Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 24

Chapter 243,890 wordsPublic domain

Wat waren wij later blij dat wij die reis naar Jerusalem gemaakt hadden! Zoo hebben wij Palestina en Syrië (want dat land moesten wij onwillens ook bezoeken) nog vrijwel in den oerstaat gezien. Te oordeelen naar hetgeen men mij vertelt van de tegenwoordige toestanden, moet alles wel totaal veranderd, gemoderniseerd zijn, niet meer te vergelijken met de toestanden vóór den oorlog, of, volgens een uitdrukking van Mrs. Catt „before the world grew mad.”

Toenmaals was in Jaffa één behoorlijk hotel. In Jeruzalem hebben wij onzen intrek moeten nemen in het Amerikaansch-Zweedsch settlement dat Selma Lagerlöf zoo romantisch heeft beschreven. In Jaffa en Jeruzalem leken alle menschen leelijke doornroosjes die, na 2000 jaren te hebben geslapen, door een ruwe hand waren gewekt en nu huns weegs gingen in de kleeren en met de zeden en gewoonten van hun eigen tijd. Thans is van dat alles niets meer aanwezig dan de kerken en andere geschiedkundige merkwaardigheden, tusschen welke een nieuwe stad wordt gebouwd, zooals ik mij voorstel als oud-Rome in nieuw-Rome ligt.

Toen wij al het merkwaardige in en om Jerusalem bezichtigd hadden en naar Port Said wilden terugkeeren, moesten wij tot onzen schrik vernemen dat er vooreerst geen boot Jaffa zou aandoen! In Jaffa waren de pokken uitgebroken en in één week waren er reeds twee dooden geweest. Men raadde ons om door Syrië naar Beiroet te gaan en daar een boot te nemen die Jaffa niet aandeed, maar rechtstreeks naar Port Said zou gaan.

Op twee open wagens, elk met drie paarden bespannen, met houten banken die op ijzeren spaken rustten, werden wij vieren met onzen gids en een massa proviand opgeladen. Over ongebaande wegen, soms over stoppelvelden, werden we in enkele dagen vervoerd naar Tiberias. In een roeibootje kwamen we over het meer van Galilei, bereikten een klein stationnetje en spoorden toen in eenige uren in een primitief treintje naar Damascus. Dit alles is nu veranderd en voldoet meer aan de moderne eischen.

Voor een eigenlijke reisbeschrijving is hier geen plaats. Ik zal dus slechts enkele hoofdzaken aanstippen. Toen wij van Damascus te Beiroet waren aangekomen, lieten wij daar een boot vertrekken omdat het niet zeker was dat zij Jaffa niet zou aandoen. Met de volgende gingen wij mede, maar eerst toen wij van wal gestoken waren, bemerkten wij welk soort van vaartuig het was. Aan boord waren 1200 landverhuizers en slechts enkele passagiers eerste klasse. Nu stoomden we Jaffa voorbij, maar er deed zich een onvoorzien geval voor dat al onze voorzorgen om niet in quarantaine te komen, toch verijdelde. In den nacht voor de aankomst was een oude vrouw die met haar kinderen naar Amerika wilde, in het overvolle tusschendek bezweken. Het gevolg hiervan was, dat wij een heelen dag voor Port Said in zee bleven liggen zonder dat iemand het schip mocht verlaten, en dat het daarop met de geel-groene vlag in top naar Alexandrië moest opstoomen, waar het eveneens ver buiten de haven moest blijven, en dat den derden dag het bericht kwam: „Men heeft niet kunnen constateeren dat de oude vrouw niet aan cholera is gestorven.”

De consequentie van deze medische slimmigheid was, dat wij werden opgezonden naar het quarantaine station in Alexandrië en dat wij daar vier dagen als echte gevangenen hebben geleefd. Daarna mochten we vertrekken, maar wij moesten opgeven waarheen we gingen en in welk hotel we intrek zouden nemen. Nog daargelaten dat wij voor dit ongewenschte logies, het niet gewenschte medisch onderzoek en nog vele andere ongevraagde zaken een heel hooge rekening hadden te betalen, werd al onze bagage met een rood kruis gemerkt ten teeken dat wij uit de quarantaine kwamen en dus geschuwd moesten worden. Wij wilden nu zoo gauw mogelijk met den trein naar Caïro en hadden daarvoor een auto besteld, maar naast den chauffeur werd een man gezet die er voor zorgde dat aan het station te Alexandrië onze kaartjes ook voorzien werden van een rood kruisje, zoodat de autoriteiten in Caïro zouden weten welk soort van reizigsters wij waren. Toen wij dien avond laat Caïro bereikten en ons weder aan een medisch onderzoek hadden te onderwerpen, heb ik gebruik gemaakt van mijn medischen titel. Ik vroeg den chef van de aanwezige medici te spreken en hem mijn kaartje gevende, verzekerde ik dat mijne reisgenooten en ik volmaakt gezond waren. Toen konden wij naar ons hotel gaan en van de Egyptische overheid hebben we verder niets meer gemerkt.

Ons verblijf werd niet gekenmerkt door belangrijke gebeurtenissen. In Caïro hebben we onze rol van voorlichtsters der vrouw weder opgevat. Toch kregen wij hier nog meer gelegenheid om de omstandigheden te leeren kennen waaronder de Turksche vrouwen leefden dan dat wij onze denkbeelden konden verspreiden. Evenwel maakten we er kennissen en zoo kon het gebeuren dat ik in 1923, op het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht te Rome, onder de afgevaardigden uit Egypte een vrouw ontmoette die ik in 1911 reeds in Caïro had leeren kennen.

In het begin van 1912 verlieten Mrs. Catt en ik Caïro om, nu zonder onze beide reisgenooten, aan boord te gaan van de „Prinses Juliana” naar Ceylon. De mogelijkheid van een spoedige invoering van vrouwenkiesrecht was in Nederland toen reeds zoozeer verbreid, dat nog geen drie dagen na ons vertrek, mij een door 36 passagiers onderteekend verzoek werd overhandigd om een voordracht over het onderwerp te houden. Als goede propagandiste moest ik mij over dit verzoek natuurlijk verheugen, maar wij waren in den Indischen Oceaan en het was buitengewoon warm.... Toch wilde ik niet weigeren en met toestemming van den kapitein werd de eetzaal tweede klasse den volgenden middag tot vergaderzaal ingericht. Toen ik om half vijf mijn voordracht begon, waren alle passagiers 1ste en 2e klasse aanwezig. De belangstelling was zoo groot dat wij nog lang niet waren uitgepraat toen om zes uur de vergaderzaal weer eetzaal moest worden. Den volgenden dag werd ook Mrs. Catt uitgenoodigd om te spreken, waaraan zij gaarne voldeed. Op die wijze werd het vrouwenvraagstuk „the topic of the day” onder alle passagiers waarbij wij dikwijls in de discussie werden betrokken.

Het was 20 Januari toen het mooie, gerieflijke schip ons te Colombo deed landen. Op Ceylon hebben we enkele genotvolle weken doorgebracht. Wij gingen eenige rustige dagen doorbrengen in het mooie stadje Kandy, om onze correspondentie bij te werken en tegelijk de nabij gelegen koninklijke botanische tuinen te bezichtigen. Hierbij was voor mij nog een bijzondere aantrekkelijkheid, want ik wilde mij nu zelf eens overtuigen of aan deze tropische tuinen dan wel aan ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg de eerepalm toekwam. Toen wij op een morgen reeds om zeven uur te Paradenya, waar de tuinen zijn, aankwamen, was er nog slechts een jonge man, een student, present. Hij bood zich aan als onze gids. Bij het aanwijzen van de belangrijkste planten, vestigde hij onze aandacht op een zeer hoogen palm die in den top een onmetelijken pluim van bloesems vertoonde. Dat was de Taliputpalm, die naar hij vertelde, slechts eenmaal in de honderd jaar bloeit en dan afsterft. Iets verder wees hij ons een anderen palm aan, dien hij den Royal Palm noemde.

Meer zal ik van deze prachtige tuinen nu niet vertellen, maar ik wilde dit geval even releveeren, omdat het sedert dien morgen uit was met de, tot dusver onverstoorde „Seelenharmonie” tusschen Mrs. Catt en mij. Op Ceylon, in Britsch-Indië, in Burma, op Penang, te Singapore en daarna nog op Java, zagen wij telkens lanen van den Royal Palm, slechts een enkele maal (volgens mij althans) den Taliputpalm. Na eenigen tijd had Mrs. Catt de beide namen verwisseld. Zoodra wij zulk een boomenrij zagen, kon ik mij niet weerhouden te zeggen: „daar staan weer Royal Palms” en onvermijdelijk kwam dan de, evenmin te onderdrukken tegenspraak: „you mean the Taliputs”. Daarop volgde strijk en zet een woordenwisseling hoe een Taliput er moest uitzien, in onderscheiding met een Royal Palm. Toen het ons begon te vervelen, beloofden we elkander de hoofden om te draaien zoodra we de twistveroorzakende boomen in het vizier kregen. Dit duurde zoo lang tot wij op Java waren en ’s Lands Plantentuin bezochten. Wij werden door den directeur rondgeleid. Toen hij ons onder vele andere gewassen ook attent maakte op de beide palmen vroeg ik hem, een beetje ondeugend, of hij nog eens goed wilde zeggen welke de Royal Palm en welke de Taliput was. Hij keek mij eenigszins verwonderd aan, maar hij voldeed aan mijn verzoek en daarbij bleek dat ik gelijk had gehad. Onze blikken, van Mrs. Catt en mij, kruisten elkander slechts een oogenblik, maar beiden zwegen wij.

Hier maak ik een grooten sprong met mijn verhaal en met den tijd. Toen ik op een vroegen morgen, uit een diepen slaap was ontwaakt,—het was in Manilla—las Mrs Catt, aan mijn bed zittende, mij het volgende vers voor:

TO ALETTA.

A year ago to-day, dear friend, We started on a cruise Around the world, we said we’d go And would ourselves amuse.

Our friends and foes alike agreed, We’d never come around, We’d fight and quarrel sure as smoke Our friendship run aground.

One ship, they said, would carry you, And one would carry me And should we meet another day We’d never speak, you see!

But here we are together still And better friends I’ll say Than when we on the Saxon sailed A year ago to-day.

But then my dear, I’d have you know It is a Taliput That palm they call the Royal one On that I’ll stake my mut.

And if you will admit it is With you the summer seas, I’ll sail, till death shall part us two, If not, I’ll say adieu.

July 18, 1911 July 18, 1912

Door het aanhalen van dit eenvoudige, maar gevoelige versje, maak ik het mijzelf moeilijk om nog te vertellen van ons leven in dit interessante deel van de wereld, van land en volk, zeden en gewoonten en van alles wat wij beleefden, of van de persoonlijkheden welke wij ontmoetten. Hen die daarin belangstellen meen ik te mogen verwijzen naar mijne „Reisbrieven uit Afrika en Azië”, welke in druk zijn verschenen en waarin over dat alles uitvoerig is geschreven. Laat mij daarom, zij het overbodig, verzekeren dat wij overal het nuttige met het aangename hebben vereenigd en dat wij het hoofddoel van de reis nooit uit het oog hebben verloren: het bestudeeren van de wettelijke en sociale positie van de vrouw in ieder land, en waar dat mogelijk was, de vrouwen te helpen om een organisatie te vormen ter verbetering van haar toestand.

Dikwijls hebben wij toevallige ontmoetingen gehad met personen, die ons groote diensten hebben bewezen. Dit gebeurde ook op onzen tocht van Buitenzorg naar Sindanglaja. Wel hadden wij een, trouwens zeer primitief, rijtuigje tot onze beschikking, maar in die prachtige streek gaven wij er de voorkeur aan om groote afstanden te voet af te leggen. Iets voor ons uit reed een soortgelijk wagentje waarin een heer, die ons voorbeeld volgde toen wij den eersten keer uitstapten. Hij kwam naar ons toe en stelde zich voor. Zijn naam was eenvoudig en gemakkelijk te onthouden. Hij heette Del Pan. Spoedig bemerkten wij met een beschaafd en ontwikkeld man te doen te hebben, iemand die de halve wereld had bereisd en die Amerika even goed kende als Mrs. Catt, terwijl hij met mij over Nederland kon spreken met een kennis van zaken die menig Nederlander hem had mogen benijden. Hij was een Spanjaard, uit Spaansche ouders op de Philippijnen geboren, en had aan de Universiteit te Madrid in de rechten gestudeerd. Hij was gevestigd te Manilla en bekleedde daar een hooge staatsbetrekking. Nu was hij evenals wij op weg naar Sindanglaja, waar hij eenige dagen wilde blijven. Toen wij na Java, Sumatra en andere gedeelten van Nederlandsch Indië hadden bezocht en enkele maanden later te Manilla kwamen om de Philippijnen te leeren kennen, is deze ontmoeting ons van groot nut geweest. De Amerikaansche autoriteiten en zelfs de Gouverneur verleenden ons wel allen steun, maar de heer Del Pan is ons een uitnemende en een aangename gids geweest om in aanraking te komen met de bevolking, haar zeden en gewoonten te leeren kennen. Veelbereisd als hij was en omdat hij evenals wij, reisde met een doel voor oogen, begreep hij geheel wat ons het meest zou interesseeren en deed hij alles om ons daarmede in kennis te brengen.

In mijn bezit is nog een gouvernementeel stuk, zooals Mrs. Catt er ook een ontving, waarbij ik was aangesteld tot schoolinspectrice. Dat document heeft ons in staat gesteld om overal op de eilanden de scholen van iederen aard binnen te gaan en ons op de hoogte te stellen van het onderwijs dat er gegeven werd. Nog altijd ontvang ik elk jaar alle rapporten over de verschillende scholen van het gouvernement.

Toen ik de Philippijnen verliet, was mijn indruk dat daar veel van Java valt te leeren omtrent de ontwikkeling van de bronnen des lands, maar dat omgekeerd Java oneindig meer van de Philippijnen zou kunnen leeren ten aanzien van onderwijs, hygiënische toestanden en verheffing van het volk.

Toen wij Manilla zouden verlaten, kregen wij den heelen dag bezoeken van de vrienden die wij daar gedurende ons verblijf van zes weken gemaakt hadden en die ons vaarwel kwamen zeggen, velen ook om ons souvenirs aan te bieden. Waar anders dan in Amerika of een Amerikaansche kolonie echter zou het gebeuren dat de Gouverneur-Generaal en zijne echtgenoote van twee niet-officieele personen afscheid kwamen nemen? Te meer waren wij verrast door dit blijk van hartelijkheid omdat het vergezeld ging van een vriendelijke attentie voor ieder van ons, bestaande in een doos met versche rozen welke wij in onze hutten op de boot vonden, om ons de reis over een lastig traject te veraangenamen.

Na de Philippijnen zijn wij nog naar China en Japan gegaan. Men had ons wel ontraden om in China verder te gaan dan de kustplaatsen,—de tweede revolutie was afgeloopen, maar de derde stond voor de deur,—maar op onze reis hadden wij nu reeds zooveel gevreesde gevaren doorstaan, dat wij ons daaraan nu maar niet stoorden. In China hebben wij niet alleen vele merkwaardige personen en toestanden leeren kennen, maar juist daar kregen wij het besef dat onze komst voor de vrouwenbeweging zeer gewenscht, hoog noodig en nuttig was. De vrouwenbeweging in China, voor zoover men daarvan mocht spreken omdat er geen eenheid van optreden en geen organisatie bestond, vertoonde een navolging van de militante strijdwijze, die van de suffragettes in Engeland. Toen wij de Chineesche dames daarvan de reden vroegen, luidde het onverwachte antwoord dat de Chineesche bladen over de vrouwenbeweging in de wereld nooit iets anders mededeelden dan hetgeen de Engelsche suffragettes deden om rechten voor de vrouw te verkrijgen. Zoo was het te verklaren, dat toen een groote groep vrouwen in China hare rechten wilde opeischen, zij begonnen waren om in een parlementsgebouw de ruiten in te gooien.

Hoezeer wij persoonlijk tegen het optreden van de suffragettes waren gekant, op deze reis hebben wij ervaren dat waarschijnlijk alleen door haar optreden, de oogen van alle vrouwen ter wereld waren geopend voor de achterstelling bij den man en dat zij verbetering konden vinden door eendrachtig verzet. In de verst afgelegen hoeken van Azië en Afrika vertelde men ons van de suffragette-beweging, blijkbaar omdat de couranten overal wel de sensatieberichten verspreidden, maar een compleet stilzwijgen bewaarden over een geordend optreden voor nuttige en noodige hervorming. Dikwijls hebben wij beiden tot elkander gezegd: een sensationeel optreden blijkt noodzakelijk om voor een wereldbelang de wereld op stelten te zetten. Dat de vrouwen in China thans goed georganiseerd, op kalme wijze voor haar belangen strijd voeren, daaraan is ons bezoek aan China niet vreemd.

Toen wij in Yokohama aankwamen vonden wij beiden daar zoovele dringende brieven om terug te komen, dat wij besloten slechts kort in Japan te blijven en dan niet verder te gaan. Het oorspronkelijke plan was dat Mrs. Catt met mij door Rusland naar Nederland en vandaar naar New-York zou gaan; of wel, dat wij samen over Honolulu naar San Francisco en dan langzaam dwars door Amerika zouden reizen, waarna ik van New-York naar Amsterdam zou terugkeeren. Na de brieven kon van het een noch het ander komen. Wij besloten dat ik alleen door Rusland naar Amsterdam zou terugkeeren, terwijl Mrs. Catt over Honolulu huiswaarts zou reizen. Wij spraken af dat ieder van ons onmiddellijk na de scheiding een geregeld reisverhaal zou opmaken en dat we dat elkander zouden toezenden.

In Japan troffen wij een geheel ander soort van vrouwen aan dan in China. Onder de Japansche vonden wij nog geen evenbeelden van de Chineesche, bereid om te strijden voor hetgeen zij goed en noodig achtten. Toch hebben wij ook hier bijeenkomsten gehouden met verschillende vrouwengroepen die wij aanspoorden tot organisatie. In 1923 heb ik het genoegen gehad vier Japansche vrouwen bij mij in Den Haag te ontvangen, aan wie ik alle gegevens moest verschaffen omtrent de wijze waarop men in een land als Japan een vrouwenorganisatie tot stand kan brengen en hoe die behoort te werken. Inzonderheid wenschten zij op de hoogte te komen van de propagandamiddelen om het kiesrecht te veroveren en wat daarna moet worden gedaan.

Op onze groote reis hebben wij veel merkwaardigs gezien, wij waren met vele menschen van beteekenis in aanraking gekomen en hadden wereldwijsheid opgedaan. Dat alles waardeerden wij ten zeerste, maar aan het einde van de reis overheerschte toch het gevoel van dankbaarheid dat wij overal in Afrika en Azië in de gelegenheid waren geweest om onder de vrouwen nuttig werk te verrichten.

Toen ik in Yokohama afscheid had genomen van Mrs. Catt, die met de boot naar Honolulu vertrok, had ik nog enkele dagen over vóór de trein mij van Wladiwostock naar Berlijn zou voeren. De treinen van den Trans-Siberischen spoorweg liepen slechts eenmaal in de week en in den eerstvertrekkenden was geen goede plaats meer vrij. Men gaf de verzekering dat ik in den volgenden trein een plaats zou vinden die aan mijn wenschen voldeed. Dit is ook bewaarheid, want nadat ik nog eenige dagen alleen in Japan had rondgezworven en daarna op een Russische boot in twee dagen van Tsuruga te Wladiwostock was aangekomen, vond ik daar in het midden van den trein een prachtige coupé voor mij gereserveerd. Op die Russische boot was ik wel de eenige vrouwelijke passagier geweest, maar ik had niet gedacht dat ik ook verder de geheele spoorreis door Siberië zonder vrouwelijke reisgenooten zou blijven. Aan deze omstandigheden schrijf ik het toe, dat ik de beschikking kreeg over zulk een mooie coupé voor mij alleen. Er waren trouwens zeer weinig passagiers.

Toen wij in den middag van den volgenden dag te Charbin waren aangekomen, moesten wij daar bijna een uur wachten op een trein uit Peking. Daarmede arriveerde Prins Heinrich van Pruisen, de broeder van den Duitschen keizer, die met zijn groot gevolg in onzen trein overstapte. Nu maakten twee vertegenwoordigers van den Trans-Siberischen spoorweg, eenige Russische generaals en andere autoriteiten de reis mede, hetgeen een groote geruststelling gaf voor het langdurige traject door deze onherbergzame streken.

Buiten mij waren er slechts enkele andere passagiers eerste klasse in den trein. Daardoor gebruikte ik tweemaal per dag de maaltijden in den grooten eetsalon met het gevolg van Prins Heinrich, terwijl hijzelf met twee Duitsche en twee Russische generaals in de kleine eetzaal aanzat. Met verschillende dezer heeren voerde ik dikwijls lange gesprekken over oorlog en vrede of over de rechten der vrouw. Nu en dan werd er ook wel eens op mijn coupé-deur geklopt en kwam een hooge officier een buurpraatje houden over het pacifisme. Indien ik toen—het was in het laatst van November 1912—had kunnen voorzien, dat reeds spoedig de wereldoorlog zou ontbranden, dan zou ik mij zeker wel eens op een voor mij zelf gevaarlijke wijze hebben uitgelaten. In gesprek met een Duitschen generaal hield ik stokstijf staande dat in de beschaafde landen een oorlog ondenkbaar was, omdat het volk daartoe te ontwikkeld was geworden. Hoezeer heb ik mij toen in de mentaliteit van het volk in de verschillende landen vergist!

Met weemoed besluit ik dit hoofdstuk omdat de omvang van mijn boek niet gedoogt te gewagen van vele belangrijke ondervindingen, welke ik heb opgedaan op deze reis met een reisgenoote van zoo groote intelligentie, ervaring en opmerkingsgave. Weliswaar heb ik onderweg iedere week twee couranten-artikelen geschreven, welke later in boekvorm zijn verschenen, maar in dien vorm kan men niet altijd schrijven over hetgeen men zelf merkwaardig vindt. Het moet mij alleen nog van het hart dat ik, voor het eerst weder na den dood van mijn man, een gelukkig jaar heb doorleefd. Het was een jaar waarin ik weder dagelijks verkeerde in een sfeer van liefde en intelligentie, door den omgang met een persoonlijkheid met wie ik volmaakt sympathiseerde en die ik tevens hoogelijk vereerde. Gedurende die reis van 16 maanden heb ik Mrs. Chapman Catt leeren kennen als een van die zeldzame, hoogstaande vrouwen, die in vroeger eeuwen heilig werden verklaard.

XIII.

1913–1924

Overzicht van de laatste tien jaren.—De dood van Mevrouw Haver.—De eerste openbare betoogingen voor vrouwenkiesrecht in 1913 en het Volkspetitionnement.—De onderbreking door den oorlog en het pacifistische werk.—De hervatting van den kiesrechtstrijd in 1915 en daarna.—Het passieve kiesrecht verkregen, daarna in 1919 het algemeen vrouwenkiesrecht.—Mijn verhuizing naar Den Haag.—Huldebetoon in 1921, vijftig jaar na mijn gang naar de Universiteit.—Mijn eerste stembiljet.—Herstel van een ernstige ziekte.—De viering van mijn 70-sten verjaardag.—Besluit.

Toen ik na middernacht van mijn meer dan veertien dagen lange spoorreis eindelijk was thuis gekomen, stond den volgenden morgen de secretaresse van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht voor mijn bed, om mij de droevige tijding te brengen, dat Mevrouw Th. P. B. Haver, een onzer beste en bekwaamste medewerksters, een paar dagen te voren was overleden. Reeds den volgenden dag zou haar stoffelijk overschot worden verbrand. Het bestuur hoopte dat ik bij die gelegenheid het woord zou voeren.

Dit doodsbericht trof mij diep. Wel had ik geweten dat Mevrouw Haver reeds lang onherstelbaar ziek was geweest, maar ik had altijd de hoop gekoesterd dat ik de goede, lieve vrouw nog had kunnen opzoeken om haar hartelijk te danken voor haar onschatbare medewerking in het belang der vrouwen, en haar tegelijk de geruststellende verzekering te geven dat er zoo lang ik leefde geen sprake zou zijn van het verflauwen in den strijd voor het verheffen van de vrouw. Niet lang voor mijn vertrek was zij een avond bij mij geweest. Toen had zij mistroostig gesproken over de resultaten van de vrouwenbeweging. Wat moest er van terecht komen indien de voornaamste strijdsters door ziekte of dood genoodzaakt werden het werk neer te leggen? Waarschijnlijk had zij toen reeds een voorgevoel van de ziekte die hare krachten langzaam sloopte en dat haar einde naderde.

Aan het verzoek heb ik gaarne gevolg gegeven, omdat hoofd en hart mij de bij de droevige plechtigheid gepaste woorden van zelf op de lippen brachten.

Door dit niet onverwachte, maar voor de vrouwenbeweging ernstige verlies, moest de feestelijke ontvangst welke het bestuur en de leden mij bij mijn terugkeer hadden toegedacht, voorloopig achterwege blijven. Tot feestvieren waren wij vooreerst niet gestemd. Later is dit toch geschied en de hartelijke wijze waarop men mij toen welkom heette, heeft mij het bewijs gegeven dat ik ondanks een lange afwezigheid mij nog in de onverminderde waardeering van mijne medeleden mocht verheugen.