Part 8
Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel moet leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het eedsformulier te vinden.
Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn hand wegstooten.
Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal voor dit en zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar hulpeloosheid, het is alles háár schuld, omdat zij hem heeft aangeklaagd.
Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te krijgen?
Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo’n vreeselijke zonde zou begaan.
Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. Over een oogenblik zal de daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen eed, dat zal hij niet.
De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet zich ook tegen hem.
„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”
Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte,” en allen blijven onbeweeglijk staan.
„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de rechter met dezelfde harde en strenge stem.
Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
„Hij zal den eed niet doen.”
„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.
Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.
„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met steeds scherper stem.
„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”
„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand verloren?”
Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
Ze zegt langzaam, ernstig, duidelijk, terwijl ze den rechter strak aanziet: „Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”
Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van haar af.
Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
Al het slappe en ontevredene in zijn trekken verdwijnt, en zijn groot, grof gezicht wordt mooi, door zijn mooie ontroering.
„Zie eens,” denkt de rechter, „zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal mij niet meer over hen ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de geringsten te vinden is.”
Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt. En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun ziel.
En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
Het laatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat hij met gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” zegt hij tegen den griffier.
De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”
De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: „Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”
De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij zijn zwaren stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse toe.
„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.
Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar tranen met den opgerolden zakdoek.
„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand en schudt die alsof het de hand van een echten, flinken man was.
II.
Niemand moet nu meenen, dat het meisje na zoo’n moeilijk uur te hebben doorgemaakt daar voor de rechtbank, zelf meende, dat ze iets prijzenswaardigs had gedaan. Ze meende integendeel, dat ze te schande was gemaakt voor de heele gemeente. Ze begreep niet, dat er iets vereerends in was, dat de rechter naar haar toe gekomen was en haar de hand gedrukt had. Ze meende, dat dit enkel beteekende, dat de zaak was afgedaan en dat zij moest heengaan.
Ze zag ook niet, dat de menschen haar vriendelijk aanzagen, en dat er velen waren, die haar de hand wilden drukken. Ze sloop maar weg en wilde heengaan. Maar ginds bij de deur was gedrang. De zitting was opgeheven en er waren velen, die zich haastten om naar buiten te komen. Zij trok zich terug en was ongeveer de laatste, die de gerechtzaal verliet. Zij vond, dat alle anderen haar voor moesten gaan.
Toen ze eindelijk naar buiten kwam stond Gudmund Erlandssons wagentje ingespannen voor de stoep. Gudmund zat in ’t rijtuig met de leidsels in de hand, en scheen op iemand te wachten. Zoodra hij haar zag onder de menschen, die de gerechtszaal uitstroomden, riep hij haar toe: „Kom hierheen Helga. Je kunt met mij meerijden. We moeten toch denzelfden kant uit.”
Maar hoewel ze haar naam hoorde, kon zij toch niet gelooven, dat hij háár riep. Dat was niet mogelijk, dat Gudmund Erlandsson met haar zou willen rijden. Hij was de aanzienlijkste jonge man uit de heele gemeente. Jong en mooi, van goede familie en algemeen bemind. Zij kon niet gelooven, dat hij iets met haar te maken wilde hebben.
Zij had den hoofddoek ver over het voorhoofd getrokken en liep hem haastig voorbij, zonder op te zien of te antwoorden.
„Hoor je niet, Helga, dat je met mij meê kunt rijden,” zei Gudmund toen, en er was iets heel vriendelijks in zijn stem. Maar zij kon maar niet begrijpen, dat hij het goed met haar meende. Ze dacht, dat hij haar op de een of andere manier voor den gek wilde houden, en verwachtte, dat zij die er bij stonden, zouden beginnen te proesten en te schateren van ’t lachen. Ze wierp hem een verlegen, half boozen, half bedroefden blik toe en liep bijna hard van ’t plein voor de rechtszaal weg om buiten ’t gehoor te wezen als ’t geschater begon.
Gudmund was toen nog ongetrouwd en woonde bij zijn ouders thuis. Zijn vader bezat een hoeve. ’t Was geen groote boerderij en hij was niet rijk, maar hij was toch welgesteld. De zoon was naar het Ting gegaan om koopwaren voor zijn vader te halen; maar omdat hij ook nog een andere bedoeling met zijn tocht had, was hij bizonder goed toegerust. Hij had den nieuwen wagen genomen, die nog geen enkel barstje in de verf had, ’t paard had hij geroskamd tot het glansde als zijde en hij had het tuig gepoetst. Naast zich op den wagen had hij een mooi rood dek gelegd en zelf had hij een kort jachtbuis aan, hooge laarzen, die over de broek gingen, en een kleinen grijzen vilten hoed op. Dat was geen feestcostuum, maar hij wist wel, dat hij er deftig en manlijk uitzag.
Gudmund had alleen in ’t wagentje gezeten, toen hij dien morgen van huis ging, maar hij had iets prettigs om over te denken en de tijd was hem niet lang gevallen. Toen hij ongeveer halfweg gekomen was reed hij een arm meisje voorbij, dat heel langzaam liep en er uitzag, alsof zij van vermoeidheid de voeten bijna niet verzetten kon. ’t Was herfst, de weg was van regen doorweekt en Gudmund zag hoe zij bij iederen stap diep in de modder zonk. Hij hield stil en vroeg waar zij heen moest en toen hij hoorde, dat zij naar het Ting zou gaan, bood hij haar aan meê te rijden. Zij nam dat aanbod dankbaar aan en klom achter op het smalle plankje, waaraan de hooizak was vastgebonden, alsof ze het roode dek naast Gudmund niet durfde aan te raken. ’t Was ook zijn bedoeling niet geweest, dat zij naast hem zou gaan zitten. Hij wist niet wie zij was, maar hij dacht wel, dat zij de dochter van een of anderen armen hutbewoner was en hij vond, dat het goed genoeg voor haar was achter op den wagen te zitten.
Toen de weg een heuvel opging en ’t paard langzamer liep, begon Gudmund te praten. Hij wilde weten hoe ze heette en waar zij thuis hoorde. Toen hij hoorde, dat zij Helga heette en van een kleine keuterboerderij bij ’t bosch kwam, die de Moerashoeve heette, begon hij onrustig te worden.
„Ben je altijd thuis geweest, of heb je ook gediend,” vroeg hij.
’t Laatste jaar was zij thuis geweest; vroeger had ze gediend.
„Bij wie?” vroeg Gudmund heel snel.
Hij vond, dat het lang duurde eer ’t antwoord kwam.
„Op de Westerhoeve, bij Peter Maartenszoon,” zei ze eindelijk en haar stem klonk zóó zacht, alsof ze liever niet had, dat hij ’t hoorde. Maar Gudmund hoorde het wel.
„O zoo. Dan ben jij dat, die...” zeide hij, maar ging niet verder. Hij wendde zich van haar af, ging recht in ’t wagentje zitten en zei geen woord meer tegen haar.
Gudmund gaf de paarden den eenen zweepslag na den anderen, vloekte luid over den slechten weg en scheen heel slecht gehumeurd. ’t Meisje zweeg een poos; maar al spoedig voelde Gudmund haar hand op zijn arm.
„Wat wil je?” vroeg hij, zonder om te zien.
Ja, hij moest even stilhouden, zoodat ze van den wagen springen kon.
„Och waarom?” zei Gudmund verachtelijk. „Zit je niet goed?”
„Ja, dank je wel:—maar ik wil liever loopen.”
Gudmund was wat in tweestrijd. ’t Was vervelend, dat hij juist dien dag iemand als Helga had aangeboden om mee te rijden. Maar hij vond ook, dat hij, nu hij haar op den wagen genomen had, er haar niet weer afjagen kon.
„Houd stil, Gudmund!” zei ’t meisje nog eens. Zij sprak vast besloten en Gudmund hield de teugels in.
„Ze wil immers zelf uitstappen,” dacht hij. „Ik hoef haar toch niet te dwingen tegen haar zin mee te rijden.”
Zij stond al op den weg, bijna nog vóór het paard stilhield.
„Ik dacht, dat je wist wie ik was, toen je me aanbood om mee te rijden,” zei ze. „Anders zou ik niet op den wagen gekomen zijn.”
Gudmund zei haar kortaf goedendag en reed door.
Ze had wel reden gehad te denken, dat hij haar kende. Hij had immers ’t meisje van de Moerashoeve zoo dikwijls als kind gezien, maar ze was zoo veranderd, nadat zij volwassen was. Eerst was hij heel blij, dat hij die reisgenoot kwijt was; maar zoo langzamerhand begon hij ontevreden over zich zelf te worden. Hij had niet best anders kunnen doen, maar vond het toch niet prettig iemand pijn te doen...
Een poosje nadat Gudmund van Helga was weggereden, week hij van den weg af, reed een nauwe laan in en kwam aan een groote, prachtige hoeve. Toen hij voor de stoep stilhield, ging de deur open en een van de dochters vertoonde zich op den drempel. Gudmund nam den hoed af en groette en tegelijk ging een lichte blos over zijn gezicht.
„Ik zou graag weten of de rechter thuis is,” zeide hij.
„Neen, Vader is naar het Ting,” antwoordde de dochter.
„O zoo, is hij al weg?” zei Gudmund. „Ik kwam hier om te vragen of hij met mij meê wilde rijden. Ik ga ook naar het Ting.”
„Vader heeft altijd zoo’n haast,” klaagde de dochter.
„Nu, ’t is zoo erg niet,” zei Gudmund.
„Vader zou wel graag met zoo’n prachtig paard en in zoo’n mooien wagen gereden hebben,” zei ’t meisje vriendelijk.
Gudmund glimlachte even bij ’t hooren van dien lof.
„Ja, dan moet ik weer weg,” zei hij.
„Wil je niet binnen komen?”
„Neen dank je, Hildur, ik moet immers naar het Ting. Ik mag niet te laat komen.”
Gudmund reed nu regelrecht naar het Tinggebouw. Hij was heel opgewekt en dacht niet meer aan zijn ontmoeting met Helga. Wat een geluk, dat Hildur juist op de stoep gekomen was, zoodat zij den wagen en het dek en ’t paard met het tuig gezien had. Ze had op dat alles zeker wel gelet.
’t Was voor ’t eerst, dat Gudmund op het Ting kwam. Hij vond, dat daar veel te hooren en te zien was en bleef er den geheelen dag. Hij zat in de gerechtszaal, toen Helga’s zaak vóór kwam, zag hoe zij den Bijbel naar zich toe trok en volhield tegenover de politieagenten en de rechters.
Toen alles voorbij was en de rechter Helga de hand gedrukt had, stond Gudmund haastig op en ging naar buiten. Hij spande vlug het paard voor den wagen en reed voor de stoep. Hij vond, dat Helga dapper was geweest en nu wilde hij haar eer bewijzen. Maar ze was zóó schuw, dat zij de bedoeling niet begreep, maar weg sloop van de eer, die haar was toegedacht.
Denzelfden dag kwam Gudmund naar de Moerashoeve, laat op den avond. ’t Was een klein boerderijtje, dat aan den rand van een met bosch begroeiden bergrug lag, die de gemeente omgaf. De weg, die daarheen ging, was alleen in den winter te berijden, als de wegen hard waren en Gudmund had te voet moeten gaan. Hij had moeite gehad om voort te komen. Hij had bijna zijn beenen gebroken over stokken en steenen, en had door beken moeten waden, die op verscheidene plaatsen midden over het pad liepen. Als het geen heldere maneschijn geweest was dan had hij de boerderij niet kunnen vinden en hij dacht er aan, dat ’t een zware gang was, dien Helga dien dag had moeten doen.
De Moerashoeve lag op een ontgonnen plek, ongeveer half tegen den bergrug op. Gudmund was er vroeger nooit geweest, maar hij had de plaats dikwijls van uit het dal gezien, en hij kende die genoeg om te weten, dat hij terecht was.
Rond om de plaats was een haag van dorre takken, die heel dicht was en moeilijk om over te springen. Die moest zeker als ’t ware een verweer vormen tegen al de woeste velden, die om de boerderij lagen. De hut stond bovenaan in de omheinde plek. Daarvoor breidde zich een afhellende plaats uit, met kort groen gras begroeid en daar onder aan lagen een paar grijze bijgebouwtjes en een kelder met een dak van groene zoden. ’t Was een kleine armoedige hoeve, maar toch kon men niet ontkennen, dat het mooi was daarboven.
’t Moeras, waar de boerderij naar heette, lag ergens in de buurt en zond zijn dampen omhoog; ze kwamen prachtig zilver-glanzend aanrollen in den maneschijn en vormden een krans om den bergrug. De hoogste top van den berg stak nog boven den nevel uit en de bovenste kant, met puntige dennenbosschen afgezet stak scherp af tegen den hemel. Beneden over ’t dal lag ’t maanlicht, zóó helder, dat men ’t veld en de omliggende hoeven en de kronkelende beek kon onderscheiden waarover de nevel zweefde als fijne rook. ’t Lag alles niet ver weg; maar het eigenaardige was, dat het dal daar lag als een vreemde wereld, waarmee al wat bij het bosch hoorde, niets scheen te maken te hebben. ’t Was alsof de menschen, die daar in de hoeve bij ’t bosch woonden, altijd onder de boomen moesten blijven. Ze zouden even weinig daar beneden in het dal kunnen aarden als het korhoen, de steenuil, de los, het heikruid en de boschbloemen.
Gudmund ging over ’t open grasveld naar het huisje. Door het raam stroomde licht naar buiten; er hing niets voor de ruiten en hij keek naar binnen om gewaar te worden of Helga in de kamer was. Een klein lampje brandde op een tafel voor ’t venster en daar zat de huisvader oude schoenen te lappen. De huismoeder zat verder achter in de kamer bij den haard, waar een flauw vuur brandde. Zij had een spinnewiel voor zich, maar ze was met het werk opgehouden om met een klein kindje te spelen. Ze had het uit de wieg genomen en Gudmund kon hooren, waar hij stond, hoe ze er tegen praatte. Haar gezicht was vol rimpels, en zij zag er streng uit; maar als ze zich over ’t kind boog, werden haar oogen zacht en ze lachte even teer tegen het kleintje, als de eigen moeder zou gedaan hebben.
Gudmund zag rond naar Helga; maar kon haar nergens in de kamer ontdekken. Hij vond toen, dat het ’t beste was buiten te blijven tot ze kwam. Hij was er verwonderd over, dat ze nog niet thuis gekomen was. Misschien was ze onderweg bij bekenden binnengegaan om te rusten en iets te eten. Maar in alle geval moest ze spoedig komen, als ze vóór den nacht onder dak wezen wou.
Gudmund stond een poos stil midden in de hoeve en luisterde of hij ook voetstappen hooren kon. ’t Was doodstil, geen windje bewoog zich. ’t Was hem of hij vroeger nooit zóó’n stilte had opgemerkt. ’t Was alsof ’t heele bosch den adem inhield en op iets bizonders stond te wachten. Niemand liep door ’t bosch. Geen tak werd gebroken, geen steentje rolde weg. Helga was nog in lang niet te verwachten.
„Ik ben benieuwd wat ze zeggen zal als ze me hier ziet,” dacht Gudmund. „Ze zal misschien schreeuwen en ’t bosch inloopen en den heelen dag niet weer thuis durven komen.”
Op eens viel ’t hem in hoe wonderlijk het toch was, dat hij nu in eens zooveel te maken kreeg met dat arme boerenmeisje.
Toen hij van het Ting was thuisgekomen was hij zooals gewoonlijk naar zijn moeder gegaan om haar alles te vertellen, wat hij dien dag beleefd had. Gudmunds moeder was wijs en groot van ziel en had altijd zoo met hem weten om te gaan, dat hij nog even vertrouwelijk met haar sprak, als toen hij een kind was. Zij was reeds verscheiden jaren ziek; ze kon niet loopen, maar zat den geheelen dag stil in haar stoel. ’t Was altijd een goed oogenblik voor haar, als Gudmund van een reis thuiskwam en nieuwtjes meebracht.
Toen Gudmund van Helga van de Moerashoeve verteld had, zag hij, dat zijn moeder nadenkend werd. Ze zat lang stil voor zich uit te kijken.
„Er schijnt toch wat goeds in dat meisje te zitten,” zei ze toen. „’t Gaat toch niet aan, iemand uit te stooten, omdat ze eenmaal wat verkeerds heeft gedaan. ’t Zou wel kunnen zijn, dat ze zich er dankbaar voor toonde, als iemand haar nu bijstond.”
Gudmund begreep dadelijk waar zijn Moeder aan dacht. Ze kon nu zich zelf niet langer helpen, maar moest voortdurend iemand om zich heen hebben, die tot haar dienst was. Maar ’t was altijd moeilijk iemand te vinden, die daar bij haar wilde blijven. Zijn moeder was veeleischend en ’t was haar niet gemakkelijk naar den zin te maken, en bovendien wilden alle jonge menschen liever ander werk hebben, waarbij ze meer vrijheid hadden. Nu was zijn moeder waarschijnlijk op de gedachte gekomen, dat ze Helga van de Moerashoeve in haar dienst wilde hebben, en Gudmund vond, dat dit een goed voorstel was. Helga zou zeker veel van zijn moeder gaan houden. ’t Zou wel kunnen gebeuren, dat zij op die manier voor langen tijd geholpen waren.
„’t Zal ’t ergste zijn met het kind,” zei de moeder een oogenblik later, en Gudmund kon wel merken, dat zij ernstig over de zaak dacht.
„Dat zou bij de grootouders moeten blijven,” zei Gudmund.
„’t Is niet zeker, dat zij het afstaan wil.”
„Ze zal wel niet zoo heel veel moeten denken over wat ze wil of niet wil. Ik vond, dat ze er uitgehongerd uitzag. Ze hebben zeker niet veel te eten op de Moerashoeve.”
Daarop antwoordde de moeder niet; maar begon over wat anders te spreken. ’t Was merkbaar, dat ze op nieuwe bezwaren gestuit was, die haar beletten een besluit te nemen.
Gudmund begon nu te vertellen hoe hij een boodschap bij den rechter bedacht en Hildur gezien had. Hij sprak over wat ze van zijn paard en den wagen had gezegd en ’t was duidelijk, dat hij blij met die ontmoeting was. Zijn moeder was er ook zeer over tevreden. Terwijl ze zoo onbewegelijk in de kamer zat was zij voortdurend bezig allerlei plannen te maken voor de toekomst van haar zoon, en zij was ’t, die ’t eerst op de gedachte gekomen was, dat hij moest probeeren de mooie rechtersdochter het hof te maken. ’t Was ’t allerbeste huwelijk, dat hij doen kon. De rechter was een van de aanzienlijkste boeren. Hij bezat de grootste hoeve in de gemeente en was een machtig en rijk man. ’t Was eigenlijk àl te vermetel om te hopen, dat hij een schoonzoon zou aannemen, die geen grooter vermogen had dan Gudmund; maar het was ook mogelijk, dat hij zich zou voegen naar den wensch van zijn dochter. En dat Gudmund Hildur zou kunnen winnen, als hij wilde—daar was de moeder van overtuigd.
’t Was de eerste keer, dat Gudmund zijn moeder liet merken, dat die gedachten bij hem wortel geschoten had en nu spraken zij lang over Hildur en over al de rijkdommen en voordeelen, die ten deel zouden vallen aan den man, die haar tot vrouw kreeg. Maar spoedig werd het gesprek weer gestaakt, omdat de moeder opnieuw in haar overdenkingen was verdiept geraakt.
„Zou je nu niet iemand om die Helga kunnen sturen? Ik zou haar wel willen zien, eer ik haar in dienst nam,” zei ze eindelijk.
„’t Zou goed zijn als u zich over haar wildet ontfermen, Moeder,” zei Gudmund en dacht in stilte, dat als zijn moeder een verzorgster had, waar zij het goed mee kon vinden, zijn vrouw een prettiger leven zou hebben. „U zult zien, dat u met dat meisje wel tevreden zult zijn,” ging hij voort.
„’t Zou ook een goed werk wezen haar nu in bescherming te nemen,” zei de moeder.
Toen het donker begon te worden ging de zieke naar bed en Gudmund naar den stal om de paarden te verzorgen. ’t Was mooi weer, de lucht was helder en de geheele streek werd overstroomd met maanlicht. Hij kwam op de gedachte, dat hij naar de Moerashoeve moest gaan om nog dienzelfden avond zijn moeders groeten over te brengen. Als het weer zich goed hield zouden ze het den volgenden dag druk krijgen met het binnenbrengen van de haver, zoodat hij, noch een van de anderen tijd zou hebben om daarheen te gaan.
Toen nu Gudmund buiten stond te luisteren, voor de Moerashoeve, hoorde hij wel is waar geen voetstap, maar er waren andre geluiden, die met korte tusschenpoozen scherp door de stilte klonken. ’t Was een zacht klagen, een stil en gesmoord gejammer en nu en dan snikken. Gudmund meende op te merken, dat het uit de schuur kwam en ging daarheen. Toen hij er dicht bij kwam hield het snikken op; maar ’t was duidelijk te merken, dat iemand zich bewoog in de bewaarplaats voor het brandhout. Gudmund meende op eens te begrijpen wie daarbinnen was.
„Ben jij het, Helga, die hier zit te schreien?” zei Gudmund en ging in de deur staan, om te voorkomen, dat het meisje zou wegloopen vóór hij met haar gesproken had.