Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 18
Toen we op zekeren avond over de Gemmi in Leukerbad (Loèche-les-Bains) waren aangekomen en daar alleen zouden overnachten, maakte ik eenige bezwaren. Deze badplaats en de geneeswijze die er werd toegepast, interesseerden mij buitengewoon. Op uitnoodiging van den vriendelijken geneesheer, besloot ik hier in Leukerbad twee dagen alleen achter te blijven, waarna ik des avonds van den tweeden dag de overigen per spoor weer zou inhalen en mij bij hen voegen. Dit program werd precies uitgevoerd, maar toen ik aan het bepaalde station uitstapte, vond ik op de afgesproken plaats alleen Gerritsen. Hij vertelde dat onze Engelsche vrienden naar Martigny waren doorgereisd, om vandaar over Parijs huiswaarts te keeren.
Wat zouden wij nu doen? Zouden we het reisplan samen voortzetten en de gevolgen daarvan aanvaarden? Den volgenden dag zouden we tot een besluit komen.
Een wettig huwelijk, daarover waren we het eens, was voor ons beiden buiten kwestie. Een vrij huwelijk, waarbij wij elk onze volle vrijheid zouden behouden en economisch onafhankelijk van elkander zouden zijn, waarbij wij zelfs afzonderlijk zouden blijven wonen, daartegen konden alleen begrippen van conventie bezwaren in den weg leggen. Als twee volkomen vrije menschen, konden we, door het leven naar eigen overtuiging te regelen, alleen ons zelf dienen of schaden. Ons verbond zou berusten op een beproefde vriendschap, op wederzijdsche waardeering en groote overeenstemming in levensopvatting.
De bezwaren die er tegen waren aan te voeren, konden niet opwegen tegen de voordeelen die het verbond voor ons zou meebrengen, en daarbij in de eerste plaats verhoogd levensgeluk. We kwamen overeen alle groote en kleine vacanties samen door te brengen en verder ons leven weder te volgen als vroeger. Nooit heeft ook maar één oogenblik het gevoel mij bekropen, dat ik door ons leven op deze wijze in te richten, geen hoog zedelijk standpunt had ingenomen. Integendeel waren wij beiden overtuigd dat huwelijken in de toekomst op deze wijze behoorden te worden aangegaan en dat daarmede de kans zou worden geopend dat zij ook op den duur gelukkig zouden zijn.
In het laatst van 1885 en het begin van 1886 werd bij Gerritsen de wensch steeds sterker om Amersfoort te verlaten en zich te Amsterdam blijvend te vestigen. Die wensch werd versterkt omdat hij zich liefst van de handelszaken wilde losmaken, en zich naar zijn neiging meer in wetenschappelijke richting ontwikkelen.
Samen zochten wij toen te Amsterdam een voor hem geschikte woning. Ik huurde zijn dienstpersoneel en volgens onzen gemeenschappelijken smaak werd het huis ingericht. Ampel bespraken we toen of we niet tot samenwonen zouden overgaan. Daarvan echter werden we terug gehouden door mijn vrees dat, door het zoo openlijk trotseeren van de publieke opinie, mijn medische praktijk zou worden geschaad en ik daardoor mijn economische onafhankelijkheid zon verliepen. Dit deden we dus niet, maar doordat we nu in elkaar’s nabijheid woonden, werd ons leven inniger. Er ging geen dag voorbij of we wisselden ten minste een briefje.
Gedurende de beide eerste jaren van zijn verblijf te Amsterdam, volgde Gerritsen aan de Universiteit de colleges in staatsrecht en staathuishoudkunde, en altijd kon ik er op rekenen dat hij mij van alles wat hem wetenswaardig leek, geheel op de hoogte bracht. Toen hij in 1888 met enkele andere vooruitstrevende mannen den Radicalen Bond oprichtte, de eerste politieke partij welke het vrouwenkiesrecht in haar program opnam, is mijn invloed daaraan natuurlijk niet vreemd geweest. In die partij werden, evenzeer voor de eerste maal in ons land, onder dezelfde bevoegdheden als de mannen, ook vrouwen als leden opgenomen.
In het voorjaar van 1890 ging Gerritsen voor drie maanden naar Parijs met het tweeledig doel om daar colleges te volgen in économie politique en financiewezen, en zich tegelijk meer bedrevenheid eigen te maken in het gebruik van het Fransch. Bij het nalezen van de brieven uit dien tijd, waarin hij mij op de hoogte bracht van alles wat hij zag en ondervond, werd ik getroffen door een eenvoudige mededeeling die ons thans, in den tijd van druk autoverkeer, vreemd en zelfs naïef moet toeschijnen. In een brief van 19 Juni 1890 lees ik het ongehoorde feit: „Gisteren heb ik onder de honderden rijtuigen in de Champs Elysées er een gezien zonder paard! Dat is nu wel geen wonder, maar als ik er bijvoeg dat het niettemin voortbewoog, ongeveer met denzelfden spoed als andere rijtuigen met een paard in draf, wat zeg je dan? Het was een rijtuig in den vorm van een groote tilbury. Hier noemden ze het een charette. Er zaten twee heeren in, waarvan de een stuurde met een lang roer dat bevestigd was aan een voorwiel. Het werd voortbewogen door stoom. De kleine machine was aangebracht onder het rijtuig. Zij gaf geen rook en maakte geen geraas. Een aardige uitvinding, niet? Wie weet wat de electriciteit ons op dit gebied voor wonderen brengen zal!”
Kort nadat Gerritsen uit Parijs was teruggekeerd. maakte ik mij gereed om naar Berlijn te gaan om deel te nemen aan een internationaal geneeskundig congres. Die reis was voor mij nog bijzonder aantrekkelijk omdat ik daar zeer waarschijnlijk mijn vroegere medische vrienden uit Engeland zou ontmoeten, ongerekend verschillende beroemdheden uit andere landen. Die verwachting is ook vervuld en nog tegenwoordig heb ik de aangenaamste herinneringen aan dat congres en aan alles wat daaraan was verbonden, behouden.
Door dat verblijf in Parijs en mijn reis naar Berlijn. zagen Gerritsen en ik elkander in vele maanden slechts zelden, al onderhielden we dan ook onze innige verstandhouding zooveel mogelijk door een drukke correspondentie. Ook werd het leven van Gerritsen veronaangenaamd door voortdurende moeilijkheden met zijn personeel. En daarbij kwam mijn steeds sterker wordend verlangen naar het moederschap. Al die redenen bij elkander leidden er toe, dat wij in den winter van 1890–’91 tot de overtuiging kwamen dat we ons leven anders moesten inrichten. De vraag was en bleef niettemin hoe wij onze manier van leven zouden wijzigen? Weer overwogen we om, zonder een wettig huwelijk te sluiten, samen te gaan wonen. Maar zou ik dan durven gehoor geven aan den drang naar het moederschap en misschien een kind ter wereld brengen dat de nadeelen zou moeten dragen van ons handelen in strijd met de gangbare begrippen van moraliteit? En ten andere, zou Gerritsen, die steeds sterker lust gevoelde om in het politieke strijdperk te gaan, daarbij geen moeilijkheden ondervinden indien hij niet wettelijk gehuwd was?
Och, hoe nietig en klein lijken mij al die bezwaren in het licht van den tegenwoordigen tijd! Waarom niet moedig voortgezet wat zoo fier was begonnen?
In den zomer van 1891 besloten we samen een groote vacantie door te brengen en dan tot overeenstemming te komen. We gingen over Parijs en St. Malo naar Jersey om dan over Guernsey en Londen terug te keeren. Op onze lange wandelingen, waarbij wij de beide heerlijke eilanden met hun verrukkelijk klimaat bijna geheel doorkruisten, hadden we ruimschoots gelegenheid om plannen voor de toekomst te maken. We overwogen het voor en tegen van trouwen en niet-trouwen, van samen of niet-samen wonen, totdat we ten slotte de ware oplossing meenden te hebben gevonden door het volgende besluit. Wij zouden samen gaan wonen, een wettig huwelijk aangaan, maar voor het overige vrij en onafhankelijk van elkander leven. Daartoe zou ik mijn eigen naam blijven voeren, mijn praktijk vervullen als te voren en in het bezit blijven van mijn eigen vermogen en verdiensten. In onze gemeenschappelijke woning zouden onze appartementen gescheiden zijn. Alleen eetkamer en salon zouden gemeenschappelijk bezit worden. Ieder zou zijn eigen kamers meubileeren. Aan het einde van het jaar zouden de kosten van het huishouden worden opgeteld en daarvan zou ieder de helft betalen. Kleeding, boeken en andere persoonlijke uitgaven, zou ieder voor zichzelf bekostigen. Voorts zouden we natuurlijk zoo streng mogelijke huwelijksche voorwaarden maken. Op die wijze, meenden we, zou ieders vrijheid ook in het huwelijk gewaarborgd zijn.
Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, wilden we onze plannen ook zoo spoedig mogelijk tot uitvoering brengen. Zoodra we te Amsterdam terug waren, begonnen we uit te zien naar een geschikte woning. Het was echter niet zoo gemakkelijk om er een te vinden die aan al onze eischen voldeed. Toen het ons niet vlug genoeg ging, besloten we een huis te koopen, dat door verbouwing en vertimmering geschikt kon worden gemaakt. Het gewenschte perceel werd eindelijk gevonden in de Tesselschadestraat, dat later het hoekhuis van die straat en de Roemer Visschersstraat is geworden. In dat huis hebben we samen gewoond tot Gerritsen’s dood en ik daarna nog alleen tot 1911.
De vertimmering en het in orde brengen van de woning duurde veel langer dan ons lief was en eerst in April 1892 konden we het huis betrekken. Om ons zooveel mogelijk te onttrekken aan ongewenschte inmenging, hebben we de dagen tusschen ondertrouw en huwelijk te midden van onze vrienden in Londen doorgebracht.
Hoewel de wethouder die ons huwelijk wettigde een toespraak hield, welke er op was ingericht om twee zulke radicale elementen met de wettelijke actie te verzoenen, kon dit toch niet verhinderen dat er verontwaardiging op mijn gezicht was te lezen, toen ik de belofte van gehoorzaamheid moest afleggen. Steeds heb ik daarna, waar zich de gelegenheid aanbood, in woord en geschrift geijverd om die belofte van gehoorzaamheid uit de wettelijke bepalingen omtrent het huwelijk te verwijderen. Die belofte is reeds lang uit den tijd. Zij doet de mannen die ze in het huwelijksformulier neerschreven en zij die haar blijven handhaven, van een zeer bedenkelijke zijde kennen. In het huwelijk, zelfs in de meest conservatieve gezinnen, is van „gehoorzaamheid” der vrouw in werkelijkheid nooit sprake geweest. Ieder weet maar al te goed, hoe de mannen waar zij meenen gehoorzaamd te worden, op allerlei manieren bij den neus worden genomen. Waarom dan nog maar altijd, op zulk een voor vele menschen gewichtigen dag, een belofte te laten uitspreken die een leugen inhoudt?
In September 1893 konden wij ons eerste kind verwachten. Met groot verlangen werd het tegemoet gezien. Nog in het begin van de zevende maand verrichtte ik een zware forcipale verlossing bij eene patiënte, en tot den laatsten dag van mijn zwangerschap bleef ik mijn consultatieve praktijk vervullen, maar toch kon ik genoeg vrije oogenblikken vinden om zelf het kinderuitzet te maken.
In Januari 1893 was Gerritsen in het district Leeuwarden candidaat gesteld voor de Tweede Kamer. Hij was daar de eerste candidaat van den nog jongen Radicalen Bond en hij stond er tegenover den in Friesland bekenden liberalen candidaat J. Troelstra, de vader van den sociaal-democratischen leider Mr. P. J. Troelstra, die toen echter nog studeerde aan de Universiteit te Groningen. Het was een zware verkiezingscampagne waarvoor de sprekers van de radicale partij allen in het gareel kwamen. Avond op avond werden er vergaderingen gehouden, dan hier dan daar in het district. Hoe laat Gerritsen van zulke bijeenkomsten, meest nog na een urenlangen rit in een rijtuig, ook te Leeuwarden terugkeerde, nooit verzuimde hij vóór het naar bed gaan, mij nog even een briefje te schrijven om mij van den stand van zaken op de hoogte te brengen. Geen wonder dat door de hulp van zulke jonge, met frissche idealen bezielde medewerkers, het pleit in Friesland werd gewonnen. Als de eerste radicale afgevaardigde kon Gerritsen in de Kamer optreden.
Ondanks die drukte van den verkiezingstijd heb ik toch geen enkel briefje van Gerritsen ontvangen, of op de een of andere wijze bevatte het iets over de blijde verwachting en legde het ondubbelzinnige getuigenis af hoezeer die naderende gebeurtenis ons beider gedachten steeds bezig hield en vervulde.
Het kindje waarnaar we zoozeer hadden verlangd, heeft slechts één dag mogen leven. Door een fout van den accoucheur bij de geboorte, was het geen langer leven beschoren. Hoezeer ons deze slag heeft getroffen, kan ik niet neerschrijven. Jaren heb ik noodig gehad om het verdriet te boven te komen. En toch heb ik later, wanneer ik terugdacht aan dien droevigen tijd, mij gelukkig gerekend dat ik, al was het dan ook maar voor eenen dag, de moederweelde heb gekend, de emoties heb gehad die het in de armen voelen van een eigen kind opwekken.
We hadden ons leven weder ingericht als voorheen. Ieder wijdde zich aan eigen arbeid. Zooveel ons werk het toeliet, gebruikten wij de hoofdmaaltijden samen, maar voor de rest van den dag zagen we elkander maar zelden. Alleen wanneer ik mij, bij goed weer, tegen half vier vrij kon maken, vergezelde ik Gerritsen op een van zijn vele tochten naar de haveninrichtingen, voor welke hij met voorliefde werkte en waar hij vele verbeteringen wist aan te brengen. Op andere dagen ging ik met hem mee op een inspectietocht naar een van de vele stedelijke inrichtingen voor armenzorg. Wandelend doorkruisten we verschillende nieuwe wijken en de achterbuurten, zoodat Gerritsen, die immers geen geboren Amsterdammer was, toch in den Raad blijk kon geven dat hij de stad door en door kende en op de hoogte was van alles wat Amsterdam aanging.
In iedere groote of kleine vacantie gingen we samen op reis. In het eerst waren het grootendeels voetreizen, maar van 1894 af maakten we bij voorkeur gebruik van onze rijwielen om ons eigen land en het buitenland goed te leeren kennen. Wij hadden daarbij de gewoonte om op reis aanteekeningen te maken en die ook uit te werken en in druk te geven als „Reisbrieven”. Dikwijls bleven ze in portefeuille en dienden ons dan tot inlichting om sociale toestanden, wetten en gebruiken in ons land met die van andere landen te vergelijken. We bezochten immers zelden een land of een streek alleen voor het natuurschoon, het was ons meer te doen om kennis over land en volk te vergaren. Bij het trekken door een dorp of een stadje hielden we gesprekken met de bewoners en dikwijls is het ons gebeurd dat we daardoor veel wetenswaardigs vernamen en nuttige introducties kregen. Zulk een vluchtige kennismaking leidde niet zelden tot langdurige briefwisseling en zelfs tot werkelijke vriendschap.
Toen we het rijwiel als middel van vervoer gingen gebruiken, waren we lid geworden van den internationalen wielrijdersbond. Dat verschafte ons groot gemak voor introducties en inlichtingen, want we verzuimden nooit om in elke plaats den daar gevestigden consul van den bond op te zoeken. In den regel waren die heeren vriendelijke en ontwikkelde menschen, die ons alle gewenschte inlichtingen verstrekten.
We gingen ’s morgens reeds vroeg op weg, om nog in de ochtenduren in de plaats die we wilden bezoeken, een fabriek, een inrichting van onderwijs, een museum of de een of andere sociale instelling te bezichtigen. Als het bijzondere doel dat we op het oog hadden belangrijk genoeg was, bleven we een dag over, anders trokken we des middags weer verder. We zorgden er voor, des avonds tijdig ergens te belanden waar we konden overnachten, en gewoonlijk waren we dan niet te moe om beiden onze indrukken van den dag op te schrijven. We verdeelden dan het werk, zoodat Gerritsen het eene en ik het andere gedeelte van den dag beschreef. We raakten daarmee zoozeer vertrouwd dat de beschrijvingen direct bij elkaar aansloten, zoodat wanneer we het geheel in druk brachten, de lezer niet kon merken dat het relaas van twee handen kwam.
Op dergelijke manier bezochten wij Denemarken, Noorwegen en Zweden. Op verschillende tijden leerden we bijna heel Duitschland kennen, evenals een groot deel van Frankrijk, Engeland en Schotland, Zwitserland, Noord-Italië, Oostenrijk en Hongarije. Enkele van die tochten wil ik toch iets nader omschrijven.
Op zekeren dag vertrokken we met den trein naar Dresden, bleven daar een paar dagen om al fietsende de omstreken te bezichtigen, en toen begonnen we een grooten rijwieltocht door de Saksische Schweiz. Onze bagage, die uit slechts één koffer bestond, hadden we vooruit gestuurd naar Praag, terwijl we op onze fietsen alleen de voor een paar dagen noodige dingen medevoerden. Na Praag zochten we al spoedig onzen weg door het Bohemerwoud tot we de stad Linz aan den Donau bereikten, vanwaar we op een boot naar Weenen gingen. Hier bleven we een volle week, gingen eerst naar Stiermarken en vervolgens door het Salzkammergut naar Innsbrück. Toen ging het over den Brennerpas naar Franzensfeste waar we zijdelings afdwaalden, den goeden weg verloren en na twee, voor wielrijders wanhopige dagen over ongebaande paden en met zeer primitieve logeergelegenheden, Belluno bereikten, waar we den trein naar Venetië konden nemen. Van hier trokken we naar Padua en Verona, vervolgens naar het Garda-meer en toen op de boot naar Riva. Daarna over Triënte naar Bozen, even een klein uitstapje naar Méran en andermaal over den Brennerpas naar Innsbrück. De paar dagen die we nog over hadden, besteedden we om door het Mittelwald naar München te wieleren, en daar stapten we eindelijk in den trein naar Amsterdam. Voor deze reis hadden we ruim negen weken noodig gehad.
In denzelfden trant spoorden we een ander jaar naar Antwerpen en fietsten toen naar Gent, Kortrijk en Boulogne waarbij we alle bekende badplaatsen langs de kust bezochten, telkens een dag en een nacht stil blijvende, totdat we in Hâvre aankwamen. Van hier gingen we naar Honfleur en volgden toen de Seine om over Rouaan naar Parijs te gaan. In Rouaan echter troffen we weer een van die vriendelijke raadgevers van den internationalen rijwielbond, een advocaat die tegelijk een hartstochtelijk wielrijder was. Hij vertelde ons zooveel over het interessante Rouaan en de mooie omgeving, dat we besloten daar enkele dagen te blijven om met hem en zijne vrouw eenige uitstapjes te maken. Als we na die mooie tochten in de stad terugkwamen, werden we door het vriendelijke echtpaar op de hoogte gebracht van het dagelijksch leven van de Rouaansche bevolking. Deze aangename kennismaking heeft geleid tot een goede vriendschap en tot een jarenlange briefwisseling. Na ons bezoek aan Parijs namen we een grooten omweg waarbij wij over Nancy en Metz door Luxemburg naar Luik reden om vervolgens over Maastricht huiswaarts te keeren.
Nog één reis wil ik in het kort beschrijven, niet alleen omdat het een van onze grootste tochten is geweest, maar ook omdat er zulke aangename herinneringen aan verbonden zijn. Het was in den zomer van 1898. Steeds fietsende kwamen we den derden dag te Vlissingen aan, gingen daar aan boord naar Engeland en vervolgens met den trein naar Londen. Toen we daar enkele dagen hadden rondgetoerd, gaven we gevolg aan een uitnoodiging van een ouden vriend, Dr. G. B. Clarke, om eenige dagen zijn gasten te zijn op zijn mooie landhuis in Surrey.
Ook deze vriendelijke gastheer was een verwoed wielrijder. Iederen morgen en middag maakten we onder zijn geleide mooie tochtjes in de omstreken en eenige dagen vergezelde hij ons ook op den grooten tocht naar Schotland, dien we ons hadden voorgenomen. We gingen uit Surrey over Windsor langs de Theems tot Oxford en vandaar naar Stratford-on-Avon, wereldvermaard als geboorteplaats van den grootsten Engelschen dichter. We logeerden er in het hotel Shakespeare, waar iedere kamer geen nummer droeg, maar den naam van een Shakespeare-drama. Toen trokken we naar Birmingham en bleven er enkele dagen, om in dit centrum van de Engelsche nijverheid kennis op te doen van de arbeidstoestanden. Daarop reisden we een paar uren per spoor, om een eentonige streek die ons niets bijzonders kon opleveren, te vermijden. Maar te Carnforth, aan het begin van het merendistrict van Cumberland en Westmoreland, bestegen we weer onze rijwielen en zoo bereikten we nog denzelfden dag het lieflijk gelegen Windermere. Dit is de plaats waar de Londenaars gaarne hun week-end doorbrengen, vooral wanneer ze die kunnen uitbreiden met een vrijen Maandag. Nu was er juist zoo’n Maandagsche bank holiday op komst en het gevolg was dat we maar één nacht konden overblijven, omdat voor de drie volgende dagen in heel Windermere alle slaapgelegenheden waren besproken. Den anderen ochtend vertrokken we daarom naar Keswick en daar bleven we een paar dagen om uitstapjes te maken. We wilden nu in één dag Glasgow bereiken, maar in Ecclefechan werden we door een stortregen overvallen en konden niet verder. We wisten wel dat dit de geboorteplaats was van Thomas Carlyle en dat hij op het nietige kleine kerkhof lag begraven, maar bij allen eerbied voor zijn nagedachtenis, betreurden we toch dat we genoodzaakt waren om in de eenige, primitieve, maar ten minste zindelijke herberg te overnachten. Toen het den volgenden dag nog plasregende, gingen we met den trein naar Glasgow. Hier en in de omgeving was zooveel te zien en te leeren, dat we er een week bleven en iederen dag uitstapjes maakten. Op een van deze kwamen we in het stadje Lanark met zijn vele spinnerijen. Het was een plaats die mij bijzonder belang inboezemde omdat Robert Owen er zijn socialistische proefnemingen had verricht.
Op een avond maakten we in ons hotel te Glasgow kennis met een vertegenwoordiger van de firma William Beard & Co., eigenaars van steenkolenmijnen te Bothwell. Toen hij vernam dat wij gaarne een kolenmijn wilden zien, noodigde hij ons uit bij hem te komen. Bothwell ligt ongeveer een half uur sporens van Glasgow. Bij wijze van voorbereiding vertoonde men ons teekeningen van de mijn met de verdeeling van schachten en gangen. Toen werden we in mijnwerkerspakken gestoken. Voor mij was een jongenspak gereed gelegd, maar ik moest toch de mouwen en de broekspijpen nog omslaan om me beter te kunnen bewegen. Mijn haren werden bedekt met een kap en waren daardoor, naar ik meende, goed afgesloten. We kwamen onder geleide van een goedigen meesterknecht, die steeds zijn best deed om ons in te lichten. Reeds het afdalen vond ik griezelig en het leek mij eindeloos lang vóór we het vereischte niveau op een diepte van 600 meter hadden bereikt. Na het gebruikelijke oponthoud onder een soort van klok, om aan den luchtdruk te wennen, begon de urenlange tocht dien ik nu niet in bijzonderheden zal beschrijven, omdat dit reeds dikwijls is geschied en omdat de kolenmijnen overal hetzelfde beeld vertoonen, een triestige combinatie van onheilspellende duisternis, moeilijke begaanbaarheid en een onmenschwaardig lijkenden, zeer zwaren en naar verhouding slecht betaalden arbeid. Kortom, het beeld dat Zola in zijn „Germinal” op zoo aangrijpende manier heeft geschilderd. Van dat alles kregen we op den langen en moeizamen tocht door nauwe gangen, waar we dikwijls gebukt moesten loopen of zelfs op de knieën voortkruipen, een diep besef. Ik gevoelde diepe deernis met de zwoegende mijnarbeiders en niet minder met de arme paarden die gedoemd zijn om hun leven in de donkere diepte te slijten, zonder ooit het daglicht terug te zien. Graag wil ik bekennen dat ik, zwaar transpireerend van inspanning en door de hitte, op den duur doodmoe was geworden. Op het laatst bleef ons een extra sensatie niet gespaard, toen we een mijnwerker tot onzen geleider hoorden zeggen: „There’s something wrong!” Het bleek dat er een electrische kabel was gebroken en dat daardoor het geregeld oprijden van de kolenwagentjes in een deel van de mijn was gestremd. Tegelijk was de lift die ons naar beneden had gebracht, defect geraakt, zoodat we nog een eind verder moesten loopen naar een andere schacht.