheid zoo uit te weiden.”

En een andere brave onbekende, wensch te te weten of in ons land meer quasi-fatsoenlijke vrouwen zóó op de hoogte waren van dit onderwerp.