Part 7
De vrouw begreep al gauw, dat ze, als ze voortging het heksenkind te beschermen, het moeilijk zou krijgen met haar man, haar dienstboden èn met haar buren, maar zij was zoo geschapen, dat als er iemand was, die door alle anderen gehaat werd, dan moest zij al haar krachten inspannen om zoo’n stumper te behoeden en te beschermen. En hoe meer ze leed en geplaagd werd ter wille van het heksenkind, des te trouwer waakte ze er over, dat het niets kwaad kon overkomen.
Op een morgen, een paar jaar later, zat de huismoeder alleen in de kamer en naaide de eene lap na de andere op een kinderbuisje.
„Och ja!” dacht ze onder het naaien, „wie voor het kind van een ander zorgen moet, heeft geen prettig leven.”
Ze naaide maar al voort, maar er waren zooveel gaten en ze waren zoo groot, dat ze tranen in de oogen kreeg, toen zij die zag. „Maar dat weet ik wel,” dacht ze, „als ik het buisje van mijn eigen jongen naaide, zou ik de gaten niet tellen.”
„Ik heb ’t wel heel moeilijk met dat heksenkind,” dacht de boerin, toen ze weer een gat ontdekte, „’t Beste was ’t zeker, dat ik hem diep in ’t bosch bracht, zóó ver, dat hij den weg naar huis niet meer vinden kon, en hem daar liet.
„Ik hoef me ook niet zooveel moeite te geven om hem kwijt te raken,” dacht ze een oogenblik later.
„Als ik hem maar een minuut zonder toezicht laat, zal hij wel in de put verdrinken, of zich aan den haard verbranden of door den hond gebeten of door de paarden getrapt, of door de jongens doodgeslagen worden. ’t Is gemakkelijk genoeg om van hem af te komen, want lastig en leelijk is hij en er is niemand, die hem niet haat. Ik geloof dat, als ik hem niet altijd bij me hield, al gauw iemand de kans zou waarnemen en hem doodslaan.”
Ze stond op en ging naar het kind, dat in een hoek van de kamer lag te slapen. ’t Was sterk gegroeid en ’t was nog veel leelijker dan toen zij het voor ’t eerst zag. ’t Had groote, dikke lippen, de wenkbrauwen waren als twee stijve borstels en de huid was bijna bruin.
„Je kleeren verstellen en op je te passen was nog wel te doen,” dacht ze. „Als ik om jou maar niet erger verdriet had. ’t Is bijna alsof ik niet wijs ben, dat ik zoo veel om jou verdraag, die toch maar een leelijk heksenkind ben. Mijn man heeft een afschuw van me, de jongens verachten me, de meisjes hoonen me, de kat blaast tegen me, en de hond huilt, als hij me tegenkomt. En dat is alles om jou.
„Maar dat dieren en menschen me haten is nog het ergste niet,” ging ze peinzend voort. „Het ergste is, dat ik telkens als ik je zie, naar mijn eigen zoon verlang. O mijn lief kind, mijn lief gouden kindje, waar ben je nu? Slaap je nu op mos en takken bij de heks in ’t bosch?”
De deur ging op dat oogenblik open en de vrouw ging weer naar haar naaiwerk, dat op de tafel lag. ’t Was haar man, die binnenkwam. Hij lachte en zijn stem klonk vriendelijker dan die in lang gedaan had.
„Er is markt in de naastbijliggende gemeente vandaag,” zei hij. „Ik dacht er over, dat we daarheen moesten gaan.
„O ja, dat wil ik graag,” zei de vrouw. Zij was er blij om.
„Maak je dan gauw klaar,” zei de man. „We moeten loopen, want de paarden zijn aan ’t werk. Maar we komen nog wel op tijd, als we den weg over den heuvel nemen.”
Kort daarna stond de vrouw in feestgewaad op de stoep. Dat was het prettigste wat haar in jaren overkomen was, en ze had het heksenkind heelemaal vergeten. „Maar,” dacht ze plotseling, „misschien wil mijn man me verlokken, zoodat een van de jongens ’t kind kan doodslaan, terwijl ik weg ben.” Ze ging gauw weer in de kamer en kwam terug met het groote heksenkind op den arm.
„Kun je dat heksenkind niet thuis laten?” zei de man, maar hij lachte en was zacht.
„Neen, ik durf hem niet alleen te laten,” zei ze.
„Ja, dat moet je zelf weten,” zei de boer, „maar ’t is een zwaar werk voor je, zoo’n jongen den heuvel op te dragen.”
Nu begonnen zij de wandeling, maar de heuvels waren zwaar te beklimmen, en ze moesten zich tegen een heelen bergrug opwerken, eer ze in de naburige gemeente konden komen. De vrouw werd zoo moe, dat ze eindelijk de voeten niet meer verzetten kon. Keer op keer probeerde zij den grooten jongen zelf te laten loopen, maar hij wilde niet.
De man was aldoor opgeruimd en zoo vriendelijk, als hij niet geweest was, sinds ze hun kind verloren hadden. „Nu moet je mij dat ruilkind geven,” zei hij, „dan zal ik hem een poosje dragen.”
„Och neen, ik kan nog wel een beetje,” zei de vrouw, „ik wil niet, dat je moeite van dat heksenkind zult hebben.”
„Waarom zul jij daar alleen meêsleepen?” zei hij, en nam het kind over.
Juist daar waar de boer het kind begon te dragen was de weg het moeilijkst. Smal en glibberig liep hij langs een afgrond en er was niet veel plaats om den voet neer te zetten. De vrouw liep achteraan en op eens werd ze bang, dat haar man iets zou overkomen, terwijl hij daar liep met het kind op den arm. „Wees hier voorzichtig,” riep zij. Ze vond, dat hij zoo snel en onvoorzichtig liep, dat hij vallen moest. Onmiddellijk daarna gleed hij uit en liet bijna het kind in den afgrond vallen.
„Als nu het kind gevallen was, zouden we het voor altijd kwijt geweest zijn,” dacht ze. Maar op dat zelfde oogenblik werd het haar duidelijk, dat het juist de bedoeling van haar man was geweest het kind naar beneden te gooien en dan te doen, alsof het bij ongeluk was gebeurd.
„Och, och! zoo is het,” dacht ze. „Hij heeft dit alles zoo geschikt om het kind om te brengen, zonder dat ik zou begrijpen, dat hij het met opzet deed. Ja, was het niet het beste, dat ik hem zijn zin liet doen?”
Weer gleed de man uit op een lossen steen, weer viel het kind bijna uit zijn armen.
„Geef mij het kind. Je valt er meê,” zei de vrouw.
„Neen, ik zal wel oppassen,” antwoordde de man.
„Je moet het mij geven,” herhaalde de vrouw. „Je bent al twee keer uitgegleden.”
Op ’t zelfde oogenblik gleed de man voor de derde maal uit. Hij stak de armen uit om een boomtak te grijpen en het kind viel. De vrouw liep dicht achter hem aan, en hoewel ze zoo pas nog gedacht had, dat het een zegen zou zijn als zij van dat heksenkind bevrijd kon worden, sprong ze vooruit, greep een slip van het buisje van den jongen en trok hem terug op den weg. De man keerde zich toen om en zag haar aan. Nu was zijn gezicht veranderd en de uitdrukking boosaardig. „Je was niet zoo vlug, toen je ons kind in het bosch liet vallen,” zei hij somber.
De vrouw antwoordde niet. Zij zat aan den kant van den weg te schreien, omdat de vriendelijkheid van haar man maar voorgewend geweest was.
„Waarom schrei je?” zei hij hard. „’t Zou toch niet zoo erg geweest zijn, als ik den jongen had laten vallen. Kom nu mee, ’t wordt laat.”
„Ik geloof niet, dat ik lust heb om naar de markt te gaan,” zei zij.
„Och neen, ik heb er ook geen pleizier meer in,” antwoordde hij.
„Ik wil even graag weer naar huis gaan,” zei de vrouw.
„Nu, waarom zouden we verder loopen, als we het niet meer prettig vinden,” zei de man, en was het met haar eens.
Onder het naar huis gaan vroeg hij zich af hoe lang hij het bij zijn vrouw zou uithouden. Als hij maar van zijn recht als huisvader gebruik durfde te maken en haar dwingen, zou het wel weer goed tusschen hen kunnen worden, meende hij, maar zooals het nu was, zou hij ’t liefste van haar weg willen gaan. Hij was op het punt geweld tegen haar te gebruiken en haar het kind uit de handen te rukken, maar juist toen ontmoetten zijn oogen de hare, die hem zoo bedroefd en somber aanzagen, dat hij het niet over zich kon verkrijgen streng tegen haar te werk te gaan.
Ter wille van haar smart bedwong hij zich, zoo als hij tot nu toe gedaan had en alles bleef als het was.
Nu gingen er weer een paar jaar voorbij en toen gebeurde het op een zomernacht, dat er brand kwam op de boerderij. Toen de menschen wakker werden stonden de groote kamer en de kleine vertrekken vol rook en de zolder was één vuurzee. Aan blusschen of redden was geen denken; ’t eenige wat de bewoners te doen stond was naar buiten te vliegen om niet meê te verbranden.
De boer was naar buiten gekomen en stond naar het brandende huis te zien.
„Ik zou wel eens willen weten wie dat gedaan heeft!” barstte hij uit.
„Wie anders dan dat heksenkind,” zei een jongen. „’t Was al lang zijn liefste spelletje hoopjes rijs te maken en die aan te steken.”
„Gistren heeft hij een hoop rijs naar den zolder gedragen,” zei het dienstmeisje. „Hij was juist bezig die aan te steken toen ik er aankwam en hem in het oog kreeg.”
„Hij heeft ze zeker gistren avond laat opnieuw aangestoken,” zei de jongen. „In alle geval kun je er zeker van zijn, dat hij het ongeluk heeft aangericht.”
„Als hij nu maar meê verbrandde,” zei de boer, „dan zou ik er niet over klagen dat mijn oud huis vergaat om zijnentwil.”
Juist toen hij dat zei, kwam zijn vrouw het huis uit en sleepte het kind meê. De boer snelde toe, rukte haar het kind af, hief het hoog op zijn armen en gooide het in ’t huis terug. De vlammen sloegen toen juist uit het dak en de hitte was vreeselijk. De vrouw zag haar man een oogenblik aan, doodsbleek van schrik,—toen keerde zij zich om en snelde ’t huis in om ’t kind te halen.
„’t Kan me niet schelen of je meê verbrandt,” riep de boer haar na. Zij kwam intusschen terug met het kind in de armen. Ze had de handen hevig verbrand en ’t haar was bijna weggeschroeid. Niemand zei een woord tegen haar toen ze naar buiten kwam. Zij ging naar de put, doofde een paar vonken uit, die aan de rand van haar kleed gloeiden en ging toen op het veld zitten.
’t Heksenkind lag op haar schoot en sliep spoedig in, maar zij zat overeind en bleef wakker. Met droeve oogen staarde zij voor zich uit. Een massa menschen kwamen om te helpen blusschen, maar niemand sprak tegen haar. Het scheen of allen vonden, dat er iets akeligs en heksachtigs aan haar was, dat de menschen afschrikte en hun afschuw inboezemde.
Tegen den morgen, toen de brand gebluscht was ging de boer naar haar toe.
„Ik kan ’t niet langer uithouden,” zei hij, „ik kan niet met heksen samen leven, hoewel ik je niet graag verlaat. Maar nu ga ik heen en kom niet meer terug.”
Toen de vrouw die woorden hoorde en zag hoe de man onmiddellijk daarna zich omkeerde om heen te gaan, ging er een schok door haar heen, alsof zij hem na wilde snellen, maar het heksenkind lag zwaar op haar schoot. Ze scheen geen kracht genoeg te hebben om het van zich af te schudden en bleef zitten.
Maar de boer was nauwelijks in het bosch en begon de berghelling op te klimmen, toen hij een klein jongetje in volle vaart de heuvels af zag komen. Hij was zoo mooi als een jonge boom, slank en rank, zijn haar was blond en glansde als zijde en zijn oogen waren blauw als staal.
„Zie eens, zoo zou mijn zoon nu geweest zijn, als ik hem had mogen behouden,” dacht de boer. „Zulk een erfgenaam zou ik nu hebben gehad. Dat was heel wat anders geweest dan dat zwarte wonderdier, dat mijn vrouw in mijn huis heeft gehaald.”
„Goedendag,” zei de boer, „waar moet jij heen?”
„Goedendag,” zei de knaap en stak de hand uit. „Als u kunt raden wie ik ben, zal ik u zeggen waar ik heenga.”
Toen de boer die stem hoorde, werd hij heel bleek.
„Ik ken die stem,” mompelde hij. „Als mijn zoon niet bij de heksen was, zou ik zeggen, dat hij het was.”
„Ja, u hebt goed geraden, Vader,” zei de knaap lachend. „En omdat u goed geraden hebt, zal ik u zeggen, dat ik op weg naar Moeder ben.”
„Je moet niet naar Moeder gaan,” zei de boer, „ze vraagt niet naar je. Ze heeft voor niets en niemand hart dan voor een groot, leelijk heksenkind.”
„Zegt u dat, Vader,” zei het kind, en zag zijn vader diep in de oogen. „Dan is het misschien beter, dat ik vooreerst maar bij u blijf.”
De boer was zoo verrukt over het kind, dat de tranen in zijn oogen opwelden.
„Ja, blijf jij maar bij me,” zei hij, nam den knaap in de armen en kuste hem. Hij was, als ’t ware bang hem opnieuw te verliezen; hij durfde hem niet weer op ’t veld neer te zetten; en liep verder met het kind op den arm.
Toen hij een paar stappen had gedaan begon de kleine te babbelen en te praten.
„’t Is goed, dat u mij niet zoo draagt, als u het heksenkind droeg,” zei de knaap.
„Wat bedoel je?” vroeg de boer.
„Wel, de heks liep met mij aan den anderen kant van den afgrond en telkens als u uitgleedt, gleed zij uit met mij.”
„Zoo liep jelui daar aan den anderen kant van den afgrond,” zei de boer en werd op eens nadenkend.
„Nog nooit ben ik zóó bang geweest,” vertelde de knaap. „Toen u het heksenkind in den afgrond gooide wilde de heks mij ’t achterna gooien. Als Moeder niet zoo vlug was geweest en den ander gered had...”
De boer begon langzaam te loopen, terwijl hij aanhoudend het kind vragen deed.
„Je moet me eens vertellen hoe je het bij de heksen gehad hebt.”
„Dat is soms moeilijk geweest,” zei de kleine. „Maar als Moeder maar goed voor het heksenkind was, dan was de heks goed voor mij.”
„Sloeg ze je misschien wel?” vroeg de boer.
„Ze sloeg mij alleen toen u haar kind sloeg.”
„Wat kreeg je te eten?” vroeg de boer.
„Telkens als Moeder het heksenkind spinnen en muizen gaf kreeg ik brood met boter; maar toen u ’t heksenkind koekjes en vleesch voorzette kreeg ik slangen en padden. Den eersten tijd was ik bijna doodgehongerd. Als Moeder toen niet meer barmhartigheid had getoond dan u en de anderen was ik heengegaan.”
Toen het kind dat zei, keerde de boer om en liep snel naar beneden, het dal in en naar zijn hoeve.
„Ik weet niet hoe het komt,” zei hij, „maar het is alsof ik brandlucht ruik, als ik je aanraak. En je haar ziet er uit alsof het geschroeid is.”
„Dat is geen wonder,” zei het kind. „Ik werd van nacht in het vuur gegooid, toen u het heksenkind in de brandende kamer gooide. En als Moeder het heksenkind niet gered had, zou ik zeker verbrand zijn.”
De boer kreeg nu zoo’n haast, dat hij bijna voortsprong om gauwer weer thuis bij zijn vrouw te komen. Maar plotseling bleef hij staan.
„Nu moet je me nog zeggen hoe het kwam, dat de heks je vrij liet,” zei hij.
„Toen Moeder had geofferd wat haar liever dan haar leven was, hadden de heksen geen macht meer over me. Toen lieten ze mij gaan.”
„Had ze geofferd, wat haar meer waard was dan het leven?” zei de boer.
„Ja, dat had ze zeker, toen ze u liet gaan, zonder een poging te doen om u terug te houden,” zei het kind.
De vrouw zat nog op dezelfde plaats bij de put. Ze sliep niet, maar ze was als onder den indruk van een zonderlinge versteening. Ze kon zich niet bewegen, en van wat er om haar heen gebeurde merkte ze niet meer dan een doode doet. Toen hoorde ze, dat de stem van haar man haar riep, en daardoor begon haar hart weer te kloppen, en ’t leven in haar ontwaakte op nieuw.
Ze sloeg de oogen op en zag om zich heen als een slaapdronkene. Het was helder dag; de zon scheen, en de vogels zongen. Het was haar alsof het onmogelijk was, dat ze haar ongeluk nog te dragen had op zulk een heerlijken morgen. Onmiddellijk daarna zag ze de verkoolde balken, die op de plaats lagen waar hun huis had gestaan, en een massa menschen met de handen en ’t gezicht vol roet, en toen herinnerde ze zich, dat ze tot zich zelf gekomen was om een nog grooter ongeluk te dragen dan ooit te voren. En toch had zij een gevoel, dat het nu voorbij wezen moest.
Ze zag naar het heksenkind.
Het lag niet meer op haar schoot en was niet in haar omgeving te zien. Indien alles was geweest als het placht te zijn, zou ze zijn opgevlogen om hem te zoeken, maar nu voelde zij geen bezorgdheid voor hem. Ze hoorde haar man roepen—heel uit de verte.
Hij kwam van uit het bosch op de hoeve toe. En alle vreemde menschen, die bij het blusschen hadden geholpen, snelden hem te gemoet en omringden hem, zoodat ze hem niet zien kon.
Ze hoorde alleen, dat hij onophoudelijk riep: „Moeder, Moeder! kom eens kijken, kom eens kijken!” En ’t was alsof zijn stem haar een boodschap van groote vreugd bracht.
Toch bleef zij stil zitten. Ze waagde ’t niet hem tegemoet te gaan.
Eindelijk kwam de geheele menschenmenigte tot dicht bij haar. Toen maakte de man zich vrij van de anderen en kwam naar haar toe. Hij legde een heerlijk kind in haar armen.
„Hij is onze zoon; hij is bij ons teruggekomen,” zei hij, „en jij hebt hem gered en niemand anders.”
IN DE GERECHTSZAAL.
I.
We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het onderhoud van een onecht kind.
Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse de dochter van een armen keuterboer en de beklaagde een getrouwd man is.
Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich heel goed; hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het minst bezwaart.
Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed af te leggen.
Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint te zoeken in zijn vestzakje en haalt een bewijs van den predikant voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en niets hem verhindert om dien af te leggen.
Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde in het aangezicht heeft kunnen zien.
Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar stappen naar de stoel van den rechter, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer staan.
„Het is toch niet mogelijk,” schijnt ze in zichzelf te zeggen, „hij kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.”
Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te krijgen, die onder stapels folianten ligt verborgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. Ze dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de rechter moet het hem immers beletten.
De rechter is zoo’n verstandig man en hij weet wel, wat de menschen denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was? De rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar werk hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd hebben, als zij daar geen recht toe had.
De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. En als hij dat weet, moet hij immers de eedaflegging beletten.
Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan is in te grijpen.
Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop moet hebben.
Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gevaar van een valschen eed heeft overwogen.
De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in het hoofd.
Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
Er was niets verschrikkelijker dan een meineed, er was iets geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.