Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 17
Aan dit alles wilde Carel zich niet onderwerpen. Hij weigerde naar de kerk te gaan, om aan tafel te bidden en Zondags als de dominee kwam, thuis te blijven. Ook wilde hij niet worden „aangenomen”. Toen hierover ernstige huiselijke scènes uitbraken, werd het aan beide kanten duidelijk dat er geen samenwerking mogelijk was. Carel verliet het ouderlijk huis en ging naar Londen, waar hij spoedig een betrekking kreeg op een handelskantoor voor administratie.
Het moet in de dagen zijn geweest toen Charles Bradlaugh, als een consequent vrijdenker, weigerde om in het Parlement den eed af te leggen en hij met zijn reuzenkracht vocht tegen de suppoosten, zoodat hij na een dapperen strijd, met de kleeren aan flarden gescheurd, buiten de zaal terecht kwam. Dit tooneel heeft zich eenige malen herhaald, maar de kiezers van zijn district zijn niet in gebreke gebleven om hem telkens opnieuw af te vaardigen. Ten leste heeft Bradlaugh, ondanks zijn standvastigheid en zijn kracht, den ongelijken strijd moeten opgeven.
Gerritsen schaarde zich met geestdrift onder de geestverwanten en openlijke verdedigers van Bradlaugh en daardoor kwam hij in contact met hemzelf, met Annie Besant, Dr. Charles Drysdale en andere Engelsche hervormers op sociaal gebied. Die kennismaking heeft geleid tot hechte vriendschapsbanden met nagenoeg al de hier bedoelde persoonlijkheden.
Naar ik vroeger reeds heb verteld, is het Gerritsen geweest, die, zonder dat ik hem toen reeds persoonlijk kende, mij introducties zond voor deze vrienden en daaraan is het te danken geweest, dat ik bij mijn eerste bezoek aan Londen, direct met al die personen in kennis kwam.
Toen Carel reeds enkele jaren in Londen had gewoond, kreeg hij plotseling bericht uit Amersfoort, dat zijn vader was bezocht door een ernstige oogaandoening, welke vermoedelijk op geheele of gedeeltelijke blindheid zou uitloopen. Hij moest zoo spoedig mogelijk thuiskomen om de leiding van de zaak op zich te nemen in samenwerking met David, zijn jongeren broeder. Ook thans nam hij geen intrek in het ouderlijk huis, maar richtte hij zich in boven het kantoor. Door betrekkingen met het buitenland te openen, slaagde hij er in om de zaak uit te breiden. De avonden besteedde hij aan studie en om in het bekrompen stadje dat toen overwegend anti-revolutionnair was, nieuwe, frissche denkbeelden ingang te doen vinden, zorgde hij voor lezingen, en schreef hij artikelen die hij op eigen kosten liet drukken en onder het volk verspreiden. Reeds in het tweede hoofdstuk heb ik opgemerkt dat hij op die manier een slechten naam had gekregen. Vooral was dit het geval toen hij zich openlijk een vriend van Multatuli toonde, die in Amersfoort een lezing kwam houden en die zelfs bij hem logeerde!
Intusschen onderhield hij steeds de in Engeland aangeknoopte relaties en zoodra de zaken hem dat veroorloofden, ging hij bij wijze van vacantie voor enkele dagen naar Londen.
Na enkele jaren richtte hij te Amersfoort een weekblaadje op, onder den naam van „Ons Blad” en daarin schreef hij gewoonlijk zelf het hoofdartikel. In 1881 werd hij gekozen tot lid van den Raad en daar was hij altijd in oppositie tegen het sterk rechts getinte dagelijksch bestuur. In den voortdurenden strijd ging het b.v. vooral tegen de reglementeering van de prostitutie. Daarover schreef hij een brochure, waarin hij zelf de sociale en moreele elementen bijeenbracht en ik hem de medische gegevens had verschaft. Verder voerde hij strijd tegen den kinderarbeid in fabrieken en op ander terrein, voor beter onderwijs, voor het toelaten van meisjes op de stadsscholen voor jongens, en ten bate van een pensioenfonds voor gemeentewerklieden. Buiten den Raad ijverde hij o.a. voor onderwijs aan schipperskinderen.
In Mei 1886 verhuisde Gerritsen naar Amsterdam en bij de opening van den nieuwen cursus in het najaar, ging hij aan de Universiteit de colleges volgen van de hoogleeraren Quack en Pierson. In het volgende jaar behaalde hij het diploma M. O. in de staathuishoudkunde. Toen reeds, in 1887, was zijn belangrijke studie verschenen over de Nederlandsche Bank, waarin hij het denkbeeld bepleitte om die instelling om te zetten in een rijksbank.
In het begin van 1888 voerde hij met enkele anderen strijd in de kiesvereeniging „Burgerplicht” tegen het eigenmachtig optreden van het bestuur en bepaaldelijk van enkele invloedrijke leden, die gewoon waren onder elkander uit te maken wie in den Raad zou komen en wie Amsterdam in de Kamer zouden vertegenwoordigen. Dit conflict leidde tot het uittreden van een aantal leden, die als „radicalen” werden gedoodverfd en die daarop, naar de manier van de oude Geuzen, de radicale kiesvereeniging „Amsterdam” oprichtten. Gerritsen is daarbij een der voormannen geweest. Zij streefden naar billijker vertegenwoordiging van de geheele burgerij in den Raad, waarbij ook de minderheden stem in het kapittel zouden krijgen. Als logisch gevolg hiervan ontstond een anti-liberale coalitie van radicalen en kerkelijken, en toen nu in het najaar van 1888 deze, als een monsterverbond uitgekreten, coalitie, zich bij de verkiezingen liet gelden, behaalde zij een groote overwinning. Verscheidene oude „regenten” werden gewipt en tot de nieuw gekozenen behoorde, als de eerste radicaal. ook C. V. Gerritsen. Hoe heeft hij toen, aanvankelijk alleen gesteund door een der oudere raadsleden, Mr. W. Heineken, met nooit bezwijkende vasthoudendheid, gevochten tegen monopolies en concessies, tegen het beleid der politie, en tegen andere zaken die hem misbruiken geleken! Na eenigen tijd kreeg hij hulp toen Mr. M. W. F. Treub mede in den Raad was gekozen en J. de Koo in „de Amsterdammer” door zijn scherpe pen grooten invloed had op de publieke meening. Samen met Treub bevocht hij nieuwe besteksbepalingen en de zeer wenschelijke wijzigingen in het werkliedenreglement. Aan hen beiden is het te danken dat, op het voorbeeld van Amsterdam, bijna over het heele land een maximum arbeidsduur en een minimum loonstandaard zijn vastgesteld.
In Februari 1893 werd Gerritsen door het district Leeuwarden naar de Tweede Kamer afgevaardigd, waar hij, weder als de eerste radicaal, zitting nam. Hier kan slechts worden aangestipt dat hij als Kamerlid zijn beginselen niet verloochende. Ongetwijfeld met het voorbeeld van Bradlaugh voor oogen, diende hij een initiatiefvoorstel in, waarbij óók voor de gewestelijke en gemeentelijke vertegenwoordiging, de vrije keus tusschen eed en belofte zou worden verzekerd. Tot zijn groote voldoening is dat voorstel aangenomen en het beginsel dus in de Wet vastgelegd. Tot September 1897 heeft hij in de Kamer zitting gehad, toen hij te Leeuwarden door een sociaal-democraat werd vervangen. Wel werd hem in 1901 een nieuwe candidatuur aangeboden, maar hij heeft daarvoor bedankt omdat de Amsterdamsche gemeentezaken al zijn werkkracht in beslag namen. Op 5 September 1899 n.l. was hij, als opvolger van Mr. Schölvinck, gekozen tot wethouder voor de handelsinrichtingen en de armenzorg. In die positie heeft hij vruchtbaar en blijvend werk verricht. Ik wil alleen constateeren, dat aan zijn initiatief en zijn onversaagden moed, de geheele organisatie van den gemeentelijken geneeskundigen dienst te danken is geweest, en dit hoewel daarbij het geheele corps Amsterdamsche geneesheeren tegen hem in het harnas kwam.
In den Raad vond Gerritsen, behalve bij Treub, ook steun bij geestverwanten als Hugo Muller, Kouveld en Den Hertog, buiten den Raad ook in „de Amsterdammer, Weekblad voor Nederland” onder de scherpzinnige leiding van dien buitengewonen publicist, J. de Koo. (Er werd een Nederlandsche bond van radicalen opgericht, welke in 1901 is opgegaan in den Vrijzinnig-Democratischen Bond, en daarmede ging ook de naam radicalen verloren). Het kon gebeuren dat Gerritsen in den Raad door enkele zijner vroegere medestanders heftig werd bestreden. Deze en andere redenen zijn hem zelfs aanleiding geweest om in 1902 als wethouder te bedanken en zelfs volhardde hij bij dat besluit, toen de Raad hem in September opnieuw tot wethouder verkoos. Daarna is hij echter toch Raadslid gebleven.
In al de colleges waarin hij zitting heeft gehad,—waarbij ook verscheidene jaren in de Provinciale Staten—heeft Gerritsen gestreden voor gelijke rechten van man en vrouw, voor verbetering van de levensvoorwaarden der arbeiders en van de bestaande toestanden op hygiënisch gebied (arbeiderswoningen, schoolbaden, enz.) In den Amsterdamschen Raad in het byzonder heeft hij zich een kampioen getoond voor gemeente-exploitatie, en niet het minst aan hem is het te danken, dat een eind kwam aan de monopolies, zoodat de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, de (Engelsche) gasmaatschappij, de Bell-Telefoon en nog andere, door de Stad werden overgenomen om over te gaan in gemeentelijke bedrijven.
Hiermede zijn althans enkele feiten uit zijn werkzaam en voor de gemeenschap nuttig leven aangestipt.
Naar ik hiervoor reeds heb verteld, hadden Gerritsen en ik na mijn eerste examen nu en dan brieven gewisseld. Toen ik na mijn examen voor semi-arts, typhus had gekregen, was hij zonder zich te noemen naar mijn toestand komen informeeren; bij mijn promotie was hij onder de toehoorders en ook had hij mij aanbevelingen gezonden aan zijn vele goede vrienden te Londen, toen ik daarheen zou gaan. Ondanks dit alles had ik reeds enkele maanden te Amsterdam de medische praktijk waargenomen vóór ik hem persoonlijk leerde kennen.
Toch had hij reeds lang te voren een bezoek gebracht bij mijn ouders en aan mijn vader verlof gevraagd mij te mogen opzoeken. Toen mijn vader mij dit overbracht, heb ik hartelijk gelachen. Eerlijk gezegd kreeg ik nu,—al hadden zijn brieven mij die meening niet gegeven,—den indruk dat ik met een ouderwetschen, bedeesden jongeling te doen had. Dat voorafgaande bezoek aan mijn vader nam alle romantiek voor mij weg, en zonder eenig verlangen zag ik de aankondiging van zijn visite tegemoet.
Het werd 20 Januari 1880. Toen kreeg ik een keurig geschreven briefje waarin Gerritsen mij meedeelde, dat hij in Londen eenige van onze wederzijdsche vrienden had ontmoet, die hem met groeten voor mij hadden belast. Daarover wilde hij mij nu gaarne het een en ander mondeling vertellen en daarom vroeg hij verlof om mij den eerstvolgenden Zondagmiddag op het thee-uur te mogen opzoeken.
Ziezoo, dacht ik, nu heeft hij een boodschap en nu durft hij komen.
Mijn jongste zuster Frederique, toen leerares in wiskunde en boekhouden aan de Meisjes-H. B. School in Den Haag, was bij mij toen Gerritsen zich liet aandienen. De thee stond gereed. Wij waren beide met een handwerkje bezig. Ik borduurde bloemen op donkerblauwe zijde, mijn zuster haakte fijne kant. Die handwerkjes braken onmiddellijk het ijs. Op het gezicht van Gerritsen was duidelijk zijn verwondering te lezen, dat hij ons onledig vond met iets zoo huiselijks als een handwerkje! Ik vroeg hem dan ook direct plagend hoe hij zich mij had voorgesteld, de vrouw met wie hij nooit anders dan ernstige en zakelijke briefjes had gewisseld? Meende hij werkelijk dat ik nooit anders dan studieboeken opnam? Om hem te bewijzen dat het niet zoo maar een gelegenheidswerkje was wat ik onder handen had, haalde ik uit mijn werkmandje nog ander handwerk. Mijn zuster en ik vertelden hem dat wij de japonnen die wij droegen, zelf hadden gemaakt, maar ik voegde er bij, dat zoodra ik genoeg verdiende, ik zulk werk graag aan meer bevoegden zou opdragen.
Hierna vlotte het gesprek alsof we oude kennissen waren. Vanzelf kwamen we te spreken over het leven van vrouwen van wie levensbeschrijvingen waren verschenen en Gerritsen vertelde ons van zijn vrij uitgebreide bibliotheek, waarin een aantal van die boeken aanwezig waren.
Toen hij opstond was het veel te lang voor een eerste visite geweest. Daarover wilde hij zich verontschuldigen, maar mijn zuster en ik namen gaarne de schuld op ons, omdat we hem zoo lang aan de praat hadden gehouden. Hij vertrok met de belofte, ons uit zijn bibliotheek enkele boeken te zenden waarover we gesproken hadden.
Hoewel dit bezoek dus goed geslaagd was, duurde het toch nog vrij lang voor het werd herhaald. Hij had de boeken gestuurd en een briefje van ontvangst gekregen, maar daarbij bleef het voorloopig. Het werd 8 Maart, de eerste verjaardag van mijn promotie tot doctor in de medicijnen. Ik had aan den datum niet gedacht en zou hem ongemerkt hebben laten voorbijgaan, maar op mijn ontbijttafel vond ik een vaas met bloemen en daarbij een kaartje van C. V. Gerritsen. Aan de achterzijde stond geschreven: „Zullen de Nederlandsche vrouwen beseffen welk een gewichtige dag 8 Maart 1879 voor haar leven is?”
Hij was de eenige die mij aan dien bijzonderen dag herinnerde. Dien middag bracht hij mij, vergezeld van zijn zuster en zwager Hengeveld, een bezoek om mij te feliciteeren, en hij was verwonderd dat niemand anders aan dezen dag had gedacht. Ik werd uitgenoodigd om met hen in het Amstel-Hotel te gaan dineeren. Mijn broeder Eduard, als officier der infanterie te Amsterdam in garnizoen, die mij toevallig opzocht, werd mede uitgenoodigd. Wij namen de uitnoodiging aan en zoo leerde ik ook Gerritsen’s naaste verwanten kennen.
Gedurende dat jaar 1880 wisselden we enkele onbeteekenende brieven en een paar malen bracht Gerritsen mij een bezoek, gewoonlijk om zelf boeken te brengen die ik ter leen had gevraagd, maar verder hoorden we niet veel van elkander. Eerst in Maart 1881, enkele weken na den dood van mijn goeden vader, meldde Gerritsen zich op een avond bij mij aan. Ik was nog zeer sterk onder den indruk van het groote verlies dat ik had geleden en hij kon dit geheel beseffen. Het was mij een aangename bemoediging, hem op waardeerende wijze over mijn vader te hooren spreken met de oprechte verzekering van zijn voldoening, dat hij hem nog had leeren kennen.
Hierdoor kwamen we tot een vertrouwelijk gesprek over mijn vader, die mijn goede vriend en raadsman was geweest. Voor zijn tijd mocht hij gerekend worden tot de verst vooruitstrevenden op politiek en sociaal gebied, al was in onze gesprekken toch dikwijls het streven merkbaar om een radicale opvatting te onderdrukken, wanneer hij bevreesd was dat ik te ver zou gaan en daardoor in moeilijkheden zou komen. Over vele maatschappelijke vraagstukken had hij een rijp en gevestigd oordeel. Met hem kon ik over alles spreken en nooit was het hem te veel om mij aan te hooren en van gedachten te wisselen. Al liepen onze meeningen ook dikwijls uiteen, altijd bracht hij mij tot dieper inzicht en nadenken.
Aldus gaf ik Gerritsen een denkbeeld van hetgeen ik in mijn vader als mijn eenigen goeden vriend verloren had en wat ik meende nooit meer te zullen terug vinden. Toen ik daarmee ten einde was, vroeg hij mij, heel schuchter, of hij niet zou mogen beproeven de vriend te worden met wien ik over veel wat mij belang inboezemde zou kunnen spreken? Op medisch terrein, zeide hij, zou hij mij moeilijk kunnen volgen, maar op maatschappelijk gebied waren we immers dezelfde beginselen toegedaan en daar zouden we elkander kunnen helpen en steunen.
Op dien avond werd de eerste vriendschapsband tusschen ons gelegd. Het was nog slechts een losse band. Ik kon het mij nog niet recht voorstellen dat ik met een man dien ik toch maar weinig kende, zou kunnen spreken over al de problemen die zich iederen dag aan mij opdrongen, en dat ik veel waarde zou hechten aan zijn meening. Dan kon ik over al de kwesties die mij bezig hielden, mij immers beter verstaan met Hélène Mercier, met Cornelie Huygens, Elise Haighton of andere goede vriendinnen? Onze vriendschappelijke relatie kwam dan ook in den aanvang hierop neer, dat we wat meer briefjes wisselden en dat zijn bezoeken wat talrijker werden. Gerritsen kwam geregeld op de Graanbeurs te Amsterdam en als die ’s Maandagsmiddags was afgeloopen, zoo tusschen drie en vier, wanneer ook mijn spreekuur voorbij was, kwam hij dikwijls aanloopen. Dan spraken we over de kwesties die in het een of ander tijdschrift of dagblad waren behandeld. Soms waren we nog druk in gesprek als hij alweer naar den trein moest om op tijd in Amersfoort te zijn, en dan bracht ik hem naar het station om onderweg het onderwerp te kunnen afhandelen.
Het was een rumoerige tijd op politiek gebied. De strijd tusschen voor- en tegenstanders om bij de aanstaande Grondwetsherziening tot een uitbreiding van het mannenkiesrecht te komen, gaf ons van week tot week stof genoeg tot gedachtenwisseling. Op dat terrein was Gerritsen zoo zeer mijn meerdere, dat ik steeds sterker voelde, hoe zijn vriendschap en zijn voorlichting mij van nut waren.
Toen Gerritsen in 1881 in Amersfoort lid van den Raad was geworden, kon ik hem in vele gevallen van dienst zijn. Dikwijls kwam hij onverwacht mijn opinie vragen over een onderwerp dat in den Amersfoortschen Raad aan de orde was. We bespraken b.v. uitvoerig de kwestie om in Amersfoort al dan niet een gemeentelijke school voor meisjes op te richten. Ik was er tegen. Ik wilde dat de Gemeente zoowel de H. B. School als het Gymnasium, voor meisjes open zou stellen. Gerritsen vreesde dat de geestesgesteldheid van de burgerij in Amersfoort nog in langen tijd niet rijp zou blijken voor zulk een maatregel en dat de geestelijke belangen van de meisjes door dat uitstel zouden worden benadeeld. Ik hield echter vol, dat het uitstel van het toelaten op die scholen, in de gevolgen minder verkeerd zou zijn dan het oprichten van een afzonderlijke meisjesschool.
Toen Gerritsen in den Raad ging ijveren voor het afschaffen van het reglementeeren der prostitutie, schreef hij daarover ter inleiding een brochure. Daartoe verschafte ik hem alle medische gegevens, en samen bespraken wij de sociale en moreele argumenten die tegen die reglementeering waren aan te voeren. Voor zijn weekblad „Ons Blad” schreef ik dikwijls een hoofdartikeltje, wanneer drukke zaken hem verhinderden het zelf te doen, of indien het hem op een oogenblik aan stof ontbrak. Op die wijze kon ik over „de opvoeding der meisjes”, over „de achterstelling der vrouw op wettelijk en maatschappelijk gebied”, of een ander van mijn lievelingsdenkbeelden, mijn overtuiging vrijelijk uitspreken.
Toen ik in 1882 openlijk begon op te treden voor het willekeurig moederschap en ik in het begin van 1883 den strijd opende voor het vrouwenkiesrecht, vond ik bij Gerritsen grooten steun. Het vertrouwen in elkanders meening was langzamerhand sterker geworden. Nooit zou er een artikel van mij verschijnen, of het was eerst ter beoordeeling naar Amersfoort gezonden, maar van zijn kant zou ook Gerritsen niets publiceeren zonder mij vooraf te raadplegen, indien hij wist dat ik over het onderwerp een eigen meening had.
Als ik onze briefwisseling van de jaren 1881, ’82 en ’83 nalees, dan schijnt het mij, dat wij als twee jonge radicale hervormers, de roeping en den vollen last gevoelden om de heele wereld te hervormen. We behandelden allerlei problemen, en wanneer dan van mijn kant de briefwisseling eens stokte, dan kwam er een kort briefje met de vraag: „Wat is er aan de hand, waarom hoor ik niets over (dit of dat epistel) dat gij toch moet gelezen hebben”? Soms met een vinnig slot: „Verknoei uw tijd niet meer met handwerkjes!”
Die jaren van samenwerking, waarin wij alle problemen, ook die van de sexueele verhoudingen, vrijmoedig samen behandelden, hadden ons beiden, geestelijk en lichamelijk volkomen gezonde menschen die wij waren, van lieverlede de overtuiging gegeven dat onze vriendschap was uitgegroeid tot een inniger band. Uit ons gemeenschappelijk werk was een innerlijke overeenstemming, een „Seelenharmonie” geboren. Niets zou een huwelijksverbond in den weg hebben gestaan, indien wij beiden niet overtuigd waren geweest, dat een vrouw die zichzelve respecteert, onder de bestaande huwelijkswetten geen huwelijk kan sluiten. Er kwam nog bij, dat Gerritsen in Amersfoort woonde en ik onder geen voorwaarde mijn praktijk in Amsterdam zou willen opgeven.
Toen wij deze omstandigheden goed overdacht en besproken hadden, kwamen wij tot het besluit om elkander gedurende langen tijd niet te ontmoeten en alleen bij hooge uitzondering te zullen schrijven. Maanden verliepen zonder dat wij anders dan op indirecte manier iets van elkaar hoorden.
In Mei 1884 kreeg ik voor het eerst weer een brief. Gerritsen deelde mij mede, dat hij eenige weken in Londen was geweest, omdat het leven in Amersfoort hem in elk opzicht onbevredigd liet. Hij had gehoopt in Londen een hem passenden werkkring te vinden, maar toen hij daar eenmaal was voelde hij zich nog even onvoldaan en dacht hij er over een groote reis te maken, om afleiding te zoeken en op andere gedachten te komen.
Met enkele woorden tot antwoord raadde ik hem aan, te doen wat hij zich reeds had voorgenomen. Maar... voelde ikzelf mij voldaan over ons besluit tot verwijdering? In weerwil van mijn drukke medische praktijk, die bijna al mijn tijd in beslag nam, voelde ik toch steeds dat er iets aan mijn geluk ontbrak. Een drukke werkkring, werk dat men met liefde en toewijding verricht, is de grootste troost bij alle moeilijkheden in het leven, maar voor jonge, normaal aangelegde menschen is het toch blijkbaar niet het ééne noodige. Ik gevoelde mij niet gelukkig. Toen eenmaal het liefdegevoel was ontwaakt, kon dat niet meer onderdrukt worden door een met liefde waargenomen werkkring als eenig levensdoel. Er was een onrust over mij gekomen, die op bedenkelijke wijze invloed kreeg op mijn geestesleven. Toch wilde ik mij daaraan niet onderwerpen. Ik wilde vrij en onafhankelijk blijven, om de taak die op mij rustte, naar mijn beste weten en kunnen te volbrengen. Daarom nam ik mij ernstig voor, strijd te blijven voeren tegen mijn innerlijke verlangens, en daarbij prentte ik mij in, dat onder de gegeven omstandigheden een huwelijk mij evenzeer onbevredigd zou laten.
In het voorjaar van dat jaar, 1884, had ik twee ernstige patiëntjes gehad, meisjes van 12 en 14 jaar. Die kinderen, uit een rijke koopmansfamilie te Amsterdam, waren vriendinnetjes geworden. Haar vader was ook ziek geweest en nu zou hij, door zijn vrouw vergezeld, op raad van zijn geneesheer voor een badkuur naar Kissingen gaan. Ik zou het toezicht blijven houden op de beide kinderen en hen in het begin van Augustus naar Luzern brengen, waar de ouders na afloop van de badkuur zich ook heen zouden begeven. Daar was ik uitgenoodigd de gast van de familie te zijn. Met eenig voorbehoud nam ik de uitnoodiging aan. Wel zou ik de meisjes naar Luzern brengen en een of twee weken bij hen blijven, maar daarna wilde ik vrij zijn, om op eigen gelegenheid nog eenigen tijd in Zwitserland rond te trekken.
In de tweede week van mijn verblijf in Luzern, maakte ik kennis met drie Engelschen, een broeder met twee zusters, die van plan waren om een voetreis te maken door een deel van Zwitserland. Wij kwamen overeen dat ik mij bij hen zou aansluiten. Toen ik kort daarna op een schemeravond aan het Luzernermeer alleen heen en weer wandelde, zag ik op een terugkeerend stoombootje eenige heeren en onder hen herkende ik Gerritsen! Hij had ook mij opgemerkt. Het was niet toevallig dat hij in Luzern opdook, want in Amsterdam had hij mijn adres vernomen. Toen ik hem vertelde van de drie Engelschen met wie ik over een paar dagen een voetreisje ging maken, vroeg hij of ik er iets tegen had indien hij verzocht zich te mogen aansluiten. Daartegen had ik geen bezwaar en de zaak kwam in orde. Op den bepaalden dag ging ons vijftal op weg. We hadden afgesproken geen al te groote tochten te maken. We zouden ons den tijd gunnen om eens een zijweg in te slaan, of op een mooie plek wat blijven peinzen en praten, en we zouden alle eentonige gedeelten afleggen per spoor, op een stoomboot of met een voertuig. Het reisplan was, om van Luzern over de Brünig naar Meiringen en Brienz te wandelen, van daar naar Spiez, Kandersteg, en dan de Gemmi over naar Leuk. Dan zouden we de Rhône volgen tot Martigny en van daar naar Chamonix trekken.