Herinneringen

Part 6

Chapter 64,309 wordsPublic domain

Lennart heeft flensjes gebakken, die nu verscheiden uren oud zijn en er uitzien als leeren lappen. Zij hebben wat geld van Moeder gekregen en daarvan hebben ze noten, amandelen en een flesch limonade gekocht. Al die heerlijkheid hebben ze niet alleen willen genieten; maar ze hebben zitten wachten, dat Vader thuis zou komen om die met hen te deelen. Nu ze goede vrienden met Vader geworden zijn, kunnen ze zoo’n groot feest niet zonder hem vieren. Vader begrijpt alles. Hij is gevleid, omdat ze naar hem verlangen, en in vrij goed humeur komt hij aan tafel. Maar halfdronken als hij is, struikelt hij, terwijl hij wil gaan zitten, grijpt het tafellaken, valt en trekt alles mee op den grond. Als hij is opgestaan, ziet hij de limonade over den grond stroomen en al de confituren en flensjes liggen tusschen scherven van glas en porcelein.

Vader kijkt naar de lange gezichten van de jongens, vloekt en vliegt de deur uit, en komt eerst tegen den morgen terug.

Op een morgen in Februari komen de jongens door de straat met de schaatsen over den schouder. Zij zijn veranderd. Ze zijn mager en bleek geworden en zien er verwaarloosd en slordig uit. Hun haar is niet geknipt, ze zijn niet goed gewasschen en hebben gaten in hun kousen en schoenen. Als ze samen praten gebruiken ze een massa straatjongenswoorden en nu en dan komt er een vloek over hun lippen.

De jongens zijn veranderd van dien avond af, dat Vader vergat thuis te komen en Hugo’s verjaardag te vieren. ’t Was of ze tot dien tijd gedragen werden door de hoop, dat er binnen kort verandering in hun lot zou komen. De eerste dagen hadden ze er op gerekend, dat Vader hen gauw moe zou worden en hen naar huis sturen. Toen hadden ze zich verbeeld, dat Vader van hen zou gaan houden, en dat hij zou ophouden met drinken om hunnentwil. Ja ze hadden zich voorgesteld, dat Moeder en hij vrede zouden sluiten en dat allen gelukkig zouden worden. Maar dien avond zagen ze duidelijk, dat Vader onmogelijk was. Hij kon niets anders dan den drank liefhebben. Al was hij ook een poosje vriendelijk voor hen, hij gaf toch in ernst niet veel om hen.

Er kwam een drukkende hopeloosheid over de jongens. Niets zou veranderen. Ze zouden nooit van Vader wegkomen. Ze voelden ’t, alsof ze veroordeeld waren heel hun leven in een donkere gevangenis te worden opgesloten.

Niet eens hun groote plannen konden hen troosten. Zooals zij gebonden waren, konden ze die nooit uitvoeren. Stel je alleen maar voor, dat ze niets mochten leeren! Ze kenden genoeg van de geschiedenis van groote mannen om te weten, dat wie ìets bizonders wil doen, allereerst kennis noodig heeft.

De hardste slag was nog geweest, dat Moeder met Kerstmis niet gekomen was. In ’t begin van December was ze van een trap gevallen en had een been gebroken zoodat ze in ’t hospitaal had gelegen in de Kerstvacantie en niet naar Stockholm had kunnen komen. Nu was Moeder weer beter, maar nu was haar school weer begonnen. Ook had ze geen geld om te reizen. Alles wat zij bijeen gespaard had, was opgegaan terwijl ze ziek was.

De jongens voelden zich door de heele wereld verlaten. ’t Was duidelijk, dat het nooit beter zou worden, wat ze ook probeerden, en daarom hadden ze langzamerhand opgehouden zich in te spannen met wat ze vervelend vonden. Ze konden immers even goed doen waar ze pleizier in hadden.

Nu en dan maakten ze dagen lang hun bed niet op, en ze hielden op, met de kamer te dweilen. ’t Ging toch wel goed. Er kwam immers nooit iemand bij hen om te zien hoe ze ’t hadden.

Vader dronk steeds erger. Hij probeerde nu en dan zijn krachten te verzamelen om de jongens in orde te houden, maar dat waren maar onmachtige pogingen. Hij vergat zijn bevelen even gauw als hij ze gegeven had.

De jongens waren ook begonnen hun morgenstudies te verzuimen. Niemand overhoorde hun lessen, dus ’t deed er niet toe of zij ze leerden. Er was nu een paar dagen mooi ijs geweest, ze konden dus wel vacantie nemen en uitgaan, terwijl het licht was. Op ’t ijs waren altijd volop jongens en ze hadden met verscheidenen kennis gemaakt, die ook liever schaatsen reden dan in de kamer zaten te leeren.

Nu is ’t zoo’n mooie dag, dat ze er niet aan konden denken om thuis te blijven. ’t Is maar een paar graden vorst, stille en hooge lucht en heldere zonneschijn. ’t Is zulk heerlijk weer, dat de scholen ijsvacantie gegeven hebben. De heele straat is vol kinderen, die naar huis zijn geweest om hun schaatsen te halen. Nu reppen ze zich om op ’t ijs te komen.

Zooals de jongens daar loopen onder de andere kinderen zien ze er ernstig en somber uit. Geen lachje komt op hun gezicht. Hun verdriet is zóó groot, dat ze het geen oogenblik kunnen vergeten.

Als ze op ’t ijs komen is ’t daar vol leven en beweging. Langs den kant staat een dichte menschenmassa, in de verte wemelen schaatsenrijders door elkaar, als mieren doen wanneer hun hoop beschadigd is. Nog verder weg zijn enkele zwarte punten te zien, die zich voortbewegen in bliksemsnelle vaart.

De jongens doen de schaatsen aan en gaan onder de schaatsenrijders. Ze rijden heel goed en nu ze met volle vaart over ’t ijs glijden, komt er kleur op hun wangen en glans in hun oogen, maar ze zien er geen minuut blij en zorgeloos uit als andere kinderen.

Op eens, terwijl ze zich naar ’t land keeren zien ze iets heel moois. Een groote luchtballon komt van den kant van Stockholm en drijft naar den kant van de Zoutzee. Hij is geverwd met roode en gele strepen en als ’t zonlicht er op valt, schittert hij als een vuurbal. De gondel is versierd met een massa bonte vlaggen, en daar de ballon niet heel hoog gaat, is het levendige kleurenspel goed te zien.

Nu de jongens den ballon zien, geven ze een kreet van blijdschap. ’t Is voor ’t eerst in hun leven, dat ze een grooten ballon door de lucht zien gaan. Die is veel mooier, dan ze zich hebben kunnen voorstellen. Alle droomen en plannen, die hun troost en blijdschap geweest zijn in veel moeilijke dagen, komen weer in hen op, nu ze dien zien. Zij blijven staan om na te gaan hoe de touwen en lijnen vast zitten, en ze merken het anker en de zandzakken aan den rand van den gondel op.

De ballon strijkt met een sterke vaart over ’t dichtgevroren water, dat breeder wordt en in zee uitloopt. Alle schaatsenrijders, groote en kleine door elkaar, stormen lachend en luid roepend toe, als hij zich vertoont en loopen hem dan achterna. Ze volgen hem in de richting naar de zee in een lange zwaaiende rij, als een reusachtige slappe lijn. De luchtschippers vermaken zich met het uitgooien van een massa stukken papier van verschillende kleur, die langzaam neerdwarrelen door de blauwe lucht.

De jongens zijn de eersten in de lange rij, die den ballon achterna stormt. Zij jagen voort, het hoofd achterover gebogen en de oogen steeds naar boven gericht. Hun oogen stralen van geluk voor ’t eerst, sinds ze van Moeder weggingen. Ze zijn heelemaal buiten zichzelf van verrukking over het luchtschip, en denken aan niet anders dan het zoo lang mogelijk te volgen.

Maar de ballon drijft haastig voort en men moet een goede schaatsenrijder zijn om niet achter te blijven. De schare, die hem najaagt, dunt, maar aan ’t hoofd van hen, die hem blijven volgen, zijn de kleine jongens. Ze zijn zóó opgewonden, dat men op hen letten gaat. De menschen spreken er later over, dat er iets bizonders aan hen was. Zij lachten en riepen niet, maar er lag een glans van verrukking over hun opgeheven gezichten, alsof ze een visioen zagen.

De ballon maakt ook op de jongens bijna den indruk van een gids uit den hemel, die komt om hen weer op het rechte pad terug te brengen en hun te leeren daarop met frisschen moed voort te gaan. Nu de jongens hem zien, klopt hun het hart van verlangen opnieuw aan de groote uitvinding te gaan werken. Zij voelen zich weer overtuigd te zullen slagen. Als ze maar volhouden zullen ze eindelijk wel zegevieren. De dag zal komen, dat ze hun eigen luchtschip zullen bestijgen en hoog in de ruimte drijven. Eens zullen zìj daar in de lucht, hoog boven de menschen rondzweven. En hun luchtschip zal veel beter zijn dan dat, wat ze nu zien. ’t Zal bestuurd en gekeerd kunnen worden, ’t zal rijzen en dalen zonder wind, en tegen den wind in gaan. ’t Zal hen dragen—dagen en nachten waarheen ze maar willen. Ze zullen neerdalen op de hoogste bergtoppen, over de meest barre woestijnen heenzweven,—de meest ongebaande streken onderzoeken. Zij zullen alle heerlijkheid van de wereld zien.

„We moeten ’t niet opgeven, Hugo,” zegt Lennart. „We zullen ’t prachtig hebben, als we ’t maar klaar krijgen.”

Vader en zijn ellende gaan hun niet meer aan. Hij, die zóóiets groots heeft om voor te werken, kan zich toch door zoo iets erbarmelijks niet laten ophouden.

De ballon krijgt sterker vaart hoe verder hij komt. De schaatsenrijders volgen hem ook niet meer. De eenige, die doorgaan, zijn de kleine jongens. Ze snellen voort, zoo vlug en licht, alsof ze vleugels aan de voeten hebben.

Plotseling geven de menschen, die aan land staan en ver over ’t water kunnen zien, een schreeuw van angst en ontzetting. Zij zien, dat de ballon, steeds door de twee kinders gevolgd naar het vaarwater drijft, waar ’t open water is.

„Open water! Daar is open water!” roepen de menschen.

De schaatsenrijders op ’t ijs hooren dat geroep en zien uit naar de monding van het fjord. Zij zien een glinsterende streep in den zonneschijn vonkelen in de verte. Ze zien ook, dat twee kleine jongens recht op de streep afrijden, die ze niet zien, omdat ze de oogen op den ballon gevestigd houden, zonder ze ook maar een oogenblik naar de aarde te wenden.

Men roept uit alle macht, men stampt op het ijs, snelrijders haasten zich om hen tegen te gaan houden. Maar de kleintjes merken niets van dat alles, terwijl ze het luchtschip najagen. Ze weten niet, dat zij de eenigen zijn, die het volgen. Ze hooren geen geroep achter zich. Ze merken niets van het geklots en gebruis van het open water vóór zich. Zij zien alleen den ballon, die hen als ’t ware meêsleurt. Lennart voelt al hoe zijn eigen luchtschip zich met hem opheft en Hugo zweeft over de geheimzinnige Noordpoolstreken.

De menschen op ’t ijs en aan ’t strand zien hoe ze ’t open water snel naderen. Een oogenblik heerscht er onder hen een zóó ademlooze spanning, dat ze niet kunnen roepen of zich verroeren. Er ligt iets als een betoovering over die twee kinderen, die niets merken onder hun woest voortsnellen, die den dood tegemoet ijlen, terwijl ze een stralend hemelsch visioen najagen.

De luchtscheepvaarders boven, in den ballon hebben de kleine jongens ook in het oog gekregen. Ze zien, dat zij in gevaar zijn. Ze roepen hun toe en maken waarschuwende bewegingen; maar de jongens begrijpen hen niet. Als ze zien, dat de luchtschippers teekens tegen hen maken, meenen ze, dat zij hen in den gondel willen opnemen. Zij heffen de armen naar hen op, overgelukkig in de hoop met hen mede te mogen, ver weg, door de stralende ruimte.

Op dat oogenblik zijn de jongens bij het open water gekomen, en met omhoog gerichte, van vreugde stralende gezichten en opgeheven armen rijden ze in ’t water en verdwijnen zonder om hulp te roepen. De schaatsenrijders, die hebben geprobeerd ze in te halen, staan een paar seconden later aan den kant van het ijs, maar de stroom in ’t water heeft de kinderen meegesleurd onder ’t ijs en geen helpende hand kan hen meer bereiken.

EEN HEKSENKIND.

De heks kwam aansluipen door het bosch, met haar kind in een mandje van berkenbast op den rug. ’t Was groot en leelijk, met haren als een borstel, scherpe uitstekende tanden en een klauw aan de pink; maar de heks vond, dat er geen mooier kind bestond;—dat spreekt van zelf.

Terwijl de heks doorliep, kwam ze aan een plek, waar het bosch een beetje minder dicht was. ’t Was op een weg, die vooruitsprong, hobbelig en kaal, vol boomwortels, die er overheen lagen als een geknoopt net. En op dien weg kwam een boer met zijn vrouw aanrijden, beiden te paard.

De heks was eerst van plan ’t bosch weer in te vluchten, opdat niemand haar zien zou; maar toen zag ze, dat de boerenvrouw een kind op den arm had en daardoor kwam ze op andere gedachten. Ze sloop dichter bij den weg en kroop achter een hazelaarstruik.

„Ik wil eens zien of een menschenkind even mooi kan zijn als het mijne,” dacht de heks.

Maar in haar ijver stak ze het hoofd te ver uit de struik, en toen de rijdenden dicht bij haar waren, kregen de paarden het groote, zwarte heksenhoofd in het oog. Ze schrikten, gingen op de achterste pooten staan en sloegen op hol. De boer en zijn vrouw werden bijna uit het zadel geworpen. Ze schreeuwden, bogen zich voorover om de teugels te grijpen en in een oogenblik waren ze weg.

De heks grijnsde van ergernis. Ze had niet veel van het menschenkind gezien. Maar op eens werd ze vreeselijk verrukt, want daar lag immers het kind vlak voor haar op het veld. ’t Was van den arm van de boerenvrouw geworpen door dat de paarden opsprongen en aan den teugel rukten.

’t Kind was in een grooten hoop dorre bladeren gevallen en volkomen ongedeerd. ’t Schreeuwde luid van schrik door den val, maar toen de heks zich over hem heen boog, werd het zoo blij over dat onverwacht gezicht, dat het stil werd en lachte en de handen opstak om aan haar zwarten baard te trekken.

Maar de heks was heelemaal verbluft en stond het menschenkind aan te kijken. Ze keek naar de kleine handjes met rozenroode nageltjes, naar de heldere blauwe oogen en het kleine mondje. Ze voelde aan het zachte haar, streek over de wangetjes en kon maar niet van haar verbazing bekomen, dat een kind zóó blank en zacht en fijn wezen kon. Op eens rukte de heks het mandje van haar rug, nam haar eigen kind er uit en zette het naast het menschenkind. En toen ze zag welk een verschil er tusschen die twee was kon ze niet laten te brullen van woede.

Intusschen hadden de boer en zijn vrouw hun paarden tot bedaren gebracht en reden terug om hun kind te zoeken. Toen de heks ze hoorde aankomen, begon ze bijna te schreien, want ze had nog lang niet genoeg naar het menschenkind gekeken.

Ze bleef staan tot de rijdenden bijna zoo dichtbij gekomen waren, dat zij ze zien kon, en toen nam ze snel een besluit. Ze liet haar kind aan den kant van den weg liggen, stopte het menschenkind in het mandje op haar rug en sprong er het bosch meê in.

Nauwelijks was de heks in het bosch verdwenen of de boer en zijn vrouw kwamen aan.

’t Was zulk een flink paar boerenmenschen, rijk en geacht en met een mooie hoeve aan den voet van den boschheuvel. Zij waren lang getrouwd geweest, maar ze hadden slechts dit eene kind. Dus kan men wel begrijpen, dat ze het bizonder graag wilden terugvinden.

De vrouw reed een paar stappen voor haar man uit en kreeg het eerst het kind in het oog, dat aan den kant van den weg lag. Het schreeuwde uit alle macht om de heks terug te roepen en de boerin had al aan het schreeuwen moeten merken wat het voor een kind was; maar ze was bang geweest, dat de kleine dood gevallen was en toen ze het hoorde schreien dacht ze alleen hoe gelukkig het was, dat het nog in leven was.

„Daar ligt het kind!” riep ze haar man toe, gleed op ’t zelfde oogenblik uit het zadel en sprong naar het heksenkind toe.

Toen de boer daar aankwam, zat zijn vrouw aan den kant van den weg en keerde het kind om en om. Zij zag er uit als iemand, die zijn oogen niet gelooven wou.

„Mijn kind had geen tanden als slangentanden,” zei ze, en uit haar stem sprak een steeds toenemende ontzetting. „Mijn kind had geen haar als een borstel van varkenshaar; mijn kind had geen klauw aan de pink!”

De boer kon niet anders denken, dan dat zijn vrouw krankzinnig was geworden, en hij sprong op zijn beurt van het paard. „Kijk eens naar het kind en zeg me of je begrijpen kunt hoe het zoo veranderd is!” zei de vrouw en reikte hem het kind toe. Hij nam het aan, maar nauwlijks had hij het aangezien, of hij spuwde driemaal en wierp het van zich af. „Dat is immers een heksenkind,” zei de boer; „dat is ons kind niet.”

De vrouw zat nog aan den kant van den weg. Ze was niet vlug van begrip en kon er maar niet uit wijs worden wat er gebeurd was.

„Maar wat doe je dan met het kind?” vroeg zij.

„Begrijp je niet, dat het een ruilkind is?” zei de man. „De heksen hebben van ’t oogenblik gebruik gemaakt, dat de paarden steigerden. Ze hebben ons kind gestolen en een van hun eigen kinderen er voor in plaats gelegd.”

„Maar waar is mijn kind dan nu?” vroeg de vrouw.

„Dat is bij de heksen,” antwoordde de man.

Nu begreep zijn vrouw eindelijk het heele ongeluk. Ze werd zoo bleek, dat de man meende, dat zij sterven zou.

„Ons kind kan immers niet ver van hier zijn,” zei hij en trachtte haar te bemoedigen, hoewel hij zelf niet veel hoop had. „We zullen probeeren het bosch in te gaan en het te zoeken.”

Toen bond hij de paarden aan een boom en ging het kreupelhout in. De vrouw stond werkelijk op om hem te volgen, maar toen merkte zij, dat het heksenkind op het veld lag en gevaar liep door de paarden te worden doodgetrapt, want ze waren onrustig door de nabijheid van het kind en sloegen telkens wild achteruit. Ze rilde bij de gedachte, dat zij het weer moest aanraken, maar toch legde ze het kind zoo, dat het door de paardenhoeven niet kon worden bereikt.

„Hier ligt de rammelaar, die ons kind in de hand had toen je het liet vallen,” riep de boer van uit het bosch. „Nu weet ik, dat ik op het rechte spoor ben.”

De vrouw liep hem haastig na, en zij gingen het bosch in en zochten er lang en zorgvuldig, maar ze vonden geen kind en geen heks, en toen de schemering inviel moesten zij naar de paarden teruggaan.

De vrouw schreide en wrong de handen. De man liep met de lippen vast op elkaar geklemd en een harden trek om den mond, en zei geen woord om haar te troosten. Hij was uit een oud aanzienlijk geslacht, dat uitgestorven zou zijn, als hij niet een zoon had gekregen. En nu was hij boos op zijn vrouw, omdat zij het kind op het veld had laten vallen. Zij had dat toch vast moeten houden, beter dan iets anders. Maar toen hij zag hoe bedroefd zij was, had hij het hart niet haar verwijten te doen.

De boer had zijn vrouw al in ’t zadel geholpen toen ze aan het ruilkind dacht.

„Wat moeten we met dat heksenkind doen?” barstte ze uit.

„Ja, waar is dat heengeloopen?” zei de man.

„Hij ligt daar onder die struik.”

„Nu, daar ligt hij goed,” zei de man en lachte bitter.

„We moeten hem wel meênemen. We kunnen hem toch niet hier in de wildernis achterlaten.”

„O, ja, dat kunnen we best,” zei de boer en zette den voet in den stijgbeugel.

De vrouw vond, dat haar man volkomen gelijk had. Zij behoefden zich niet over dat heksenkind te ontfermen, en zij liet haar paard een paar stappen doen. Maar ze had een week en barmhartig gemoed en op eens was het haar onmogelijk verder te gaan.

„Neen, ’t is toch in elk geval een kind,” zei ze. „Ik kan ’t niet hier laten om door de wolven te worden verscheurd. Je moet mij dat kind maar aangeven.”

„Dat doe ik niet,” zei de man. „Dat ligt goed, waar ’t nu is.”

„Als je ’t me nu niet geeft, dan moet ik van avond hier weer heen rijden om het te halen,” zei de vrouw.

„Ik geloof dat het niet genoeg is, dat de heks mij mijn kind heeft afgenomen,” zei de man. „Ze heeft ook mijn vrouw betooverd.” Maar hij raapte toch het kind op en gaf het zijn vrouw; want hij had haar heel lief en was gewoon te doen wat zij wenschte.

Den volgenden dag was het ongeluk in de heele gemeente bekend en alle oude en wijze menschen haastten zich naar het huis van den boer om goeden raad te geven.

„Wie een ruilkind in huis krijgt moet hem elken dag slaan met een knuppel,” zei een van de ouden.

„Waarom zouden we hem zoo slecht behandelen?” vroeg de boerin. „Hij is wel leelijk, maar hij heeft immers geen kwaad gedaan.”

„Ja, als men zoo’n kind slaat tot het gaat bloeden komt de heks eindelijk aanvliegen, gooit je eigen kind naar je toe en pakt het hare meê. Ik weet meer dan één, die op zoo’n manier haar kind terug gekregen heeft.”

„Maar die kinderen leefden niet lang,” zei een ander van de oude vrouwen, en de boerin zei in zich zelf, dat ze dit middel niet gebruiken kon. Dat was haar onmogelijk.

Tegen den avond toen de boerin alleen met het heksenkind in de kamer was, begon ze op eens zóó hevig naar haar eigen kind te verlangen, dat ze geen raad wist. „Misschien moest ik toch probeeren wat ze mij geraden hebben,” dacht ze, maar ze kon er niet toe komen.

Op datzelfde oogenblik kwam haar man in de kamer met een knuppel in de hand en vroeg naar het heksenkind. De vrouw begreep, dat haar man den raad van de wijze, oude vrouwen wilde volgen en het heksenkind slaan om zijn eigen kind terug te krijgen.

„’t Is goed, dat hij het doet,” dacht ze. „Ik ben zoo dom;—ik zou nooit een onschuldig kind kunnen slaan.”

Maar nauwlijks had de man het heksenkind een slag gegeven, of zijn vrouw vloog op hem toe en greep hem bij den arm.

„Neen, sla hem niet, sla hem niet!” smeekte ze.

„Je wilt zeker je kind niet terughebben,” zei de man en probeerde zich los te maken.

„Ja, zeker wil ik het terughebben, maar niet op deze manier,” zei de vrouw.

De man hief nu den arm op tot een nieuwen slag, maar vóór die viel, had zijn vrouw zich over het kind geworpen, zoodat de knuppel op haar rug neerkwam.

„God beware me!” zei de man. „Nu begrijp ik, dat je ’t er op aanlegt, dat ons kind zijn heele leven bij de heksen zal blijven!”

Hij bleef staan wachten, maar de vrouw bleef vóór hem liggen en beschermde het kind met haar eigen lichaam. Toen wierp de man den knuppel weg en liep boos de kamer uit.

Later verbaasde hij er zich over, dat hij zijn voornemen niet had uitgevoerd, tegen den wil van zijn vrouw in, maar er was iets, dat sterker was dan hij, wanneer hij met haar samen was. Hij kon er zich niet tegen verzetten.

Een paar dagen gingen in droefheid en pijnlijk gemis voorbij. Wat de boerin ’t allermeest kwelde en haar verdriet dubbel groot maakte, was dat ze dat heksenkind had om voor te zorgen. Om zijnentwil moest ze zoo bitter lijden, dat ze bijna de kracht niet had het gemis van haar eigen kind te voelen.

„Ik weet waarlijk niet, wat ik dat heksenkind te eten moet geven,” zei ze op een morgen tegen haar man. „Hij wil niets proeven van wat ik hem voorzet.”

„Dat is geen wonder,” zei de man. „Je hebt zeker wel gehoord, dat heksen niets dan kikkers en muizen eten.”

„Maar je kunt toch niet verlangen, dat ik naar den vijver ga om kikkers voor hem te vangen,” zei de vrouw.

„Neen, ik verlang dat heelemaal niet,” antwoordde de boer. „Ik vind, dat het ’t beste was, als hij doodhongerde.”

De heele week ging voorbij, en de boerin was niet in staat het heksenkind te bewegen iets te eten. Het schreeuwde maar in zijn wieg en werd zoo akelig mager, dat er bijna niets meer van hem overbleef. Om hem heen zette de boerin alle gerechten, die zij koken kon, maar ’t heksenkind blies en spuwde als ze het van al dat lekkers wilde laten proeven.

Op een avond, dat het heksenkind er uitzag, alsof het van honger sterven zou, kwam de kat de kamer in met een muis in den bek. De boerin rukte de muis van de kat af, gooide die het kind toe en ging haastig de kamer uit om niet te zien hoe het wicht de muis opat.

Maar toen de boer merkte, dat zijn vrouw werkelijk kikkers en spinnen voor het heksenkind ging vangen, begon hij zulk een afschuw voor haar te krijgen, dat hij dien nauwlijks verbergen kon. Hij kon het niet over zich verkrijgen een vriendelijk woord tegen haar te zeggen en als ze niet die wonderlijke macht over hem gekregen had, was hij dadelijk van haar weggegaan. Ook de dienstboden begonnen tegenover hun huismoeder ongehoorzaam en oneerbiedig te doen, zonder dat de heer des huizes er op lette.