Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs
Part 19
Nooit heb ik met meer vreugde het daglicht begroet, dan toen wij dien middag, na vier uren in het duister te zijn geweest, eindelijk weer boven kwamen! In welken toestand van vervuiling kan ik nauwelijks beschrijven. Neus, mond, ooren en oogen zaten vol kolengruis en stof. Gelukkig wachtte ons ten huize van onzen gastheer een verfrisschend bad en daarbij bleek dat mijn haren, ondanks de beschermende kap, stijf zaten van het stof. Na een uur waren we naar het uiterlijk weer presentabel, maar nog dagen lang heb ik het gevoel gehad of mijn slijmvliezen nog vol zaten met gruis en stof.
Een bezoek aan een kolenmijn is, zelfs in ons land nu we in Zuid-Limburg een groot staatsbedrijf hebben, tegenwoordig geen zeldzaamheid meer, maar toen wij beiden te Bothwell afdaalden, kwam het ook in Schotland zeer zelden voor, dat een vrouw tegen zulk een tocht niet opzag en zich niet liet afschrikken door welgemeende waarschuwingen. In zooverre heb ik er nooit spijt van gehad, omdat ik een onuitwischbaren indruk heb behouden van het leven der mijnwerkers.
Nadat we van Glasgow uit een heele week op dergelijke manier goed hadden besteed, bestegen we weder onze rijwielen om door Inveraray naar Oban te gaan. Hier zouden we een paar dagen blijven, maar het was er vol badgasten, daarom besloten wij op een boot naar Fort William te gaan en van daar weder op de fiets naar Inverness. Van deze plaats reden we naar Gairloch en staken vandaar over naar het eiland Skye, dat in die dagen druk werd besproken, omdat de Crofters, de hutbewoners, er in opstand waren gekomen tegen de grondeigenaars. Om zijn mooie natuur is Skye overigens vermaard en wordt veel bezocht door Engelsche en Schotsche families.
Een rijwieltocht van Inverness naar Gairloch vordert eenige dagen. Den tweeden dag na ons vertrek hadden we veel last van regenbuien, zoodat we telkens ergens moesten schuilen. Eindelijk dachten we door snel te rijden het dichtst bijzijnde hotel nog wel te kunnen bereiken, maar toen we een goed eind op weg waren, brak er weer een plasregen los. ’t Was al bijna zeven uur en er was geen huis in zicht. We zagen alleen een klein kerkje. Daar gingen we heen om te vragen of er misschien niet ver af een spoorweghalte was. Toen we daarop aan de pastorie aanklopten, werden we vriendelijk ontvangen door den ongetrouwden predikant en zijn huishoudster. Zij zeiden dadelijk dat we onmogelijk verder konden. De dominee zeide dat indien ik de huishoudster wilde helpen om een kamer in orde te brengen, en als we het met een eenvoudig maal voor lief wilden nemen, we gerust konden blijven. Natuurlijk namen we dat gaarne aan. Onder het avondeten had ik op een tafeltje een schaakspel zien staan. Het bleek dat de predikant een groot schaakliefhebber was. Terwijl Gerritsen na den eten mocht snuffelen in de bibliotheek van den ouden heer, speelde ik een partij schaak met hem en het gevolg was, dat we eerst na middernacht naar bed gingen. Den volgenden morgen waren we reeds vroeg reisvaardig, maar de huishoudster kwam ons vertellen dat we niet weg mochten. De dominee was al voor dag en dauw uitgegaan om een paar konijnen te verschalken voor een lekker maal, en in geen geval konden we vertrekken vóór zijn eerwaarde terug was. Toen hij thuis kwam smeekte hij ons letterlijk om nog een paar dagen te blijven. Het was blijkbaar zoo goed bedoeld, dat we besloten althans dien eenen dag nog zijn gasten te blijven. Zoo kregen we een kijkje in het leven van een Engelschen dorpspredikant. ’t Leek ons niet erg benijdenswaard.
Toen we van het eiland Skye in Gairloch waren teruggekeerd en van daar weer naar Inverness reden, kozen we een andere route dan de vorige. Uit Inverness zijn we toen eerst naar Aberdeen gereden en vandaar langs de Dee naar Braemar. In Ballater brachten we een bezoek aan de hoeve Ballaterach, waar Byron zijn jonge jaren heeft doorgebracht en waar Mary Robertson, de dochter van den pachter, het voorwerp is geweest van zijn eerste liefde. Aan die idylle dankt men eenige mooie gedichten. De hoeve was sedert dien tijd echter geheel veranderd.
Braemar, waar Koningin Victoria haar zomerverblijf had, loonde de moeite van een bezoek. Van hier uit moesten we over twee moeilijke bergpassen om ons volgende doel te bereiken. ’s Morgens vroeg vertrokken we van Braemar bij het prachtigste weer, maar toen we den eersten bergtop hadden bereikt, zaten we in zulk een dikken mist, dat we geen meter voor ons uit konden zien. Die mist was bovendien koud en nat, zoodat onze kleeren doorweekt waren. Wat nu te doen? Even te voren hadden we aan den weg een armoedige hut gezien, de eenig zichtbare menschelijke woning. We slaagden er in om die hut weer te vinden. De bewoners waren twee, meer dan 70-jarige zusters, die ons liefderijk verwelkomden. Er werd een vuurtje gemaakt van takkebossen, waarbij we onze natte kleeren konden drogen. Deze vrouwen van goeden stand hadden betere dagen gekend en toen die voorbij en zij niet meer in staat waren om in eigen onderhoud te voorzien, had de familie haar op een koopje in dit eenzame oord onder dak gebracht. Toen we hier een paar uren hadden gezeten en het weer niet in het minst was veranderd, leek het ons onmogelijk om in dit schamel verblijf langer te blijven. We vroegen of het niet mogelijk zou zijn om in de omgeving een herberg of een ander huis te bereiken waar we konden overnachten. Toen is een van de oude dames met ons meegegaan om ons den weg te wijzen naar het achter hare woning gelegen huis van den jachtopziener. Onze rijwielen lieten we achter. De jachtopziener was niet thuis, maar we werden ontvangen door zijn zuster en dat ging op een echt Schotsche manier, stroef en knorrig. Zoo iets hadden we echter al dikwijls meegemaakt en lieten er ons niet door afschrikken. Het was altijd beter gemeend dan het leek. „Kom maar binnen,” zei de zuster. „ik zal wel thee voor jullie zetten, maar ik hoop dat het weer gauw opklaart zoodat jullie verder kunt gaan.” Spoedig stond er een goede Engelsche thee met brood, kaas en eieren klaar, het houtvuur knapte lekker en kort daarna zat Betsy Wallace, zoo heette onze gastvrouw, gezellig met ons te praten, precies of we oude kennissen waren.
Na eenigen tijd kwam ook de broer thuis, een goedhartige, flinke man, die onmiddellijk zeide dat we er goed aan hadden gedaan om bij hen aan te kloppen, want op onzen verderen weg zouden we over een langen afstand geen huis meer hebben gevonden, en bovendien was een eind verder een gevaarlijke bocht.
Tegen vijf uur klaarde het een beetje op. We vroegen den jachtopziener wat we nu zouden doen, onzen tocht voortzetten of naar Braemar terugkeeren. Hij ging naar buiten om poolshoogte te nemen en kwam terug met de uitspraak dat we moesten blijven. Het weer was niet te vertrouwen en of we het een of het ander deden, in beide richtingen liepen we gevaar een ongeluk te krijgen. Nu werd in de „mooie kamer” een veldbed gespreid en ’s avonds aten we met broer en zuster het avondmaal, dat bestond uit gestoofde aardappelen en slappe koffie. Maar welk een gezellige prater was de vriendelijke jachtopziener! Den heelen avond vertelde hij ons bijzonderheden en anecdoten uit het Schotsche boerenleven. Toen we den volgenden ochtend met mooi en helder weer vertrokken, waren onze fietsen versierd met bossen bloeiende witte heide. Die was Betsy in de vroegte gaan zoeken. Dat bracht geluk aan, zeide zij hartelijk. Van betaling voor hun gulle gastvrijheid wilden broer noch zuster hooren, en toen ik vroeg of ik dan niets kon doen om blijk van erkentelijkheid te geven, zeiden ze dat zij het prettig zouden vinden als we hun nu en dan eens iets schreven, om hun te toonen dat we hen niet waren vergeten. Nu, dat heb ik ook gedaan. Vele jaren achtereen heb ik Betsy en haar broer met Kerstmis een kleine attentie gezonden, iets waarmee ik dacht hen genoegen te doen. Dan volgde er altijd een kort, stroef briefje als antwoord. Het heeft zoo lang geduurd tot hetgeen ik zond als „onbestelbaar” terugkwam.
Na dit avontuur bezochten we nog de Trossacks, waar we uitstapjes maakten naar en over verschillende meren, en daarna reden we over Stirling naar Edinburg waar we eenige dagen doorbrachten. Wel hadden we eerst plan om al fietsende naar Londen te trekken, maar daarmee was toch te veel tijd gemoeid. In Edinburg hebben we dus onzen rijwieltocht geëindigd en zijn met trein en boot over Londen naar Amsterdam teruggekeerd.
In Juli 1899 zou in Londen het groote internationale Congres van vrouwen worden gehouden, het eerste in Europa. Het was het tweede Congres van den Internationalen Vrouwenraad, die tegelijk met het eerste Congres, in 1893, in Noord-Amerika was opgericht. Maanden te voren had ik mij verheugd in het vooruitzicht kennis te maken met vele vrouwen uit verre landen met wie ik al jaren had gecorrespondeerd. lederen keer wanneer ik weer een brief kreeg met de vraag: „Zal ik u in Londen zien?” ging mijn hart open en heerlijk vond ik het daarop toestemmend te kunnen antwoorden. Mijn vreugde over het feit dat ik al die vrouwen uit verschillende landen bijeen zou zien, allen evenals ik strevende naar verheffing van de vrouw en verbetering van haar maatschappelijke, politieke en economische positie, werd nog verhoogd doordat Gerritsen mee zou gaan om ook aan het Congres deel te nemen. Ik mag er dadelijk bijvoegen, dat hij een der zeer enkele mannen is geweest die een spreekbeurt op het Congres hebben vervuld.
Vele Londensche families hadden de vreemdelingen gastvrijheid aangeboden, meest op een zoo heusche manier dat een weigering niet mogelijk was. Zulk een uitnoodiging ontving ik van Mrs. Herbert Samuel voor de heele Congresweek, natuurlijk ook voor mijn echtgenoot. De jonge man die ons op een morgen aan Liverpool Station kwam afhalen, hielden we, misleid door zijn jeugdig uiterlijk, voor den zoon van onzen gastheer. Toch was hij het zelf, Sir Herbert Samuel, de man die later in het politieke leven een bijzondere rol zou spelen, dezelfde die de eerste Gouverneur zou worden van Palestina, wat hij heden nog is. (Over deze aangename kennismaking heb ik trouwens hiervóór, op blz. 99, reeds een enkel woord geschreven).
Mijn eerste ontmoeting met vrouwen als de toen reeds 80-jarige Miss Susan B. Anthony uit Amerika, met de predikante Anna Howard Shaw, Mrs. Emmeline Wells—weduwe van een der eerste Mormonen, die jaren lang Gouverneur van Utah is geweest,—met Baronesse Alexandra von Gripenberg uit Finland, de twee Russinnen Madame Anna de Philosofoff en Dr. Kozakevitch Stevanofsky, verscheidene vrouwen uit Canada, Australië en Nieuw-Zeeland,—wekte bij allen de duidelijk uitgesproken verwondering op, dat ik nog zoo jong was. Wel telde ik reeds 45 jaar, maar toen de oude Miss Anthony mij in haar armen nam en hartelijk kuste, zeide zij: „How can it be that you are the same woman of whom I have heard so many, many years already!” Hetzelfde hoorde ik telkens van velen met wie ik nu eerst persoonlijk kennis maakte.
Op een van de eerste groote diners waartoe verscheidene deelgenooten aan het Congres waren uitgenoodigd, was ik geplaatst tusschen Beatrice Harraden, de ook in ons land door haar boek „Ships that pass in the night”, bekend geworden Engelsche schrijfster, en de Amerikaansche schrijfster Mrs. Charlotte Perkins Stetson. Deze laatste had juist haar belangrijke werk, „Women and Economics” voltooid, waarvoor de Fabian Society in Londen haar het eerelidmaatschap had aangeboden. Eenige jaren te voren trouwens was zij reeds in Californië met goud bekroond voor een verhandeling over de arbeidersbeweging. Nog vóór het diner was afgeloopen, had Mrs. Perkins mij al gevraagd of ik haar nieuwste werk in het Nederlandsch wilde vertalen. Toen ik toestemmend antwoordde, kreeg ik nog denzelfden avond van haar een schriftelijke opdracht daartoe. Juist een jaar later, in Juli 1900, kon ik de vertaling van het boek van Charlotte Perkins Gilman (haar nieuwe schrijversnaam nadat zij gescheiden was van den heer Stetson en met den heer Gilman hertrouwd), getiteld: „De Economische toestand der vrouw”, verschenen bij Tjeenk Willink te Haarlem, het Nederlandsche publiek aanbieden. Ondanks de zeer waardeerende beoordeeling die het in vele bladen en tijdschriften ten deel viel, is van dit boek ten onzent niet voldoende notitie genomen. Toch „raakt het een levenskwestie van de tegenwoordige maatschappij” (Alg. Handelsblad van 23 Dec. 1900), omdat het een krachtig pleidooi is voor de economische onafhankelijkheid der vrouw in het huwelijk, van een zedelijk, economisch en eugenetisch standpunt.
Nog eenmaal, een tiental jaren later, heb ik tijd besteed aan het vertalen van een boek, „Woman and Labour” door de geniale en sympathieke Olive Schreiner geschreven. Het moge dan wetenschappelijk niet op één lijn staan met het boek van de Amerikaansche schrijfster, het behandelt toch van sociologisch en ethisch standpunt hetzelfde onderwerp en kan dus als een aanvulling daarvan beschouwd worden.
Onder de vele feestelijkheden waarmede dit, nooit geëvenaarde Congres, gepaard ging, staat helder gegrift in mijn geheugen, de begroetingsavond in Stafford House, waar de Hertogin van Sutherland en Lady Aberdeen de gasten ontvingen. Verder ook het prachtige tuinfeest in Gunnersbury Park, waar de Ladies de Rothschild gastvrouwen waren. Voor dit laatste feest stonden extratreinen de gasten ten dienste en rijtuigen die hen van en naar de stations reden. Ook heb ik het voorrecht gehad tot de genoodigden te behooren van Sir Richard Temple, die twee opeenvolgende weken een twaalftal personen had geïnviteerd om het week-end door te brengen op zijn prachtig buitengoed, „The Nash” bij Worcester. Verder zal ik niet gewagen van de overige ontspanningen welke de deelneemsters werden aangeboden. Zij waren zoo talrijk dat iedereen in beslag was genomen door lunches en diners, ja zelfs waren er „ontbijt-partijen”. Alleen wil ik nog opmerken dat op al mijn invitatiekaarten achter mijn naam was bijgevoegd: „and husband” of anders: „and Mr. Gerritsen” en dat mijn man in de meeste gevallen van die toevoeging gaarne gebruik heeft gemaakt.
Toen we in Amsterdam terug waren en aan vrienden en kennissen van het Congres vertelden, zeide Gerritsen eens, dat het hem op het Congres duidelijk was geworden, hoe het een fiere vrouw te moede moest zijn wanneer zij haar leven lang nooit haarzelf mocht wezen, maar altijd beschouwd werd als een aanhangsel van haar man. Gedurende al dien tijd in Londen was hijzelf niet anders geweest dan de man van Dr. Aletta H. Jacobs. Zulk een les moest iedere man maar eens krijgen—zeide hij—dan zouden de vrouwen met haar streven naar onafhankelijkheid wel beter begrepen worden. De ervaring die hij aldus in Londen had opgedaan, is voor Gerritsen niet afschrikwekkend geweest, want in 1904 heeft hij mij weer begeleid naar Berlijn, waar toen het volgende Congres van den Internationalen Vrouwenraad werd gehouden. Over dit congres zal ik echter niet meer uitweiden en alleen noteeren dat de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht daar vasten vorm heeft gekregen. Voor mij persoonlijk is dit Congres nog van bijzondere beteekenis geweest, omdat ik daar voor het eerst Mrs. Carrie Chapman Catt persoonlijk leerde kennen en vervolgens hare vriendin ben geworden; en omdat ik ook te Berlijn in nauwere aanraking kwam met de predikante Anna Howard Shaw, die mij tot haren dood een lieve vriendin is geweest.
Hier volgt nog iets ter illustratie van onze verhouding als man en vrouw, zooals Gerritsen en ik die opvatten.
Het ligt in de rede dat ik gebruik maakte van de gelegenheid die de Radicale Bond—later ook de Vrijzinnig-Democratische Partij—aanbood, dat vrouwen onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als mannen leden konden worden. Niet alleen was ik de beginselen van de partij ten volle toegedaan, maar ik was overtuigd dat ik in haar midden goede propaganda zou kunnen maken voor betere levensvoorwaarden voor de vrouw. Daarom werd ik dus een werkzaam lid.
Gerritsen vervulde in de partij een leidende rol en daardoor was ik steeds op de hoogte van alles wat er aan de orde kwam. Niet lang nadat de radicale partij in den Vrijzinnig-Democratischen Bond was opgegaan, moest er een program worden vastgesteld, dat als richtsnoer zou dienen voor onze partijgenooten die zitting kregen in de vertegenwoordigende lichamen. Voor het opmaken van een concept-program werd een commissie gevormd en daarvan werd Gerritsen als voorzitter aangewezen. Ik had een levendige belangstelling voor dat ontwerp en binnenskamers leverde ik kritiek op sommige punten die mij niet ver genoeg gingen. Ook miste ik er een paar punten in. Ik trachtte Gerritsen te bewegen om daarin te voorzien, ten eerste door te bepalen, dat bij de benoeming van ambtenaren geen verschil van sekse mocht gelden, doch alleen op bekwaamheid en geschiktheid van de sollicitanten mocht worden gelet; en ten tweede, dat bij de benoeming van vrouwen „gelijk loon voor gelijke arbeidsprestatie” in acht moest worden genomen.
Na eenigen tijd vertelde Gerritsen mij dat het concept-program was vastgesteld en dat mijn beide punten in de commissie geen genade hadden kunnen vinden. „En jijzelf?”, vroeg ik. Met een effen gezicht antwoordde hij: „Ik maak deel uit van de commissie en ik heb je het oordeel van de commissie verteld.” Meer was er niet uit hem te krijgen.
De vergadering van de partij waarin het concept-program zou worden behandeld, om al dan niet geamendeerd te worden vastgesteld, zou te Amsterdam worden gehouden. Ik peinsde op middelen om de twee punten die ik wenschte toch nog opgenomen te krijgen. Daarvoor was ik bij Gerritsen als raadgever aan het verkeerde kantoor. In de vergadering moest hij het program verdedigen in den vorm zooals het door de commissie was opgesteld. Hij kon mij den weg niet wijzen om mijn zin te krijgen, want hij zou daardoor zijn taak nog verzwaren en zelfs toen ik hem vroeg naar de argumenten op grond waarvan de commissie de bedoelde punten had verworpen, zeide hij dat hij niet mocht verklappen wat in de commissievergadering was verhandeld. Misschien hechtte ik te groote beteekenis aan het opnemen van de beide punten, maar zij lieten mij toch geen rust en ook de houding van mijn man prikkelde mij tot verzet. Op den avond vóór de vergadering vroeg ik hem of er nog tijd was voor het indienen van amendementen. Zeker,—was het bescheid—als ze dan maar vóór de opening op de bestuurstafel gedeponeerd waren.
Toen we den volgenden morgen samen naar de vergadering gingen, liet ik Gerritsen een couvert zien, zeggende: „Hier heb ik de amendementen die ik op de bestuurstafel ga leggen”. Toen zei hij: „Je moet maar weten wat je doet. Ik ga je heftig bestrijden!” Dat klonk niet aanmoedigend, maar ik gaf het niet op.
Er waren in die dagen nog maar enkele vrouwen lid van den Vrijzinnig-Democratischen Bond. In deze vergadering was ik zelfs de eenig aanwezige.
Toen mijn amendementen aan de orde kwamen, vroeg de voorzitter zeer formeel: „Wenscht Dr. Jacobs haar amendementen nog toe te lichten?” Mijn antwoord luidde dat de twee bedoelde punten geheel in de lijn van onze beginselen lagen en dus in het program niet mochten ontbreken. Daarom achtte ik toelichting feitelijk overbodig, maar indien er bezwaren werden aangevoerd dan zou ik mijn standpunt gaarne nader uiteen zetten. Nu, er kwamen bezwaren, eerst uit de vergadering en toen van de bestuurstafel. Het was Gerritsen, de voorzitter, die met al de scherpte waarover hij kon beschikken, tegen het opnemen van de twee punten in verzet kwam. Ik vreesde het pleit te hebben verloren, maar ik deed toch mijn best om de aangevoerde argumenten te ontzenuwen, bezield als ik was door mijn overtuiging en door de beteekenis die ik aan het opnemen toekende. Met een kleine meerderheid behaalde ik tot mijn groote voldoening de overwinning.
Na afloop van de vergadering kwam Gerritsen naar mij toe en terwijl hij vertrouwelijk zijn arm op mijn schouder legde, zei hij lachend: „Ik feliciteer je met je overwinning!” De heeren die er getuigen van waren, toonden zich verwonderd en een van de voornaamsten in de partij zei ronduit: „Ik ben werkelijk verbaasd dat zulk een openlijk verschil van meening op die manier wordt opgenomen!” Men had blijkbaar gedacht dat ik een standje zou hebben gekregen omdat ik in het openbaar tegen mijn man was opgetreden. Wat kende men ons nog weinig! In een van de Amsterdamsche bladen stond den volgenden ochtend in het verslag van de vergadering een afkeuring over het gebeurde en daaruit putte het orgaan een argument tegen vrouwenkiesrecht. Nu kon men eens zien waar het heenging als de vrouwen zich met de politiek bemoeiden. Het leidde zelfs tot een openlijk conflict tusschen man en vrouw!
Gelijk in het voorgaande reeds is medegedeeld, is Gerritsen tot zijn dood lid geweest van den Gemeenteraad te Amsterdam, en van 1893 tot ’97 lid van de Tweede Kamer. Bovendien was hij bij zijn dood nog lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van 1899 tot 1902 is hij wethouder van de Handelsinrichtingen en het Armwezen geweest. Door de ernstige wijze waarop hij in al die colleges zijn taak opvatte en uitvoerde, en door ons innig samenleven, heb ik op maatschappelijk, wetgevend en uitvoerend gebied een leerschool kunnen doorloopen als maar weinig vrouwen ten deel valt. Daardoor was ik ook in de gelegenheid om invloed uit te oefenen zoodra in een van die lichamen iets aan de orde kwam in verband met de belangen van vrouwen en meisjes. Het valt niet na te gaan of mijn inmenging werkelijk goeden invloed heeft gehad op de positie van de vrouwen, maar zij heeft mij de voldoening geschonken, dat ik op die wijze althans getracht heb daartoe iets bij te brengen.
In het bijzonder heb ik er mij over verheugd dat, toen Gerritsen wethouder was geworden, hem de leiding werd opgedragen van het Armwezen, waaronder ook ziekenhuizen, weeshuizen, instellingen voor ouden van dagen enz. waren begrepen. Daardoor heb ik indirect kunnen meewerken tot het verbeteren of opheffen van misstanden, welke ik in den loop der jaren in sommige van die instellingen had leeren kennen. Vooral de wijze waarop de zieke armen in de stad werden behandeld, eischte naar onze overtuiging een radicale hervorming. „Met werklust en werkkracht, met taaie volharding en moed,”—zooals een der Amsterdamsche couranten na zijn dood van Gerritsen getuigd heeft,—begon hij al die instellingen, welke nog werden beheerd volgens verouderde opvattingen, te reorganiseeren volgens redelijke eischen en naar de toen doordringende opvattingen van gemeentezorg en van humaniteit. Bij die herschepping kon hij beschikken en steunen op de kennis van zaken welke wij beiden op onze vele tochten in het buitenland hadden opgedaan, omtrent het beheer van zulke instellingen volgens de moderne opvattingen, welke gelukkig ten onzent ook door een deel van de burgerij werden gehuldigd. Maar er zijn toch groote moed en volharding noodig geweest om de voorgenomen hervormingen door te zetten, want het stond bij voorbaat vast, dat bij elke instelling die aldus onder handen werd genomen, een sterken tegenstand was te wachten van bestuurders en belanghebbenden, hetzij uit wel begrijpelijke behoudzucht, hetzij uit eigenbelang. Hoe groot het verzet ook was, Gerritsen heeft zich bij het uitvoeren van zijn plannen nooit laten ontmoedigen, het prikkelde hem integendeel tot nieuwe inspanning om het doel te bereiken.