Herinneringen

Part 9

Chapter 94,453 wordsPublic domain

Weer werd het volkomen stil. Gudmund had goed geraden, dat het Helga was, die daar zat te schreien; maar zij beproefde haar snikken te smoren, opdat Gudmund meenen zou, dat hij verkeerd gehoord had en heen zou gaan. Het was pikdonker in het hok en ze wist, dat hij haar niet zien kon.

Maar Helga was zóó wanhopend dien avond dat het niet gemakkelijk voor haar was haar tranen in te houden. Ze was nog niet in huis geweest om haar ouders te zien. Daar had ze geen moed voor gehad. Toen zij in de schemering de groote heuvels opklom en er aan dacht, dat zij nu aan haar ouders moest vertellen, dat zij geen steun van Peter Maartenszoon zou krijgen voor de opvoeding van haar kind, was ze zoo bang geworden voor al het harde en wreede, dat ze meende te zullen moeten aanhooren, dat ze niet naar binnen had durven gaan. Ze vond, dat ze maar buiten moest blijven, tot haar ouders naar bed waren; want dan hoefde zij over dat ongeluk niet te spreken vóór den volgenden dag. En daarom had zij zich in het schuurtje met brandhout verstopt.

Maar terwijl ze daar zat en koude en honger leed werd het haar eerst recht duidelijk hoe arm en verlaten zij was. Alle schande en angst, die ze al had doorgemaakt en alle angst en schande, die ze nog zou moeten doormaken stond haar helder voor oogen en drukte haar als lood. Ze schreide om zichzelf, omdat ze zóó ellendig was, dat niemand van haar weten wou. Ze herinnerde zich hoe ze eens als kind in een modderpoel in ’t groote moeras was gevallen en recht naar beneden gezonken. Hoe meer ze zich had ingespannen om naar boven te komen, hoe dieper ze er in was neergezakt. Alle grasbosjes en kleine struiken, die ze had gegrepen, hadden losgelaten. Zoo was het nu ook. Alles waar ze naar probeerde te grijpen, om zich boven te houden, begaf haar. Niemand wilde haar helpen. Toen ze in het moeras zakte, was er eindelijk een herdersjongen gekomen, die haar er uitgetrokken had, maar nu kwam er niemand om haar te redden. Nu zou ze zeker moeten vergaan.

Toen Helga aan het moeras begon te denken werd het haar op eens duidelijk, dat het beste wat ze doen kon was daarheen te gaan—den modderpoel in—en zich daar te laten zinken en begraven. Wie zóó slecht was, dat geen mensch iets met haar te maken wou hebben, kon wel niets beters doen dan sterven. Het zou ook het beste voor het kind wezen, als zij weg was; want Helga’s moeder had het lief, hoewel ze dat niet toonen wou als Helga thuis was. Maar als Helga voor goed weg was, dan zou de grootmoeder het kind verzorgen, alsof het haar eigen was.

Ze begreep niet, dat ze midden in haar grootste ellende iets gedaan had, dat de menschen beter over haar deed denken. Ze werd er met ieder oogenblik meer van overtuigd, dat het groote moeras het eenige geschikte toevluchtsoord voor haar was. En hoe beter ze dat begreep, hoe meer ze schreide. ’t Was daarom niet gemakkelijk voor haar heur tranen te bedwingen. Het duurde niet lang voor ze opnieuw begon te snikken.

Gudmund kon zich niets ergers denken dan vrouwen, die schreiden. Hij had ’t allermeeste lust dadelijk heen te gaan; maar hij vond, dat nu hij de moeite gedaan had naar de hoeve te komen, hij toch ook zijn boodschap moest overbrengen.

„Wat scheelt je?” zei hij op scherpen toon tot Helga. „Waarom ga je niet naar binnen?”

„Och, ik durf niet,” antwoordde Helga en haar tanden klapperden terwijl ze sprak. „Ik durf niet.”

„Waar ben je bang voor? Je hieldt je vandaag immers goed voor de veldwachters en de rechters samen. Je kunt toch niet bang zijn voor je ouders.”

„Ach ja, ach ja, die zijn veel erger dan alle anderen.”

„Waarom zouden ze nu juist vandaag boos zijn?”

„Ik krijg immers geen geld.”

„Je ben toch wel zoo’n flink meisje, dat je het brood verdienen kunt voor jou en je kind.”

„Ja, maar niemand wil me in dienst hebben.”

Op eens kwam ’t Helga in de gedachten, dat ’t gebeuren kon, dat haar ouders hun stemmen hoorden en naar buiten kwamen om te vragen wie daar samen spraken. En dan zou ze genoodzaakt zijn hun alles te vertellen. Dan zou ze zich niet meer kunnen redden daar beneden in ’t moeras. En in haar schrik sprong ze op en wilde Gudmund voorbij loopen. Maar hij was haar te vlug. Hij greep haar bij den arm en hield haar vast. „Neen, je komt hier niet vandaan voor ik met je gesproken heb.”

„Laat me gaan!” zei ze en zag hem woest aan.

„Je ziet er uit, alsof je in ’t moeras wilt springen,” zei hij, want nu stond ze buiten in ’t maanlicht, en hij kon haar gezicht zien.

„Ja, dat zou er ook niets toe doen, als ik dat deed,” zei Helga en wierp op eens ’t hoofd in den nek en zag hem vlak in de oogen. „Van morgen wilde je me niet eens achter op je wagen laten zitten. Niemand wil iets met me te maken hebben. Je kunt toch wel begrijpen, dat het ’t allerbeste is voor zoo’n stumper als ik, dat ik er een eind aan maak.”

Gudmund wist niet wat hij doen moest. Hij wenschte zich mijlen ver; maar hij vond ook dat hij een mensch, dat zóó wanhopig was, niet aan haar lot kon overlaten.

„Luister nu. Beloof me, dat je zult luisteren naar wat ik je te zeggen heb, en dan mag je gaan waar je wilt.”

Ja, dat beloofde ze.

„Is hier iets om op te zitten?”

„Ja, daar staat immers het hakblok.”

„Ga daar dan op zitten en wees stil.”

Ze liep heel gehoorzaam naar ’t blok en ging zitten.

„Schrei nu niet meer,” zei hij, want hij vond, dat hij begon macht over haar te krijgen. Maar dat had hij niet moeten zeggen, want ze legde dadelijk haar hoofd in de handen en schreide erger dan ooit.

„Schrei niet,” zei hij en hij was op het punt van te stampvoeten. „Er zijn er wel, die het erger hebben dan jij.”

„Neen, niemand kan het erger hebben.”

„Je bent jong en gezond. Je moest eens weten hoe mijn moeder het heeft. Ze is zóó geplaagd door rheumatiek, dat ze zich niet verroeren kan; maar ze klaagt nooit.”

„Zij is niet door iedereen verlaten zooals ik.”

„Jij ben ook niet verlaten. Ik heb met Moeder over je gesproken. En Moeder heeft me naar je toe gestuurd.”

Het snikken hield een oogenblik op. ’t Was alsof men de groote stilte hooren kon in ’t bosch, dat altijd als met ingehouden adem op iets wonderlijks wachtte.

„Ik moest je haar groeten doen en zeggen, dat je eens bij Moeder moest komen, zoodat Moeder je eens zien kon. Moeder denkt er over je te vragen of je bij ons in dienst wilt komen.”

„Denkt ze er over mij dat te vragen?”

„Ja, maar ze wil je eerst zien.”

„Weet ze, dat...”

„Ze weet evenveel van je als ieder ander.”

’t Meisje sprong op met een kreet van verwondering en blijdschap en ’t volgend oogenblik voelde Gudmund een paar armen om zijn hals. Hij was heelemaal verschrikt en zijn eerste gedachte was zich los te rukken, maar toen werd hij kalm en bleef staan. Hij begreep, dat het meisje zoozeer buiten zich zelf was van blijdschap, dat zij niet wist wat zij deed. Op dat oogenblik zou ze den eersten den besten schooier om den hals hebben kunnen vallen, alleen maar om wat meêgevoel te hebben in dat groote geluk, dat over haar gekomen was.

„Als ze mij in dienst nemen wil, dan kan ik immers blijven leven,” zei ze, legde haar hoofd aan Gudmunds borst, en schreide weer; maar niet zóó heftig als te voren. „Je kunt wel begrijpen, dat ik ’t ernstig meende, dat ik in ’t moeras loopen wou,” zei ze toen. „O, ik dank je, dat je gekomen bent. Je hebt mijn leven gered.”

Gudmund was tot nu toe onbewegelijk blijven staan, maar nu voelde hij iets warms en teers, in zijn binnenste in beweging komen. Hij hief de hand op en streek haar over het haar. Toen sprong ze op, alsof hij haar uit een droom had gewekt.

„Ik dank je, dat je gekomen bent,” zei ze nog eens. Ze was vuurrood geworden en hij bloosde ook.

„Ja, dan kom je morgen bij ons,” zei hij en reikte haar de hand om afscheid te nemen.

„Ik zal nooit vergeten, dat je van avond bij me gekomen bent,” zei Helga, en haar groote dankbaarheid verdrong haar verlegenheid.

„Ach ja, ’t was misschien goed, dat ik kwam,” zei hij kalm, maar hij voelde zich heel tevreden over zich zelf. „Nu ga je zeker naar binnen?” vroeg hij.

„Ja, nu zal ik wel naar binnen gaan.”

Gudmund kreeg opeens een warm gevoel voor Helga, zooals we gewoonlijk voor iemand hebben wien ’t ons gelukt is te helpen. Hij bleef staan en wilde niet heengaan.

„Ik zou je graag onder dak willen zien, vóór ik heenga.”

„Ik dacht, dat ze maar naar bed moesten gaan, eer ik binnen kwam.”

„Neen, je moet nu dadelijk gaan, zoodat je wat eten kunt en tot rust komen,” zei hij, en vond het prettig voor haar te zorgen.

Ze ging dadelijk naar het hutje en hij ging meê, blij en trotsch omdat ze hem gehoorzaamde. Toen ze op den drempel stond, namen ze weer afscheid van elkaar; maar eer hij een paar stappen gedaan had, kwam zij hem weer achterna.

„Blijf hier buiten tot ik binnen ben. ’t Zal gemakkelijker gaan, als ik weet, dat je hier buiten staat.”

„Ja,” zei hij, „ik zal hier blijven tot je door het ergste heen bent.”

Toen deed Helga de deur van het hutje open en Gudmund merkte, dat ze die op een kier liet staan. Het was alsof ze zich niet gescheiden wilde voelen van haar helper, die daar buiten stond. Hij maakte er zich ook geen gewetenszaak van alles te hooren en te zien wat er in de hut gebeurde.

De oude lieden knikten Helga vriendelijk toe toen ze binnen kwam. De moeder legde dadelijk het kind in de wieg, ging toen naar de kast, haalde een kom melk en een stuk brood en zette dat op de tafel.

„Zie hier. Ga nu zitten en eet,” zei ze. Daarop ging ze naar den haard en stookte het vuur op. „Ik heb het vuur aangehouden, opdat je je goed zou kunnen drogen en je warmen, als je kwam. Maar eet nu eerst. Je zult wel allereerst behoefte aan eten hebben.”

Helga was al dien tijd aan de deur blijven staan.

„U moet me zoo vriendelijk niet ontvangen, Moeder,” zei ze zacht. „Ik krijg geen geld van Peter. Ik heb zijn hulp geweigerd.”

„Er is van avond al iemand hier geweest, die in de rechtszaal was geweest en gehoord had hoe het je ging,” zei de moeder. „Wij weten alles.”

Helga bleef bij de deur staan en keek, alsof ze niet wist hoe ze ’t had.

Toen legde de hutbewoner zijn werk neer, schoof zijn bril naar boven op zijn voorhoofd, en kuchte om een toespraak te houden, waar hij den heelen avond over gedacht had.

„Het is zóó, Helga,” zei hij. „Moeder en ik hebben altijd fatsoenlijke en eerlijke menschen willen wezen, maar we vonden, dat we door jou te schande gemaakt waren. ’t Was alsof wij je het verschil tusschen goed en kwaad niet geleerd hadden. Maar toen we hoorden wat je vandaag gedaan hebt, zeiden we tegen elkaar, Moeder en ik, dat nu konden de menschen toch zien, dat je een goede opvoeding genoten hadt en we meenden, dat we misschien nog pleizier van je beleven konden. En Moeder wou niet, dat wij naar bed zouden gaan vóór je kwam, opdat je een goede ontvangst zoudt hebben bij je thuiskomst.”

III.

Helga van de hoeve bij ’t groote moeras kwam nu op Närlunda en daar ging alles goed. Ze was gewillig en leerzaam, en dankbaar voor elk vriendelijk woord, dat men tot haar sprak. Ze voelde zich altijd als de geringste en wilde zich nooit op den voorgrond dringen. Het duurde niet lang of haar meester en meesteres en haar kameraden waren met haar ingenomen.

De eerste dagen scheen het, alsof Gudmund vermeed met Helga te praten. Hij vreesde dat dat kind van de groote Moerashoeve zich wat zou gaan verbeelden, omdat hij haar te hulp gekomen was. Maar dat was onnoodige zorg. Helga vond hem al te heerlijk en te ver boven haar verheven, dan dat zij ’t wagen zou haar oogen naar hem op te heffen. Gudmund merkte al spoedig, dat hij haar niet op een afstand behoefde te houden. Ze was voor hem nog schuwer dan voor ieder ander.

En ’t zelfde najaar, dat Helga op Närlunda kwam, bracht Gudmund menig bezoek bij den rechter op Elvakker, en er werd veel over gesproken, dat zijn kans om daar in de familie te komen, goed stond. Heelemaal zeker, dat zijn aanzoek goed opgenomen werd, was men toch eerst in de Kerstdagen. Toen kwam de rechter met zijn vrouw en dochter naar Närlunda, en het was duidelijk, dat zij gekomen waren om te zien hoe Hildur het zou hebben als ze met Gudmund trouwde.

’t Was voor ’t eerst, dat Helga ’t meisje, waarmeê Gudmund trouwen zou, van nabij zag. Hildur Eriksdochter was nog geen twintig jaar, maar ’t was vreemd, dat niemand haar kon zien zonder er dadelijk aan te denken wat een uitstekende en deftige huismoeder ze eens worden zou. Ze was groot, sterk gebouwd, blond en mooi en zag er uit alsof ze ’t prettig vond veel menschen om zich heen te hebben, die ze verzorgen kon. Ze was nooit schuw of verlegen, sprak veel en scheen alles beter te weten dan degene, waar ze meê sprak. Ze was een paar jaar in de stad op school geweest en had de mooiste kleeren, die Helga ooit gezien had; maar ze scheen toch niet ijdel of onbeduidend. Rijk en mooi als ze was, had ze, als ze maar gewild had, de vrouw van een heer kunnen worden, maar ze zei altijd, dat ze geen deftige mevrouw worden wou en met de handen over elkaar zitten. Ze wilde met een boer trouwen en zelf haar huis verzorgen als een echte boerenvrouw.

Helga vond Hildur een echt wonder. Nooit had ze iemand gezien, die zoo prachtig was. Ze had niet gedacht, dat een mensch zóó volmaakt kon zijn in alle opzichten. ’t Kwam haar voor, dat ’t een groot geluk zou zijn ooit onder zulk een huismoeder te mogen dienen.

Alles was goed gegaan onder het bezoek van den rechter en zijn familie, maar als Helga aan dien dag terugdacht, kwam er een zekere onrust over haar. Dat was zoo gegaan: toen de gasten pas waren aangekomen, had zij de koffie rondgediend. Toen ze met het blad binnenkwam had de vrouw van den rechter zich voorover gebogen naar de gastvrouw en had gevraagd of zij het meisje van de Moeras-hut was. Ze had dit niet zóó zacht gevraagd of Helga had de vraag gehoord. Moeder Ingeborg had „ja” geantwoord en toen had de andere iets gezegd wat Helga niet had kunnen verstaan. Maar ’t was zooiets geweest van... dat ze ’t vreemd vond, dat men zoo’n mensch in zijn huis wilde hebben. Dat maakte Helga zeer bekommerd, maar ze trachtte er zich mee te troosten, dat het de moeder—en niet Hildur zelf was, die dat gezegd had.

Op een Zondag, heel vroeg in ’t voorjaar kwamen Helga en Gudmund samen uit de kerk. Toen ze over ’t kerkplein gingen waren ze met een groote massa andre kerkgangers mee geloopen, maar al spoedig was de een na de ander heengegaan en eindelijk bleven Helga en Gudmund alleen over.

Gudmund moest toen dadelijk er aan denken, dat hij niet alleen geweest was met Helga, na dien avond op de hut, en de herinnering daaraan kwam nu sterk bij hem boven. Hij had dien winter dikwijls genoeg aan hun eerste ontmoeting gedacht en daarbij altijd iets liefs en prettigs door zijn ziel voelen gaan. Als hij alleen aan het werk was, trachtte hij zich gewoonlijk dien heelen mooien nacht weer voor den geest te brengen. Den witte nevel, de heldere maneschijn, de zwarte boschheuvel, het lichte dal en dan het meisje, dat de armen om zijn hals had geslagen en van blijdschap geschreid had. Dat alles werd steeds mooier, hoe vaker hij ’t zich herinnerde. Maar als Gudmund Helga bij zich thuis met de anderen zag werken en zwoegen, had hij moeite er aan te denken, dat zij bij dat alles geweest was. Nu hij alleen met haar op den kerkweg liep, kon hij niet laten te wenschen, dat zij voor een poosje dezelfde zou worden, die zij dien avond was geweest.

Helga begon dadelijk over Hildur te praten. Zij roemde haar zeer; ze zei, dat zij het mooiste en verstandigste meisje uit de heele buurt was en wenschte er Gudmund geluk meê, dat hij zulk een uitnemende vrouw zou krijgen.

„Je moet haar zeggen, dat zij mij altijd op Närlunda moet laten blijven,” zei ze. „Het zal prettig zijn onder zulk een huismoeder te dienen.”

Gudmund glimlachte om haar opgewondenheid, maar hij gaf er niet veel antwoord op, alsof hij intusschen aan iets anders dacht. Maar dat was immers goed, dat zij zoo met Hildur ingenomen was en dat zij er zoo blij om was, dat hij ging trouwen.

„Je hebt je bij ons zeker wel thuis gevoeld van den winter,” zei hij.

„Ja, dat heb ik! Ik kan niet zeggen hoe goed Moeder Ingeborg en jelui allen voor me geweest zijn.”

„Heb je nog naar ’t bosch verlangd?”

„O ja, in ’t begin; maar nu niet meer.”

„Ik dacht, dat zij, die in ’t bosch thuis hoorden niet konden laten er naar te verlangen.”

Helga keerde zich half om en zag hem aan zooals hij daar aan de andere zijde van den weg liep. Gudmund was haar anders heelemaal vreemd geworden; maar nu was er iets in zijn toon en zijn glimlach, dat zij herkende.

Ja, hij was nog dezelfde, die haar was komen redden in den hoogsten nood. Al zou hij ook met een ander trouwen, zij was er toch zeker van, dat hij voor haar een goed vriend en een trouw helper zou zijn. Ze werd zoo blij: ze voelde, dat ze hem vertrouwen kon, zooals niemand anders en ze vond, dat ze hem alles zeggen moest wat met haar gebeurd was, sedert ze elkaar het laatst gesproken hadden.

„Ik moet je zeggen, dat ik het heel moeilijk heb gehad de eerste weken op Närlunda,” begon ze. „Maar daar moet je niet met Moeder Ingeborg over spreken.”

„Als je dat niet hebben wilt, zal ik zwijgen.”

„Je weet niet hoe vreeselijk ik verlangde in ’t begin. Ik was bijna naar het bosch teruggegaan.”

„Verlangde je? Ik dacht, dat je blij was omdat je bij ons waart.”

„Ik kon ’t heusch niet helpen,” zei ze verontschuldigend. „Ik begreep wel hoe goed het voor me was hier te mogen zijn. Jelui waart allemaal zoo goed voor me, en ’t werk was niet zoo zwaar of ik kon ’t best doen—maar ik verlangde toch. ’t Was alsof er iets aan me trok en zoog en me terug wou brengen naar het bosch. Ik had een gevoel alsof ik iemand, die recht op me had, ontrouw werd of verried, als ik hier in ’t dorp bleef.”

„Dat was misschien...” begon Gudmund, maar hield half in den zin op.

„Neen, ’t was niet de jongen, waarnaar ik verlangde. Ik wist immers, dat hij het goed had en dat Moeder lief voor hem was. ’t Was niet iets bepaalds. Ik had een gevoel, alsof ik een wilde vogel was, die in een kooi was gezet, en ik dacht dat ik zou sterven, als ik niet los gelaten werd.”

„Neen maar, heb je ’t zóó zwaar gehad!” zei Gudmund, en op ’t zelfde oogenblik glimlachte hij, want op eens was het hem, alsof hij haar herkende. Nu was het alsof er niets meer tusschen hen stond, maar alsof ze eerst den vorigen avond van elkaar waren gegaan bij de hoeve in ’t woud. Helga glimlachte ook, maar vertelde verder van haar verdriet.

„Ik sliep geen enkelen nacht,” zei ze, „maar zoodra ik in bed lag begon ik te schreien, en als ik opstond, was mijn hoofdkussen doornat. Overdag, als ik bij jelui was kon ik mijn tranen wel inhouden, maar zoodra ik alleen was kwamen ze mij weer in de oogen.”

„Je hebt veel geschreid in je leven,” zei Gudmund, maar hij zag er in ’t geheel niet medelijdend uit, toen hij dat zei. Helga vond, dat het was alsof hij haar aldoor stilletjes liep uit te lachen.

„Je kunt zeker niet begrijpen, hoe moeilijk ik ’t had,” zei ze, en ze sprak al levendiger in haar pogingen om te maken, dat hij haar begreep. „Er was een verlangen over me gekomen, dat me buiten me zelf bracht. Geen oogenblik kon ik me gelukkig voelen. Niets was mooi, niets was prettig, aan geen mensch kon ik me hechten. Jelui waren me allemaal even vreemd als toen ik voor ’t eerst in de kamer kwam.”

„Maar zei je zoo juist niet, dat je bij ons wilde blijven?” vroeg Gudmund verwonderd.

„Ja zeker zei ik dat.”

„Dan verlang je nu toch niet meer.”

„Neen, dat is overgegaan. Ik ben beter geworden. Wacht maar, dat zal ik je wel vertellen.”

Toen ze dat zei, kwam Gudmund dwars over den weg en ging naast haar loopen. Hij glimlachte aldoor. Hij scheen haar graag te hooren spreken, maar hij lette niet veel op wat ze vertelde. Zoo langzamerhand kwam Helga in dezelfde stemming. Ze vond, dat alles gemakkelijk en helder werd. De kerkweg was lang en moeilijk te begaan, maar vandaag werd ze niet moe. Er was iets, dat haar droeg. Ze ging door met vertellen, omdat ze nu eenmaal begonnen was, maar nu gaf ze er niet zooveel om te mogen spreken. Ze zou ’t even prettig gevonden hebben stil naast hem te loopen.

„Toen ik me ’t ongelukkigst voelde,” zei ze, „vroeg ik Moeder Ingeborg op een Zaterdagavond of ik naar huis mocht en daar den Zondag overblijven. En toen ik dien avond de heuvels opliep naar ’t groote moeras, geloofde ik vast, dat ik nooit meer naar Närlunda terug zou komen. Maar Vader en Moeder waren zoo blij, dat ik een dienst gevonden had bij zoo’n aanzienlijke familie, dat ik het niet over mijn hart verkrijgen kon hun te zeggen, dat ik het bij jelui niet uithouden kon. Zoodra ik in het bosch kwam waren ook alle angst en verdriet heelemaal weg. Ik dacht, dat het allemaal maar verbeelding van mij was. En dan was dat ook zoo moeilijk met het kind. Moeder had het nu heelemaal overgenomen en het tot haar kind gemaakt. Het was niet meer van mij. En dat was immers heel goed, maar ’t was moeilijk om er aan te wennen.”

„Je begon toen misschien naar ons te verlangen,” viel Gudmund haar in de rede.

„O neen! Toen ik Maandagmorgens wakker werd, en er aan dacht, dat ik weg moest, kwam het verlangen weer over mij. Ik lag te schreien en was angstig, want het eenige wat ik doen kon was immers in mijn dienst blijven. Maar ik had een gevoel of ik ziek worden zou of het verstand verliezen als ik terug ging. Maar opeens herinnerde ik mij, dat ik eens iemand had hooren zeggen, dat, als men wat asch van den haard in zijn eigen huis nam en dat over den haard in een ander huis strooide, het verlangen overging.”

„Dat was nu een geneesmiddel, dat je gemakkelijk probeeren kon,” zei Gudmund.

„Ja, maar daar zou ook van komen, dat men later nooit meer ergens anders gelukkig zou kunnen zijn. Als men van de hoeve wegging, waar men de asch heen gebracht had, dan verlangde men even hard daarheen terug, als men vroeger naar huis verlangd had.”

„Zou men de asch niet kunnen meenemen als men wegging?”

„Neen, dat kun je niet meer dan ééns doen. En het is niet meer ongedaan te maken. ’t Was dus een heel gevaarlijk ding om zooiets te probeeren.”

„Ik zou zooiets niet gewaagd hebben,” zei Gudmund en ze hoorde wel, dat hij den draak met haar stak.

„Maar ik waagde het nu toch,” zei Helga. „’t Was beter, dan als een ondankbare te staan tegenover Moeder Ingeborg en jou, die mij hadden willen helpen. Ik nam een beetje asch van huis mee, en toen ik in Närlunda terug kwam nam ik mijn kans waar, toen niemand binnen was en strooide dat uit over den haard.”

„En nu meen je dus, dat de asch je geholpen heeft?”

„Wacht maar. Ik zal je vertellen hoe het ging. Ik kwam dadelijk in ’t werk en dacht den heelen dag niet aan de asch. Ik verlangde precies als vroeger en vond alles even akelig, als ik ’t gewoonlijk vond. Er was dien dag veel te doen, binnen en buitenshuis en toen ik ’s avonds de schuur had gesloten en naar binnen zou gaan, was het vuur in den haard al aan.”

„Nu ben ik toch nieuwsgierig hoe het ging,” zei Gudmund.

„Ja, stel je voor!—al toen ik over de plaats liep vond ik, dat er iets gezelligs bekends aan het schijnsel van het vuur was, en toen ik de deur opendeed, was het me alsof ik in onze eigen kamer zou komen en dat Vader en Moeder bij den haard zouden zitten. Ja, dat ging me even door ’t hoofd als een droom, maar toen ik binnenkwam, was ik er verwonderd over, dat het zóó mooi en huiselijk in de kamer was. Ik had nooit gevonden, dat Moeder Ingeborg en jelui allemaal er zoo vriendelijk uitzagen als dien avond, toen je bij het schijnsel van ’t vuur zaten. ’t Was zoo’n prettig gevoel binnen te komen en dat was vroeger nooit zoo geweest. Ik was zóó verbaasd, dat ik op ’t punt was te schreeuwen en de handen in elkaar te slaan. Ik vond, dat jelui heelemaal veranderd waren. Jelui waren me niet meer vreemd, ik kon overal met jelui over praten. Je kunt wel begrijpen, dat ik blij was, maar ik kon toch niet laten er me over te verwonderen. Ik vroeg mezelf af of ik betooverd was. En op eens dacht ik aan de asch, die ik over den haard gestrooid had.”