Herinneringen

Part 5

Chapter 54,196 wordsPublic domain

Moeder had hun gezegd, dat ze heel arm zouden zijn. Ze had een betrekking als zangonderwijzeres aan de meisjesschool gekregen, maar dat was alles wat ze hadden om van te leven. Ze hadden geen geld om een dienstbode te houden maar moesten zich zelf redden. De jongens waren verrukt over dat alles, vooral omdat ze zouden moeten helpen. Ze boden aan water en brandhout aan te dragen. Ze zouden hun eigen schoenen poetsen en hun eigen bed opmaken. Dat was niet anders dan prettig om aan te denken.

Er was een kast waar Lennart al zijn machines zou mogen bergen. Hij zou zelf den sleutel hebben en geen ander dan Hugo en hij zouden er ooit in mogen kijken.

Maar de jongens waren maar dien eenen dag gelukkig bij Moeder geweest. Toen had Vader hun pleizier bedorven, zooals hij gedaan had, zoolang ze zich herinneren konden. Moeder had hun verteld, dat zij gehoord had, dat Vader een paar duizend kronen had geërfd, dat hij zijn betrekking had opgezegd en naar Stockholm zou verhuizen. Zij en Moeder waren er blij om geweest, dat hij uit de stad weg zou gaan, zoodat ze hem niet meer op straat zouden hoeven tegen te komen.

Maar toen was een van Vaders vrienden bij Moeder gekomen, met de groeten van Vader en de boodschap, dat hij de jongens meê naar Stockholm nemen wou.

Moeder had geschreid en gesmeekt haar jongens te mogen behouden, maar de afgezant van Vader had geantwoord, dat Vader vast besloten was de jongens onder zijn hoede te nemen. Als ze niet vrijwillig kwamen zou hij ze door de politie laten halen. Hij verzocht Moeder de akte van scheiding te lezen. Daar stond duidelijk, dat de jongens aan den Vader waren toegewezen. En dat wist Moeder immers wel. Dat viel niet te ontkennen.

De vriend van Vader had veel moois gezegd: dat Vader zijn jongens liefhad en hen daarom bij zich wilde hebben; maar de jongens wisten dat Vader hen alleen wegnam om Moeder te plagen. Hij had dit bedacht om te maken, dat Moeder er geen pleizier van hebben zou, dat ze van hem gescheiden was. Ze zou in voortdurende onrust over hen moeten leven. ’t Was alles niets dan wraak en akeligheid. Maar Vader had zijn wil doorgezet en nu waren zij op weg naar Stockholm. En vlak over hen zit Vader en verheugt er zich over, dat hij Moeder ongelukkig heeft gemaakt. En elk oogenblik dat voorbij gaat staat het hun meer tegen, als ze er aan denken, dat ze met Vader mee moeten en bij hem wonen. Zijn ze dan heelemaal in zijn macht? Is er dan niets aan te doen?

Vader leunt achterover in zijn hoekje en na een poosje slaapt hij in. De jongens beginnen dadelijk druk samen te fluisteren. ’t Is niet moeilijk een besluit te nemen. Den heelen dag hebben ze ieder apart er over zitten denken, dat ze moesten wegloopen. Ze spreken af, dat ze uit den waggon op ’t balkon zullen sluipen, en uit den trein springen als die door een groot bosch komt. Dan zullen ze een hut bouwen op een verborgen plaats in het bosch en daar alleen leven, zonder zich aan iemand te vertoonen.

Terwijl de jongens deze plannen maken, houdt de trein stil aan een station, en een boerenvrouw met een kindje aan de hand stapt in. Ze is in ’t zwart gekleed, met een doek om het hoofd en ziet er opgewekt en vriendelijk uit. Ze doet den kleine zijn jas uit, die nat van den regen is, en slaat in plaats daarvan een shawl om hem heen. Dan doet ze hem de schoenen en kousen uit, droogt zijn koude voetjes af, zoekt kousen en schoenen uit een bundeltje goed en trekt ze hem aan. Eindelijk geeft ze hem een ulevel en legt hem op de bank, met zijn hoofd op haar schoot om hem te laten slapen.

Nu werpt de eene, dan de andere van de jongens een blik op de boerenvrouw, die met haar kind bezig is. Ze kijken steeds vaker en op eens krijgen de jongens te gelijk tranen in de oogen. Ze kijken niet meer op, maar houden de oogen hardnekkig neêrgeslagen.

’t Is alsof met die boerenvrouw ook nog iemand anders is ingestapt, iemand, die voor allen onzichtbaar en onmerkbaar is, behalve voor de jongens. En dat is Moeder. ’t Is voor de jongens alsof ze binnengekomen is en tusschen hen in is gaan zitten en hun handen heeft genomen, zooals ze gisteren avond heeft gedaan, toen het besloten was, dat ze op reis zouden gaan en dat ze op dezelfde manier met hen spreekt als toen.

„Jelui moet me beloven, dat je niet boos op Vader wezen zult om mij. Vader heeft mij nooit kunnen vergeven, dat ik hem heb belet op reis te gaan. Hij vindt, dat het mijn schuld is, dat er niets groots van hem terecht is gekomen, en dat hij drinkt. Hij kan mij nooit genoeg straffen. Maar jelui moogt daarom niet boos op hem zijn.”

„Als jullie nu bij Vader wonen, moet jullie me beloven lief voor hem te zijn. Jelui moogt niet met hem kibbelen, jelui moet voor hem zorgen, zoo goed je kunt. Dat moet jelui me beloven, anders weet ik niet hoe ik jelui kan laten gaan.”

En de jongens hadden het beloofd.

„Jelui moogt niet van Vader wegloopen. Beloof me dat,” had Moeder gezegd.

Dat hadden ze ook beloofd.

De jongens zijn trouw aan hun woord, en zoodra ze er aan dachten wat zij hun Moeder beloofd hadden, gaven ze alle gedachten aan vluchten op. Vader slaapt nog altijd, maar ze blijven geduldig op hun plaats zitten. Ze hervatten hun lectuur met verdubbelden ijver en hun goede vriend Jules Verne voert ze spoedig weg uit hun vele en zware zorgen naar de gelukkige wonderwereld in Afrika.

Ver weg in ’t Zuidelijk gedeelte van de stad heeft Vader twee kamers en een keuken gehuurd op de onderste verdieping, met den ingang op een binnenplaats en uitziende op een klein plaatsje. De woning is lang gebruikt en is van ’t eene gezin aan het andere overgegaan, zonder ooit gerepareerd te worden. ’t Behang is vol scheuren en vlekken, de zolder vol roet, een paar vensterruiten zijn gebarsten, en de keukenvloer is zoo versleten, dat hij vol spleten is. Een paar kruiers hebben ’t verhuisgoed van ’t station gehaald, het in de kamers gedragen en ’t daar door elkaar laten staan. Vader en de jongens zijn nu aan ’t uitpakken. Vader staat met de bijl opgeheven om een kist open te maken. De jongens halen glas en porcelein uit een andere kist en zetten dat in een kast in den muur. Ze zijn handig en voorzichtig; maar Vader houdt niet op met hen tot voorzichtigheid te vermanen en verbiedt hun meer dan één glas of één bord tegelijk te dragen. Intusschen gaat het met Vaders eigen werk niet zoo heel best. Zijn handen zijn onvast en krachteloos en hij werkt zich in ’t zweet, zonder de kist open te krijgen. Hij legt de bijl neer, loopt om de kist heen en denkt, dat men misschien den bodem boven heeft gekeerd. Een van de jongens neemt dan de bijl en probeert de kist open te rukken, maar Vader stoot hem weg. Die kist is te vast toegespijkerd. Lennart denkt toch niet, dat hij het slot zal openkrijgen, als Vader zelf het niet kan. Alleen een geoefend arbeider kan die kist openmaken, zegt Vader, trekt zijn jas aan en haalt zijn hoed om den knecht van de plaats te roepen.

Vader is nauwlijks de deur uit of er valt hem iets in. Hij begrijpt opeens waarom hij geen kracht in de handen heeft. ’t Is nog vroeg in den morgen en hij heeft nog niets gebruikt, dat zijn bloed in beweging kan brengen. Als hij nu naar een koffiehuis ging en een cognakje nam zou hij zijn kracht weer terugkrijgen en zich zonder hulp kunnen redden. Dat is beter dan nu den knecht van de plaats te roepen. Dan gaat Vader de straat op om een koffiehuis te zoeken. En als hij thuiskomt in zijn kleine woning op de binnenplaats is het acht uur op den avond.

In Vaders jeugd, toen hij op de academie was had hij in ’t Zuidelijk gedeelte van de stad gewoond. Hij was toen lid geweest van een dubbel kwartet, meest bestaande uit kantoorbedienden en kleinhandelaars, die gewoonlijk bijeenkwamen in een kelder bij Mosebacke. Vader wilde graag zien of dat keldertje er nog was. Het bestond werkelijk nog en Vader had het geluk een paar van de oude vrienden te vinden, die daar hun twaalfuurtje gebruikten. Zij hadden hem met de grootste vreugde ontvangen, hem op hun lunch uitgenoodigd en zijn aankomst in Stockholm zoo vriendelijk mogelijk gevierd.

Toen de lunch eindelijk voorbij was, had Vader naar huis willen gaan om zijn meubels uit te pakken; maar zijn vrienden hadden hem overgehaald met hen te blijven eten. En dat had zoolang geduurd, dat Vader niet thuis had kunnen komen vóór achten. En het had hem niet weinig moeite gekost om zoo vroeg uit het vroolijk gezelschap weg te gaan.

Als Vader thuis komt zitten de jongens in ’t donker, omdat ze geen lucifers hebben. Vader heeft een lucifersdoosje in den zak, en als hij een klein stukje kaars heeft aangestoken, dat gelukkig mee ingepakt is, ziet hij, dat de jongens warm en bestoven zijn, maar trotsch en blij, en klaarblijkelijk zeer tevreden over hun dag.

Binnen in de kamer staan de meubels netjes langs den muur, de kisten zijn naar buiten gebracht, hooi en pakpapier weggeruimd. Hugo is bezig de bedden van de jongens in de voorkamer op te maken. De achterkamer zal Vaders slaapkamer zijn en daar staat zijn bed, zoo zorgvuldig opgemaakt als hij maar wenschen kan.

Nu verandert Vaders stemming op een zonderlinge wijze. Toen hij thuiskwam, was hij niet tevreden met zich zelf, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en de jongens zonder eten had achtergelaten, maar nu hij ziet, dat zij opgewekt zijn en geen nood geleden hebben, heeft hij spijt, dat hij om hunnentwil zijn vrienden heeft verlaten, en hij wordt prikkelbaar en twistziek.

Hij ziet wel, dat de jongens trotsch zijn op al het werk, dat zij gedaan hebben en dat ze verwachten, dat hij hen prijzen zal, maar hij is in ’t geheel niet geneigd dat te doen. Hij vraagt in plaats daarvan wie er geweest is om hen te helpen en verzoekt hen wel te bedenken, dat men in Stockholm niets zonder geld krijgt en dat de knecht op de plaats voor alles wat hij doet betaald moet worden. De jongens antwoorden, dat zij geen hulp gehad hebben, maar zich zelf hebben gered; maar hij gaat voort met knorren. ’t Was verkeerd, dat zij de groote kist hadden opengemaakt. Zij hadden zich kunnen bezeeren. Hij had hun immers verboden, die open te maken. Nu moeten ze hem gehoorzamen, want hij is voor hen verantwoordelijk.

Hij neemt de kaars, gaat naar de keuken en licht in de kast. De kleine voorraad glas en porcelein is in goede orde op de planken neergezet. Hij onderzoekt alles heel nauwkeurig om aanleiding tot nog meer berispingen te vinden.

Op eens krijgt Vader eenige overblijfselen van ’t avondeten van de jongens in ’t oog en dadelijk begint hij te knorren omdat ze kip gegeten hebben. Waar hebben ze die vandaan gehaald? Zijn ze van plan als prinsen te leven? Is dat zìjn geld, dat zij aan kippen verspillen?

Opeens bedenkt hij zich, dat hij hun geen geld heeft gegeven. Hij denkt, dat ze misschien de kip gestolen hebben en wordt hevig ontroerd.

Hij spreekt en vermaant, knort en schreeuwt; maar nu krijgt hij geen antwoord van de jongens. Ze zijn niet van plan hem te zeggen, waar zij de kip vandaan gekregen hebben, maar laten hem praten. En hij houdt lange toespraken, hij preekt en put zijn laatste krachten uit. Eindelijk smeekt en bidt hij.

„Ik bezweer jelui, mij de waarheid te zeggen. Ik zal jelui vergeven,—wat je ook gedaan hebt, als jelui mij de waarheid maar zegt.”

Nu kunnen de jongens zich niet langer goed houden. Vader hoort een proestend geluid. Ze gooien de dekens neer en richten zich op; en hij ziet, dat ze rood zien van onderdrukt lachen. En terwijl ze nu zonder terughouding schateren, zegt Lennart telkens door proestbuien afgebroken:

„Moeder deed een kip in de tasch, die ze ons meêgaf toen we van huis gingen.”

Vader werpt het hoofd in den nek, ziet de knapen aan, wil spreken, maar vindt geen passende woorden. Hij richt zich nog meer indrukwekkend op, ziet hen met de grootste verachting aan en gaat zonder iets te zeggen in zijn kamer.

Vader is er achter gekomen hoe handig de jongens zijn en hij maakt er gebruik van om zonder bediening huis te houden. ’s Morgens zendt hij Lennart naar de keuken om koffie te zetten en laat Hugo tafel dekken en brood bij den bakker halen. Na ’t ontbijt gaat hij op een stoel zitten en kijkt er naar hoe de jongens de bedden opmaken, den vloer dweilen en de kachels aanmaken. Hij geeft onophoudelijk bevelen en zendt ze van ’t eene werk naar het andere, alleen om zijn macht te toonen. Als ’t morgenwerk voorbij is gaat hij weg en blijft den heelen morgen uit. ’t Middageten laat hij halen uit een kookschool in de buurt. Dan verlaat hij de jongens voor den avond en verlangt niets anders meer van hen, dan dat zijn bed is opgemaakt als hij thuis komt. De jongens zijn zoodoende bijna den heelen dag alleen en mogen doen wat ze willen.

Een van hun voornaamste bezigheden is aan Moeder te schrijven. Ze krijgen iederen dag een brief van haar en zij stuurt hun papier en postzegels, zoodat ze haar kunnen antwoorden. Moeders brieven bevatten meest vermaningen, dat ze lief voor Vader moeten wezen. Zij schrijft er dikwijls over hoe beminlijk Vader was toen zij hem ’t eerst leerde kennen en vertelt hun hoe ondernemend en vlijtig hij was in ’t begin van zijn werk. Zij moeten zacht en goed voor hem zijn. Zij moeten nooit vergeten hoe ongelukkig hij is.

„Als jelui heel lief voor Vader zijn, dan krijgt hij misschien medelijden met jelui en laat jelui weer bij mij komen,” schrijft Moeder.

Moeder vertelt, dat ze bij den dominee en den burgemeester is geweest, om te vragen of ’t niet mogelijk zou zijn om de jongens terug te krijgen. Maar beiden hebben haar geantwoord, dat er niets aan te doen was. De jongens moeten bij Vader blijven. Moeder wilde naar Stockholm verhuizen om ten minste nu en dan haar jongens te kunnen zien, maar alle menschen raden haar aan geduld te hebben en haar tijd af te wachten. Ze denken, dat Vader gauw de jongens moe zal worden en ze naar huis sturen. Moeder weet niet recht wat ze doen moet. Aan den eenen kant vindt ze het verschrikkelijk, dat haar jongens in Stockholm leven, zonder dat iemand voor hen zorgt, en aan den anderen kant weet ze, dat, als ze haar huis verlaat en haar betrekking opgeeft, zij ze niet ontvangen en verzorgen kan, als ze vrij komen. Maar met Kerstmis zal Moeder in elk geval naar Stockholm komen om hen te zien.

De jongens schrijven en vertellen wat ze den heelen dag doen, van uur tot uur. Zij melden Moeder dat ze eten voor Vader halen en zijn bed opmaken. Zij begrijpt, dat ze hun best doen lief voor hem te zijn om harentwil, maar ze voelt wel, dat ze niet meer van hem houden dan vroeger.

Haar jongens schijnen altijd alleen te zijn. Ze wonen in een groote stad, wemelend van menschen, maar niemand vraagt naar hen, niemand let op hen. En dat is misschien het beste. Wie weet wat hun overkomen kon als ze kennissen kregen?

Zij vragen haar altijd niet ongerust over hen te zijn. Zij zullen zich wel redden. Zij vertellen, dat ze hun kousen stoppen en zelf de knoopen aan hun kleeren naaien. Zij maken er ook toespelingen op, dat Lennart al heel ver met zijn uitvinding gekomen is en zij zeggen, dat als die maar klaar is, alles wel goed worden zal.

Maar Moeder leeft in voortdurenden angst, nacht en dag zijn haar gedachten bij de jongens. Nacht en dag smeekt zij God, dat Hij over haar zoontjes waken zal, die alleen leven in een groote stad, zonder iemand, die hun oogen bewaart voor de verzoekingen tot het verderf en hun jonge harten voor de lust tot het kwade.

Vader en de jongens zitten op een morgen in de opera. Een van Vaders oude kameraden, die in de hofkapel meespeelt, heeft hem uitgenoodigd de repetitie van een symfonieconcert bij te wonen, en Vader heeft de jongens meêgenomen.

Als ’t orkest invalt en de heele zaal vol muziek is, grijpt een zóó hevige ontroering Vader aan, dat hij zich niet kan beheerschen, maar begint te schreien. Hij snikt luid en snuit zijn neus en steunt telkens hard. Hij houdt zich in ’t geheel niet in, maar maakt zoo’n leven, dat hij de spelers hindert. Een opzichter komt op hem toe en wenkt hem heen te gaan, en Vader neemt de jongens bij de hand en sluipt zonder een woord van tegenspraak weg. En onder de heele wandeling naar huis vloeien zijn tranen.

Vader heeft de handen van de jongens in de zijnen gehouden en loopt door met een jongen aan iedere zijde. Plotseling beginnen ook de jongens te schreien. Zij begrijpen nu voor het eerst hoe Vader zijn kunst heeft liefgehad. ’t Was vreeslijk voor hem daar als een arme dronkaard te zitten en andren te hooren spelen. ’t Was zoo jammer voor hem, dat hij nooit werd wat hij had moeten worden. ’t Was nu met Vader, als het met Lennart zou worden als hij nooit zijn vliegmachine klaar kreeg, of met Hugo, als hij nooit een ontdekkingsreis doen mocht. Stel je voor, als zij eens als oude, onbruikbare menschen zouden moeten neerzitten en boven hun hoofden prachtige luchtschepen moesten zien heenstrijken, die zij niet hadden uitgevonden en niet mochten besturen.

De jongens zitten op een morgen aan weerskanten van de schrijftafel. Vader heeft een muziekportefeuille onder den arm genomen en is uitgegaan. Hij heeft iets gemompeld van een muziekles, die hij geven moet, maar de jongens hebben zich geen oogenblik laten wijsmaken, dat het waar was.

Vader is in een booze bui, terwijl hij daar over de straat loopt. Hij heeft den blik opgevangen, dien de jongens elkaar toewierpen toen hij zei, dat hij naar de muziekles moest.

„Zij zetten zich als rechters over hun vader,” denkt hij. „Ik ben te toegevend voor hen. Ik had ze elk een oorvijg moeten geven. ’t Is zeker hun moeder, die ze tegen mij opstookt.”

„Ik zal de heeren eens moeten nagaan,” gaat hij voort. „Het zou niet verkeerd zijn eens te zien hoe ze hun werk doen.”

Hij keert om, loopt stil over de straat, doet de deur heel zachtjes open en staat in de kamer van de jongens, zonder dat een van hen hem heeft hooren komen. En, jawel! De jongens vliegen op, met hooge kleuren en Lennart trekt snel een stapel papier naar zich toe, dien hij in de la van de tafel gooit.

Toen de jongens een paar dagen in Stockholm geweest waren, hadden ze gevraagd op welke school ze zouden gaan, en Vader had geantwoord, dat het nu met hun schoolgaan uit was. Hij zou probeeren een meester te vinden, die hun les geven wou. Dat had hij nooit gedaan, en de jongens hadden niet meer over hun schoolgaan gesproken. Maar binnen een week was een schoolrooster in de kamer van de jongens aan den muur gekomen. Schoolboeken waren voor den dag gehaald en elken morgen zaten de jongens aan weerskanten van een oude schrijftafel en leerden hardop lessen. ’t Was duidelijk, dat ze een brief van Moeder hadden gekregen, dat ze moesten probeeren alleen te studeeren om niet alles te vergeten, wat ze geleerd hadden.

Nu Vader zoo onverwacht bij hen binnenkomt gaat hij eerst naar het schoolrooster en bestudeert dat. Hij neemt zijn horloge en vergelijkt dat met het rooster.

Woensdag 10–11. Aardrijkskunde.

Dan gaat hij naar de tafel.

„Moesten jullie dit uur geen aardrijkskunde hebben?” vraagt hij.

„Ja,” antwoorden de jongens, met gloeiend roode wangen.

„Maar waar zijn jelui aardrijkskunde-boeken en kaarten?”

De jongens kijken naar de boekenplank en zijn dood verlegen.

„We zijn nog niet begonnen,” zegt Lennart.

„O, zoo,” zegt Vader. „Jelui deden zeker wat anders.”—Hij rekt zich uit, heel vergenoegd.

Hij heeft een overwinning behaald, die hij niet wil opgeven, vóór hij de jongens duchtig verslagen heeft.

Beide jongens zwijgen. Van af den dag, dat ze met Vader naar de opera zijn geweest, hebben ze medelijden met hem gehad en het had hun niet zooveel moeite gekost als vroeger om vriendelijk voor hem te zijn. Maar natuurlijk hebben ze er geen oogenblik aan gedacht om Vader in vertrouwen te nemen. Hij is niet in hun achting gestegen, al hebben ze ook medelijden met hem.

„Schreven jelui brieven?” vraagt Vader met zijn strengste stem.

„Neen,” antwoorden beide jongens te gelijk.

„Wat deden jelui dan?”

„We praatten maar wat.”

„Dat is niet waar. Ik zag, dat Lennart iets in de schrijftafel verborg.”

Nu zwijgen de jongens weer.

„Laat zien!” roept Vader, rood van kwaadheid. Hij gelooft, dat zijn zonen aan zijn vrouw hebben geschreven, en omdat ze den brief niet willen laten zien, staat er natuurlijk wat leelijks van hem in. De jongens bewegen zich niet en Vader heft de hand op om Lennart te slaan, die voor de la van de tafel zit.

„Raak hem niet aan!” roept Hugo dan. „Wij spraken alleen over iets wat Lennart bedacht heeft.”

Hugo duwt Lennart op zij, rukt de lade open en haalt een papier voor den dag, dat vol geklad is met luchtschepen in de zonderlingste vormen.

„Lennart heeft vannacht een nieuw soort zeil voor zijn luchtschip bedacht. Daar spraken we over.”

Vader wil hem niet gelooven. Hij buigt zich neer, zoekt de la door, maar vindt niet anders dan vellen papier, met teekeningen bedekt, die luchtballons, valschermen, vliegmachines en alles wat bij de luchtscheepvaart behoort, voorstellen.

Tot groote verbazing van de jongens, slingert Vader dit alles niet dadelijk van zich af. Ook lacht hij niet om hun proeven, maar bekijkt nauwkeurig ’t eene blad na het andere. Eigenlijk heeft Vader ook wat aanleg voor werktuigkunde, en hij heeft zich vroeger voor dergelijke zaken geïnteresseerd, toen zijn hersens nog voor iets deugden. Spoedig begint hij vragen te doen naar de beteekenis van een en ander, en daar zijn woorden verraden, dat hij ernstig belang stelt in wat hij ziet, en dat hij het begrijpt, bestrijdt Lennart zijn verlegenheid en antwoordt hem eerst aarzelend, maar langzamerhand met steeds grooter gewilligheid.

Spoedig zijn Vader en de jongens in een diepzinnig gesprek gewikkeld over luchtschepen en luchtscheepvaart. Als ze goed aan den gang zijn spreken de jongens openhartig en laten Vader deelen in al hun plannen en droomen van grootheid. En hoewel Vader wel begrijpt, dat de jongens niet ver kunnen vliegen met de luchtschepen, die ze nu maken, is hij zeer onder den indruk. Zijn zoontjes praten over aluminiummotoren, aëroplanen, en wetten van evenwicht alsof ’t de eenvoudigste zaken van de wereld zijn. Hij heeft gedacht, dat ze rechte domkoppen waren, omdat het op school niet goed met hen ging. Nu meent hij op eens, dat het een paar kleine geleerden zijn.

En hoogvliegende gedachten en verwachtingen—die begrijpt Vader beter dan iets anders. Hij herkent ze; hij heeft zelf op die manier gedroomd, en hij heeft geen lust met zulke droomen te spotten.

Vader gaat dien morgen niet uit, maar zit met zijn jongens te praten tot het tijd is het eten te halen en de tafel te dekken. En al dien tijd zijn de jongens en Vader beste vrienden, tot hun groote, wederkeerige verbazing.

’t Is elf uur in den avond, en Vader loopt slingerend over straat. De kleine jongens loopen elk aan een kant van hem. Zij zijn uitgegaan om hem te zoeken in een van de plaatsen, waar hij zich gewoonlijk ophoudt, en daar zijn ze binnen vlak bij de deur gaan staan, zonder iets te zeggen. Vader zat alleen aan een tafel, met een groot glas donkere toddy voor zich, te luisteren naar een damesorkest, dat achter in de kamer speelde.

Na een poos was hij knorrig opgestaan en naar de jongens toegekomen.

„Wat is er?” vroeg hij. „Waarom kom jelui hier?”

„Vader zou immers thuiskomen,” zeiden de jongens. „’t Is den 5den December. Vader had immers beloofd...”

Toen had Vader zich herinnerd, dat Lennart hem in vertrouwen verteld had, dat Hugo jarig was en hij had beloofd vroeg thuis te zijn. Maar dat had hij heelemaal vergeten.

Hugo verwachtte zeker een verjaarcadeau van hem, maar hij had er niet aan gedacht een te koopen.

In elk geval is hij met de jongens meêgegaan en loopt voort, ontevreden met hen en met zich zelf. Nu hij thuiskomt staat de feesttafel gedekt. De jongens hebben willen tracteeren.