Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs

Part 21

Chapter 213,841 wordsPublic domain

Voor een meer uitvoerige beschrijving van onze reis door Noord-Amerika is in dit boek geen plaats. Ik wil dus slechts in het kort vermelden, dat we van Utah naar Californië vertrokken, van San Francisco naar Los Angeles en vandaar door Arizona, Nieuw-Mexico en Illinois naar New-York terug. Op dezen tocht hebben we niet verzuimd de groote wonderen van N.-Amerika te bezichtigen, waaronder de Yosemite-vallei in Californië, de Grand Canyon en de cliff-woningen in Arizona, en natuurlijk de Niagara-watervallen in den staat New-York. Overal trachtten we zooveel mogelijk kennis op te doen omtrent land en volk. Evenals voor alle primitieve volken, voelde ik groote belangstelling voor de levensomstandigheden van de Indianenstammen en de Neger-bevolking, en zooveel het een vreemdeling mogelijk is, trachtte ik met hen in aanraking te komen en hen in hun eigen omgeving te leeren kennen.

Toen het jaar ten einde liep begon ik steeds meer naar huis te verlangen, want ik had bij Gerritsen een snellere herhaling van zijn ziekteverschijnselen en een zichtbare vermagering waargenomen.

In Januari 1905 kwamen we dus in Amsterdam terug. Alle politieke partijen waren in de weer ter voorbereiding van de aanstaande Kamerverkiezingen in Juni. Nog waren we geen etmaal thuis of Gerritsen was reeds aangezocht door twee districten voor een zetel in de Kamer. Op de terugreis had hij zich aan boord ziek gevoeld en het bed bijna niet verlaten. Zijn vermagering was sterk toegenomen. Bij den aanstaanden verkiezingsstrijd vreesde ik een verergering van het ziekteproces, waarvan ik den naam niet kende en waarvan ik den ernst nog niet kon overzien. Ik wendde al mijn overredingskracht aan om hem te doen besluiten zelf geen candidatuur aan te nemen en alleen, zooveel zijn toestand zou toelaten, de partijgenooten ter zijde te staan.

Het mocht niet baten. Er stonden te groote landsbelangen op het spel. Het rechtsche Ministerie moest van het kussen. Alle eigenbelang moest wijken en geen enkele kracht mocht zich van medewerking onthouden. Het slot van deze redeneering luidde: „Jijzelf zoudt de laatste zijn om met zulke overwegingen je medewerking te weigeren!”

Gerritsen nam beide candidaturen aan en spoedig daarna was hij voortdurend, afwisselend in Schoterland en in Den Helder, om avond aan avond verkiezingsspeechen te houden of met een tegencandidaat in debat te treden. Als hij eens een paar dagen thuiskwam, vond ik dat hij er telkens slechter uitzag. Dringend spoorde ik hem aan om den strijd op te geven en aan anderen over te laten. Maar hij wilde er helaas niets van hooren. Eerst toen hij op een morgen zijn bed niet meer kon verlaten, stond hij mij toe een bevrienden doctor te laten komen. Hoewel deze den toestand reeds zeer ernstig vond, durfde hij toch nog geen diagnose vaststellen.

Het was op den dag der verkiezing, toen een telegram hem reeds had verheugd met zijn overwinning in het district Den Helder, dat Professor Pel in consult met enkele doctoren die Gerritsen reeds herhaaldelijk hadden onderzocht, mij de vreeselijke zekerheid moest geven, dat er geen redding meer mogelijk was en het einde reeds spoedig was te verwachten. In betrekkelijk korten tijd was zijn vroeger krachtig gestel gesloopt door maag- en levercarcinoom, in een nu reeds ver gevorderd stadium.

Tot den laatsten dag is zijn geest helder gebleven en verheugde hij zich over de overwinning van de linksche groepen bij de verkiezingen. Met de vrienden die hem aan zijn ziekbed kwamen opzoeken, sprak hij over het vormen van het nieuwe Ministerie, en al wat hierover in de couranten verscheen moest ik hem voorlezen of vertellen. Dat zijn einde nabij was, daarvan was hij zich niet bewust en ik zorgde dat hij er onkundig van bleef.

Op den 5den Juli 1905 is hij zacht ingeslapen.

Alle bladen hebben bij zijn dood waardeerende artikelen aan Gerritsen’s leven en werken gewijd. Ik wensch hier slechts enkele zinsneden aan te halen, omdat zij hem goed karakteriseeren.

Uit „de Telegraaf” (van 5 Juli 1905):

Reeds in 1888 vaardigden de Amsterdamsche kiezers C. V. Gerritsen naar het Prinsenhof af, en het was daar, als raadslid en als wethouder, dat hij zijn beste krachten aan de openbare zaak mocht geven. Van het groepje radicalen, toentertijd in den raad, was hij een der vurigsten en warmsten, die allerminst de kunst verstond zijn tegenstanders langs den weg der gemoedelijkheid tot zwijgen te brengen.

Zijn wijze van optreden prikkelde daartoe te zeer de gemoederen, wat echter niet wegneemt, dat men hem, overtuigd als men was van zijn werkkracht, zijn ijver en zijn liefde voor de zaak waarvoor hij streed, in 1898 als wethouder koos, in welk ambt hij de leiding van het Armwezen en de Handelsinrichtingen op zich nam. Veel heeft Amsterdam aan zijn optreden te danken. De achterlijke toestanden op het gebied van de armenzorg vonden in den nieuwen wethouder een ernstig bestrijder, en men zal zich den fellen strijd herinneren, dien hij, met zijn nieuwe regeling van den geneeskundigen dienst, tegen tal van geneesheeren in deze stad te strijden had. Hij gaf geen kamp en won. De nieuwe dienst heeft reeds wonderen verricht, niettegenstaande de korte spanne tijds, dat hij in werking is en blijkt een zegen voor de armen in deze gemeente. Hiermede is wel de grootste verdienste van den heer Gerritsen als wethouder geschetst.

En het Volksblad „de Echo” (5 Juli 1905) getuigde:

Door alles wat wethouder Gerritsen in het belang van Amsterdam tot stand bracht liep één lijn; alles ademde één geest; alles droeg één en hetzelfde merkteeken, namelijk dat van ontworpen, bedacht, uitgewerkt te zijn door een man, die met al te zeer verouderde begrippen wenschte te breken; die zich ten taak had gesteld om als ondeugdelijk, als onhoudbaar en verderfelijk al datgene uit de Gemeentehuishouding te verwijderen, wat daarin nog bloeide en woekerde uit de dagen en tijden, dat dikke nevelen nog het werk der vroedschappen en hunne gecommitteerden aan de contrôle der burgerij onttrokken.

En wèl was er destijds dan ook reden voor ons om het aftreden van den heer Gerritsen als wethouder voor Amsterdam een zeer groot verlies te noemen,—het verlies van de kennis, het talent, de reuzen-werkkracht en het vóórziende beleid van een man als Gerritsen steeds bleek te zijn.

De dood komt maar o! zoo zelden gelegen. Maar ditmaal is zijn verschijning toch al buitengewoon treffend.

Ziedaar een man, die na een leven vol inspanning, vol arbeid en opoffering in wat naar zijne opvatting het algemeen belang was, geveld op het oogenblik dat een groote wensch van zijn leven zich tot werkelijkheid zou gaan voltrekken.

Opnieuw had ik mijn steun in het leven verloren en stikdonker leek mij den weg dien ik verder alleen zou hebben af te leggen.

XI

VAN 1905 TOT 1911.

Vrouwenkiesrecht-vooruitzichten onder het Ministerie-Borgesius. —Aanbieding van onze wenschen aan H.M. de Koningin, bij de Grondwetsherziening.—Begin van het optreden der Engelsche suffragettes.—Het Congres te Kopenhagen en het besluit om het volgende Congres, in 1908, in Nederland te houden.—Interviews met leden van Kamergroepen.—Voorbereiding voor het Congres in 1908.—In de Hooge Tatra, in Serajewo.—Voor herstel van gezondheid naar Zürich.—Reisplannen met Mrs. Catt.

Na Gerritsen’s dood heeft het lang geduurd vóór ik mijn werk weder kon opvatten. Ik was mij wel bewust dat ik in den geest van den overledene zou handelen indien ik mij niet aan mijn verdriet overgaf, maar het kostte mij toch veel moeite om mijn oude gewoonten te volgen. Door slapeloosheid en door al het leed waren mijn zenuwen geheel in de war en met de komende zonlooze winterdagen werd het alles nog erger. Toen mij verandering van lucht en omgeving werd aangeraden, besloot ik naar St. Moritz te gaan, dat in dien tijd nog geen centrum was van sport en vermaak zoekende buitenlanders. De dagelijksche geneeskrachtige zonnebaden deden mij veel goed. In deze vreemde omgeving kwam ik voortdurend in aanraking met personen die genezing of herstel van leed zochten en daardoor hoorde ik zooveel over de beproevingen van anderen, dat mijn eigen verdriet op den achtergrond raakte, en ook dit bracht bij tot mijn herstel.

Toen ik in het begin van 1906 in Amsterdam terug was, wijdde ik mij met groote wilskracht aan het vele werk wat toen voor de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht aan de orde was. Het kabinet Borgesius-Rink dat in 1905 aan het bewind was gekomen had haast gemaakt met de voorbereiding van de Grondwetsherziening waarbij o.a. § 80, het kiesrechtartikel, een blanco artikel zou kunnen worden. Op die leuze, een blanco artikel 80, was de Kamermeerderheid gekozen en het Ministerie Borgesius aan het bewind gekomen.

Bij mijn terugkeer uit St. Moritz was de commissie voor de Grondwetsherziening reeds benoemd. Ook hadden verschillende politieke fracties van Links hunne eischen voor de herziening reeds geformuleerd. Ik vond dat onze Vereeniging dit ook behoorde te doen, niet alleen ten opzichte van het blanco artikel maar ook van alle artikelen in de Grondwet welke de vrouwenbelangen raakten. De dames Anna Polak, W. Drucker en M. W. H. Rutgers-Hoitsema waren bereid dit werk op zich te nemen.

Op den derden Mei 1906, tijdens het bezoek van de Koningin aan Amsterdam, werd het door de Vereeniging goedgekeurde geschrift door mij en Mevr. Rutgers-Hoitsema aan Hare Majesteit zelve aangeboden. Art. 80 was aldus geformuleerd: „De Wet bepaalt welke mannen en vrouwen kiesbevoegd en verkiesbaar zijn.” Verder waren wijzigingen voorgesteld op alle artikelen welke het zelfbeschikkingsrecht der vrouw aantastten.

Den daarop volgenden dag hebben we het geschrift aangeboden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. Rink, met wien wij daarna een gemoedelijk praatje konden houden over de kansen van de Grondwetsherziening.

Wij zijn niet zoo dwaas geweest om te meenen dat onze eischen toen reeds ten volle zouden worden ingewilligd, maar we waren er van overtuigd dat we op deze wijze moesten optreden om de hooge autoriteiten en het volk bekend te maken met onzen eisch: kiesrecht voor de vrouwen op dezelfde voorwaarden als de mannen het reeds bezitten of krijgen zullen. Zulke stappen vormden het beste en het goedkoopste propagandamiddel, want afschriften van ons geschrift werden onmiddellijk toegezonden aan alle Ministers, leden van de beide Kamers, van den Raad van State en ook aan alle couranten. Op die wijze kwamen onze eischen reeds den volgenden dag duizenden onder de oogen.

Naar gelang van hun politieke kleur en richting oordeelden de bladen instemmend of afkeurend over ons werk. „De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland” vertoonde die week een plaat op welke aan de Koningin-Moeder in gesprek met de Koningin, deze woorden in den mond waren gegeven: „Recht, mijne dochter, ziedaar nu iets waarin een klein volk groot kan zijn.”

Onze vereeniging telde nog slechts even 2000 leden. Daarom trok ik er elke week een paar maal op uit, om in afgelegen plaatsen waar de mogelijkheid bestond om een afdeeling te vestigen, over vrouwenkiesrecht te spreken. Met onze kas was het altijd slecht gesteld. Daarom maakten wij gaarne gebruik van het aanbod van dorpsherbergiers die ons hun zaal voor niemendal of voor een kleinigheid wilden afstaan, mits we op een bepaalden dag zouden komen en gelegenheid wilden geven om vertering te maken. Gewoonlijk ging ik niet alleen, maar vergezeld van een der jongeren in de vereeniging, die ik dan spoedig tot spreekster opleidde. Daarbij herinner ik mij weder de gezellige tochten met Mw. C. S. Groot, later onze onwaardeerbare „Marijtje,” die getooid met een Noord-Hollandsche boerinnenmuts en andere boersche fraaiïgheden, aller harten veroverde. Met haar bewerkte ik heel Noord-Holland benoorden het Y, waarbij zij een vroolijk troepje meisjes tot haar lijfgarde had, verstandige maar door en door onschuldige dorpskinderen voor wie het b.v. een evenement was om in een hotelbed te slapen.

Samen met Mevr. Bakker-Nort, die toen nog geen doctor in de rechten was en nog volstrekt niet dacht aan een Kamerzetel, bewerkte ik een gedeelte van de provincie Groningen. Onze tocht in 1906 naar Veendam, Stadskanaal en Winschoten zal ons beiden zeker nooit uit de herinnering gaan. Onze wederwaardigheden waren zoo ongemeen dat we ze niet gaarne in ons leven zouden hebben gemist. In het kort moet ik er toch iets van vertellen. De eerste vergadering hielden we in Veendam en den volgenden morgen waren we in opgewekte stemming omdat we een aantal nieuwe leden hadden geworven en na afloop van de openbare bijeenkomst een afdeeling met een volledig bestuur hadden gesticht. In Veendam was ons werk dus afgeloopen. Het was mooi weer en ’t zou nog een paar uur aanhouden voor het paardetrammetje ons naar Stadskanaal zou brengen waar we dien avond eveneens een afdeeling hoopten op te richten. We besloten om niet op de tram te wachten, maar liever zoo lang te wandelen tot zij ons inhaalde. Eerst volgden we een straatweg, maar buiten de kom der gemeente kwamen we al gauw in het mulle zand. Het was tot dusver mooi weer geweest, maar nu begon het stevig te regenen. Daarop waren we niet ingericht, zoodat we spoedig doornat waren en met onze stadsschoenen door de modder moesten baggeren. In het eerste het beste huisje aan den weg gingen we schuilen. Het was zoo’n winkeltje van alles en nog wat. Toen we binnen stapten rinkelde de schel geweldig, maar er kwam geen levende ziel voor den dag. We keken overal, maar er was blijkbaar niemand thuis. Daar het ons een beetje gevaarlijk leek om langer te blijven, zetten we den tocht door modder en plasregen maar weer voort. Na een paar kilometer loopen bereikten we weer een huisje, waarin we drie vrouwen zagen zitten. De jongste kwam naar buiten en noodigde ons uit om binnen te komen. Voorstellen was niet noodig, zij kenden ons al. Wij waren immers de eenige vreemde vrouwen die hier voorbij konden komen en uit de krant wisten ze dat we den vorigen avond in Veendam over vrouwenkiesrecht hadden gesproken en dat wij dát dien avond in Stadskanaal weer zouden doen. Bij een vlammend houtvuur konden we onze natte kleeren drogen en men vergastte ons op kaneelkoffie, een echte tractatie in deze streek, maar voor ons ongenietbaar. Ondertusschen babbelden deze vrouwen op haar eenvoudige manier en in haar dialect over vrouwenkiesrecht, waarbij wij merkten dat zij geestverwanten van ons waren. Meer dan dat, wij konden van haar nog zelfs een paar nieuwe argumenten opdoen voor ons goed recht.

Eindelijk kwam het trammetje toch opdagen en moesten we onze vriendelijke gastvrouwen verlaten. Toen we eindelijk tegen 6 uur in Stadskanaal aan het hotel kwamen waar we ’s avonds zouden spreken, hoopten we daar eerst wat eten te zullen vinden. Er wachtte ons echter een groote verrassing. Het heele perceel was leeg, er waren geen menschen en geen meubels. In de omgeving hoorden we dat de kastelein failliet was gegaan en met pak en zak vertrokken. Wat te doen? We kenden hier niemand om logies te vragen en we waren al overtuigd dat de vergadering niet zou doorgaan. Na eenig overleg seinden we aan een bestuurslid van onze afdeeling te Winschoten met verzoek om een rijtuig te sturen om ons af te halen en eten mee te geven omdat wij sedert den ochtend niets hadden genoten.

In den tusschentijd waren er toch menschen gekomen om ons te hooren en, veel te blij dat we toch propaganda konden maken voor de goede zaak, gingen we met die menschen het leege huis binnen. In de schuur vonden we een ladder, eenige leege vaten en wat touw. Door de ladder over de vaten te leggen kregen we goede zitplaatsen voor de dames, de heeren—’t waren boeren,—wilden wel staan en toen we in de buurt een paar lantaarns hadden geleend en die met touwen hadden opgehangen, was er een uitnemende gelegenheid geïmproviseerd om het publiek te doordringen van de zegeningen van het vrouwenkiesrecht.

Tegen elf uur ’s avonds kwam het rijtuig uit Winschoten met twee dames-bestuursleden, vergezeld van een groote trommel met heerlijke belegde broodjes en een flesch wijn. De koetsier wilde niet direct terug rijden, zijn paarden moesten minstens een uur rust hebben. Dus gingen we maar naar de schuur terug waar wij nu de ladder tot zitplaats kozen en een leeg vat tot tafel promoveerden om de broodjes te eten en van den wijn te drinken. Het werd lang na middernacht voor we naar Winschoten onderweg gingen en daar kwamen we eerst tusschen drie en vier uur aan. Of de wijn ons zoo vroolijk had gestemd—ik was niet gewend aan alcoholica—of dat de avonturen van dezen dag ons zoo hadden opgewekt, ik weet het niet meer, maar het staat vast dat de lange, donkere weg in het holst van den nacht en door een onbekende streek, ons volstrekt niet lang toescheen, zoodat we met een lach aan dien dag terugdenken.

Deze tijd van opgewekt politiek leven gaf natuurlijk gelegenheid om in vele bladen artikelen over vrouwenkiesrecht geplaatst te krijgen. Vooral bestrijding was ons welkom want dan kon men ons een verweer niet weigeren. Een voorbeeld daarvan was een artikel in „de Nederlander,” het blad onder leiding van den waardigen Jhr. De Savornin Lohman. Daarin werd de vraag: „Zal vrouwenkiesrecht invloed uitoefenen op den loop der wereldgeschiedenis?”, natuurlijk ontkennend beantwoord, maar er werd toch bijgevoegd dat er geen redelijke grond was aan te voeren om de ongehuwde, zelfstandige vrouw van het kiesrecht uit te sluiten. Ziedaar een prachtige gelegenheid om onze eischen onder de oogen te brengen van de christelijk-historische vrouwen. Mijn antwoord op de vraag luidde natuurlijk anders. Ik begon met vast te stellen, dat alle maatschappelijke hervormingen steeds groote of kleine sporen in de wereldgeschiedenis hebben nagelaten en dat men derhalve, ook zonder nader bewijs, gerust mocht aannemen dat de groote hervorming,—de politieke gelijkstelling van man en vrouw—waarvoor door vrouwen in de geheele wereld zoo hardnekkig werd gestreden, hare sporen in de geschiedenis zou achterlaten. Daarna weerlegde ik alle bezwaren welke onze sympatieke tegenstander had aangevoerd. Zijn wederwoord bleef niet uit en ook daarop kon ik weder antwoorden.

In de Roomsche bladen werden wij eveneens dikwijls bestreden en wanneer we dan in polemiek traden verwierven we ook van die richting nieuwe leden. Zulke tegenstanders waren ons liever dan de vele liberale bladen die ons het liefst doodzwegen, nadat ze eerst getracht hadden om ons belachelijk te maken.

Voor de strijdsters voor Vrouwenkiesrecht is 1906 in verschillende opzichten een merkwaardig jaar geweest. Nadat in 1904 in Berlijn de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht was gegrondvest, zou voor de eerste maal in Juni 1906, te Kopenhagen een congres worden gehouden van de internationale strijdsters. In alle landen welke aan dat Congres zouden deelnemen, werden groote toebereidselen gemaakt. Ons land zou vertegenwoordigd worden door twaalf afgevaardigden, waarvan ik als presidente der vereeniging de leidster zou zijn.

Op dit congres te Kopenhagen nu, hoorden we voor het eerst uit den mond van een suffragette wat de suffragette-beweging voor Engeland te beteekenen had, hoe zij tot stand was gekomen en wat de feitelijke waarheid was van de courantenberichten die in alle landen waren verspreid. Van het oogenblik af waarop deze militante strijdwijze in Engeland was begonnen, had ik er een grooten afkeer voor gevoeld, maar ik moet bekennen dat zij het vrouwenkiesrecht een heel eind nader tot het doel had gebracht. Millioenen menschen die nooit iets over vrouwenkiesrecht hadden gehoord of gelezen, en er dus ook nooit over hadden gedacht, hadden nu bijna iederen dag een bericht over het onderwerp onder de oogen gekregen, al was het dan ook meestal niet geheel waar en altijd overdreven. Velen moest het daarbij gegaan zijn als den toenmaligen Bisschop van Londen, die op zekeren morgen bij zijn ontbijt een bom onder zijn stoel vond en die, toen hij hierover ging nadenken tot de conclusie kwam: „indien vrouwen, onder wie ontwikkelde en beschaafde, tot zulke strijdmiddelen haar toevlucht nemen, dan moeten er voor de vrouwen toch wel groote belangen aan het vrouwenkiesrecht zijn verbonden.” Daarop is hij de geschriften van de kalme strijdsters gaan lezen met het gevolg dat hij een openlijk voorstander van vrouwenkiesrecht werd.

Ook wij hebben van den strijd dezer moedige militante vrouwen de goede vruchten geplukt. In vele liberale bladen kregen de Nederlandsche strijdsters opeens pluimpjes voor haar kalm en gematigd optreden, al dook er nu en dan de angst uit op, dat wij het voorbeeld van de suffragettes wel eens konden volgen. Het werk der suffragettes heeft in ons land ten minste dit goede gevolg gehad, dat wij niet meer werden doodgezwegen en dat we soms zelfs een loftuiting kregen voor iets wat we hadden gedaan.

Op dat Congres te Kopenhagen werd ook bepaald dat ik met de Presidente van den Wereldbond, Mrs. Carrie Chapman Catt, naar Oostenrijk en Hongarije zou gaan om de vrouwen daar bij te staan in het organiseeren van de propaganda. Over die reis heb ik reeds in hoofdstuk VI geschreven. Maar op dat Congres werd nog een voor ons gewichtig besluit genomen. Onze delegatie had uitgerekend dat in den loop van 1908 en ’09 in ons Parlement de Grondwetsherziening behandeld zou worden. Daarom noodigden wij den Wereldbond uit om het volgende Congres, in Juni 1908, in ons land te houden. Die uitnoodiging werd gaarne aanvaard en zoo keerden wij afgevaardigden huiswaarts, vol plannen om te zorgen dat „ons” Congres schitterend zou worden.

Nog in een ander opzicht was het jaar 1906 voor ons van beteekenis. De Vereeniging had nu 12½ jaar bestaan en hiervan wilden wij een feestdag bereiden aan onze leden en hem tevens dienstbaar maken aan de propaganda. Ook dit gaf ons weer extra veel werk. Maar voor al dergelijk en ander werk, het is wel onnoodig te zeggen, vond ik altijd ijverige medewerksters, die steeds het groote doel voor oogen hadden en die daarvoor geen arbeid te gering, geen inspanning te zwaar achtten. Als haar gevraagd werd om als spreeksters uit te gaan of ergens een groep vrouwen te helpen om een afdeeling op te richten, dan deden zij dat met dezelfde liefde en toewijding waarmede zij tot ’s avonds laat circulaires vouwden, in de couverten staken of er postzegels opplakten. In de besturen en onder de vrijwillige werksters heeft de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht steeds vrouwen gehad die zich met hart en ziel aan de zaak wijdden, geheel belangeloos en zonder eenige aanspraak te maken op erkentelijkheid. Allen waren doordrongen van het belang van de zaak, in het besef dat daarvoor geen offers te groot waren.

De algemeene vergaderingen waarop meestal de krachtigste strijdsters als afgevaardigden van alle afdeelingen bijeen kwamen, waren voor ons allen ware feestdagen, ondanks den ernst van het werk dat er werd gedaan. Daar konden we elkander weder moed inspreken en troosten over ondervonden tegenstand. Dit duurde tot in 1906, toen bij het periodieke aftreden van drie herkiesbare leden van het hoofdbestuur, waartoe ook ik behoorde, een kleine groep vrouwen dit drietal wilde vervangen door anderen. Het aanstaande Congres van den Wereldbond in 1908 was daaraan niet vreemd.

Tijdens dien verkiezingsstrijd was ik met Mrs. Chapman Catt in Hongarije. Ik verheugde mij niet weinig toen ik het bericht ontving dat wij alle drie met overgroote meerderheid waren herkozen, en dit niet alleen omdat ik de teugels van het bewind in handen kon houden gedurende den strijd, maar ook omdat nu was gebleken dat de eenheid in de vereeniging en de onderlinge band sterk en stevig waren.