Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 23
In ieder geval, zoolang wij beiden in dezen toestand verkeerden, mochten wij geen reis naar Afrika en Azië ondernemen.
Toen ik kort daarna eenigen tijd in Londen doorbracht bij Mrs. Adela Stanton Coit, vertelde deze mij dat zij een paar jaar te voren dezelfde ziekteverschijnselen had gehad en dat zij toen met goede resultaten een kuur had gevolgd te Zürich in het sanatorium van Dr. Bircher-Benner, toen nog geen Freud-maniak, maar bekend voor zijn goede diëetkuren. Dien goeden raad heb ik gevolgd. In Juni 1910 kwam ik in het sanatorium op den Züricherberg. In tegenstelling met den raad om lichamelijk en geestelijk rust te houden, moest ik van ’s morgens 6 tot ’s avonds 6 uur bijna zonder ophouden loopen, bergop en bergaf, gymnasticeeren, in den tuin werken, dagelijksch gemasseerd worden en een dieet volgen van bijna uitsluitend versche vruchten. Ik nam sterk af in gewicht, maar in kracht toe. Evenwel werd aan geestelijke rust streng de hand gehouden. Na een verblijf van drie maanden kon ik geheel genezen naar Amsterdam terugkeeren.
Intusschen had Mrs. Catt de voor haar noodzakelijk geworden operatie ondergaan en daarna voelde zij zich als herboren. Nu konden wij plannen maken voor onze groote reis, maar eerst moest het volgende Congres voor den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, te Stockholm in 1911, achter den rug zijn. Te voren moesten onze plannen echter vast staan, want indien Mrs. Catt lang vóór dat Congres uit Amerika vertrok, moest zij al haar zaken geregeld hebben omdat zij dan bijna twee jaar van huis zou zijn. Met mij was hetzelfde het geval en daarom behoorde ons reisplan lang te voren vastgesteld te zijn.
Natuurlijk hadden wij beiden telkens van goede vrienden moeten hooren dat het geheel verkeerd was wat wij gingen doen. Twee vrouwen konden niet alleen door Azië en Afrika reizen. Daarbij werden, mij ten minste, allerlei vreeselijkheden verteld waaraan onbeschermde reizigsters zeker bloot stonden.
In de eerst volgende jaren kon voor het vrouwenkiesrecht in Nederland alleen propagandistisch gewerkt worden en daarvoor was ik in ons land persoonlijk niet dringend noodig. Ik liet de vereeniging achter met een uitstekend bestuur onder leiding van Mevr. van Balen-Klaar, mijn huis kon ik verhuren en mijn meubilair laten opbergen. Onder die omstandigheden en omdat ik mij nu weder gezond voelde, was ik dus vastbesloten om te gaan en dit nog te meer omdat een andere goede vriendin en geestverwante in Amerika, the reverend Anna Howard Shaw, mij schreef: „If Mrs. Catt does not go around the world with you, why should not we go together? It would be an awfully good thing for us both if we only could forget suffrage for a time.”
Maar Mrs. Catt is wèl medegegaan. Van die reis hoop ik in het volgende hoofdstuk nog wat te vertellen.
In 1909 en 1910 was de diagnose „overwerkt” niet ongerijmd en wel verklaarbaar. Behalve het reeds aangeduide werk had ik ook een deeltje uitgegeven met de levenbeschrijvingen van zes merkwaardige vrouwen die ik had gekend en met wie ik op vriendschappelijken voet had verkeerd. Eene enkele was zelfs nog in leven. Ik had de reisbrieven uit Amerika van mijn overleden echtgenoot en die van mijzelf in boekvorm doen verschijnen, en daarnevens ook het mooie boek van Olive Schreiner, „Woman and Labour”, in het Nederlandsch vertaald en ter perse gelegd. Dit alles ongerekend tallooze dagblad- en tijdschriftartikelen over uiteenloopende onderwerpen. Laat mij hier nog mogen bijvoegen dat ik reeds in 1898 een beschrijving heb gegeven bij een anatomische plaat over „De vrouw, haar bouw en haar inwendige organen,” een uitgave waarvan thans de vijfde oplaag in omloop is. Dit boekje heb ik samengesteld omdat eene beknopte, populaire beschrijving van het lichaam, de ligging en de verrichting van de geslachtsorganen der vrouw, in onze taal toen nog niet bestond en vele mijner patiënten den wensch kenbaar maakten om meer te weten van haar lichaam en van de functies der verschillende organen.
XII
EEN WERELDREIS
De voorbereidselen.—Verblijf in Zweden en Noorwegen.—In Zuid-Afrika.—Rond de Oostkust van Afrika.—Bezoek aan Palestina en Syrië.—In Egypte.—Op de Philippijnen.—In China en Japan.—De terugreis door Rusland.
Indien twee personen hebben besloten om samen een groote reis te maken, maar de een woont in New-York en de andere in Amsterdam, dan is daarmee de reis nog niet voorbereid. Dit was te minder het geval omdat wij het er nog niet over eens waren welke landen wij het liefst zouden zien en waar wij de reis zouden beginnen. Over dit alles moesten vele brieven worden gewisseld, evenals ook om den duur van de heele reis te bepalen. Wat het plan betrof, bij mijn lieve reisgenoote stond het vast dat zij in ieder geval naar de Philippijnen wilde gaan, terwijl ik sterk verlangde om Java en Sumatra te leeren kennen. Wij werden het echter spoedig eens: ik zou met haar medegaan naar de Amerikaansche Philippijnen en Mrs. Chapman Catt met mij naar Nederlandsch-Indië.
Ook over het tijdstip van vertrek hadden we geen verschil. We zouden zoo spoedig mogelijk op reis gaan, na afloop van het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht dat van 12 tot 17 Juni 1911 in Stockholm zou worden gehouden. Alleen waren we het er nog niet over eens of we zouden vertrekken uit Engeland, of dat we na het Congres eerst samen naar New-York zouden gaan, waar Mrs. Catt dan hare zaken kon regelen, om dan vandaar op reis te gaan.
Op echt practisch-Amerikaansche manier had Mrs. Chapman Catt al geïnformeerd over den prijs van een rondreisbiljet, over den duur van het verblijf in elk land en welke voor- en nadeelen aan zulk een wijze van reizen waren verbonden. Wat mij aangaat—een uiting wellicht van mijn vrijheidlievenden Hollandschen aard?—ik kon mij niet schikken naar het denkbeeld dat het een of ander reisbureau, een heel jaar of langer, van den eenen dag op den anderen zou bepalen waar ik zou wezen en op welke manier ik zou moeten reizen. Ik wilde dat op goed geluk doen, trekkende van het eene land naar het andere, en dan zelf bepalen hoe wij verder zouden gaan en met welke gelegenheid.
Toen we het ook hierover en naar mijn genoegen eens waren geworden, moesten we nog uitmaken waarheen we in de eerste plaats zouden gaan. In de laatst verstreken jaren had ik vele brieven ontvangen van vrouwen in Zuid-Afrika, die er op aandrongen dat ik eenigen tijd daarheen zou komen om de Hollandsch sprekende vrouwen te overtuigen waarom wij het kiesrecht wenschten te bezitten. Wel had ook Mrs. Chapman Catt van de Engelsche vrouwen ginds een dergelijke uitnoodiging ontvangen, maar in het eerst voelde zij er niet veel voor om daaraan gehoor te geven. Zij stelde mij daarom voor, dat ik eerst alleen naar Zuid-Afrika zou gaan en dan in Engeland terugkeeren om daarna samen onze reis te beginnen. Reeds had ik met enkele Zuid-Afrikaansche vrouwen hierover gecorrespondeerd, toen ik van mijn aanstaande reisgenoote een brief kreeg, gedagteekend uit New-York van 11 Maart 1911. De aanhef luidde aldus:
„When we first talked about going to South-Africa, I conceded that point to please you, for I thought you very much wished to go there. In the meantime I have become so much interested in going there myself, that I would regard it as a disappointment if we should cut that country out of our itinerary. My reason for wishing to go there is, that which first made you want to go there, and that is that I believe we will be able to do a good deal of good there.... Now I wish very much to go to South-Africa. If you do, let us consider that as settled, for it is manifestly the first country which we must visit.”
Nu we het maar eenmaal eens waren over die twee hoofdpunten, dat we het eerst naar Zuid-Afrika zouden gaan en geen rondreisbiljetten nemen, zouden we alle gelegenheid hebben om later verdere plannen te maken. Het lag nu voor de hand om de beste reisgelegenheid naar Kaapstad en de kosten daarvan uit te vinden.
Toen wij eenmaal met onze plannen zoo ver waren gevorderd, kwamen van alle kanten bezwaren en raadgevingen. Zij werden ernstiger naarmate de dag van vertrek naderde. Het stond vast dat wij ergens, heel ver weg, heimwee zouden krijgen! Mijn reisgenoote die op alles was bedacht, wist ook hiervoor de remedie. Wij hadden alleen maar te zorgen dat wij niet op denzelfden dag „homesick” werden. Dan zouden we elkander daarvan cureeren. Al werden er nog veel andere bezwaren aangevoerd, ons plan konden zij toch niet meer verijdelen. Buiten deze bezorgde vrienden en kennissen waren er ook velen die ons plan toejuichten. Wij beiden hadden een langen tijd van ontspanning noodig om eens goed uit te rusten. Daarna zouden we des te beter in staat zijn om met nieuwe energie den strijd voor het vrouwenkiesrecht te hervatten.
Vóór alles zouden we dus het Internationale Congres voor Vrouwenkiesrecht te Stockholm nog bijwonen. Mrs. Catt was reeds in het laatst van April gearriveerd om volgens haar gewoonte de laatste en belangrijkste voorbereiding van het Congres te verzorgen. Met een paar landgenooten kwam ik eerst in het begin van Juni te Stockholm aan. Het leek bijna misdadig om onder zulke omstandigheden met Mrs. Catt over iets anders te spreken dan over het Congres, want, dat wist ik bij ervaring, als de opening naderde zat zij zoo diep in het internationale werk dat men haar niet mocht afleiden. Toen mijne beide landgenooten en ik genoeg van Stockholm hadden gezien—mij was de stad trouwens van vroeger bekend,—besloten we om de dagen die ons nog van het Congres scheidden, te besteden aan een tochtje naar Dalecarlië. Wij werden daartoe aangespoord door de boeken van Selma Lagerlöf over het boerenleven. De lange reis van Stockholm naar Rättvik viel ons niet mee, maar de vermoeienis werd dubbel vergoed door de schoone natuur in Dalecarlië, de kleederdrachten en het boerenleven.
Toen het Congres was afgeloopen, kon Mrs. Catt nog niet dadelijk vertrekken. Evenals bij andere congressen had zij nog eerst te zorgen voor de samenstelling van het rapport en voor ander internationaal werk. Dat alles zou haar, naar zij meende, nog wel een heele maand bezig houden. Nu, een tegenvaller was dit niet, ik had het eigenlijk reeds voorzien en dus op de mogelijkheid gerekend. Met een mijner Hollandsche reisgezellinnen had ik afgesproken om naar Lapland te gaan en als de tijd het toeliet nog een toer te maken om de Noordkaap. Na twee nachten en één dag in een expres-trein te hebben doorgebracht, bereikten wij onze eerste bestemming, Abisco. Hier is het eigenlijke Zweedsche nationale park, in het midden waarvan een uitstekend ingericht toeristenhotel is gelegen. In het eerst doet de omgeving aan een wildernis denken, maar bij langer verblijf bewondert men de schoonheid der natuur, met de prachtige vlinders, de zeldzame vogels, de vreemde insekten en de menigte ongekende planten en bloemen. De Laplandsche bergketen die een deel van het park omgeeft, draagt tot het phantastische bij. Rendieren zagen wij des avonds genoeg. In groote troepen kwamen zij van de bergruggen afdalen, maar schuw als ze waren renden ze onmiddellijk weer naar boven als wij naderden. Nu wij in Lapland waren, wilden wij ook de Lappen zien. Zij woonden op de bergen en wij hadden een dag noodig om het dichtst bij gelegen Lappenkamp te bereiken. De bewoners waren van een beschaafder soort dan die wij later zouden aantreffen. De Lappen boven Abisco hadden reeds de beschaving ondervonden van een spoorweg in de buurt. Daardoor konden zij wat zij noodig hadden in een winkel gaan koopen, zonder alles zelf te moeten maken van de grondstoffen over welke zij toevallig konden beschikken en met werktuigen die zij zelf eerst moesten maken. Deze menschen leefden ook onder de Zweedsche wetten en waren daardoor verplicht om hun kinderen onderwijs te laten geven.
Na eenige dagen vertrokken we uit deze vreemde omgeving om over de noordelijkste grens van Zweden naar Noorwegen te gaan. Als we een beetje geluk hadden met vertrek en aankomst der booten, zouden we nog een boottocht kunnen maken om de Loffoden, voor mij het interessantste gedeelte van Noorwegen, en om de Noordkaap. Het geluk was ons dienstig en zoo hebben we ook bij prachtig, helder weer, het merkwaardige natuurverschijnsel kunnen genieten van de zon die op hetzelfde oogenblik op- en ondergaat. Op onzen tocht om de Noordkaap kwamen wij herhaaldelijk in aanraking met Laplanders die nog maar weinig van hunne oorspronkelijke zeden en gewoonten hadden verloren.
Op onze terugreis naar Stockholm zijn wij nog een dag overgebleven in Kiruna, toenmaals een nog zeer jong stadje. Het is omringd door een groote uitgestrektheid van ijzerhoudende bergen. Het meeste ijzer wordt gewonnen uit mijnen, deze hooge bergen echter leverden ijzererts dat door Engelschen en Schotten in exploitatie werd gebracht. Daartoe hadden zij eerst een spoorweg aangelegd van Kiruna naar Narvik, vanwaar het ijzererts kan worden verscheept. Gaarne zou ik nog uitweiden over de arbeidstoestanden bij dit werk, maar het bestek laat dit niet toe.
Toen wij te Stockholm terugwaren, bleek Mrs. Catt een paar dagen te voren naar Engeland te zijn vertrokken. Uit den brief dien zij voor mij had achtergelaten, bleek dat zij zoo spoedig mogelijk naar Londen was gegaan, waar zij nog eenige zaken had te regelen. Zij hoopte tijdig gereed te zijn,—zeker wist zij het nog niet—om op 15 Juli met de „Walmer Castle” naar Madeira te vertrekken en dan een week later met een andere boot, de „Saxon”, onze reis naar Kaapstad te kunnen voortzetten.
In Stockholm hadden wij niets meer te doen. Nog denzelfden avond vertrokken wij met den nachttrein en, kortweg gezegd, na nogmaals twee nachten en één dag, kwamen we tijdig genoeg in Nijmegen aan, zoodat ik de zomervergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht nog kon leiden en alle goede vrienden en geestverwanten in onzen strijd persoonlijk vaarwel kon zeggen.
Mijn Hollandsche gezellin, die lust in het reizen had gekregen, wilde mij ook gaarne naar Zuid-Afrika vergezellen. Hiertegen bestond geen bezwaar, want ook Mrs. Catt zou een jonge Amerikaansche als reisgenoote medebrengen. Op 11 Juli vertrokken wij beiden naar Londen, waar wij Mrs. Catt nog aantroffen in de volle drukte van haar werk. Het was haar onmogelijk om op 15 Juli scheep te gaan. Onder die omstandigheden werd besloten dat wij twee Hollandschen met de boot van 15 Juli naar Madeira zouden vertrekken en dat wij een week daarna ons daar aan boord bij de Amerikaansche reisgenooten zouden aansluiten om samen naar Kaapstad te varen. Van dat verblijf gedurende acht dagen op Madeira heb ik nooit berouw gehad en de indrukken die ik er opdeed zal ik nimmer vergeten.
Toen wij op de „Saxon” de haven van Kaapstad bereikten, waren er ondanks het vroege uur vele dames aanwezig, die ons namens een aantal vrouwenvereenigingen kwamen begroeten. Het bleek spoedig dat men onze komst niet alleen op prijs stelde voor het vrouwenkiesrecht, maar dat onze hulp ook gewenscht werd voor andere maatschappelijke belangen. Dadelijk kreeg ik het verzoek om in alle steden van Zuid-Afrika de vrouwen voor te lichten omtrent het wezen van de prostitutie en de gevaren welke daaruit voortvloeiden. Dit was een actueele wensch omdat vele vrouwen in Zuid-Afrika bezig waren met een verzoekschrift aan de regeering opdat in alle plaatsen waar ze nog niet bestonden bordeelen zouden komen! In het hoofdstuk over prostitutie heb ik hierover reeds in het kort geschreven.
Wij bleven veertien dagen in Kaapstad waar wij iederen dag een of twee voordrachten gaven, met vrouwenclubjes bijzondere onderwerpen behandelden, of de bezienswaardigheden van de stad bezochten. Daarbij werden wij overladen met uitnoodigingen van velerlei aard.
Na Kaapstad zouden wij Port Elizabeth bezoeken. Mrs. Catt met hare Amerikaansche reisgenoote vertrok daarheen per boot, ik met mijne reisgezellin per spoor. Ik had dezen omweg gekozen om een bezoek te brengen aan die groote Zuid-Afrikaansche vrouw, Olive Schreiner, met wie ik reeds langen tijd had gecorrespondeerd en die ik kende door haar werken. Toen wij na een spoorrit van ongeveer 24 uur op een vroegen ochtend uitstapten, stond Olive Schreiner ons reeds op te wachten. Wederzijds hadden wij dezelfde gewaarwording, of wij elkaar reeds jaren kenden, ja of wij oude vrienden waren. Talentvolle schrijfster die zij was, stond zij torenhoog boven mij, maar wij voelden ons geheel een in den geest, beiden opgaande in werk dat wij ons tot levenstaak hadden gesteld. Uit elk woord dat zij sprak klonk mij haar alles overheerschende liefde voor de menschheid tegen. Anders dan ik, was zij niet in de eerste plaats feministe, die streed voor de rechten der vrouw, maar zij gebruikte hare krachten voor allen die hulp en steun noodig hadden. Liefderijk vergaf zij aan de sterken en machtigen hunne fouten tegenover de zwakken en hulpbehoevenden, omdat zij die toeschreef aan niet begrijpen. Haar machtige pen gebruikte zij tot steun van de zwakken, door de sterken te doen begrijpen. Hoe zij ook door hare tijdgenooten werd miskend, door hare landgenooten misverstaan en door de Engelsche overheid op wreede wijze voor haar moedig optreden bestraft, ondanks alles bleef haar geloof in de menschheid ongeschokt. De menschheid is nog in haar kindsheid,—schreef zij mij,—maar eenmaal zal er een betere wereld komen. De dag dien wij samen doorbrachten is mij daarvoor het groote bewijs.
Men zou haar onrecht doen door haar niet onder de feministen te rangschikken. Al was zij dit niet in de eerste plaats, haar boek „Woman and Labour” dat ik in het Nederlandsch heb vertaald, levert het bewijs hoe zuiver en ethisch zij de vrouwenbeweging opvatte. Naar zij mij schreef was die te samen doorgebrachte dag „a red letter day”, die haar nooit uit het geheugen zou gaan, voor mij is het een evenement geweest om in een afgelegen oord van Zuid-Afrika een vrouw te vinden, die wanneer zij in ons land had geleefd, waarschijnlijk mijn groote hulp en steun ware geworden.
Alweer ben ik bevreesd te uitvoerig te worden. Van onze reis door Z.-Afrika zal ik daarom niets meer vertellen dan dat ik de gast ben geweest van den braven, hooggeëerden oud-President Steyn en de zijnen; dat ik in Bloemfontein een bijeenkomst bijwoonde die mij meer dan iets anders den geest en het karakter van de bevolking van den Oranje Vrijstaat deden kennen, waar Generaal Hertzog dien avond opkwam voor het wettelijk behoud van de twee talen; en dat ons gezelschap tot de weinige reizigers behoorde die in dien tijd door Rhodesia de Victoria watervallen aan de Zambesi bezocht hebben. Met Mrs. Catt was ik uitgenoodigd om een week-end door te brengen op de hoeve van Generaal Smuts, den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken. Daarvoor ontbrak ons de tijd, maar wij hebben toch een geheelen dag bij het interessante echtpaar doorgebracht. Natuurlijk hebben wij niet verzuimd om op onze reis alle merkwaardigheden te bezichtigen en vooral om de bronnen van bestaan te leeren kennen. Daartoe behoorden de goud- en de diamantmijnen met hunne arbeidstoestanden, en de struisvogel-hoeven met de struisveerenmarkt te Port Elizabeth. Wij konden niet nalaten op te merken dat deze drie hoofdbronnen, het goud het minst, hun groote beteekenis zouden verliezen, zoodra de vrouwen minder waarde hechtten aan het optooien met diamanten en veeren, of indien zij in groot aantal door geldgebrek niet meer in staat zouden zijn om die sieraden te koopen. Weinig vermoedden wij toen dat de groote oorlog reeds in aantocht was en dat die de laatste mogelijkheid tot werkelijkheid zou maken.
Hoewel onze reis eigenlijk moest dienen om uit te rusten van het kiesrechtwerk, zijn er toch gedurende ons verblijf van drie maanden in Zuid-Afrika maar enkele dagen geweest dat wij niet in een bijeenkomst hebben gesproken over de vrouwenbeweging in het algemeen, over den kiesrechtstrijd, of over een onderwerp dat met de prostitutie verband hield. Als wij niet optraden zaten wij meest in den trein, op weg naar een ver afgelegen oord. Reeds in Kaapstad waren wij verblijd met een brief van den directeur der Zuid-Afrikaansche Spoorwegen, luidende: „Dat in het centrum van den trein een eerste klasse wagen gereserveerd moet worden voor Dr. Aletta H. Jacobs en hare reisgenoote, waar zij in Z.-Afrika met den trein reizen en dat voor deze dames bijzondere zorg moet worden gedragen gedurende hare geheele reis.” Mrs. Catt had een dergelijk schrijven ontvangen. Dat deze dienstorder ons het reizen door Zuid-Afrika zeer heeft vergemakkelijkt, valt te begrijpen.
In het laatst van October hebben wij in Durban de laatste samenkomst gehad met Afrikaansche vrouwen, en onder haar ook vele Engelsche, die daartoe uit alle deelen van het land waren bijeengekomen. Daar heeft Mrs. Catt toen de Z.-Afrikaansche Bond voor Vrouwenkiesrecht opgericht, welke zich bij den Wereldbond aansloot. Daarna hebben wij Zuid-Afrika verlaten, tevreden over het succes van de reis.
Op de „Avondale Castle”, een vrachtboot langs de Oostkust van Afrika voor Port Said bestemd, vonden wij vier dekhutten voor ons ingericht. Onze Afrikaansche vrienden zagen ons met bezorgdheid scheep gaan want het was een oud, onzeewaardig vaartuig met verschillende gebreken. Wij hadden echter onze zinnen op die boot gezet omdat zij alle kustplaatsen aandeed en telkens een halven, een heelen of twee dagen zou blijven liggen, juist lang genoeg om overal een kijkje te nemen en een indruk te krijgen van al die zeer uiteenloopende havenplaatsen, van meer of minder beteekenis. Het is dan ook een kustvaart vol afwisseling geweest, aan het eind waarvan wij, na 28 dagen, zonder ongevallen, te Port Said aanlandden.
Hier voor het eerst konden we ons er over verheugen dat onze verdere reis niet door een rondreisbiljet was voorgeschreven. Gedurende de vier weken op de kleine vrachtboot hadden we niets gehoord van hetgeen er in de wereld omging en zoo waren we er ook niet op voorbereid dat, den dag na onze aankomst, de Koning en de Koningin van Engeland te Port Said werden verwacht, op weg naar Britsch-Indië voor de viering van de kroningsfeesten.
Het was ons plan geweest om van Port Said uit spoedig naar Caïro te gaan, een paar weken in Egypte te blijven en dan naar Britsch-Indië te vertrekken. Toen wij van die feestelijkheden hoorden, konden we voorzien dat we nu midden in den feestroes in Britsch-Indië zouden aankomen en dus het land niet in normale omstandigheden zouden vinden. Alvorens er heen te gaan, deden we dus beter om enkele weken op andere wijze nuttig te besteden.
Toen wij ’s avonds in ons hotel te Port Said kwamen, vonden wij er voor dien nacht gemakkelijk plaats, maar wij moesten beloven den volgenden dag bijtijds te vertrekken, want alles was voor de komende feesten reeds lang besproken. Om twee uur den volgenden dag vertrok er een boot naar Jaffa en daarop—zoo zeide men—zouden wij zeker nog wel plaats vinden. Het was lang na middernacht voor wij het besluit hadden genomen om met die boot te vertrekken voor een bezoek van ongeveer tien dagen aan Jeruzalem en omgeving. Toch waren wij den volgenden ochtend al vroeg op weg naar onze vice-consuls voor onze paspoorten, om geld op te nemen op onze credietbrieven (ieder onzer moest daarvoor naar een ander kantoor), plaatsen te bespreken op de boot naar Jaffa en onze groote bagage bij Cook onder te brengen, nadat eerst al het noodige voor een reis van 8 tot 10 dagen was overgepakt. Bovendien moesten Mrs. Catt en ik nog plaatsen bespreken voor Colombo op een boot van „de Nederland” die in Januari van Port Said zou vertrekken. Dat alles moest natuurlijk in vliegende haast geschieden om tijdig aan boord van de boot naar Jaffa te kunnen zijn.