Herinneringen

Part 4

Chapter 44,150 wordsPublic domain

Mesullam antwoordde hier in ’t geheel niet op, maar bleef onbeweeglijk in zijn vorige houding. Eerst toen de tolk hem nog eens vroeg of hij naar de droomen wilde luisteren, die de vreemde hem wenschte te vertellen en of hij die wilde uitleggen, liet hij de armen zinken, legde die gekruist over de borst en terwijl hij de ootmoedige houding van een verongelijkt man aannam, antwoordde hij, dat zijn ziel dien avond zóó vervuld was van zijn eigen bekommeringen, dat hij niet helder kon oordeelen over iets wat een ander aanging.

Maar de vreemde, die er heel levendig en gebiedend uitzag, scheen zich om zijn tegenspraak niet te bekommeren. Daar er geen stoel bij de hand was schopte hij eenvoudig Mesullams mat op zij en ging in de vensternis zitten. Toen begon hij met een heldere stem, duidelijk sprekend, een paar droomen te vertellen, die later door den tolk voor den ouden waarzegger werden vertaald.

„Zeg hem,” zei de reiziger, „dat ik eenige jaren geleden in Kaïro in Egypte was. Daar hij een geleerd man is, weet hij natuurlijk, dat daar een moskee is, El Azhar genaamd, die de beroemdste inrichting voor onderwijs in het Oosten is. Ik ging er op een dag heen om die te zien en ik vond het geheele reusachtige gebouw, alle vertrekken en arcaden, alle gangen en zalen vol met leerlingen. Daar waren oude mannen, die geheel hun leven aan het zoeken van kennis hadden gewijd, en kinderen, die juist bezig waren de eerste letters te leeren schrijven. Daar waren sterk gebouwde negers uit het hart van Afrika, schoone, tengere jongelingen uit Indië en Arabië, vreemdelingen, die van verre kwamen, uit Berberye en Georgië en alle landen, die den Koran aannemen. Binnen de rij pilaren—men zei mij, dat er in El Azhar evenveel leeraren als pilaren waren—zaten zij, die onderwijs gaven, neergehurkt op hun matten van schapenvel, en hun leerlingen, die in een kring om hen heen zaten, volgden met graagte hun voordracht, met wiegende lichaamsbewegingen.

„En zeg hem, dat, hoewel El Azhar in geen enkel opzicht beantwoordt aan de voorstellingen, die wij ons in het Westen van een groote geleerde school maken, ik toch verbaasd was over wat ik zag. En ik zei tot mij zelf: „Ziehier! dit is de groote vesting en ’t bolwerk van den Islam. Van hier gaan Mohammeds jonge helden uit. Hier in El Azhar wordt de drank der wijsheid gemengd, die de leer van den Koran frisch en levenskrachtig houdt.””

Dit alles zei de reiziger bijna in één adem. Hij hield nu even op om den tolk tijd te geven dit voor den waarzegger te vertalen.

Daarop ging hij voort:

„Zeg hem nu verder, dat El Azhar zulk een sterken indruk op mij maakte, dat ik haar den volgenden nacht in den droom weer zag. Ik zag het witte marmeren gebouw en de vele studenten, allen in zwarte mantels gekleed met witte tulbanden op, zooals het gebruik is in El Azhar. Ik zwierf door de zalen en binnenhoven en was er opnieuw verbaasd over, dat hier zulk een burcht en vesting was voor het Mohammedanisme. Eindelijk kwam ik in den droom aan den voet van de minaret, waar de oproeper voor het gebed gewoonlijk opklimt om den geloovigen te verkondigen, dat het uur van het gebed geslagen is. Ik zag de trap, die naar boven kronkelde in de minaret, en ik zag een oproeper voor het gebed er op naar boven gaan. Hij had een zwarten mantel aan en een witten tulband op zooals alle anderen, en toen hij de trap opging, kon ik in het eerst zijn gezicht niet zien. Maar toen hij een wending om geloopen had op de spiraalvormige trap, keerde hij het aangezicht naar mij toe, en toen zag ik, dat hij de Christus was.”

De spreker hield een oogenblik op en zijn borst rees onder een diepe ademhaling. „Ik zal nooit vergeten, al was het maar een droom,” barstte hij uit, „welk een diepen indruk het op mij maakte, Christus de trap te zien opgaan naar de minaret in El Azhar. ’t Scheen me zoo heerlijk, zoo veelbeteekenend, dat Hij hier gekomen was, naar de vesting van het Islamisme om de gebeds-uren uit te roepen, dat ik oprees in mijn droom en ontwaakte.”

Hier hield de reiziger weer even op om den tolk het gesprokene voor den waarzegger te laten vertalen. Maar dat scheen bijna een nutteloos werk te zijn. Mesullam zat den geheelen tijd met de handen in de zij en wiegde het bovenlijf met halfgesloten oogen heen en weer. Hij scheen te willen zeggen: „Nu ik deze opdringerige menschen niet kan ontkomen, zal ik hun ten minste toonen, dat ’t mij niet schelen kan wat ze vertellen. Ik zal probeeren mijzelf in slaap te wiegen. Dat zal de beste manier zijn om hun te toonen hoe weinig ik om hen geef.”

De tolk doelde er ook bij den reiziger op, dat al hun moeite te vergeefs zou wezen en dat ze geen verstandig woord uit Mesullam zouden krijgen, als hij in die stemming was; maar de europeesche vreemdeling scheen bekoord te wezen door Mesullams ongeloofelijke leelijkheid en wonderlijke manieren. Hij keek hem aan met het genoegen van een kind, dat een wild dier in een menagerie bekijkt, en hij had lust het gesprek voort te zetten.

„Zeg hem, dat ik hem niet zou zijn lastig gevallen om dien droom uit te leggen,” zei hij, „als die niet min of meer nog eenmaal tot mij was teruggekomen. Vertel hem, dat ik voor een paar weken de Sofia-moskee te Konstantinopel bezocht en dat ik, toen ik het geheele heerlijke gebouw had doorloopen, naar een galerij ging om een beter overzicht van de schoone koepelzaal te hebben. Zeg hem verder, dat men mij in de moskee had binnengelaten onder een godsdienstoefening, toen die geheel vol menschen was. Op ieder van de ontelbare gebedsmatten, die den vloer van de middelste hal bedekten, stond een man, die zijn gebed deed. Allen, die aan de godsdienstoefening deelnamen, maakten dezelfde bewegingen te gelijk. Allen knielden neer, wierpen zich voorover en stonden te gelijk op. Allen fluisterden hun gebed heel zacht; maar door de bijna onmerkbare bewegingen van zóó veel lippen ontstond er een geheimzinnig suizen. Dat steeg op in de hooge gewelven en stierf langzamerhand geheel weg. Toen kwam het in melodisch gefluister terugzweven uit de meest afgelegen gangen en galerijen. ’t Was zoo eigenaardig, dat men zich verwonderd afvroeg of het niet de adem Gods was, die door het oude heiligdom bruiste.”

Weer hield de reiziger op. Hij sloeg Mesullam nauwlettend gade, terwijl de tolk zijn woorden vertaalde. ’t Scheen werkelijk, alsof hij zich had ingespannen om de aandacht van den neger door zijn welsprekendheid te winnen. Het scheen ook, alsof het hem gelukken zou, want Mesullam’s halfgesloten oogen vonkelden een enkelen keer als kolen, die beginnen vuur te vatten. Maar koppig, als een kind, dat zich niet wil laten vermaken, liet de waarzegger snel het hoofd op de borst zinken en begon nog ondragelijker te wiegen met zijn bovenlichaam.

„Zeg hem,” begon nu de vreemdeling opnieuw, „zeg hem, dat ik nooit menschen met zulk een aandacht heb zien bidden. ’t Kwam mij voor, dat het de heilige schoonheid van dat wonderbare gebouw was, waardoor die stemming van extase ontstond. Voorwaar, dacht ik, dit is nog een der bolwerken van den Islam. Hier is de woning der vroomheid; van deze machtige moskee gaat het geloof en de geestvervoering uit, die den Islam tot een geweldige macht maken.”

Hier hield hij opnieuw op en volgde met aandacht de bewegingen op Mesullam’s gezicht onder het vertalen van den tolk. Er was geen zweem van belangstelling te zien. Maar de vreemdeling was klaarblijkelijk een man, die zich zelf graag hoorde spreken. Zijn eigen woorden brachten hem als in een roes. Hij zou droevig geworden zijn als hij niet had kunnen voortgaan.

„Welnu,” zei hij, toen het weer zijn beurt werd om te spreken. „Ik kan nu niet recht verklaren wat mij gebeurde. ’t Is mogelijk, dat de lichte damp van die honderden olielampen, het doffe gefluister en de eentonige bewegingen van de biddenden mij in een soort verdooving brachten. Ik kon niet laten de oogen te sluiten, toen ik daar tegen een pilaar geleund stond. Dadelijk kwam er iets over mij, dat op slaap of bedwelming geleek. Dat duurde waarschijnlijk niet langer dan een minuut, maar in dien tijd was ik volkomen buiten de werkelijkheid. In dien bedwelmden toestand zag ik steeds de Sofia-moskee voor mij, en al die biddende menschen; maar nu merkte ik, wat ik eerder niet had gezien, dat boven onder den koepel steigers waren opgeslagen, en dat daarop eenige arbeiders stonden, met kwasten en verfpotten voorzien.”

„Zeg hem nu,” ging de verteller voort, „als hij het niet al weet, dat de Sofia-moskee eens een Christenkerk is geweest, en dat haar gewelven en koepel met heilige Christelijke mozaiekschilderingen zijn bedekt, hoewel de Turken al die mozaiekwerken met éénkleurige gele verf hebben overgeschilderd. En nu in den droom kwam het mij voor, alsof de gele verf op een paar plaatsen was afgevallen en dat de schilders op den steiger waren geklommen om het schilderwerk bij te werken. Maar zie, toen een van hen zijn kwast ophief om de verf in te vullen, liet in plaats daarvan een groot stuk los en dadelijk zag ik daar een schoon beeld van den Christus te voorschijn komen. De schilder hief opnieuw zijn arm op om over het beeld heen te schilderen, maar de arm scheen verlamd en machteloos neer te zinken tegenover dat heerlijk gelaat. Op ’t zelfde oogenblik liet de verf in den geheelen koepel en ’t gewelf los en Christus verscheen daar in al Zijn heerlijkheid, te midden van engelen en hemelsche heirscharen. Toen slaakten de schilders een kreet, en alle biddenden beneden in de moskee hieven het hoofd op. En toen zij de hemelsche heirscharen zagen, die den Verlosser omgaven, hieven zij een geroep van verrukking aan en allen strekten de handen omhoog. Maar, toen ik die verrukking zag, werd ook ik door een zóó sterke aandoening aangegrepen, dat ik oogenblikkelijk ontwaakte. Toen was alles als gewoonlijk. De mozaiekbeelden in den koepel waren verborgen onder de gele verf en de biddenden gingen voort Allah aan te roepen.”

Toen de tolk dit vertaald had, opende Mesullam een oog en zag den vreemdeling aan. Hij zag een man, die er naar zijn meening uitzag als andere Westerlingen, die door zijn moskee gingen.

„Ik geloof niet, dat deze bleeke vreemdeling visioenen heeft gezien,” dacht hij. „Hij heeft de donkre oogen niet, die achter den sluier van het verborgene kunnen zien. Ik geloof eerder, dat hij hier gekomen is om den draak met mij te steken. Ik moet me in acht nemen, opdat ik niet op dezen vervloekten dag door een nieuwe vernedering getroffen word.”

De vreemde sprak voort.

„Ge weet, o droomuitlegger,” zei hij en wendde zich nu rechtstreeks tot Mesullam, alsof hij een gevoel had, dat deze hem kon verstaan, niettegenstaande zijn vreemde taal, „ge weet, dat een gevierde vreemdeling dezer dagen Jeruzalem bezoekt. De regeering heeft alles gedaan wat zij kon om hem te behagen, en er is zelfs sprake van geweest dat om zijnentwil de dichtgemetselde poort in den ringmuur van Jeruzalem zou worden geopend, die men meent, dat de poort is, waardoor Jezus op Palmzondag Zijn intocht in Jeruzalem hield. Men heeft er werkelijk over gedacht om den hoogen gast de groote eer te bewijzen hem de stad in te laten rijden door een poort, die eeuwen geleden is dichtgemetseld geworden, maar men werd daarvan teruggehouden door een oude voorspelling, dat, als de poort geopend wordt, de Westerlingen er door zullen trekken om Jeruzalem in bezit te nemen.

„Maar nu zult ge hooren wat mij gisteren nacht gebeurde. ’t Was een heerlijke maneschijn, ’t weer was prachtig en ik was alleen uitgegaan om ongestoord een wandeling om de heilige stad te maken. Ik liep buiten den ringmuur op het smalle pad, dat om de muren loopt en mijn gedachten gingen onder het wandelen terug naar zóó lang verleden tijden, dat ik nauwelijks meer wist waar ik was. Opeens begon ik toch moe te worden, ik vroeg me verwonderd af of ik niet spoedig aan een poort in den muur zou komen, waardoor ik in de stad terug kon keeren, en langs een korter weg mijn herberg bereiken.

„Nu, juist terwijl ik daarover denk, zie ik een man een groote poort in den ringmuur vlak naast mij openen. Hij sloeg die wagenwijd voor me open en wenkte mij toe, dat ik daardoor kon gaan. Ik liep in mijn droomerijen verdiept en wist niet recht hoe lang ik had geloopen. Ik was er wat verwonderd over, dat er juist hier een poort was; maar ik dacht er niet verder over, en ging er door. Zoodra ik het diepe gewelf door was, sloegen de poortdeuren met een sterk gedreun tegen elkaar dicht. Toen keerde ik mij om; achter mij zag ik geen poortopening meer, maar enkel een dichtgemetselde poort, juist die gij „de gulden” noemt.

„Voor mij lag de tempelplaats, het ruime Haramsplateau, waarop in het midden Omars Moskee troont. En ge weet, dat geen poort in den ringmuur daarheen leidt, dan alleen de Guldene, die niet alleen gesloten, maar dichtgemetseld is.

„Ge kunt begrijpen, dat ik meende, dat ik gek geworden was, dat ik droomde, dat ik te vergeefs een verklaring trachtte te vinden. Ik keek rond naar den man, die mij had binnen geleid. Hij was verdwenen, ik kon hem niet vinden. Maar toen zag ik hem in plaats daarvan zooveel te duidelijker in mijn herinnering: de lange, een weinig voorovergebogen gestalte, de fraaie lokken, het vriendelijke gezicht, de in tweeën gedeelde baard. ’t Was Christus, waarzegger, weer Christus!

„En zeg mij nu, gij die in het verborgene kunt zien: Wat beteekenen mijn droomen en visioenen? Wat beteekent allereerst dit, dat ik werkelijk en in waarheid door de gulden poort ben gegaan? Nog op dit oogenblik weet ik niet hoe het toeging; maar ik hèb het gedaan. Zeg mij nu wat deze drie zaken te beteekenen hebben.”

De tolk vertaalde dit voor Mesullam, maar de waarzegger was nog altijd in dezelfde kwaaddunkende en knorrige stemming. „Dit is zeker, dat deze vreemde den draak met mij steekt,” dacht hij. „Misschien wil hij me boos maken met al dat praten over Christus.”

Hij zou liever in het geheel niet geantwoord hebben, maar toen de tolk er op aandrong, sprak hij eenige woorden.

De tolk aarzelde die te vertalen.

„Wat zegt hij?” vroeg de vreemdeling levendig.

„Hij zegt, dat hij niet anders te antwoorden heeft, dan dat droomen droomen zijn.”

„Zeg hem dan voor mij,” antwoordde de vreemdeling, een beetje geërgerd, „dat dit niet altijd waar is! Dat komt er alleen op aan, wìe ze droomt.”

Eer nog deze woorden voor Mesullam waren vertaald, was de Europeër opgestaan en met vlugge stappen weggegaan door de lange gang.

Maar Mesullam zat vijf minuten lang stil over zijn antwoord na te denken. Toen viel hij geheel vernietigd op zijn aangezicht.

„Allah, Allah! Tweemaal op denzelfden dag ging het geluk mij voorbij, zonder dat ik het greep! Wat heeft Uw knecht gedaan om U te mishagen?”

DE LUCHTBALLON.

Vader en de jongens zitten op een regenachtigen Octoberavond in een coupée derde klasse op weg naar Stockholm. Vader zit alleen op een bank. De jongens zitten vlak over hem, dicht tegen elkaar aangedrukt, en lezen een roman van Jules Verne, getiteld: „Zes weken in een luchtballon.” ’t Boek is heel versleten. De jongens kennen het nagenoeg van buiten en hebben er eindelooze discussies over gehouden; maar ze lezen het telkens met hetzelfde genoegen. Ze hebben alles vergeten om de kloeke luchtschippers te volgen, dwars over Afrika heen, en zij heffen zelden de oogen van het boek op, om de zweedsche dorpjes te bekijken, waar zij door rijden.

De jongens lijken veel op elkaar. Ze zijn even groot, zijn op dezelfde manier gekleed met blauwe schoolmutsen op en grijze overjassen aan, en hebben allebei groote, droomende oogen en kleine wipneuzen. Ze zijn altijd goede vrienden, zijn altijd samen, geven niet om andere kinderen en praten altijd over uitvindingen en ontdekkingstochten. Van aanleg zijn ze zeer ongelijk. Met Lennart de oudste, die 13 jaar is, gaat het niet best in de school en hij kan bijna in geen enkele les met de klasse meêkomen. Daarentegen is hij heel handig en ondernemend. Hij moet uitvinder worden en is aldoor bezig een vliegmachine te construeeren. Hugo is een jaar jonger dan Lennart, maar hij kan gemakkelijker leeren en zit al in de zelfde klasse als zijn broer. Hij houdt ook niet zooveel van leeren, maar hij is een groot sportman: skilooper, fietsrijder en schaatsenrijder. Hij is van plan ontdekkingsreizen te doen als hij groot is. Zoodra Lennarts vliegmachine klaar is, zal Hugo daarmee op reis gaan om te ontdekken wat er in de wereld nog te ontdekken is.

„Vader” is een lang man met ingezonken borst, een geelbleek gezicht en smalle, mooie handen. Hij is slordig gekleed. Zijn overhemd is gekreukeld, de lus van zijn jas steekt uit achter in den hals, zijn vest is scheef dichtgeknoopt en zijn kousen zijn afgezakt. Hij draagt zulk lang haar, dat het over den kraag van zijn jas hangt; dat doet hij trouwens niet uit slordigheid, maar uit smaak en gewoonte.

Vader behoort tot een oud muzikantengeslacht ver weg uit het boerenland en hij heeft in ’t leven tweeërlei aanleg meêgekregen als zijn bizonder erfdeel. De eerste is een groot muzikaal talent, en dat kwam het eerst aan den dag. Hij doorliep de academie in Stockholm, studeerde toen een paar jaar in het buitenland en maakte in zijn studiejaren zulke schitterende vorderingen, dat hij èn zijn leeraren verwachtten, dat er uit hem een groot, wereldberoemd violist zou groeien. Hij had zeker talent genoeg om dit doel te bereiken, maar hij miste kracht en volharding. Hij kon geen plaats in de wereld veroveren, en kwam al spoedig thuis en nam een betrekking als organist aan in een kleine stad. In ’t begin schaamde hij er zich over, dat hij niet aan alle verwachtingen had voldaan; maar hij voelde het ook als iets goeds, dat hij een vaste broodwinning had en niet meer tot de barmhartigheid van anderen zijn toevlucht behoefde te nemen.

Kort nadat hij dien post had gekregen huwde hij, en eenige jaren lang was hij zeker volkomen tevreden met zijn lot. Hij had een mooi klein huis, een vroolijke en gelukkige vrouw, twee kleine jongens, die de lievelingen van ’t heele stadje, en overal gezocht en gevierd waren.

Maar toen was er een tijd gekomen, dat dit alles hem niet scheen te voldoen. Hij verlangde de wereld nog eens in te gaan en zijn geluk te beproeven; maar hij voelde zich aan huis gebonden, omdat hij vrouw en kinderen had.

’t Was vooral zijn vrouw, die hem had overgehaald van die reis af te zien. Zij dacht niet, dat hij beter slagen zou dan de eerste maal. Zij vond, dat zij zoo gelukkig waren, dat hij niet naar iets anders behoefde te streven. Zij beging hierdoor zonder twijfel een fout; maar ze had er ook bitter berouw van, want van dien tijd af kwam de andere familietrek bij haar man voor den dag. Toen hij aan zijn verlangen naar eer en vooruitgang niet kon voldoen, zocht hij zich te troosten door te drinken.

’t Ging hem nu zooals ’t met de menschen in zijn familie gewoonlijk ging. Hij dronk zonder nadenken of maat te houden en in korten tijd was hij bijna aan den drank verslaafd. Hij werd langzamerhand een heel ander mensch dan vroeger. Hij was niet meer beminnelijk en innemend, maar hard en akelig. En ’t grootste ongeluk was, dat hij een vreeselijken haat tegen zijn vrouw opvatte en haar op alle mogelijke manieren kwelde, als hij dronken was—en ook als hij het niet was.

De jongens hadden dus geen prettig thuis gehad en hun kinderjaren zouden heel ongelukkig zijn geweest, als ze zich niet een eigen wereldje hadden geschapen vol modellen van machines, ontdekkingsplannen en boeken met sprookjes. De eenige, die soms een blik in die wereld heeft mogen slaan, is Moeder. Vader heeft er zelfs geen vermoeden van dat die bestaat, en hij kan ook niet met de jongens praten over iets wat hen interesseert. Hij stoort hen aanhoudend door te vragen of ze ’t niet prettig vinden Stockholm te zullen zien, of ze niet blij zijn, dat ze met Vader op reis zijn en andere, dergelijke dingen, die ze heel kort beantwoorden om zich oogenblikkelijk weer in hun boek te verdiepen. Vader gaat maar door met vragen. Hij meent, dat de jongens heel verrukt zijn over zijn beminnelijkheid, al zijn ze ook te verlegen om het te toonen.

„Zij hebben te lang aan moeders rokken gehangen,” denkt hij. „Ze zijn bang en verwijfd geworden. Ze zullen wel anders worden nu ik ze onder handen neem.”

Maar Vader vergist zich. Dat de jongens hem zoo kort antwoorden, komt niet omdat ze verlegen zijn, maar dat is alleen, omdat ze welopgevoed zijn en hem niet willen kwetsen. Als dat niet zoo was, zouden ze hem heel anders antwoorden. „Waarom zouden wij ’t prettig vinden om uit te gaan en met Vader op reis te zijn?” zouden ze dan zeggen. „Vader meent zeker, dat hij heel wat bizonders is, maar wij kunnen immers wel zien, dat hij maar een arme dronkaard is. En waarom zouden we blij zijn Stockholm te zien? We begrijpen heel goed, dat het niet om ons is, dat Vader ons meegenomen heeft, maar alleen om Moeder verdriet te doen.”

’t Was wijzer geweest als Vader de jongens ongestoord had laten lezen. Ze zijn bedroefd en angstig en het hindert hen, dat hij zoo opgewekt is.

„’t Is alleen, omdat hij weet, dat Moeder thuis zit te schreien, dat hij vandaag zoo blij is,” fluisteren ze elkaar toe.

Vaders vragen maken eindelijk, dat de jongens niet meer lezen, al zitten ze nog altijd over ’t boek gebogen. In plaats daarvan beginnen hun gedachten met groote bitterheid zich bezig te houden met alles, wat ze moeten lijden om Vader.

Zij denken aan dien keer toen Vader zich dronken had gedronken midden op den morgen en door de straat kwam aanslingeren met een massa schooljongens achter zich, die hem voor den gek hielden. Zij herinnerden zich hoe de andere jongens hen geplaagd en uitgescholden hadden, omdat ze een Vader hadden, die dronk.

Ze hadden zich over Vader geschaamd, ze hadden om hem in voortdurenden angst geleefd en zoodra ze iets prettigs hadden gehad, was hij gekomen en had hun genoegen bedorven.

’t Was niet zoo’n heel klein zondenregister wat ze van hem opmaakten. De jongens zijn heel zacht van gemoed en heel geduldig, maar ze voelen nu een steeds grooter boosheid in zich opkomen.

Hij moest toch begrijpen, dat ze hem de groote teleurstelling, die hij hun gisteren bereid had, nog niet hadden kunnen vergeven. Dat was nog het ergste, wat hij hun ooit had aangedaan.

’t Was zóó gegaan. De moeder van de jongens was nu verleden voorjaar besloten van hun vader te scheiden. Al verscheidene jaren had haar man haar op alle mogelijke manieren vervolgd en geplaagd; maar ze had niet willen scheiden en was bij hem gebleven opdat hij niet heelemaal zou ondergaan. Maar nu eindelijk wilde zij het doen om de jongens. Ze had gemerkt, dat hun vader hen ongelukkig maakte en ze zag in, dat ze hen uit de ellende weg moest nemen en hun een goed en vredig thuis bezorgen. Toen de lente voorbij was, zond zij de jongens naar buiten, naar haar ouders en was zelf op reis gegaan naar het buitenland, om op die manier het gemakkelijkst de scheiding te bewerken. Ze had het niet prettig gevonden, dat het zoo den schijn kreeg, alsof het huwelijk om harentwil ontbonden werd, maar daaraan had zij zich moeten onderwerpen. Nog minder tevreden was zij met het feit, dat de jongens door de rechtbank aan den vader waren toegewezen, omdat zij een weggeloopen vrouw was. Ze troostte zich er wel mee, dat hij de kinderen zeker niet zou willen behouden; maar ze was toch niet heel gerust.

Zoodra de scheiding was uitgesproken, was zij teruggekomen en had een woning gehuurd waar zij en de jongens zouden wonen. Eerst twee dagen geleden had zij alles klaar gehad, zoodat de jongens bij haar in haar huisje hadden kunnen komen.

Dat was de gelukkigste dag, dien de jongens hadden beleefd. De heele woning bestond uit een groote kamer en een groote keuken, maar alles was nieuw en mooi, en Moeder had het zoo gezellig ingericht. De kamer zou overdag voor haar de werkkamer zijn en ’s nachts zouden de jongens er slapen. De keuken was heel netjes en licht. Daar zouden ze eten en in een klein hokje achter de keuken stond Moeders bed.