Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 22

Chapter 223,914 wordsPublic domain

Gedurende het jaar 1906 had ik weer voortdurend kunnen werken, maar het was toch telkens een bittere gewaarwording, bij het thuis komen niemand te vinden die deelnam in het succes, die mij troostte over teleurstellingen en met wien ik te rade kon gaan wanneer tegenstand moest worden geboden. Bovenal miste ik de sfeer van intelligentie waarin ik zoovele jaren had geleefd. In den aanvang viel het mij moeilijk artikelen weg te zenden zonder die eerst onder de oogen te hebben gebracht van een geestverwant, zooals ik dat met Gerritsen steeds had gedaan. Langzamerhand echter raakte ik ook hieraan gewend en kreeg ik mijn zelfvertrouwen terug.

Ook 1907 bracht werk genoeg. Toen was immers in regeeringskringen aan de orde: het recht van arbeid voor de gehuwde vrouw, dat door het Ministerie Kuyper schandelijk was aangetast, maar door het volgende Kabinet met Mr. Rink als Minister van Binnenlandsche Zaken, voor de vrouwen op bevredigende wijze weer in het rechte spoor was gebracht. In de Tweede Kamer werden verder de Kinderwetten behandeld. Ook het wetsontwerp voor de Grondwetsherziening was reeds ingediend. Deze onderwerpen raakten de belangen der vrouwen van nabij en zoo had onze Vereeniging de handen vol. Voortdurend hadden wij besprekingen met de leiders der Kamerfracties, audiënties bij Ministers, requesten aan de Regeering, openbare vergaderingen en het voorbereiden van propagandageschriften. Die besprekingen met de Kamerfracties gaven ons soms een eigenaardigen kijk op de beweegredenen waarom de „volksvertegenwoordigers” vóór of tegen een voorstel stemden. De vrouwen die wij afvaardigden waren natuurlijk goed op de hoogte van het onderwerp dat besproken zou worden. Daarentegen leek het wel dat sommige Kamergroepen een geringen dunk hadden van de intelligentie dier vrouwen, zoodat men het niet noodig achtte zich vóór de bespreking eenigszins op het vraagstuk voor te bereiden.

Voor de christelijk-historische groep werden wij ontvangen door de heeren Jhr. de Savornin Lohman, Van Idsinga en Graaf van Bylandt. Mij werd het eerst het woord gegeven. Ik sprak de hoop uit dat deze bespreking sympathie mocht wekken voor ons streven, zoodat hunne politieke partij zou kunnen medewerken tot een grondwetswijziging welke het vrouwenkiesrecht mogelijk kon maken. De heer Van Idsinga herinnerde aan hetgeen hij ons geschreven had, nl. dat de Kamerleden van zijne partij ons wilden ontvangen indien er over vrouwenkiesrecht nog iets nieuws viel te zeggen. Hierop antwoordde ik dat over dit onderwerp iederen dag wat nieuws was te zeggen, omdat de vrouwen iederen dag opnieuw gevoelden, hoe betreurenswaardig het was voor het land, dat zij elken invloed op de wetgeving misten. Binnenkort zouden de nieuwe Kinderwetten in werking treden. Hoezeer wij er ons ook over verheugden dat daarmede de eerste stap was gedaan voor de wettelijke bescherming van het kind, toch gevoelden velen onzer al de absurditeit van het feit, dat zulke wetten tot stand kwamen zonder dat de vrouwen van Nederland, de moeders van het opkomend geslacht, daarin iets hadden mogen medespreken. Wetten als deze, zoo diep ingrijpend in de verhouding van moeder tot kind, wetten die de overheidszorg op een terrein brachten dat tot dusver uitsluitend aan de vrouw behoorde, werden alleen gemaakt door mannen. Alsof zij de kinderziel, het kinderhart het best begrepen! Indien deze wetten waren tot stand gekomen door mannen en vrouwen te samen, dan zouden zij er zeker anders hebben uitgezien.

Nog lang liet men mij doorspreken over nog andere wetten en over hetgeen door christelijk-historischen, geen Kamerleden, op vergaderingen en in geschriften tegen ons in den strijd was aangevoerd. Toen vroeg de heer de Savornin Lohman of wij niet van oordeel waren, dat door den indirecten invloed van de vrouw in de maatschappij, evenveel tot stand kon worden gebracht als door haar directen invloed. Welke zouden de gevolgen zijn voor het gezin indien mannen en vrouwen beiden kiesrecht hadden? Hierop heeft Mv. Johanna W. A. Naber, die mij vergezelde, het antwoord gegeven. Toen stelde Graaf van Bylandt de vraag of de dames, indien zij het kiesrecht hadden, ook bereid zouden zijn om militie-plichten te vervullen. In zijn gedachten, zeide hij, zag hij ons reeds met het geweer op schouder met de troepen meemarcheeren, en om ons goed duidelijk te maken wat hij bedoelde, gaf hij ons een aanschouwelijke voorstelling. Over dit onderwerp hadden wij juist een artikel geschreven voor het R. C. blad „de Gelderlander” zoodat we naar ons antwoord niet behoefden te zoeken. Ten slotte zeide de heer Lohman heel vriendelijk, dat zijn partij zich nog niet op de hoogte had gesteld van het vraagstuk en dat zij het eerst zou bestudeeren alvorens een definitief besluit te nemen.

Nu nog een onderhoud met een geheel andere groep. Het waren de dames M. G. Kramers en S. Tilma-Schaaff die de leiders van de S.D.A.P. zouden interviewen. Zij werden ontvangen door de heeren Troelstra en Ter Laan. Die wilden van het invoeren van vrouwenkiesrecht niemendal weten. Zij vonden de vrouwen nog niet rijp voor het kiesrecht, iederen man echter wel. Mr. Troelstra voegde er nog bij, dat hij zelfs zou tegenstemmen indien onmiddellijk algemeen vrouwenkiesrecht verkregen kon worden. Onnoodig te verzekeren dat onze leden deze heeren het inconsequente van hun houding duidelijk onder het oog brachten. Zij waren immers Kamerleden, afgevaardigd door een politieke partij, welke volgens haar program, algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen voorstond.

Laat mij hier nog even toevoegen dat wij altijd te voren waarschuwden dat het verslag van het onderhoud gepubliceerd zou worden.

Door die bezoeken bij Kamerleden kwamen wij tot het inzicht dat zij van het vraagstuk slecht op de hoogte waren. Degenen onder hen die zich als voorstanders deden kennen, waren dat meer uit een gevoel van rechtvaardigheid, maar de werkelijke redenen die er voor pleitten kenden zij niet. Daarom ging het bestuur van onze vereeniging er toe over, in een boekje alle argumenten vóór de invoering van vrouwenkiesrecht bijeen te brengen en dit aan alle Kamerleden toe te zenden.

Naast, of liever boven al het werk voor onzen eigen kiesrechtstrijd, kwam dag aan dag het vele werk ter voorbereiding van het Congres te Amsterdam in 1908. Wel hadden we nog langen tijd voor den boeg maar we waren allen nieuwelingen op dit gebied. Het zou immers het eerste internationale vrouwencongres in ons land zijn. Alles moest eerst goed overdacht en beredeneerd worden. Er was veel geld noodig en wij wisten niet of wij in het land reeds zooveel sympathie voor het vrouwenkiesrecht hadden gewekt, dat ook niet-leden ons financieel zouden steunen. Er was een Centraal Comité gevormd dat verantwoordelijk zou zijn voor de geheele regeling. Over dat Comité kreeg ik de leiding. Mevr. W. Drucker, een onzer medeleden in het Comité, kreeg de functie van penningmeesteres. Zij mocht zich zooveel leden assumeeren als zij noodig had om te trachten het noodige geld bijeen te krijgen voor alle voorkomende uitgaven. Tegenover het Centraal Comité bleef Mevr. Drucker de eenige verantwoordelijke persoon, met de aan haar toegevoegde leden had dat Comité niets te maken. Laat mij direct meedeelen dat Mevr. Drucker met haar groepje zooveel geld bijeen heeft gebracht, dat er na afloop van het Congres zelfs genoeg overbleef om daarmede nog gedurende langen tijd onze propaganda-uitgaven te dekken.

Mevr. Van Loenen-de Bordes kreeg de zorg voor alle huishoudelijke zaken, het huren van een geschikte lokaliteit, het huisvesten van de gasten, het vervaardigen van de herkenningsteekens, het schoonhouden van de zalen tijdens het Congres, en nog honderd andere dingen meer.

Mevr. Johanna W. A. Naber zorgde voor de pers en voerde de buitenlandsche correspondentie, terwijl Mevr. van Buuren-Huys de binnenlandsche correspondentie bezorgde en de notulen hield van onze tallooze comité-vergaderingen. Mevr. Schöffer-Bunge en Mevr. Gomperts-Jitta hadden te samen te zorgen voor de ontvangst en voor de feestelijkheden gedurende het Congres.

Ik had geen afzonderlijk comité onder mijn leiding, maar ik stond in verbinding met alle comité’s en indien er ergens moeilijkheden voorkwamen dan trachtte ik die uit den weg te ruimen. In den beginne hield het Centraal Comité eenmaal in de maand, daarna om de veertien dagen en eindelijk elke week een vergadering, bij mij aan huis. Ieder comité-lid bracht dan verslag uit van hetgeen zij gedaan of voor te stellen had. Daarna werden nieuwe plannen beraamd en verkeerdheden of moeilijkheden onder de oogen gezien. Met het huren van een lokaal waren we spoedig geslaagd, maar de som die wij daarvoor te betalen hadden, leek ons buitensporig hoog. Voor ƒ 2000 kregen we voor een volle week de beschikking over het heele Concertgebouw.

Reeds twee maanden vóór het Congres arriveerde Mrs. Carrie Chapman Catt, ons aller presidente, die door vele harer vereersters „de ongekroonde koningin” werd genoemd, wegens haar majestueuse manieren, haar groote bekwaamheid en haar beminnelijkheid. Samen met haar moest ik het internationale werk tot stand brengen, de agenda voor het Congres opmaken en zorgen dat de feestelijkheden en de gelegenheden die wij de gasten wilden aanbieden om Amsterdam ook als stad van kunst te leeren kennen, niet in conflict kwamen met het eigenlijke congreswerk.

Het Congres zou van 15 tot 20 Juni duren. Op 14 Juni, een Zondag, werd in de groote zaal van het Concertgebouw nog tot middernacht muziek gemaakt. Daarna konden wij er over beschikken. Een paar dames uit het Centraal Comité zorgden er voor, dat het heele gebouw gedurende den nacht duchtig werd schoon gemaakt en zij hielden daarop toezicht. Toen den volgenden ochtend om 9 uur de eerste bezoeksters kwamen, gingen de laatste schoonmaaksters de deur uit.

Een beschrijving van het heele Congres zou een groot hoofdstuk beslaan. Daaraan wil ik niet denken. Ik heb alleen te constateeren dat dit Congres te Amsterdam nooit door eenig ander van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht overtroffen, en alleen door dat te Stockholm in 1911 geëvenaard is. Nog altijd verneem ik op internationale congressen, door allen die in 1908 te Amsterdam zijn geweest, met lof over dat Congres spreken. De Nederlandsche vrouwen hebben daarmede den goeden naam verworven dat zij bij uitstek de kunst verstaan om een Congres te organiseeren.

De directe reden waarom wij den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht hadden uitgenoodigd om het congres in 1908 in ons land te houden,—ik mag niet vergeten dit te vermelden,—was reeds in December 1907 vervallen. Het Kabinet-Borgesius moest de portefeuilles neerleggen en in de plaats kwam het Kabinet-Heemskerk, waarvan wij voor onzen strijd niets te wachten hadden. Wij hadden er ons zoo op verheugd dat het Congres een gunstigen invloed zou hebben op de besprekingen van de Grondwetsherziening. Al hadden wij liever dat nog wat verder was gegaan, de voorgestelde wijziging gaf ons toch groote voldoening. Hiervan kon nu vooreerst niets komen en van het Congres was dus in dit opzicht geen voordeel meer te wachten. Hier stond echter tegenover dat het Congres ons vele honderden nieuwe leden aanbracht en dat er een geheele ommekeer in de publieke opinie ontstond. Vele couranten leverden uitgebreide en degelijke verslagen en daarbij verschenen er ernstige of humoristische platen, onder de laatste inzonderheid in „De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland.”

Na afloop van het Congres heb ik eerst samen met Mrs. Catt nog eenige weken besteed aan het samenstellen van het rapport van het Congres, dat in Amsterdam moest gedrukt worden. Ook ons nationaal comité moest de zaken nog afdoen. Persoonlijk had ik huiselijke beslommeringen, doordat enkele van de vijf logees die ik gedurende het Congres gastvrijheid had verleend, nog bij mij vertoefden. Toen ik dit alles achter den rug had, ging ik met Mrs. Catt een lange, rustige reis maken. Het einddoel zou Genève zijn, waar in September het Internationaal bestuur en comitéleden van den Internationalen Vrouwenraad zouden bijeen komen. Vóór dien tijd hadden wij nog gelegenheid in overvloed voor een lange reis zooals wij ons voorstelden. Mijn lieve reisgenoote wilde in alle Duitsche steden die wij aandeden en die zij slechts bij naam kende, een paar dagen overblijven. Op die manier kwamen we eerst na veertien dagen te Triberg aan, waar wij langer zouden vertoeven. Ik vermeld deze bijzonderheid, omdat ik altijd gemeend heb dat zij, Mrs. Catt, die belangstelling in een klein stadje, na een paar uren sporens, alleen maar voorwendde opdat ik mij niet te zeer zou vermoeien. Door al de inspanning voor en gedurende het Congres, waren mijn krachten vrij wel uitgeput. Na Triberg hadden wij nog wel een maand gelegenheid om verschillende plaatsen in Zwitserland te bezoeken. Toen maakten we ook het plan om samen een wereldreis te maken.

Ofschoon mijn leven opging in werken en nog eens werken, zonder tijd te verspillen aan onvruchtbare ontspanning, vond ik toch nog wel gelegenheid om mijn reislust bot te vieren en mij op de hoogte te stellen van toestanden in het buitenland. Nadat ik den winter 1905–’6 voor een deel te St. Moritz had doorgebracht en daarvan zulke goede resultaten had ondervonden, ging ik elken winter een maand in dat mooie gedeelte van Zwitserland doorbrengen. Daar vond ik dan telkens een aantal Fransche en Engelsche heeren en dames terug, met wie ik reeds den eersten winter vriendschap had gesloten. Des zomers werd mijn reisplan om het andere jaar bepaald door het Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, na afloop waarvan ik dan nog een groote reis maakte door het land waar het Congres werd gehouden. In 1909, dus het jaar na dat te Amsterdam, werd een Congres van dezelfde organisatie gehouden in Londen, maar dit was voornamelijk bestemd voor een grondige herziening van statuten en reglementen. Ook had ik geen lust om lang in Engeland te blijven, waar ik reeds dikwijls had rondgereisd. Bovendien was ik het harde werken van het vorige jaar nog niet geheel te boven gekomen. Om al die redenen zocht ik naar een rustige plek voor een lange zomervacantie, ergens waar ik niemand kende en zelve onbekend was. Met deze overweging ging ik naar Tatra Lomnics in de hooge Tatra, een vrij onbekend oord voor vacantie-reizigers. Het werd zomers bewoond door adellijke en voorname Hongaren. Hoe ik daar werd ontvangen heb ik reeds in Hoofdstuk IX verteld. Absolute rust vond ik wel niet, maar het verblijf heeft mij toch goed gedaan.

Gravin Pejačević, een oprechte feministe en strijdster voor vrouwenkiesrecht in Hongarije, bracht mij spoedig in aanraking met verschillende meer of minder belangrijke menschen. Van dezen herinner ik mij inzonderheid Graaf Zichy, ook in ons land bekend, die op zijn 13e jaar door een noodlottig toeval zijn rechterarm had verloren. Hij had zijn eigen levensbeschrijving geschreven en uit het manuscript,—het verhaal was nog niet in druk verschenen,—las hij mij dikwijls brokstukken voor. Het meest interesseerden mij de gevoelens die hij had gehad toen zijn arm werd afgezet. Hij had alle narcotische en plaatselijk verdoovende middelen afgewezen en hij beschreef wat hij van het begin tot het einde had gevoeld en wat er in zijn geest was omgegaan. Toen had hij zich direct ernstig voorgenomen om alles met zijn linkerhand te leeren doen wat anderen met twee handen kunnen verrichten en ’t was merkwaardig hoe ver hij het daarmee had gebracht. Als een éénarmige pianist van groote vaardigheid is hij ook bij ons in het Concertgebouw opgetreden.

Een andere persoonlijkheid met wie ik kennis maakte was Baronesse Lipthay, die mij voor verre tochten haar paard en wagentje leende en in wier huis ik een Hongaarsch Minister ontmoette die mij treffende staaltjes vertelde van de toenmalige corruptie in de Hongaarsche politieke kringen. Alles was daar wel zeer achterlijk, de adel regeerde het land, omkooperij was er schering en inslag en alles hing aan elkaar van afzetterij.

In het begin van September begon in Boeda-Pest het internationaal geneeskundig congres. Baronesse Lipthay bood mij logies aan in haar prachtige woning met gebruik van haar equipage. Daartoe zou zij haar bedienden tijdig waarschuwen. Toen ik te Boeda-Pest aankwam werd ik dan ook met het rijtuig van den trein gehaald. In het prachtige, van kunstschatten overladen huis, was een heele serie vertrekken voor mij in orde gebracht, zoodat ik er rustig werken en vrienden ontvangen kon. Bij mijn vroegere bezoeken aan de stad had ik er vele gemaakt. Zij vormden een jong en geestdriftig groepje van strijdsters voor verbetering van het lot der vrouw en voor vrouwenkiesrecht. Ondanks haar jeugd ontbrak het geen harer aan ernst en aan kennis van zaken.

Over het geneeskundig congres heb ik reeds geschreven en eveneens hoe ik mij daarna aansloot bij een groep medici die naar Serajewo trokken. Op die reis maakte ik reeds den eersten nacht kennis met Frau Dr. Rosen, de echtgenoote van een dokter te Wiesbaden, die evenals ik als dame seule reisde. Wij hadden een slaapwagen samen. Spoedig hadden wij vriendschap gesloten en in vele opzichten bleken wij geestverwanten. Ook zij had reeds veel gereisd en zij kende de kleine trucs om het zich op een lange reis „gemüthlich” te maken.

Onze eerste halteplaats was Serajewo, de hoofdplaats van Bosnië en toen nog onder Oostenrijksch bewind. Het was een van de vreemdste stadjes die ik ooit heb gezien, half oostersch, half westersch. De bevolking bestond uit zeven volksgroepen, die alle in den gemeenteraad waren vertegenwoordigd. De Turken en de Spanjaarden maakten vooral mijn belangstelling gaande. Hier was ik ook in de gelegenheid om het inwendige van een echten harem te zien. Toen ik mijn wensch aan een stedelijke autoriteit had kenbaar gemaakt, werd er gezorgd dat ik een uitnoodiging kreeg van een jongen Turk, een van de aanzienlijksten in de stad.

Met twee andere dames ging ik er heen. Aan het vrij onoogelijke huis werden wij ontvangen door een vieze vrouwelijke bediende die ons in een kamer bracht waar de heer des huizes, gezeten op een met kussens belegden stoel, ons welkom heette. Wij mochten plaats nemen op een houten bank. Hij was gekleed in Turksch gewaad met een wijden afhangenden pantalon en een fez op het hoofd. Zijn manieren waren westersch. Die had hij geleerd te Leipzig waar hij ten huize van een leeraar was opgevoed. Toen wij binnenkwamen legde hij de Turksche pijp uit den mond en vroeg ons hoffelijk of wij Duitsch of Engelsch met hem wilden spreken. Deze 24-jarige jongeling had een jaar te voren van zijn vader vijf vrouwen ten huwelijk gekregen. Het waren mooie vrouwen, zeide hij met trots, maar zij zouden niet met ons kunnen spreken omdat zij alleen haar eigen taal kenden. Hij zou echter wel als tolk dienen. Vóór we op bezoek gingen bij de vijf vrouwen, hadden we een gesprek met den gelukkigen echtgenoot. Ik vroeg hem of hij, een man van Westersche ontwikkeling, het niet onduldbaar vond voor een vrouw om op Turksche wijze te leven. Het kon zijn dat al die vrouwen hem lief hadden, maar dan moesten zij toch onderling jaloersch zijn. Het was echter ook zeer goed mogelijk dat zij hem niet lief hadden, want vóór het huwelijk was naar hun meening niet gevraagd en hoe bitter moest zulk een huwelijksverbond dan niet voor haar zijn.

Hij was het alles met mij eens, maar zoo waren eenmaal de Turksche zeden en hoe grooter iemands harem, hoe voornamer men werd geacht. Ik vertelde hem toen dat ik in 1890 een verzoek had gekregen van de Oostenrijksche regeering om mij in haar dienst te Serajewo als doctor te vestigen. Voor mijn veiligheid was het toch maar goed geweest dat ik het verzoek had afgewezen, want ik zou zeker alle Turksche vrouwen in opstand hebben gebracht tegen haar onmenschwaardige positie.

Na deze inleiding gingen wij naar het vrouwenverblijf. Het was een vertrek van 9 tot 10 Meter in het vierkant met een houten vloer. Tegen den ruw houten wand lagen op vijf plaatsen matrassen met kleurige lappen. Hoog tegen de zoldering waren twee kleine, langwerpige vensters voorzien van ijzeren tralies, zoodat niemand naar binnen of naar buiten kon klimmen. Door de hoogte konden de vrouwen ook niet uitzien. In dit vertrek moesten zij dag en nacht samen huizen. Naar mijn smaak liet de schoonheid van het vijftal veel te wenschen en haar kleeding was kortweg schamel. Alle vijf vlogen zij op ons af om ons ieder haar eigen kleine baby te laten zien. Wij waren wel zoo verstandig om voor het eene wichtje niet méér bewondering te toonen dan voor het andere. Nadat wij nog andere gedeelten van de schamele woning hadden bezichtigd, keerden we naar de kamer van den heer des huizes terug, waar nu ook aan zijn vijf echtgenooten werd veroorloofd om binnen te komen. We werden getracteerd op Turksche koffie. Wel poogden wij een gesprek te voeren met de dames, maar daar de heer des huizes onze vragen en hare antwoorden vertaalde, interesseerde het mij niet. Het werd spoedig duidelijk dat de slimme Turk in plaats van onze vragen, iets anders overbracht en hij de antwoorden eveneens zelf fabriceerde. Gedurende deze visite zaten wij op een bank, de Turk op een stoel en de vijf vrouwen aan zijn voeten op den grond. En dat terwijl er toch nog meer stoelen in de kamer stonden. Laat ik er bij aanteekenen dat ik later in Caïro en in Jerusalem wel geheel andere harems heb gezien.

Ook de Spanjolen boezemden mij veel belangstelling in. Hunne vrouwen hadden veel meer vrijheid dan de Turksche. Zij mochten zich vrij op straat bewegen, maar dan toch van het hoofd tot de voeten in een donker gewaad gewikkeld, zoodat er niets van het lichaam en zelfs de handen niet te zien kwamen. Het is mij niet gelukt van haarzelf iets te weten te komen, omdat de introductie die ik gevraagd had mij te laat, eerst op den dag van vertrek, bereikte.

In Ragusa hebben Mevr. Dr. Rosen en ik ons van de doctoren afgescheiden omdat de schilderachtige ligging en het heerlijke klimaat van Ragusa ons aanspoorde tot een langer verblijf. Aan reisbeschrijvingen wil ik niet beginnen, maar misschien is het nòg noodig, reizigers te waarschuwen voor de booten die ons van Ragusa naar Montenegro en vandaar naar Fiume voerden. Nooit heb ik op mijn latere reizen in het Oosten zooveel ongedierte bijeen gezien als hier in bedden, op stoelen en banken en op of in alles wat maar eenig bekleedsel droeg. De inboorlingen vonden dat blijkbaar heel gewoon, niet de moeite waard om over te praten.

Wij hebben nog eenige weken in deze streken rondgereisd en op de terugreis in Wiesbaden van elkander afscheid genomen.

De verkiezingen in 1909 hadden weder een rechtsche meerderheid gebracht met het gevolg dat het Kabinet-Heemskerk gecontinueerd werd. Gedurende de aanstaande regeeringsperiode viel aan invoering van vrouwenkiesrecht in het geheel niet te denken en het werk van de vereeniging moest dus worden gericht op versterking van het ledental en verspreiding van onze wenschen. Wij waren het laatste jaar vooruitgegaan tot 81 afdeelingen met 7500 leden. Het bestuur was overtuigd dat dit aantal minstens drie tot viermaal grooter moest worden vóór we met kracht bij de regeering zouden kunnen aandringen op de invoering van vrouwenkiesrecht.

In het laatst van 1909 schreef Mrs. Chapman Catt mij reeds telkens over onze groote reis. Zij was echter lijdende. Wel had ik haar herhaaldelijk een operatie aangeraden, maar daar wilde zij niet van hooren. Ik voelde mij ook meestal ziek. Mijn Amsterdamsche medici schreven al mijn klachten op rekening van overwerken en zij raadden mij aan, absolute rust te nemen voor lichaam en geest. In die dagen, terwijl zij zelve zeer ziek was, schreef Mrs. Catt mij: „Now about yourself. I expect if you were an American your malady would be called nervous prostration. You are overworked I am sure. The trouble with us all is, that when we overdo, we do not take time enough to recover. If you want to run from all the troubles at any time, come over here and I shall be glad indeed to take you into my household at any time.”