Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 25
Nog altijd was het Ministerie-Heemskerk aan het roer. In het vooruitzicht van de naderende verkiezingen, in Juni 1913, hadden de drie linksche partijen, de Vrijzinnig-Democraten, de Liberale Unie en de Vrije Liberalen, zich tegen de Regeeringsmeerderheid verbonden. Evenals in 1905 was er weder een Grondwetsherziening aan de orde. De drie vereenigde partijen hadden voorgesteld om artikel 80 en de daarmede samenhangende artikelen, zoodanig te wijzigen dat het algemeen mannenkiesrecht in de Grondwet werd vastgelegd, en dat de belemmeringen in de Grondwet om het vrouwenkiesrecht in te voeren, zouden worden weggenomen. In mijn eigen partij heb ik daartegen geprotesteerd, omdat ik op grond van ons program, het onmiddellijk opnemen van algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht in de Grondwet, onze partij gebonden achtte. Met dien wensch stond ik echter alleen en kon dus geen succes verwachten. Uit het wetsontwerp van de clericale, anti-feminististische regeeringspartij ten aanzien van de kiesrechtartikelen, werd het mij spoedig duidelijk dat wij vrouwen in ieder geval krachtig moesten medewerken om het Ministerie ten val te brengen, omdat daarvan voor ons niets goeds was te wachten. Had niet Minister Heemskerk in de Kamer durven beweren: „de vrouwen in Nederland begeeren geen kiesrecht!” Daardoor reeds was er aanleiding genoeg om onze duizenden leden en buiten hen alle medestanders ter inleiding van de verkiezingsactie op te wekken tot een luid protest tegen deze Regeering.
Gedurende mijne reis met een zoo ervaren reisgenoote, had ik de diepe overtuiging opgedaan dat het voor een groote maatschappelijke hervorming van weinig belang is of men de regeeringspersonen van het nut daarvan weet te overtuigen, zoolang men niet het volk, de kiezers, gewonnen heeft. In dezen gedachtengang stelde ik het bestuur onzer vereeniging voor, om op een bepaalden dag in Den Haag een betooging te houden en daarmede het bewijs te geven dat vele vrouwen in Nederland het kiesrecht verlangden. Die betooging zou dan moeten eindigen in een groote vergadering, waar niet alleen vrouwen maar ook vertegenwoordigers van verschillende politieke richting het woord zouden voeren. Toen ik hiermede aankwam, bleek het dat het bestuur in zijn geheel voor zulk een optreden in het openbaar nog niet rijp was. Het leek te veel op de manier der suffragettes! Wij kwamen echter tot een compromis en een bemiddelingsvoorstel werd aangenomen. Wel zou er in Den Haag een protest-meeting worden gehouden, maar zij die uit het heele land daarvoor kwamen, zouden niet verplicht zijn om in optocht van het station naar de vergaderzaal te trekken. Men zou ook op eigen gelegenheid daarheen kunnen gaan.
Dit is het eerste openbare optreden van onze vereeniging geweest. Op Zondag 4 Mei 1913 hebben eenige honderden leden der vereeniging aan de betooging deelgenomen. Wel werd ons niet toegestaan om langs de woning van Minister Heemskerk te trekken, maar door een politieagent werden wij door achterbuurten geleid naar den Dierentuin, waar de protest-meeting zou worden gehouden. Voor mij was dit geen tegenvaller, want het was den moriaan geschuurd om Minister Heemskerk te overtuigen van het onware zijner bewering, dat kende hij reeds lang. Wij moesten het volk winnen en belang doen stellen in onzen strijd. Op dezen grooten dag hebben toch velen onzer leden haar grooten tegenzin overwonnen om ook op straat onze beginselen duidelijk te maken.
De protestvergadering is mede een groot succes geweest. De groote vergaderzaal in den Dierentuin was overvol en de partijen van Links hadden elk een harer beste sprekers gezonden. Wij ontvingen betuigingen van sympathie van tallooze groote vereenigingen in het land en van vele hoogstaande mannen en vrouwen.
Het is een goed begin geweest. Wel konden de vrouwen nog geen stem uitbrengen, maar onze bedrijvigheid bij de verkiezingen is toch even groot geweest als van de ijverigste en best georganiseerde politieke partijen.
Op den dag der verkiezing in Juni 1913, was ik evenals vele andere strijdsters voor het kiesrecht te Boeda-Pest, op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Daar bereikte ons de heuglijke tijding dat het Ministerie Heemskerk was afgetreden. De vreugde daarover werd echter spoedig getemperd toen wij vernamen dat de socialisten hadden geweigerd om aan de samenstelling van een Linksch ministerie deel te nemen. Daarop kwam het Zakenkabinet-Cort van der Linden tot stand. Dit was ons in het geheel niet naar den zin. Wij hadden immers dezen Premier als Minister in een vroeger Kabinet leeren kennen als een anti-feminist, een man bij wien elke poging om de vrouwen uit haar onmondigen staat op te heffen, op tegenstand zou stuiten. Toch waren wij er van overtuigd dat dit Ministerie de Grondwetsherziening tot stand zou brengen en dat men daarbij minstens zoo ver zou avanceeren als het voorstel van de drie partijen die bij de verkiezingen hadden samengewerkt. Wij wilden echter méér bereiken. Aangezien nu in Den Haag was gebleken dat er ook in ons land openbare betoogingen van vrouwen konden worden gehouden, kwam die manier van propaganda van nu af in verschillende onzer afdeelingen aan de orde van den dag.
In September werden wij door den inhoud van de Troonrede niet teleurgesteld. Voor de eerste maal in ons land werd in dit staatsstuk van vrouwenkiesrecht gerept. De Koningin kondigde aan, dat de Regeering met spoed een Grondwetsherziening aanhangig zou maken, waarin zou worden bepaald dat alle mannen van een bepaalden leeftijd het kiesrecht verkregen, en dat de grondwettelijke beletselen tot invoering van het kiesrecht aan vrouwen, zouden worden weggenomen.
Dit was wel een goed voorteeken, maar het kon ons alleen aansporen tot nog krachtiger optreden. Minister Cort van der Linden had in een zijner jongste redevoeringen gezegd, dat hij wilde regeeren naar den wil des volks, en bij een vroegere gelegenheid had hij zich uitgelaten, dat invoering van vrouwenkiesrecht gelijk stond met een sprong in het duister. Beide beweringen moesten wij ontzenuwen. Voor de eerste zetten wij een volkspetitionnement op touw, waarbij grondwettelijke gelijkstelling van man en vrouw werd gevraagd. Binnen een paar maanden hadden wij reeds ruim 165.000 handteekeningen verkregen, toen de oorlog ons dwong de beweging te staken. De tweede bewering werd weerlegd door een schriftelijk verzoek aan alle regeeringen van landen waar het vrouwenkiesrecht reeds bestond om mededeeling hoe het daar werkte. Deze gelijkluidende brief werd gericht aan het federatieve Parlement in Australië en aan alle afzonderlijke staten van dat Gemeenebest, aan de Gouverneurs van alle staten in Noord-Amerika waar de vrouwen reeds in het volle bezit waren van hare rechten, en aan de regeeringen van Noorwegen en van Finland. Het heeft niet lang geduurd of van al de bedoelde regeeringen hadden wij zeer bevredigende antwoorden ontvangen, welke wij bijeen lieten drukken en daarna toezonden aan alle regeeringspersonen en aan de pers.
Bij de opening van het Vredespaleis en het daarmee gepaard gaande internationaal Vredescongres in Den Haag, in Augustus 1913, belegden wij in Amsterdam en in Den Haag openbare vergaderingen, waarbij verscheidene buitenlandsche leden zich bereid toonden het woord te komen voeren. Dit was te meer te waardeeren omdat het Congres drukke werkzaamheid vorderde en enkelen dezer bekende persoonlijkheden door een slechte gezondheidstoestand werden belemmerd. Met de meesten die zoo welwillend aan onze uitnoodiging gehoor gaven was ik persoonlijk bevriend. Het waren Gravin Bertha von Suttner, uit Oostenrijk, Mons. Dr. Alexander Giesswein, prelaat van den Paus uit Hongarije, Dr. Carl Lindhagen, burgemeester van Stockholm, Mrs. Sewall, de presidente van den Internationalen Vrouwenraad uit Amerika en Mad. Jeanne Mélin uit Frankrijk.
Naast deze, om het zoo te noemen voorname propaganda, werd een andere, vooral niet minder doeltreffende manier om onze wenschen te verbreiden, niet versmaad. Op middagen trokken groote troepen vrouwen, met kiesrechtlinten en vlaggen door de volksbuurten, om vlugschriften te verspreiden en kleine groepjes vrouwen toe te spreken. Een andere methode was deze, dat eenige dames op de weekmarkten een tentje huurden om kleinigheden goedkoop te verkoopen en na dit lokmiddel toespraken te houden over het kiesrecht, voor een steeds aangroeienden drom van marktbezoekers. Door deze en andere middelen steeg het ledental der vereeniging elke week met honderden, dank zij het ijverige werk van onze propagandisten.
Aan al dien arbeid is in den zomer van 1914 plotseling een einde gekomen door het uitbreken van den oorlog. Als pacifiste in merg en been, voelde ik toch in het eerst louter medelijden voor de achterblijvende vrouwen en kinderen, evenals voor al die jonge mannen in den militairen dienst. Ik beschouwde het als mijn duursten plicht dit lijden te verzachten voor zooveel het mij mogelijk was en daaraan besteedde ik al mijn tijd. Moest dit echter de voornaamste taak der vrouwen zijn te midden van deze plotseling opgekomen ellende en behoorde ook ik daarin aandeel te nemen? Het lag inderdaad het meest voor de hand, en had de kracht eener eeuwenheugende traditie. Tot de plichten der vrouw behoorden immers van oudsher het verzachten van ellende en het heelen van wonden in oorlogstijd. Langen tijd heb ik atavistisch gehoorzaamd en zelfs hier en daar een leidende positie ingenomen. Bij de gruwelen waarvan wij iederen dag hoorden en lazen, werden wij aangespoord tot nieuwen arbeid. Na eenigen tijd kreeg ik echter andere inzichten. De verschrikkingen van den oorlog pijnigden mij dag en nacht. In ons land was gelukkig een vredelievende regeering, maar ware het anders geweest dan zou zij in haar voornemen om aan den oorlog deel te nemen gesterkt zijn, omdat zij op de hulp der vrouwen kon rekenen. Nu was ik verzeild geraakt in philanthropischen arbeid, welke in stede van den oorlog te verkorten, tot het verlengen zou kunnen bijdragen omdat wij toch niet anders deden dan de gevolgen verzachten.
Aldus kwam ik meer en meer tot de overtuiging dat de vrouwen een hoogere roeping hadden te vervullen. Het was onze plicht te protesteeren tegen het roekeloos verwoesten van kunstschatten, het uiteenscheuren van gezinnen, het wreedaardig opofferen van jonge menschenlevens, en in het algemeen alles te doen om het voortzetten van dezen waanzinnigen oorlog tegen te gaan. Toen ik eenmaal tot dit inzicht was gekomen, heb ik alles gedaan wat in mijn macht stond om de stem der protesteerende vrouwen kenbaar te maken. Het Congres dat in April 1915 in Den Haag werd gehouden, is daarvan de sprekende uiting geweest. Over dat Congres en over de daarop gevolgde reis welke ik samen met Miss Jane Addams uit Chicago naar de verschillende regeeringen heb gemaakt, is in hoofdstuk VIII reeds geschreven, evenals over mijn volgende reis naar Noord-Amerika en mijn bezoek aan President Wilson.
Intusschen ben ik de taak welke ik bij het uitbreken van den oorlog had aanvaard, nog eenigen tijd en zoo lang het noodig was, blijven vervullen. Ik had toen niet het gevoel dat ik daarmede in strijd handelde met mijn pacifistische opvatting. Die taak bestond hierin,—aan het slot van Hoofdstuk VIII heb ik er reeds op gewezen,—om aan vrouwen en meisjes die op haar doorreis door verschillende omstandigheden in ons land waren gestrand, hulp en steun te verleenen. Hierop kom ik nu alleen terug omdat zich daarbij somtijds zonderlinge gevallen voordeden. Op zekeren dag melde zich een pikzwart meisje bij mij aan met een aan mij geadresseerden brief in de hand. Zij sprak een beetje Fransch maar door de manier van uitspraak was en bleef zij onverstaanbaar. De brief was van een dame te Londen die mij uit de vrouwenbeweging kende en die bevriend was met vele mijner Londensche vrienden. Deze negerin kwam ook uit Londen en zij was op weg naar Keulen, waar bekenden of familieleden van haar moesten wonen. Zij kwam van Madagascar en het verzoek luidde of ik haar naar Duitschland wilde helpen. Het was een moeilijke taak, maar na een paar weken heb ik haar over de grenzen gekregen, waar zij door iemand die haar kende zou worden afgehaald. Ofschoon die persoon mij zulks had beloofd, heb ik nooit bericht ontvangen dat zij goed was aangekomen. Vier jaar na dato echter werd ik verrast door een brief uit Keulen, waarin het bedoelde meisje, met den mooien naam Razanamanga van Madagascar, mij in kreupel, maar toch verstaanbaar Duitsch herinnerde dat ik haar indertijd in staat had gesteld om Duitschland te bereiken. Nu deelde zij mij mede, dat zij weder enkele weken in ons land zou komen en gaarne weder door mij zou worden opgenomen om van hier naar Engeland of naar Frankrijk te worden geëxpedieerd, alvorens naar haar bakermat te kunnen terugkeeren. Behalve zulke stumperds kwamen ook vrouwen uit de hooge aristocratie uit Engeland of Duitschland, zonder pas en zonder geld, in ons land en moesten tijdelijk geholpen worden.
Het jaar 1915 werd nagenoeg geheel besteed aan pacifistische doeleinden, maar daarbij werd de strijd voor het vrouwenkiesrecht niet verwaarloosd. De Grondwetsherziening werd voorbereid en de behandeling in de Kamer kon reeds worden tegemoet gezien. In den aanvang van 1916 werd in onze vereeniging een plan de campagne opgemaakt en daarbij behoorden groote openbare demonstraties in Amsterdam en in Den Haag om de kiezers voor onze rechtmatige eischen te interesseeren. Een groot bezwaar hierbij was, dat de autoriteiten gedurende den oorlog weinig genegen waren om betoogingen op straat toe te laten. Als vrouwen echter iets ernstig wenschen weten zij haar doel toch wel te bereiken. In Amsterdam hadden wij weinig moeite, want het geluk wilde dat de hoofdcommissaris van politie alle bezwaren voor ons wilde opruimen. Die eerste demonstratie, op 16 Juni gehouden, slaagde geheel naar wensch. Buiten onze eigen leden namen tal van andere vereenigingen, en niet alleen van vrouwen, aan den optocht deel. Gedurende 2½ uur trokken wij door de dichtst bevolkte wijken en uit de menigte werden ons overal woorden van aanmoediging toegeroepen. Het succes is volkomen geweest.
Anders ging het in Den Haag. De Burgemeester had zich stellig voorgenomen gedurende den oorlogstijd geen enkele demonstratie toe te staan en daarom was hij ook van zins onze vreedzame betooging te verbieden. Zoodra ik dit vernam vertrok ik uit Amsterdam naar Den Haag, waar ik met de presidente van de Haagsche afdeeling, Mevr. Kehrer-Stuart, eerst een bezoek bracht aan den hoofdcommissaris van politie. Deze ontweek het verzoek door ons te verwijzen naar den Burgemeester als hoofd der politie. Een half uur later zaten wij bij den Burgemeester op audiëntie. Hij trachtte ons uit te leggen waarom hij gedurende den oorlog geen demonstratie in de stad kon toestaan. Wij toonden hem aan dat zijne redenen voor ons verzoek niet konden gelden, maar hij bleef weigeren. Toen zeide ik dat vele vrouwen in het land besloten waren om deze betooging te houden in het belang van onzen strijd, nu in de Tweede Kamer een beslissing zou worden genomen over de hoogste belangen van de Nederlandsche vrouwen. Het plan was om op een vergadering in den Dierentuin een motie voor te stellen en nadat zij was aangenomen, haar gezamenlijk te gaan aanbieden aan den voorzitter van de Kamer. Indien de Burgemeester als hoofd der politie er voor wilde zorgen dat men ons op die wandeling niet lastig viel, dan verklaarde ik mij bereid de gevolgen van ons optreden op mij te nemen.
Hierna werd de hoofdcommissaris van politie ontboden. Wij sloten daarop het accoord, dat ik borg zou blijven voor het ordelijke van de betooging, mits de politie er voor zorgde dat ons niets kwaads geschiedde. Zoo is deze tweede demonstratie op 18 October 1916 in volmaakte orde gehouden. Te voren hadden wij den Voorzitter der Tweede Kamer gevraagd wanneer hij ons zou kunnen ontvangen om het adres in ontvangst te nemen. Wij waren zeer verwonderd toen wij op den aangegeven tijd, waarop anders de Kamerleden nog in discussie zijn, verschenen en slechts enkele Kamerleden aantroffen. De anderen waren door een achterdeur ontsnapt! Moed vindt men toch maar alleen bij mannen.
Van dien dag tot aan het einde der debatten over de kiesrechtartikelen in de nieuwe Grondwet, hebben heele groepen van vrouwen iederen dag een wacht gevormd voor het Parlementsgebouw, zoodat de mannen in de Kamer geen oogenblik konden vergeten dat de vrouwen het kiesrecht eischten. Toch is ons toen het directe kiesrecht niet verleend, wel het recht van verkiesbaarheid tot afgevaardigde. Door dit besluit was ons land een unicum onder de constitutioneele landen geworden.
In 1918 zijn de verkiezingen gehouden krachtens de gewijzigde Grondwet, onder toepassing van algemeen mannenkiesrecht en verkiesbaarheid van de vrouw voor de volksvertegenwoordiging. Vele politieke partijen hadden ook een vrouw candidaat gesteld. De Vrijzinnig-Democratische partij, waartoe ik behoor, had dit met mij gedaan. Bij alle partijen werd er echter wel voor gezorgd dat de vrouwelijke candidaat niet gekozen werd. Toch kon men niet verhinderen dat de vrouwen nu in de gelegenheid waren om voor volle zalen de kiezers toe te spreken en op de domme bepaling in de nieuwe Grondwet ter dege aandacht te vestigen.
Alleen de sociaal-democraten waren er in geslaagd hun candidate in de Kamer te brengen. Een bekend verschijnsel, want hetzelfde doet zich voor in alle landen waar vrouwenkiesrecht of verkiesbaarheid voor de eerste maal worden toegepast.
Door den afloop waren wij volstrekt niet ontmoedigd, in de overtuiging dat wij op de sympathie van de meerderheid des volks konden rekenen en dat de overwinning in zicht was. Nog in hetzelfde jaar, in November 1918, openbaarde zich in nagenoeg alle landen een revolutionnaire geest en zoo was het ook ten onzent. Toen nu de regeering, bevreesd voor de gevolgen, naar de wenschen van de revolutionnisten vroeg, werden slechts twee wenschen duidelijk uitgesproken: de 8-urige werkdag en het vrouwenkiesrecht. De reactionnaire, clericale Regeering die nu weder aan het bewind was gekomen, zegde inwilliging van die beide wenschen toe. De leider der vrijzinnig-democraten, Mr. Marchant, had reeds bij den aanvang van het zittingsjaar, in September, een wetsvoorstel ingediend om aan de vrouwen dezelfde politieke rechten te geven als aan de mannen. Dit voorstel werd in beide Kamers met groote meerderheid aangenomen en op 18 September 1919 door de Koningin bekrachtigd.
Uit het heele land werden mij bloemen en gelukwenschen toegezonden en het groote feest waarmede de overwinning werd gevierd, in het Concertgebouw te Amsterdam, was in hoofdzaak een huldebetoon aan mij. Onder de vele geschenken welke ik mocht ontvangen, is het vrouwenkiesrecht-embleem, door een kunstenaar in goud uitgevoerd, mij bij uitstek lief gebleven, zoodat ik het bijna iederen dag draag. Spoedig daarna begon ook de stroom te vloeien van brieven en telegrammen uit het buitenland. Bij de groote overwinning werd ik overladen met gelukwenschen en dankbetuigingen. Ik voeg hier onmiddellijk bij, dat die zege nooit zou zijn behaald zonder zoo talrijke en zoo degelijke medewerksters. Ik durf hier geen namen noemen uit vrees velen te vergeten. Slechts ééne uitzondering wensch ik te maken en niemand zal mij dat euvel duiden, omdat die eene medestrijdster zulk een gewichtig aandeel heeft vervuld. Ik bedoel Mevrouw Clara Mulder van de Graaf-de Bruijn, die als orthodox Roomsch Katholieke vrouw met ons aan het hoofd der beweging heeft gestaan, soms avond op avond in de Zuidelijke provincies het vrouwenkiesrecht van Katholiek standpunt verdedigende, en dat ondanks alle tegenwerking welke zij daarbij van priesters en drijvers ondervond.
Hoe het mij te moede was toen het vurig verlangde kiesrecht eindelijk was verkregen?
Laat mij de vraag beantwoorden met een herinnering aan de dagen die ik met Mrs. Chapman Catt te Manilla doorbracht. Uit de kamers van ons hotel keken wij uit op een huisje dat voor het een of ander bureau dienst deed. Het stond midden in een tuin en in een boom huisde een groote aap wiens levenstaak scheen te zijn om de ambtenaren te amuseeren. Af en toe klauterde het dier omlaag, maar wanneer het dan op den grond was aangeland kon het zich slechts een klein eindje van den stam verwijderen, omdat het met een ketting aan den boom was gekluisterd. Dat hinderde mij telkens als ik het zag en graag zou ik getracht hebben om het arme beest los te maken. Eens op een morgen maakte ik Mrs. Catt op het dier opmerkzaam. Met haar mooie blauwe oogen keek zij mij ondeugend aan en zeide: „That monkey is just as we, aren’t we just as fast tied on the suffrage-tree? When will we be freed?”
Het eerste, blijde gevoel dat mij doortrilde toen in ons land het kiesrecht voor de vrouw was verkregen, is te omschrijven als een heerlijke opluchting. Vrij, los van den kiesrechtboom waaraan ik zoo vele jaren gebonden was geweest!
Spoedig deed zich voor mij de vraag voor: wat nu te doen? In de eerste plaats vertrok ik onmiddellijk uit Amsterdam naar den Haag. Ik hoopte mij nu geheel los te maken van het vereenigingsleven en mij te kunnen wijden aan allerlei arbeid naar welke ik dikwijls had verlangd, maar waarvoor ik nooit tijd had kunnen vinden. Ook wilde ik Amsterdam verlaten, omdat vele vrienden met wie ik lief en leed had gedeeld, daar gestorven waren en anderen vandaar waren vertrokken. In Den Haag daarentegen zou ik vele nieuwe vrienden vinden. In die verwachting ben ik ook niet bedrogen, maar vooreerst zou ik nog geen rust vinden. Nog was de verhuisboedel niet ontpakt, toen ik reeds werd medegetroond naar Zürich om er een Vredescongres te helpen voorbereiden. Over onze reis van vijf dagen van Den Haag naar Zürich en het daar gehouden Congres, heb ik reeds in Hoofdstuk VIII geschreven, evenals over de direct daarop volgende reis door Duitschland en over al het andere pacifistische werk, dat mij even hard bezig hield als het vroegere kiesrechtwerk.
Rust heb ik ook in Den Haag niet gevonden, maar ik voelde het maar al te goed, rust zou mij ook niet bevredigd hebben. In de groote familie Broese van Groenou met de vele kinderen en kleinkinderen, heb ik lieve en oprechte vrienden gevonden, aan wie ik mij meer gehecht gevoelde dan aan menig eigen familielid. Een der lieve kleinkinderen werd mijn petekind en zoo kon ik mij een echte grootmoeder gevoelen. Toen kort na mijn verhuizing naar Den Haag, ook Clara Mulder van de Graaf daar in mijn buurt kwam wonen, toen voelde ik mij rustig, in de zekerheid dat ik geen eenzamen ouden dag tegemoet ging.
In 1919 en nog later heb ik mij in de eerste plaats gewijd aan alles wat met het vredeswerk in verband stond en, voor zoo ver ik daarvoor nog tijd kon vinden, aan onderdeelen van de veelomvattende vrouwenbeweging. Daarbij vermeld ik in het bijzonder het vraagstuk van de nationaliteit der gehuwde vrouw, dat terwijl ik dit schrijf weder op den voorgrond is getreden en waarin ik, nationaal en internationaal, zeer betrokken ben. Een ander probleem, al staat dit buiten de eigenlijke vrouwenbeweging, is het willekeurig moederschap. In de laatste jaren is het in Amerika, Engeland en Scandinavië van groote beteekenis geworden. Het wordt in die landen door economen en medici ernstig overwogen, terwijl het daar ook de belangstelling heeft van het volk. Dit onderwerp geeft mij dikwijls handen vol werk bij het beantwoorden van tallooze brieven, en ook doordat ik veel bezoek ontvang van geleerden uit de genoemde landen die mij over dat vraagstuk wenschen te raadplegen. Terwijl ik nu—in het voorjaar van 1924—mij reisvaardig maak voor mijn vertrek naar Amerika, heb ik weder verscheidene brieven ontvangen van personen die ginds een onderhoud verzoeken of voor hetzelfde doel mijn aanstaand adres in Amerika wenschen te kennen.