Part 3
Op de vliering hing het portret van een oude dame met gepoederd haar, en als men daar voorbijkwam, kon men niet laten er aan te denken, dat het de mooie gravendochter voorstelde, die den jongen gouverneur van haar broeder had liefgehad en hem eens kwam bezoeken, toen zij een oude dame met grijze haren was, en hij een oud, getrouwd man.
Op de rommelkamer lagen groote pakken oude documenten, die koopcontracten en pachtovereenkomsten bevatten, onderteekend door de machtige vrouw, die eens zeven hoeven bestuurde, die ze van haar minnaar gekregen had. Als men in de kerk kwam, dan zag men in een klein mooi kastje de kist, die vol ongeloovige geschriften was en die niet geopend mocht worden, vóór het begin van de nieuwe eeuw, en niet ver daar vandaan lagen op den bodem van de rivier, een menigte heiligenbeelden, die niet op den preekstoel en in de kerk hadden mogen blijven, die ze vroeger versierd hadden.
’t Kwam zeker wel door de vele sagen, die om de hoeve zweefden, dat een van de kinderen die daar opgroeiden, lust kreeg om te schrijven.
’t Was niet een van de jongens; zij waren niet veel thuis, maar ’t grootste gedeelte van ’t jaar buitenshuis op school, zoodat de sage niet veel macht over hen kreeg; maar ’t was een van de meisjes, die ziekelijk was, en niet zooveel spelen en springen mocht als de anderen. Zij had er ’t meeste pleizier in alles, wat er groots en merkwaardigs gebeurd was in de wereld, door boeken en vertellingen te weten te komen.
Nu moet ge toch niet denken, dat dit jonge meisje dadelijk al van plan was om de sagen en histories, die haar omringden, te schrijven. Ze dacht er in de verste verte niet aan, dat er ooit een boek kon worden van al die sprookjes, die ze zoo dikwijls had hooren vertellen, dat zij ze heel alledaagsch vond. Toen zij probeerde te dichten, koos ze stof uit haar boeken en maakte met frisschen moed geschiedenissen over sultanen uit de duizend en één nacht, over de ridders van Walter Scott en de Sagenkoningen van Snorre Sturlason.
’t Is zeker onnoodig te vermelden, dat wat ze schreef ’t allerminst origineele en ’t meest onrijpe was, wat ooit geschreven werd; maar dat kon ze natuurlijk zelf niet begrijpen. Zij liep rond op die stille hoeve en vulde elk blad papier, dat ze machtig kon worden, met verzen en proza, met tooneelstukken en romans. Als ze niet schreef, liep ze op het geluk te wachten. En het geluk zou daarin bestaan, dat de een of andere vreemde, die heel wijs en machtig was, door een merkwaardig toeval ontdekken zou, wat ze geschreven had en vinden, dat het waard was gedrukt te worden. Daarna zou al het andere vanzelf gaan.
Maar zooiets gebeurde in ’t geheel niet, en toen ’t jonge meisje over de twintig jaar was, begon ze ongeduldig te worden. Ze kon niet begrijpen, hoe het kwam, dat het geluk niet komen wou.
Misschien was ze niet knap genoeg, en wat meer van de wereld dan de hoeve moest ze ook wel zien. En omdat het heel lang duren zou vóór ze haar brood kon verdienen als schrijfster, moest ze iets leeren, zich een positie verschaffen, zoodat ze iets had om van te leven, terwijl ze op zich zelf wachtte.
Misschien was ’t ook wel heel eenvoudig zoo omdat de sage geen geduld meer met haar had. Die dacht misschien: „Nu dat verblinde menschenkind niet ziet wat vlak voor haar oogen ligt, moet ze maar gedwongen worden op reis te gaan. Ze moet in grauwe steenen straten loopen, in nauwe stadskamertjes wonen, zonder ander uitzicht dan grauwe huismuren. Ze moet leven onder menschen, die alles verbergen wat ze voor eigenaardigs hebben, en die allemaal op elkaar schijnen te lijken. Dat kan haar misschien leeren dàt te zien, wat buiten de deur van haar huis staat te wachten, alles wat leeft en ademt tusschen de reien groene heuvels, die ze alle dag voor oogen heeft.”
En zoo, in het najaar, toen ze al twee en twintig jaar oud was, trok ze naar Stockholm om te gaan studeeren voor onderwijzeres.
’t Jonge meisje was spoedig geheel door haar werk in beslag genomen. Ze schreef niet meer, maar ging op in lessen en repetities. ’t Zag er nu naar uit alsof de sage haar heelemaal zou verliezen.
Toen gebeurde er iets merkwaardigs. In datzelfde najaar, toen ze een paar maanden tusschen grijze muren en straten geleefd had, kwam ze op een morgen door de Malmskilnadstraat, met een pak boeken onder den arm. Kort te voren had ze een les in letterkunde gehad. Daar had ze zeker over Bellman of Runeberg gehoord, want ze liep aan die twee schrijvers te denken en aan figuren uit hun werken. Zij zei tegen zich zelf dat Runebergs goedige krijgslieden en Bellmans zorgelooze drinkebroers de allerbeste stof vormden, die een dichter onder handen kon hebben. En toen opeens kreeg ze een idee: „De wereld, waarin je thuis in Wermeland leefde, was niet minder eigenaardig dan die van Fredman of van Vaandrig Stål. Als je die maar meester wordt, heb je ten minste een even goede stof als die twee.”
Zoo kwam het, dat ze voor ’t eerst de sage in ’t oog kreeg. En op datzelfde oogenblik, dat ze haar zag, begon de grond onder haar voeten te beven. De heele lange Malmskilnadstraat, van den heuvel aan de haven tot aan het brandweerstation, steeg op tot aan den hemel en zonk weer neer—steeg en zonk....
Ze moest een heele poos stilstaan tot de straat weer kalm werd en ze zag verbaasd naar de voorbijgangers, die daar zoo rustig voortliepen en niet merkten, wat een wonder er gebeurd was.
Op dat oogenblik besloot het jonge meisje, dat zij de historie van de Kavaliers uit Wermeland schrijven zou, en die gedachte liet zij nooit weer los. Maar lange jaren duurde het, eer dat besluit werd uitgevoerd.
Ten eerste was ze nu een anderen weg ingeslagen en had ze geen tijd voor een groot literair werk. Ten tweede mislukten haar eerste pogingen om de sage te schrijven heelemaal.
Maar telkens gebeurde er toch in deze jaren iets, dat haar hielp de historie een vorm te geven.
In een vacantie zat ze met haar vader aan ’t ontbijt en sprak met hem over den ouden tijd. Toen begon hij te vertellen van een kennis uit zijn jeugd, dien hij beschreef als een bizonder innemend mensch. Die man bracht vreugde en vroolijkheid meê, waar hij kwam. Hij kon zingen, hij componeerde, hij improviseerde. Als hij dansmuziek speelde, dan dansten niet alleen de jonge, maar ook de oude mannen en vrouwen, hoog en laag, en als hij sprak, moesten de menschen lachen of schreien, zooals hij verkoos. Als hij dronken was, kon hij beter spelen en spreken, dan wanneer hij nuchter was, en als hij verliefd op een vrouw werd, kon ze hem onmogelijk weerstaan. Deed hij domme dingen, dan vergaf men hem; was hij bedroefd, dan had men er alles voor over om hem weer blij te zien. Maar hij bracht het niet ver in de wereld, hoe begaafd hij ook was. Meestal leefde hij als gouverneur in Wermeland op de groote buitens. Eindelijk werd hij predikant. Verder had hij ’t nooit gebracht.
Na dit gesprek kon ze beter dan vroeger den held van de historie voor zich zien en er kwam een beetje leven en beweging in hem. Op een goeden dag kreeg de held ook een naam en werd Gösta Berling genoemd. Waarom hij dien naam kreeg, heeft ze nooit geweten. ’t Was alsof hij dien zichzelf gegeven had.
Op een anderen keer was ze thuis in de Kerstvacantie. Op een avond ging men naar een Kerstfeest, ver weg, ’t was slecht weer en de tocht duurde langer dan iemand gedacht had. ’t Paard werkte zich stap voor stap vooruit. Verscheidene uren zat ze daar in den storm aan de historie te denken. Toen men eindelijk ’t doel van den tocht bereikt had, was ze klaar met haar eerste hoofdstuk. ’t Was dat van den „Kerstnacht in de smederij”.
Wat was dat voor een hoofdstuk! ’t Was haar eerste en bleef jaren lang haar eenigste.
’t Werd eerst in verzen geschreven, want volgens het eerste plan zou de historie een reeks gedichten worden zooals de sage van Vaandrig Stål. Maar langzamerhand veranderde dit en een tijd lang was het de bedoeling, dat het als tooneelstuk geschreven zou worden. Toen werd de Kerstnacht omgewerkt tot de eerste akte van een tooneelspel. Maar die proef lukte ook niet en nu nam zij zich eindelijk voor, de historie neer te schrijven als een roman. Toen werd het hoofdstuk in proza geschreven. Het was ongehoord lang en vulde op dat oogenblik veertig geschreven bladzijden. Toen het voor ’t laatst omgewerkt was, vulde het er maar negen.
Een paar jaar later kwam er een ander hoofdstuk bij. Dat was het verhaal van het bal op Borg en van de wolven, die Gösta Berling en Anna Stjärnhok vervolgden.
Dit was oorspronkelijk in ’t geheel niet geschreven met de bedoeling, dat het in de historie zou komen, maar als een soort gelegenheidsgedicht om op een bijeenkomst te worden voorgelezen. Maar daar kwam niet van, en de novelle werd naar „Dagny” gezonden. Kort daarna zond de redactie het terug als niet geschikt voor „Dagny”. Inderdaad was het nergens voor geschikt. ’t Was nog in ’t geheel niet met kunst bewerkt.
Intusschen peinsde de schrijfster er over, waar die ongelukkige novelle wel voor te gebruiken zou zijn. Of ze die in de historie zou zetten?
Maar ’t was immers een sprookje op zich zelf, een afgerond geheel. Wat zou het vreemd staan tusschen die andere, die beter bij elkaar hoorden. Misschien, dacht ze toen, zou het niet kwaad zijn als al de hoofdstukken van de historie dergelijke op zichzelf staande sprookjes waren, elk een afzonderlijk geheel. Dat zou misschien moeilijk zijn, maar ’t was toch wel te doen. Hier en daar zouden dan wel leemten komen. Ja, maar het zou ’t boek groote kracht en rijkdom geven.
Nu waren twee gewichtige zaken uitgemaakt. Dit was klaar: ’t boek zou een roman worden, en elk hoofdstuk zou een geheel zijn, maar nu was ze nog niet zooveel verder. Zij, die ’t idee gekregen had de Sage van de kavaliers van Wermeland te schrijven toen zij 22 jaar oud was, ging nu al tegen de dertig en zij had nog maar twee hoofdstukken klaar. Waar waren de jaren toch gebleven! Zij had het Seminarium doorloopen en was al verscheidene jaren onderwijzeres in Landskrona; zij had zich voor allerlei geïnteresseerd en met van alles zich beziggehouden, maar de historie was nog ongeschreven. Wel had ze een massa stof verzameld, maar hoe kwam het toch, dat het haar zoo zwaar viel te schrijven? Waarom kwam de geest nooit over haar? Waarom gleed de pen zoo langzaam over het papier? In dien tijd heeft ze stellig donkere uren gekend. Zij zou zeker nooit met haar roman klaarkomen. Zij was als de ontrouwe dienaar, die zijn talent begroef en ’t nooit probeerde te gebruiken.
Dit alles nu gebeurde tusschen 1880 en 90, in den besten tijd van de strenge schildering van de werkelijkheid. Zij bewonderde de groote meesters van dien tijd, en dacht er nooit aan, dat men voor literatuur een andere taal zou kunnen gebruiken dan de hunne. Zij voor zich hield meer van de romantiek, maar die was dood, en zij dacht er niet aan de vormen en uitingen daarvan te doen herleven. Schoon haar hoofd vol was van geschiedenissen van spoken, en woeste liefde, en wonderschoone dames en ridders op avontuur belust, probeerde ze toch daarover in realistisch proza te schrijven. Zij zag niet helder. Ieder ander zou gauw gezien hebben, dat het onmogelijke onmogelijk was.
Eens schreef ze toch een paar hoofdstukken in een anderen stijl. De eene was de scène op ’t kerkhof te Swartsjo, de andere handelde over den ouden filosoof: Oom Eberhard en zijn ongeloovige geschriften. Zij schreef ze hoofdzakelijk voor de grap met veel Ach!s en O!s in een proza, dat bijna rhythmisch was. En ze merkte, dat ze op diè manier schrijven kon, dáár was inspiratie in, dàt voelde zij. Maar toen die twee hoofdstukken klaar waren, legde zij ze weg. Ze waren maar bij wijze van uitspanning geschreven. Op die manier kon men toch geen heel boek schrijven.
Maar nu had toch de historie lang genoeg gewacht. Die dacht zeker even als toen ze ’t meisje de wereld inzond: „Ik moet dit verblinde mensch weer een groot verlangen geven, dat haar de oogen kan openen.”
Dat verlangen kwam over haar op deze manier, dat de hoeve, waar zij was opgegroeid, verkocht werd. Zij reisde naar haar ouderlijk huis, om het voor ’t laatst te zien, eer vreemde menschen het in bezit zouden nemen.
Den avond vóór ze van daar vertrok om de dierbare plek misschien nooit meer terug te zien, besloot zij in allen ootmoed het boek te schrijven op haar eigen manier en met haar eigen zwakke kracht. ’t Zou geen meesterwerk worden, zooals ze gehoopt had. ’t Zou een boek worden, waar de menschen misschien om zouden lachen, maar ze wilde ’t toch schrijven. Ze zou het schrijven om haar zelfs wil, om nog te redden, wat er van haar thuis te redden was: de lieve, oude vertellingen, de blijde vreugd der zorgelooze dagen, en ’t mooie landschap, met het lange meer en de blauwe, telkens van kleur veranderende bergen.
Maar voor haar, die gehoopt had, dat ze toch eens een boek zou leeren schrijven, dat de menschen graag zouden lezen, was het alsof ze nu afstand gedaan had van wat ze ’t liefste wilde op deze wereld. ’t Was het grootste offer, dat ze ooit had gebracht.
Een paar weken later was ze weer in haar huis te Landskrona en ging voor haar schrijftafel zitten.
Ze begon te schrijven. Ze wist nog niet recht wat ze schrijven wilde, maar dit wist ze, dat ze niet terugdeinzen zou voor sterke woorden, voor uitroepen en vragen. Ook zou ze niet bang zijn zichzelf te geven met al haar kinderlijkheid en haar droomen.—En toen ze dit besluit had genomen liep haar pen bijna vanzelf voort! Dit bracht haar als in een roes, ze was buiten zichzelf van verrukking. Ja—dìt was schrijven. Ongekende visioenen en gedachten, of liever dingen, waar ze nooit over gedacht had, dat in haar waren, stroomden neer op het papier. De bladzijden werden gevuld met een snelheid, waar ze nooit van had gedroomd. Dat, waar ze anders maanden, ja, jaren voor gebruikt had om uit te werken, was nu klaar in een paar uren. Dien avond schreef ze ’t verhaal van den tocht van de jonge gravin over ’t ijs van het Löfvenmeer en de overstrooming bij Ekeby.
Den volgenden middag schreef ze ’t hoofdstuk waarin de jichtige oude Fänrik Rutger von Örneclou probeert van ’t bed op te staan om La Cachucha te dansen, en den volgenden avond dat van de oude juffrouw, die uitreed om den gierigen predikant van Broby te bezoeken.
Nu wist ze, dat ze zóó een boek schrijven kon, maar even zeker was ze er van, dat niemand ’t zou kunnen uithouden dat te lezen.
Intusschen waren ’t niet veel hoofdstukken, die zoo achter elkaar geschreven konden worden. De meeste eischten veel arbeid en ’t waren maar korte middaguurtjes, die ze aan haar schrijven kon wijden. Toen ze een half jaar geschreven had, gerekend van den dag, dat ze zich overgaf aan de romantiek, waren er ongeveer twaalf hoofdstukken klaar. ’t Was vooruit te zien, dat het heele boek over drie of vier jaar klaar zou zijn.
In ’t voorjaar van 1890 schreef „Idun” een prijsvraag uit voor een novelle van ongeveer 100 bladzijden.
Dat was een uitweg voor de historie, die verteld wilde worden en de wereld in gaan. Ze heeft zeker zelf de zuster van ’t jonge meisje ingeblazen, dat die haar moest aanmoedigen om die gelegenheid aan te grijpen. Hier was nu eindelijk een mogelijkheid om te weten te komen of wat ze geschreven had heelemaal niets waard was. Als ze den prijs kreeg, was er veel gewonnen. Kreeg ze dien niet, dan was zij even ver als ze nu was.
Zij had er niets tegen de proef te wagen, maar ze had zoo weinig zelfvertrouwen, dat ze nog geen besluit kon nemen.
Eindelijk, precies acht dagen voor de tijd van inzending voorbij zou zijn, besloot ze vijf hoofdstukken, die zooveel onderling verband hadden, dat ze voor een novelle konden gelden, uit den roman te lichten, en het daarmeê te probeeren.
Maar die hoofdstukken waren verre van klaar. Drie kon men desnoods afgewerkt noemen, maar van de twee andere bestond alleen nog maar een schets. En dan moesten ze nog alle overgeschreven.
Daarbij kwam, dat ze in dien tijd niet in haar eigen huis was. Ze logeerde bij haar zuster en zwager, die nog in Wermeland woonden. En wie een korten tijd ergens op bezoek is bij lieve vrienden, kan toch niet den heelen dag aan de schrijftafel zitten.
Ze schreef dus ’s nachts en zat in die week elken nacht tot vier uur op.
Eindelijk had ze nog maar één etmaal kostbaren tijd over. En nog moest ze twintig bladzijden schrijven. En in dit etmaal was de familie uitgevraagd. Allen zouden meegaan en ergens anders logeeren. Zij moest natuurlijk ook mee.
Eindelijk was het gastmaal voorbij en zij zat des nachts in ’t vreemde huis te schrijven.
Soms werd het haar heel wonderlijk te moede.
De plaats, waar ze zat te schrijven, was juist de hoeve, waar de booze Sintram gewoond had. ’t Lot had haar op wonderbare wijze daarheen gebracht, juist in den nacht, dat ze schrijven moest over hem, die in den schommelstoel zat te schommelen.
Nu en dan keek ze van haar arbeid op en luisterde of ze soms een stoel hoorde schommelen in de groote zaal.
Maar er was niets te hooren en toen ’t zes uur in den morgen was, waren de vijf hoofdstukken klaar.
Tegen twaalf uur reisde men naar huis met een vrachtboot. Aan boord pakte haar zuster het manuscript in, verzegelde ’t met lak en cachet, dat ze van huis voor dat doel hadden meegebracht, schreef ’t adres er op, en verzond de novelle.
Dit gebeurde in ’t eind van Juli. In ’t laatst van Augustus vond men in Idun een kort bericht, dat er meer dan twintig antwoorden op de prijsvraag waren ingekomen, maar dat enkele zoo verward waren, dat ze niet meêgeteld konden worden.
Toen gaf ze ’t op langer op den uitslag te wachten. Ze wist wel wat dat was voor een novelle, die zóó verward was, dat ze niet meegeteld kon worden.
In November kreeg ze op een middag een wonderlijk telegram. Dit bevatte alleen de woorden: „Jubelende gelukwenschen!” en was onderteekend door drie oude schoolkameraden van het Seminarium.
’t Viel haar heel lang te wachten tot den middag van den volgenden dag, toen de courant uit Stockholm komen kon. Nadat ze ’t blad in de hand had, moest ze lang zoeken zonder iets te vinden. Eindelijk vond ze in de laatste kolom een kort berichtje met kleine letters gedrukt, dat zij den prijs gewonnen had. Dat zou voor een ander misschien niet zoo veel te beduiden gehad hebben, maar voor haar beteekende het, dat zij zich zou kunnen wijden aan de roeping, die ze haar geheele leven verlangd had te kunnen volgen.
Na dit is er niet zooveel meer te vertellen. De historie, die de wereld in wou, was haar doel zeer nabij. Nu zou ze ten minste geschreven worden, al duurde ’t misschien ook eenige jaren eer ze klaar zou zijn.
Zij, die haar schreef, kwam in de volgende Kerstvacantie naar Stockholm.
De redacteur van „Idun” bood aan den roman te drukken, zoodra die klaar zou zijn.
Ja! als zij maar ooit tijd kreeg dien te schrijven. Den avond vóór ze naar Landskrona terug zou gaan, zat ze bij haar oude trouwe vriendin, Mevrouw Adlersparre, en las haar een paar hoofdstukken voor.
Esselde luisterde, zooals alleen zij luisteren kon en het interesseerde haar. Na ’t lezen zat ze een poosje zwijgend na te denken.
„Hoe lang moet het duren eer dit heelemaal klaar is?” vroeg ze eindelijk.
„Drie of vier jaar.”
Zoo scheidden ze, maar den volgenden morgen, twee uur vóór ze Stockholm verlaten zou, kreeg ze een briefje van Esselde, dat zij haar nog even bezoeken moest voor ze vertrok.
De oude dame was in een vastbesloten en ondernemende bui.
„Nu moet je een jaar vacantie nemen en je boek afmaken. Ik zal wel voor ’t geld zorgen.”
Een kwartier later was ze op weg naar het hoofd van de kweekschool om haar te vragen haar te helpen met ’t zoeken naar een plaatsvervangster.
Om één uur zat ze gelukkig en wel in den trein, maar reisde nu niet verder dan tot Sörmland waar ze goede vrienden had, die een verrukkelijk thuis hadden.
En daar gaven zij—Ingenieur Otto Gumelius en zijn vrouw—haar gastvrijheid op hun buitentje, daar genoot ze rust, ongestoorden werktijd en goede verzorging, bijna een jaar lang, tot haar boek klaar was.
Nu kon ze eindelijk schrijven van den vroegen morgen tot den avond, en dat was de gelukkigste tijd, dien ze ooit beleefd had.
Maar toen de historie klaar was tegen ’t eind van den zomer, zag die er wonderlijk uit. Die was wild en uitgelaten, en onverbeterlijk, en wat den samenhang betreft,—nog altijd hadden de verschillende gedeelten hun ouden lust elk hun eigen weg te gaan.
Ze werd nooit zooals ze wezen moest. ’t Was haar ongeluk, dat ze zoolang had moeten loopen wachten, eer ze verteld werd. En als ze niet behoorlijk onder handen genomen werd en onder tucht kwam, is ’t vooral, doordat haar schrijfster te overgelukkig was, dat ze haar eindelijk schrijven mocht.
EEN SAGE VAN JERUZALEM.
In de oude eerwaardige moskee El Aksa te Jeruzalem is in een lage gang, die in bochten achter het hoofdgebouw omloopt, een buitengewoon diepe en breede vensternis. In die nis ligt een oude versleten mat en op de mat zit dag in dag uit de oude Mesullam, die waarzegger en droomuitlegger is en tegen een kleine betaling de bezoekers van de moskee hun toekomstig lot voorspelt.
Nu gebeurde het eenige jaren geleden op een namiddag, dat Mesullam, die als gewoonlijk in zijn venster zat, zoo slecht gehumeurd was, dat hij niet eens de groeten der voorbijgangers wilde beantwoorden.
Niemand dacht er toch aan om zich over zijn onbeleefdheid te ergeren, omdat men wist, dat hij bedroefd en gekwetst was door een vernedering, die hem dien dag was overkomen.
Jeruzalem werd namelijk in dien tijd bezocht door een machtig monarch uit het Westen, en op dien morgen had de hooge vreemdeling met zijn gevolg de El Aksa bezocht. Vóór zijn komst had de bestuurder der Moskee alle hoeken en gaten in het oude gebouw laten vegen en stoffen, en hij had ook bevolen, dat Mesullam van zijn plaats zou heengaan. Hij had het volstrekt onmogelijk gevonden hem daar te laten zitten gedurende dat hoog bezoek. Niet alleen omdat zijn mat kapot en versleten was en omdat hij om zich heen een menigte vuile zakjes had opgestapeld, waarin hij zijn toebehooren bewaarde, maar hij zelf, Mesullam, was op verre na geen sieraad voor de moskee. Hij was eigenlijk een ongeloofelijk leelijke, oude neger. Zijn lippen waren monsterachtig groot, zijn onderkaak stond ver vooruit, zijn voorhoofd was bizonder laag en zijn neus leek ’t meest op een snuit. Als men daar nog bij denkt, dat Mesullam een grove en rimpelige huid en een dik, lomp lichaam had, dat maar armoedig gehuld was in, en omwonden met een vuile, witte shawl, dan kan men er zich niet over verwonderen, dat het hem verboden werd, zich in de moskee te vertoonen zoo lang de gevierde gast daar vertoefde.
De arme Mesullam, die wist, dat hij niettegenstaande zijn leelijkheid een buitengewoon wijs man was, voelde ’t als een bittere teleurstelling, dat hij den hoogen reiziger niet zou zien. Hij had gehoopt hem eenige bewijzen te mogen geven van de groote kennis van verborgen zaken, die hij bezat en op die wijze zijn eer en aanzien te verhoogen. Nu die hoop verijdeld was zat hij uur in, uur uit, te treuren, in een wonderlijke houding, met de lange armen omhoog geheven, alsof hij den hemel om rechtvaardigheid aanriep en met het hoofd ver achterover gebogen.
Toen het tegen den avond liep, werd Mesullam uit dien toestand van alles overweldigende smart gewekt door dat een vroolijke stem hem riep. ’t Was een Syrische tolk, die, door een eenzamen reiziger gevolgd, bij den waarzegger kwam. Hij zei hem, dat de vreemdeling, die hem vergezelde, verlangd had een proeve van de wijsheid der Oosterschen te zien en dat de tolk hem toen gesproken had van Mesullams talent om droomen uit te leggen.