Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 26
In 1921 heb ik in Weenen deelgenomen aan het Vredescongres. Daarvan heb ik reeds melding gemaakt. Dat jaar is voor mijzelf nog van bijzondere beteekenis geweest, omdat ik toen mocht herdenken dat ik een halve eeuw geleden voor de eerste maal naar de Universiteit ging. Mijn Haagsche vrienden hebben dien herinneringsdag tot een feestdag gemaakt. Ik blijf hen daar innig dankbaar voor. Nu wil ik het zeggen, dat het hoogtepunt op dien dag vol bloemen en hartelijkheid, ook in mijn herinnering, werd bereikt, toen een stoet van jonge, frissche meisjes-studenten, als afgevaardigden van de zes Universiteiten in ons land, mij met vriendelijke en waardeerende woorden dank kwamen brengen. Zij getuigden daarbij te beseffen welke beteekenis het heeft voor de Nederlandsche vrouwen dat alle inrichtingen van onderwijs thans voor haar open staan. Dit was niet vanzelf gekomen, één meisje had daaraan lang geleden den stoot moeten geven en nu stelden zij er prijs op daarvan dankbare getuigenis af te leggen. Het geschenk dat zij mij aanboden, een mooie horloge-armband, is mij bijzonder dierbaar en verlaat mij nooit. Het geeft mij niet alleen dagelijks trouw den tijd aan, maar het is ook een tastbaar en verheugend bewijs, dat onze jonge meisjes tot een hooger peil van ontwikkeling zijn gestegen, zich vrijer kunnen bewegen en oneindig meer kunnen bereiken dan in mijne jeugd in de verste verte denkbaar was.
De laatste jaren zijn voor mij ware feestjaren geweest. Al de vriendelijkheid, de welgemeende hartelijkheid en hulde welke ik heb mogen vinden, laat het mij nog eens oprecht verzekeren, zij hebben mij honderdvoudig de verguizing vergoed welke ik jaren lang van velen mijner landgenooten heb moeten ondergaan.
Ook in 1922 heeft men wéér aanleiding gevonden om mij een bijzondere attentie te bewijzen. Toen immers werden de verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden, aan welke voor de eerste maal ook de vrouwen zouden deelnemen. Geruimen tijd was het zeer de vraag geweest of ik wel in staat zou zijn naar de stembus te gaan, want ik had een ernstige ziekte doorgemaakt en was slechts kort vóór den verkiezingsdag weder opgestaan. Mijn Haagsche vrienden zorgden er echter voor, dat de lang gewenschte taak mij zoo licht mogelijk werd gemaakt. Beladen met bloemen die dankbare vrouwen mij aan den ingang van het stembureau hadden aangeboden, kon ik mijn eerste stembiljet in de bus werpen, waarbij de voorzitter van het bureau mij met een handdruk geluk wenschte. Dien heelen dag ontving ik uit alle streken van het land brieven en telegrammen van dankbaar gestemde vrouwen. Den meesten prijs stelde ik op een brief, onderteekend door vele Christelijke vrouwen, die bekenden dat zij vroeger altijd tegenstandsters waren geweest van vrouwenkiesrecht. Thans waren zij echter overtuigd dat zij door middel van het stembiljet hare christelijke plichten tegenover de maatschappij veel beter konden vervullen.
In 1923 heb ik te Rome het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht bijgewoond, daarop ben ik in Parijs geweest en nauwelijks vandaar teruggekeerd, weder op reis gegaan naar internationale bijeenkomsten te Dresden en te Berlijn, waar ik diep werd ontroerd door de treurige omstandigheden waarin een groot deel der bevolking van geheel Duitschland verkeerde. Vermoedelijk heb ik door dat alles te veel hooi op mijn vork genomen en mijn krachten overschat. Hoe dit ook zij, toen ik kort na mijn terugkomst te Amsterdam bij de familie Manus vertoefde, werd ik plotseling overvallen door een ernstige ziekte, waarvan ik de symptomen eigenlijk reeds lang gevoeld had. Weken lang was ik gedwongen tot nietsdoen. In den aanvang wanhoopte ik aan de mogelijkheid van herstel, hoewel mijn geduldige geneesheer, Dr. O. J. Wijnhausen, mij daarvan telkens de zekerheid gaf. Aan het geduld dat hij met zijn halsstarrige patiënte heeft gehad, heb ik mijn herstel en het groote geluk te danken dat ik mijn 70sten geboortedag heb kunnen vieren.
Gedurende mijn ziekte en den tijd van mijn herstel, hebben mijne vrienden met Mevr. Rosa Manus aan de spits, mij op mijn 70sten geboortedag een feestdag bereid, zooals slechts enkelen te beurt valt. Uit de groote commissie voor het huldebetoon was een uitvoerend comité gevormd door de dames Rosa Manus, F. W. van Wulfften Palthe-Broese van Groenou, H. van Biema-Hijmans, C. Mulder van de Graaf-de Bruijn, B. van den Bergh-Willing en C. S. Groot. Door haar toedoen was het in Nederland en daarbuiten overal bekend geworden dat ik op 9 Februari 1924 mijn 70sten verjaardag zou beleven. Op ondubbelzinnige wijze is het mij dien dag duidelijk geworden dat ik hier te lande en op vele plaatsen in de wereld vrienden mag tellen, die er prijs op stelden mij waardeering te betuigen, en daaronder zelfs velen die vroeger tot mijn bestrijders behoorden.
De groote dag begon reeds vroeg door vele brieven, telegrammen en geschenken welke mij thuis werden gebracht. Daarbij veel bloemen, prachtige, heerlijke bloemen. Ten elf uur kwam het uitvoerend comité mij begroeten onder aanbieding van een geschenk van bijzondere waarde. Het comité bracht mij op de hoogte van het geheele program van den dag, waarbij ook met vriendelijke oplettendheid was gezorgd voor eenige rust, hetgeen in verband met mijn ziekte nog zeer wenschelijk was.
Hoe het verder is toegegaan op dien glorierijken, dien heerlijken middag, ik meen niet beter te kunnen doen dan hier te laten volgen wat Mej. Emmy J. Belinfante, de bekwame verslaggeefster van „de Nieuwe Courant”, in twee opeenvolgende edities van dat orgaan, daarover heeft medegedeeld.
DE 70e VERJAARDAG VAN Dr. JACOBS.
DE RECEPTIE.
De huldiging van Dr. Jacobs is een schitterende betooging geworden voor de zeventigjarige baanbreekster voor het verkrijgen van gelijke rechten voor de vrouw in Nederland. Onder de overvloedige bloemstukken, waardoor het podium en de geheele zaal in een tuin van bloemen scheen herschapen, was een bijzonder vriendelijke attentie van mw. en dr. Siemens, een foto van dr. Jacobs’ geboortehuis te Sappemeer, versierd met fraaie takken orchideeën, terwijl om de merkwaardigheid de aandacht trok een bloemstuk van de Ver. van Onderofficieren der Landmacht. Met pianospel werd dr. Jacobs binnengehaald en kleine meisjes strooiden bloemen.
Het is niet mogelijk in bijzonderheden alle redevoeringen weer te geven, waarin de hoofdtoon dankbaarheid was voor wat dr. Jacobs had gedaan als baanbreekster voor de vrouwen, als dokter voor de wetenschap, als pacifiste voor de vredesbeweging, als strijdster voor de zedelijkheid in den strijd tegen de dubbele moraal, als eerste studente voor de studeerende vrouwen, als huisvrouw voor de huisvrouwen, terwijl de heeren die in verschillende functie voor de Vrijz. Democratische partij spraken, in het bijzonder konden getuigen hoe zij volgens de beginselen dezer partij had gewerkt, en de heer Merens voor de Haagsche afdeeling van den Vrijheidsbond verkondigde, dat haar streven naar een verbeterden rechtstoestand voor de vrouw, ook recht had op den dank van de mannen van den Vrijheidsbond, in welker program staat de volledige staatsrechterlijke, burgerrechterlijke en economische gelijkstelling der vrouw.
Niet alleen haar mannelijke en vrouwelijke geestverwanten in de politiek, de vrouwen- en de vredesbeweging kwamen van hun sympathie getuigen, maar ook vrouwen van andere politieke of feministische richting huldigden in haar de trouwe dienares van een groote zaak.
Mejuffrouw Rosa Manus, optredend als presidente van het uitvoerend comité, bracht mede de gelukwenschen over van vrouwen uit het buitenland (zooals o.a. de presidente van de Int. Woman Suffrage Alliance) en van Nederlandsche vrouwen die verhinderd waren de receptie te bezoeken, o.a. mw. Rutgers-Hoitsema, die om gezondheidsredenen niet aanwezig kon zijn. Spreekster noemde het leven van mw. Jacobs een buitengewoon leven: door haar durf, doorzettingsvermogen en energie had zij vele harer idealen verwezenlijkt kunnen zien. Zij herinnerde hoe dr. Jacobs in de internationale wereld beroemd was (applaus) en deelde verder o.m. mede, dat het comité dien morgen een huldeblijk had overhandigd en verder haar niet beter had meenen te kunnen huldigen dan door op haar geboortedag haar boek te doen verschijnen (voor zoover dat toen reeds persklaar was). Ten slotte bood zij mw. Jacobs een grooten lauwerkrans aan.
Mw. v.d. Hoeve-Bakker (Ned. Vereeniging van Staatsburgeressen) verklaarde, dat het geheim van den invloed van dr. Jacobs lag in wat zij was: „Gij zijt als de diamant, die een insnijding laat in iederen anderen steen.”
Mw. Doorman-Kielstra (Nationale Vrouwenraad van Nederland) loofde Aletta Jacobs als een der steunpilaren van den Vrouwenraad, en hoopte dat zij nog jarenlang met onvermoeide werkkracht den Raad zou helpen zijn doel bereiken.
Dr. Deknatel (namens de Haagsche afdeeling van de Ned. Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst) verzekerde dat dr. Jacobs haar vak vele jaren voortreffelijk had uitgeoefend. Haar streven was ten zegen geweest aan tal van vrouwen.
Anna Polak (Nationale Vereeniging voor Vrouwenarbeid) wees er op dat dr. Jacobs een der nobelste en hoogste vormen van menschenarbeid had mogelijk gemaakt en de Nederlandsche wetenschap en de Nederlandsche vrouwen voor altijd aan zich had verplicht.
Mw. Ramondt-Hirschmann (Ned. Vereen. van Vrouwen voor een Duurzamen Vrede) die de pacifiste huldigde, voegde hieraan toe, dat haar ook door de buitenlandsche vrouwen te Londen was opgedragen dr. Jacobs haar wenschen over te brengen.
Mr. Werker, Voorzitter van den Vrijz. Democratischen Bond, kwam haar niet in het bijzonder huldigen op één der gebieden waar zij van zich deed spreken, maar als „draagster van een hoogere eenheid”.
Mr. Marchant, Voorzitter van de Vrijz. Democratische Kamerfractie, legde den nadruk op haar geven van leiding ook in de Vrijz. Dem. fractie, waar men zich, als er sprake was van de rechten der vrouw, aan haar absolute heerschappij onderwierp.
Mej. Westerman, lid der Tweede Kamer (Vrouwengroep van den Vrijheidsbond), meende dat in een tijd als deze, waarin veel dreigde verloren te gaan waarvoor dr. Jacobs had gestreden, het goed was haar in het zonnetje te zetten. Zij hoopte dat dezelfde moed die dr. Jacobs getoond had, de vrouwen zou bezielen om te redden wat dreigde verloren te gaan.
Mw. Ros-Vrijman (Centraal Bestuur van de Vrijz.-Democratische Vrouwenclub) verklaarde: Wij feliciteeren ons zelf en hopen u lang te behouden. Spr. dankte dr. Jacobs namens de vrouwen en moeders voor wat zij deed voor haar kinderen en noemde de jubilares een bouwer in den tempel der menschheid. Zij besloot met den heilwensch der bouwers: „Ik wensch u heil, zegen en voorspoed, wijsheid om plannen te maken, kracht om ze uit te voeren, schoonheid om ze in een vorm te gieten, aantrekkelijk en harmonisch,”
Jkvr. De Jong van Beek en Donk (Meisjes-studenten vereenigingen aan de Universiteiten) beloofde dr. Jacobs dat de jongeren zich waard zouden maken wat zij voor haar had veroverd.
Mw. Jacobs-Zoethout (Nederl. Vereen. van Huisvrouwen) herinnerde aan de aangename gastvrouw die dr. Jacobs in Amsterdam was geweest.
Mw. Marie van Dijk (Clubgebouw voor Vrouwen) sprak van het indirect aandeel dat dr. Jacobs aan de stichting van het clubgebouw had gehad en zij hoopte dat dit haar nog dikwijls binnen zijn muren zou mogen zien.
Nog werd gesproken door Zr. Verwey Mejan voor Nosokomos, door den heer Winkel voor de afd. Den Haag van den Vrijz. Dem. Bond, en als reeds vermeld, door den heer Merens voor de afdeeling Den Haag van den Vrijheidsbond.
Voorts voerden het woord: mw. Carno-Barlen voor de Vrije Vrouwenvereeniging, mw. Van Heemskerck van Beest-Baronesse Van Reede tot ter Aa voor den Ned. Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn, mw. Van Schaik-Dobbelman voor de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming. Vertegenwoordigsters van verscheiden afdeelingen der Ned. Ver. van Staatsburgeressen, zooals die van Alkmaar, Amersfoort, Amsterdam, ’s-Gravenhage, Groningen, Haarlem, Rotterdam en Voorburg spraken voor die afdeelingen. Mw. Mr. Bakker-Nort voerde het woord als Tweede Kamerlid, mw. Ninck Blok-Gruys voor de afd. Den Haag der Vrijz. Dem. Vrouwenclub, mw. Cohen Tervaert-Israels voor den plaatselijken Vrouwenraad in Den Haag, mw. Albarda-Knock voor de Sociaal-Democratische Vrouwenclubs, mw. Th. Hoven voor Arbeid Adelt, mw. Romeijn-Tuckerman voor den Cooperatieven Vrouwenbond en voor de Haagsche afd. van de Ned. Ver. van Vrouwen voor Duurzamen Vrede.
Alle redevoeringen werden met luid applaus begroet.
Dr. Jacobs, die zeer ontroerd was, verklaarde dat zij den geheelen dag warme blijken van liefde, vriendschap en waardeering in ontvangst had genomen en niet zoo gemakkelijk haar gevoelens kon weergeven. Het meest naar voren komend was een gevoel van vreugde, dat zij dezen dag had mogen beleven. Zij zag hoe de vrouwen in Nederland veranderd zijn bij de vrouwen van vroeger. Was zij 50 jaar later geboren dan zou zij een gewone vrouw zijn geweest. Ik doe wat gij allen doet (stemmen: „Neen, neen!”). Ik was een vrouw als gij, ik heb gevoeld als gij. Als één vrouw in het land onrecht werd aangedaan omdat zij vrouw was, heb ik dit gevoeld als een persoonlijke beleediging. Dit doet gij tegenwoordig allen. Zij herinnerde aan wat er veranderd was sinds vroeger door voorbeelden van de afhankelijkheid der vrouw in den „goeden ouden tijd”, dien zij verschrikkelijk noemde.
Spr. verzekerde, dat het comité, dat haar den dag tot een feestdag had willen maken, daarin volkomen was geslaagd. Het had haar doen zien, dat, hoe geheel anders de jonge vrouwen van thans ook zijn, zij op dezelfde wijze zouden voortwerken als de oudere, die gerust konden zijn in de wetenschap, dat de jongeren de vrouwenbeweging zouden voortzetten en het honderdmaal beter zouden kunnen, omdat zij beter voorbereid waren en geen tijd behoefden te verspillen aan den strijd voor kiesrecht. In dat kiesrecht hadden zij een wapen om verdere vrouwenrechten in korten tijd te verkrijgen.
Tenslotte wendde zij zich tot de jongeren en voegde dezen toe: vergeet niet wanneer wij hebben gefaald, dat wij voor andere problemen hebben gestaan dan gij, dat wij een muur van vooroordeelen moesten omverwerpen. Zij besloot door te getuigen: wij hebben den strijd gevoerd om aan de vrouwen die na ons komen een gemakkelijker, gelukkiger leven te geven!
Langdurig applaus en een spontaan „Lang zal zij leven”, volgde op haar antwoord.
Een lang défilé van de aanwezigen langs de jubilaresse besloot de receptie. Toen begaven allen zich naar de thee in de salons van het Clubgebouw om zich daarna gereed te maken voor het intieme diner in Witte Brug.
HET DINER.
Nadat men mw. Jacobs bij haar binnenkomen een welkomstlied had toegezongen begaf men zich aan tafel. Voor de disch een aanvang nam verscheen de figuur van Thorbecke op het podium, die met een enkele toespeling op de actueele politieke verhoudingen, een lofdicht op de jubilaresse reciteerde, dat veel bijval vond. Vervolgens droeg mw. Van Wulfften Palthe een berijmd welkom voor, dat eveneens luide werd toegejuicht.
De tafelpresidente, mej. Rosa Manus, deed voorlezing van een telegram van gelukwensch van het gemeentebestuur van Sappemeer. Spr. deelde verder mede dat er een heele stapel telegrafische gelukwenschen was ingekomen, o.a. van Lady Aberdeen, presidente van den Internationalen Vrouwenraad, van tal van internationale en Ned. vereenigingen, van Suze Groeneweg, mevr. Marie van Eysden-Vink, Rosa de Guchtenaere en vele andere figuren en organisaties uit de vrouwenwereld in binnen- en buitenland.
Aan dit verslag heb ik weinig meer bij te voegen. Het aantal telegrammen dat op den feestdag werd ontvangen was zoo groot, dat het zelfs niet mogelijk bleek om aan den feestdisch meer dan de allervoornaamste voor te lezen. Enkele zijn hierboven reeds vermeld, maar laat mij nog mogen verzekeren dat ik bijzonder was getroffen door de gelukwenschen van den Senaat der Groningsche Universiteit, van het gemeentebestuur van Sappemeer, en dan van doctoren uit verscheidene plaatsen, groepsgewijze of afzonderlijk. De toespraak van Dr. Deknatel, den voorzitter van de Afdeeling ’s Gravenhage van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst, heb ik ten zeerste gewaardeerd, evenals het mooie bloemstuk dat daarmede gepaard ging. Voor zoover zij niet reeds op de receptie vertegenwoordigd waren, hadden de meisjesstudenten aan de verschillende Universiteiten telegraphische gelukwenschen gezonden. Zoo deden ook bekende persoonlijkheden van wie ik extra vermelden wil: Mr. J. Limburg, een leider bij zoo menige hervorming door welke ik mij zijn geestverwante gevoel; van den leider der S.D.A.P., Mr. P. J. Troelstra en zijne echtgenoote; en van den Heer D. Hans, voorzitter van den Nederlandschen Journalistenkring. De voorzitter der Haagsche afdeeling van dien kring, Mr. J. J. van Bolhuis, was mij persoonlijk komen gelukwenschen. Onder de vele telegrammen van bekende vrouwen in Nederland, vermeld ik nog inzonderheid dat van Dr. Mia Boissevain. Zij noemde zich een der velen die mijn levenswerk in dankbaarheid herdachten en zij sprak daarbij de hoop uit, dat wat in mijn leven bitter was geweest, door de hulde op mijn 70sten geboortedag mocht worden verzoet. Buiten de vereenigingen welke zich lieten vertegenwoordigen, waren er nog vele andere daartoe niet in de gelegenheid geweest, maar hadden schriftelijk blijken van sympathie en waardeering gegeven. Onder deze denk ik nu met ingenomenheid aan organisaties tot welke ik, noch in politieke noch in godsdienstige overtuiging, kan worden gerekend. Daarbij het hoofdbestuur van de Vrouwengroep in den Vrijheidsbond, het bestuur van de Christelijke bewaarschoolhouderessen en de Joodsche Vrouwenraad.
Van de telegrammen uit het buitenland noem ik vóór alle die van: Mrs. Chapman Catt, die gedurende twintig jaren presidente is geweest van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, en van hare opvolgster in de leiding van die groote internationale organisatie, Mrs. Corbett Ashbey, van Lady Ishbel Aberdeen, de presidente van den Internationalen Vrouwenraad en van het bestuur van dien raad in zijn geheel; van Miss Jane Addams, de presidente van den Internationalen Vrouwenbond voor Vrede en Vrijheid, evenals van het bestuur van dien bond. Voorts nog van tallooze vereenigingen, uit Finland, Denemarken, Noorwegen, van de Vlaamsche vrouwen uit Gent, uit Hongarije, Tsjecho-Slowakije, uit Duitschland, Frankrijk, Spanje en Italië.
De stroom van brieven uit ons land en uit den vreemde bevatten dankbetuigingen voor mijn werk in het algemeen, of voor hetgeen ik in het bijzonder voor bepaalde organisaties had kunnen doen.
Toen ik den volgenden dag dit alles overzag, vroeg ik mij verwonderd af: is het wáár dat gij dat alles hebt gedaan? Toen viel mijn oog op het schilderij dat mij was geschonken, de afbeelding van mijn ouderlijk huis met de kamer waarin ik als meisje had gestudeerd en had zitten peinzen over de onzekere toekomst. Was het werkelijk waar, dat alles wat ik had doorleefd,—en nog veel meer wat in dit boek geen plaats kan vinden,—zich had afgespeeld? Aldus geheel alleen zittende, na al de drukte en de overstelpende emoties van den vorigen dag werd ik, starende naar de afbeelding van het ouderlijk huis, plotseling bevangen door de innig weemoedige gedachte, dat noch mijne ouders, noch een van mijn vele broeders en zusters, die zoo dikwijls angst en bezorgdheid hadden getoond over mijn toekomst, getuigen hadden mogen zijn van dien voor mij grooten dag! En starende naar de kamer, waarin ik zoo menige goede les van mijn vader had ontvangen, riep ik hem in gedachte toe: „Wees gerust, beste vader! Dikwijls hebt U over mij in zorg verkeerd en gevreesd dat mij door mijn optreden zelfs ernstige gevaren bedreigden. Voor hetgeen mij thans nog te doen overblijft, is daarvoor waarlijk geen reden meer. Dank zij Uw hulp en voorlichting, is mijn werk geslaagd. De vrouwen gaan een betere toekomst tegemoet!”
INHOUD
Hoofdstuk Bladz.
I—KINDERJAREN
Ouders en Kinderjaren.—Mijn prille jeugd.—Hoe wij werden opgevoed.—Mijn schooljaren.—Ik kom bij moeder thuis.—Avontuurlijke plannen.—Ik word voor naaister opgeleid.—Nieuwe banen.—Mijn eerste examen. 1
II—MIJN STUDIETIJD
Ik kom aan de Hoogeschool.—Mijn ervaringen in en om de Universiteit.—De voorloopige toestemming verandert in een definitieve.—Candidaat in de wis- en natuurkundige wetenschappen.—Met lof geslaagd voor het tweede examen.—De praktijk van het leven.—De groote ontgoocheling.—Nieuwe hoop.—Voor ’t eerst praktisch werkzaam.—Ik ga naar Amsterdam.—Het doel bereikt.—Uit mijn plattelandspraktijk.—Mijn promotie.—Ik ga naar Londen. 26
III—MIJN VERBLIJF TE LONDEN
De aankomst.—Nieuwe vrienden.—Studie en ontspanning.—Ik ga naar Nederland terug.—Het medisch congres te Amsterdam.—Gevestigd in de hoofdstad. 58
IV—DE EERSTE JAREN VAN MIJN PRAKTIJK
Pioniersarbeid naar allen kant.—Hoe het veertig jaar geleden in Amsterdam was.—Ik maak kennis met Carel Victor Gerritsen.—Nieuwe vriendschapsbanden worden gelegd.—Mijn werk onder de volksklasse.—Een zware slag treft mij. 66
V—HET WILLEKEURIG MOEDERSCHAP
Vrouwenleed.—Het middel gevonden.—Roeien tegen den stroom op.—Uren van twijfel en dagen van strijd.—Het einde kroont het werk. 79
VI—DE STRIJD VOOR HET VROUWENKIESRECHT
Hoe het begon.—Mijn actie in het openbaar.—Gronden voor de weigering van mijn verzoek.—Contact met buitenlandsche geestverwanten.—De Nederlandsche Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht.—Mijn eerste spreekbeurt.—Oprichting van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht.—Mijn eerste buitenlandsche propagandatocht. 90
VII—MIJNE BEMOEIINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VROUWELIJK WINKELPERSONEEL
Gevolgen van het lange staan.—Mijn pogingen om verbeteringen aan te brengen.—Voor de Staatscommissie.—Geen medewerking van mijne collega’s.—Oproep aan de vrouwen van Nederland.—De publieke opinie.—Mijn wenschen worden verwezenlijkt. 117
VIII—MIJNE BEVINDINGEN OP PACIFISTISCH EN ANTI-MILITARISTISCH TERREIN
Antimilitaristische neigingen.—Mijn aanraking met Bertha von Suttner.—Ontmoeting van William Stead en Björnson.—Tijdens den Zuid-Afrikaanschen oorlog.—De groote ontgoocheling.—Het Internationale Vrouwencongres in Den Haag gehouden.—Bezoeken bij regeeringen van verschillende landen.—Reizen in oorlogstijd.—Naar Amerika.—Congres te Zürich (Mei 1919)—Een studiereis door Duitschland.—Werk ten bate van de krijgsgevangenen in Siberië.—Nieuwe indrukken in Duitschland in 1920.—Voorstel tot actie voor een herziening der Vredestractaten.—Het internationale Vrouwencongres in 1922 in Den Haag. 131
IX—HET PROSTITUTIE-VRAAGSTUK