Herinneringen

Part 2

Chapter 24,229 wordsPublic domain

Maar nu heb ik tenminste twee rijmende regels bij elkaar gezet. Ik herhaal ze keer op keer. Ik spreek ze luid voor mijzelf uit. Ik neurie ze. Ik probeer toch niet meer regels te vinden. Ik ben àl te verbaasd over wat me gebeurd is. Stel u voor, dat ge als een arm bedelaarskind zijt opgegroeid en dat iemand u plotseling komt vertellen, dat ge een koningskind zijt!

Stel u voor, dat ge blind geweest zijt en onverwachts ziende wordt, dat ge doodarm zijt geweest en heel snel rijk wordt, dat ge verstooten en verlaten geweest zijt en zonder dat ge er eenig vermoeden van hadt een groote warme liefde ontmoet op uw weg! Stel u voor wat ge u maar denken kunt aan groot, onverwacht geluk—en ge zult u toch niet iets kunnen voorstellen, dat grooter is dan wat ik in dat uur voel.

Ik kan rijmen, ik kan verzen maken! Ik heb dezelfde gave als Tegner, Runeberg, Wallin! Ik zal worden als een hunner!

Ik ben altijd van plan geweest romans en tooneelstukken te schrijven. Maar dat is lang zooiets bizonders niet als verzen maken. Dat is alleen maar prettig en genoegelijk; maar verzen... dat is iets hoogs. Dat is eervol. Dat is het wonderbaarlijkste van alles. Ik verzwijg die groote ontdekking voor al mijn huisgenooten en familieleden. Maar ik ben als in een bedwelmenden droom dien heelen dag; ik hoor niet wat men zegt en geef allerlei verkeerde antwoorden.

Ik herinner me ook hoe we dien dag aan het avondeten zaten. Daar zit Vader en daar zit Moeder. Daar zijn mijn zusters, tante en de gouvernante. En daar ben ik zelf, klein en bleek met veel wit-blond haar, precies als een gewoon kind. Vader voert het woord als gewoonlijk en schertst met tante en de gouvernante. Ze spreken vroolijk en blij en ’t gesprek loopt over de meest alledaagsche dingen. Wat zouden ze wel gezegd hebben, als ze ook maar een vermoeden hadden gehad van de wilde verwachtingen, die door mijn hoofd stormden? Wat me een beetje verontrust is de voorspelling van tante Wennervik. Daar kwam niet in voor, dat ik wat groots en bizonders zou worden. Maar wie verzen schrijven kan is een grootheid! Die is bijna grooter dan een koning. Ik begin te vreezen, dat ik me vergist heb, dat ik de goddelijke gave niet bezit.

Dan herhaal ik in mijzelf dat kleine rijmpje en ik voel me weer eindeloos trotsch, grenzenloos gelukkig.

Als het eindelijk nacht wordt wil ik probeeren waar dat nieuwe talent voor deugt en ik begin getroost een gedicht te schrijven. Ik rijg woorden aan elkaar en doe den heelen nacht geen oog dicht. Ik voeg den eenen versregel bij den anderen en heb een massa coupletten klaar vóór de morgen aanbreekt.

Maar dat gedicht zelf is niet zooveel bizonders voor me. Het bizondere is, dat ik het vermogen bezit, dat ik verzen maken kan, dat ik tot de uitverkorenen behoor.

Van dien tijd af maak ik verzen in tijd en ontijd, vroeg en laat, dag en nacht, veel jaren lang. De meesten van al die gedichten zijn al weer vernietigd en het beetje wat overbleef is niet veel waard.

In al die schrijverij is er maar één heel klein stukje wat ik mooi vind, en wat ik soms in me zelf fluister, als ik onder de donkere boomen sta en het licht van de avondzon zie vlammen over vlakten en dalen.

„Det är så mörkt under lindarna Så ängsligt stilla i vindarna.”

Ik ben twintig jaar, en ik ben in Stockholm, in hetzelfde vriendelijk thuis, dat me opnam toen ik een negenjarig kind was. Ik ben daarheen gereisd om toegang te verkrijgen op het hoogere Seminarium voor onderwijzeressen. Ik heb examen gedaan en zit, nu dat afgeloopen is, te wachten of ik geslaagd ben en op het instituut zal mogen komen.

’t Is een lange dag; ’t is bijna onmogelijk hem om te krijgen. We hebben bijna een week lang examen gedaan, en dat was niet zoo moeilijk als ik vreesde, ’t waren dagen van sterke spanning, maar er is iets gebeurd; er is strijd en streven geweest en nu en dan was het zelfs prettig. Alle examinatoren waren uiterst welwillend en hun eischen niet overdreven. Over ’t algemeen geloof ik, dat ik het vrij goed gemaakt heb. Maar ongelukkig is dat niet genoeg. Men moet het beter maken dan véél anderen. Er kunnen ieder jaar niet meer dan vijf en twintig leerlingen op het Seminarium geplaatst worden en wij waren met ons negen en veertigen, die solliciteerden! Dat is juist het verschrikkelijke. We hebben in groepjes van drie examen gedaan en ik weet dus niet hoe de anderen het hebben gemaakt. Maar ik ben er zeker van, dat al die anderen op behoorlijke stadsscholen hebben gegaan. Zij hebben niet hun heele leven buiten gewoond en al hun vrijen tijd besteed om onbruikbare verzen te maken. ’t Is niet anders dan heel natuurlijk, dat ze allemaal knapper moeten zijn dan ik.

Ik ben het laatste jaar in Stockholm geweest en heb een cursus doorloopen om mij voor het toelatingsexamen voor te bereiden. Maar dat is maar één enkel jaar, dat ik ernstig gestudeerd heb. De anderen hebben groote scholen met acht klassen doorloopen.

Men heeft me gezegd, dat we den uitslag pas laat op den middag kunnen hooren. Als ik niet slaag, komt de portier met een brief, die me het bericht brengt, dat ik dit jaar niet als leerling op het Seminarium kan worden toegelaten. Ben ik geslaagd, dan krijg ik geen brief, in het geheel geen bericht. Dan kan ik den volgenden morgen kalm naar het Seminarium wandelen en met mijn studie beginnen. Maar het is nog midden op den dag. Er moeten nog vele uren voorbij gaan, eer ik den portier met dien gevreesden brief verwachten kan.

Mijn familieleden hebben wel medelijden met mij, maar wat kunnen zij doen om mij te helpen? Wij zitten te praten, maar het valt mij moeilijk om mijn gedachten te houden bij wat zij zeggen. Die keeren steeds terug tot de vraag: of ik mijn wiskundevraagstuk ook heelemaal verkeerd heb opgelost en of ik niet verkeerd heb geantwoord op de vragen over de zweedsche taal.

En ik hoop en bid, dat ik door mijn examen mag komen, niet omdat ik knapper ben dan mijn medesollicitanten, maar omdat ik er meer behoefte aan heb dan iemand anders. Zie, dat is iets, wat ik zeker weet. Niemand heeft het zóó noodig daar te komen en die drie jaar gratis het onderwijs te krijgen, dat het Seminarium aan te bieden heeft. Als ik nu niet slaag is het met mij uit. Dan moet ik een of andere betrekking als gouvernante zoeken met een paar honderd kronen tractement, of ik moet naar huis gaan en in de huishouding werken. Ik ben nu niet meer zoo kinderachtig als toen ik thuis was en meende, dat het voldoende was te droomen en te hopen, om het tot iets te brengen. Nu weet ik, dat ik werken moet en kennis opdoen, als ik een schrijfster wil worden.

Ik weet ook, dat ik kennis noodig heb om te leven. We zijn zoo arm thuis, al sinds een paar jaar. Ik moet mijn eigen brood leeren verdienen, als ik niet in ellende wil komen.

Alle anderen, die solliciteeren, handelen misschien niet vierkant tegen den wil van hun vader in. Zij hebben misschien niet met alle kracht moeten doorzetten, dat zij van huis mochten. In hun huis meent men misschien niet meer, dat een vrouw niet iets behoorlijks hoeft te leeren. En als zij er nu niet komen, kunnen zij ’t misschien het volgend jaar weer probeeren. Maar ik kan nooit meer Vaders toestemming krijgen om in Stockholm te gaan studeeren, als ik nu niet slaag.

Die anderen zijn zeker ook zoo arm niet als ik. Zij kunnen misschien wel op andere scholen komen. Maar dat kan ik niet. Vader heeft geen geld om mij te geven, en het is zeker wel grootendeels daarom, dat hij er zooveel tegen heeft mij van huis te laten gaan. Maar als ik maar eens op het Seminarium ben, dan heb ik een gebaanden weg voor me; dan kan ik wel geld leenen, zoodat ik die drie jaar in Stockholm wezen kan. Maar als ik niet slaag—wie zou me dan willen helpen?

Wat gaat de tijd langzaam, dien dag! En met niets kan men zich bezighouden. Ik kan niet uit wandelen gaan, want stel je voor, dat de portier met den brief kwam, terwijl ik weg was! En ’t geeft ook niets nu te studeeren. Het examen is immers voorbij. Er is niets te doen dan wachten.

Ik heb mijn heele leven gewacht, maar op een andere manier. Ik heb gewacht of ik ook ontdekt zou worden, of iemand mijn romans, mijn gedichten, mijn tooneelspelen zou lezen en ze mooi en geestig vinden. Telkens als ik ze aan iemand liet zien, hoopte ik, dat het gebeuren zou.

En eens was het wezenlijk bijna gebeurd. Er was een bruiloft bij een van de buren en ik was bruidsmeisje. Aan tafel las een van de ceremoniemeesters een vers voor aan de bruidsmeisjes en ik antwoordde met een toespraak aan de ceremoniemeesters, ook in verzen. We hadden natuurlijk beiden groot succes. Men heeft immers altijd succes met gelegenheidsverzen.

Een poos na den maaltijd kwam Moeder mij zeggen, dat Eva Fryxell mij spreken wilde. Eva Fryxell was de dochter van den grooten geschiedschrijver, Anders Fryxell, die in een gemeente in de buurt proost was. Zij was zelf schrijfster en daarbij een zeer ontwikkelde vrouw. Ze was des winters gewoonlijk in Stockholm en verkeerde toen in de literaire kringen van dien tijd. Niemand was beter dan zij in staat mij in de wereld vooruit te helpen.

Zij was ook op de bruiloft. Ze had mij verzen hooren voorlezen en nu wilde ze mij spreken.

Ze vroeg me of ik gewoon was verzen te schrijven. Ze verzocht me haar mijn beste stukken te zenden, dan zou zij probeeren ze in een of ander blad te krijgen.

Ze was heel vriendelijk en ik meende, dat het geluk nu eindelijk was gekomen. Ik zond haar mijn gedichten en verwachtte sinds dien tijd ze in druk te zien verschijnen.

Maar de heele herfst ging voorbij,—de heele winter en ik hoorde niets.

Eerst tegen het voorjaar kwam een lange brief van Eva Fryxell. Zij zond mijn gedichten terug. Geen enkel blad had ze willen opnemen. Maar zij schreef niet alleen daarover. Zij schreef, dat ik de wereld in moest gaan en kennis opdoen, anders zou er nooit iets van mij worden.

En toen was het voornamelijk een gevolg van haar vermaningen, dat ik een jaar geleden met groote moeite van huis was gekomen. Dit heele jaar had ik niets geschreven, maar enkel gestudeerd om alles in te halen wat mij ontbrak.

En in dien tijd was ook de liefde voor de studie bij me wakker geworden. Ik verlangde naar die drie jaar op het Seminarium, naar die drie jaar van sterk, intensief arbeiden en vooruit gaan.

„Ze zal heel haar leven werken en zwoegen,” had tante Wennervik gezegd, en ik hoopte, dat het zoo worden zou.

Nu en dan wordt er gebeld. Dan spring ik op en denk of het ook de portier van het Seminarium kan zijn. Men heeft mij gezegd, dat hij niet voor vijf uur komen kan, maar wie weet?—De beslissing kan dit jaar wel eerder gevallen zijn.

De hoop wordt met ieder oogenblik flauwer. Natuurlijk zijn al de andere acht en veertig knapper dan ik. En natuurlijk heb ik dikwijls verkeerd geantwoord, zonder dat ik het zelf gemerkt heb.

De klok slaat drie uur. Daar wordt weer gebeld.

Een familielid en een studie-kameraad komen binnen. De laatste solliciteert ook, en we hebben in dezelfde groep examen gedaan.

Ze komt me vertellen, dat wij er allebei door zijn. Ze wil niet zeggen hoe ze het weet, maar het bericht komt uit een vertrouwde bron. En zoodra ze het wist, heeft ze zich gehaast om het mij te komen vertellen, opdat ik niet langer in onrust zou zitten wachten.

Ik weet niet wat ik zeg of doe. Ik weet niet of ik haar wel bedankt heb. Ik sluip zoo ver mogelijk weg, naar een achterkamer om alleen te kunnen zijn.

Ik kan me in ’t geheel niet bedwingen. Ik beef en tril en kan niet stil zitten. En ik barst in schreien uit.

Ik voel, dat ik over het ergste heen ben. Ik ben niet meer hulpeloos en afhankelijk. Mijn weg ligt voor me. Ik zal mijn eigen brood kunnen verdienen en ben meester over mijn eigen doen en laten. Nu hangt het maar van mij af of ik bereik wat ik wil.

’t Is in het groote hotel in Jeruzalem, op een avond in Maart, in het jaar 1900. Ik ben uit mijn kamer geroepen door Jemil, onze syrische tolk, om een gast te ontvangen. Die gast kan niet in mijn kamer gelaten worden, en ook niet in de groote ontvangkamer. De tolk meent hem niet verder te kunnen brengen dan in de vestibule van het hotel.

Dat is ook geen wonder, want de vreemde ziet er niet aanlokkelijk uit. ’t Is een oude neger, een vreeselijk leelijk type, een man, die met zijn reusachtige lippen, zijn lange apenarmen, zijn gezwollen spieren, zijn zwaar lichaam, en zijn grove huid, die er uitziet als boombast, den indruk maakt, alsof hij tot de menschensoort behoort, die vóór den zondvloed bestond. En die gestalte is gehuld in iets, dat men geen kleeding kan noemen. De man is omwonden en ingepakt in lange, vuile, witte lappen, die hij om het lichaam heeft gewikkeld.

Hij heeft bloote voeten en over zijn hoofd heeft hij een punt van denzelfden lap, dien hij om het lichaam heeft.

Een paar dagen geleden leidde Jemil mij en mijn reisgezellin, mevrouw Sophie Elkan, rond in de oude Moskee El Aksa in Jeruzalem, en het verwonderde ons een versleten dekkleed te zien liggen in een groote vensternis in een zijgang. Jemil zeide ons, dat zich in die nis een waarzegger placht op te houden, die het publiek ter wille was met zijn inlichtingen over de toekomst. Ik zei, dat ik het jammer vond, dat hij juist toen niet op zijn plaats was. Ik zou graag mijn lot voorspeld hebben door een echten waarzegger in de oude El Aksa, die op den bodem van Salomons tempel was opgebouwd. Nu had de vriendelijke tolk den waarzegger opgezocht en hem naar het hotel gebracht, opdat ik mij toch in Jeruzalem mijn lot zou kunnen laten voorspellen.

’t Is niet zoo plechtig als in de El Aksa-Moskee wanneer dat gebeuren moet in de vestibule van een hotel, waar bedienden en reizigers in en uit stroomen; maar ik heb geen keus. Wij gaan alle drie naar een tafel, die in een hoek staat. De waarzegger haalt een zakje voor den dag, dat hij onder zijn lappen verborgen heeft, doet het open en schudt een vrij dikke laag zand over de tafel uit; het is zonder twijfel een soort zeezand, want er zijn veel gekronkelde slakkenhuisjes in.

Onder deze toebereidselen moet ik aan tante Wennervik denken. Ik ben benieuwd of deze Oosterling hier zoo goed kan waarzeggen als zij.

Als de neger het zand gelijk heeft uitgespreid zegt hij een paar woorden in het Arabisch, die de tolk in ’t Engelsch vertaalt:

„Hij vraagt of de lady aan iets wil denken, waarover zij inlichtingen verlangt. De lady moet niet spreken over datgene, waar ze aan denkt; ze moet het alleen een poos in haar gedachten houden en dan zal ze antwoord krijgen.”

Een oogenblik sta ik verward. Ligt er geen onoverkomelijke klove tusschen een arabischen waarzegger en een westersche reizigster? We hebben in heel andere werelden geleefd. Wat zal ik kunnen vragen, dat niet buiten het bereik van zijn gedachten ligt?

Gedurende mijn geheele verblijf in Jeruzalem heb ik eigenlijk maar één gedachte gehad. Ik ben enkel en alleen hier gekomen om eenige boeren van Nås in Dalmatië te bezoeken, die hierheen gekomen zijn en toen met een groep Amerikanen een kolonie gevormd hebben. Ik wilde hen zien en spreken om over hen te schrijven.

En nu ben ik dikwijls bij hen geweest, ik heb aan hun tafel gegeten, hun scholen bezocht, hen zien werken op hun werkplaatsen, in hun eigengemaakte wagens gereden, geloopen op matten en gezeten op stoelen, die zij voor eigen gebruik hebben gemaakt. Ik heb hen open en zonder omwegen hooren spreken over hun leer. Ik heb niets bij hen gevonden wat niet goed, eerlijk en oprecht was.

Ik werd bewogen toen ik hier in dit vreemde land hun goede zweedsche gezichten zag en hun eerlijke zweedsche taal hoorde; de tranen kwamen mij in de oogen. Ik heb hun godsdienstoefening bijgewoond en ik heb gehoord hoe ze ons—hun zweedsche gasten, hun afscheidslied toezongen: „Wij zien elkander eenmaal weer.” Ik heb hen eenvoudig, vlijtig, geduldig gevonden en ik brand van verlangen om over hen te schrijven.

Maar toch is in dienzelfden tijd de twijfel in mij opgekomen of ik ooit een boek over hen zal kunnen schrijven. Niet alleen de vrees voor mijn eigen onvermogen om dit onderwerp te behandelen brengt mij tot dien twijfel, maar ook andere redenen. Ik leef elken dag in een toestand van twijfel en ongedecideerdheid, die bijna pijnlijk is.

Het geldt een voor mij belangrijke zaak. Deze lange reis zou te vergeefs ondernomen zijn als ik dit boek niet schrijven kan. Tijd, moeite en geld zijn dan nutteloos verspild. Dat is geen kinderspel!

Ik vraag mezelf dagelijks af: „Zal hier een boek van komen? Zal dat ooit geschreven worden? Zal iemand het willen lezen?”

Maar kan ik een neger-waarzegger hiernaar vragen? Heeft zulk een oermensch als hij hier wel ooit een boek gezien? Weet hij wat een roman beteekent?

In elk geval is er niets anders, dat ik op dat oogenblik zou willen weten, en ik bepaal mijn gedachten hierbij: „Zal ’t mij gelukken een boek te schrijven over de zweedsche boeren in Jeruzalem?”

De waarzegger heft zijn hand op boven het zand, dat hij vóór zich heeft uitgespreid, steekt een dikken wijsvinger uit, met een nagel, die veel op een klauw gelijkt en maakt een paar rijen gaatjes in het zand. Hij mompelt in zich zelf en maakt berekeningen. Het duurt heel lang voor hij iets zegt. Maar dan keert hij zich tot Jemil en spreekt arabisch.

„Hij zegt, dat de lady denkt aan iets, wat zij op een papier wil schrijven,” vertaalt Jemil. „Hij zegt, dat de lady maar niet ongerust moet zijn. Dat waar zij aan denkt zal haar gelukken.”

Ik kan ’t niet helpen, maar ik ben wat verbaasd over dat antwoord. Hij schijnt gedachten te kunnen lezen, de oude neger.

Hij ziet me aan alsof hij antwoord verwacht, en ik verzoek den tolk hem te zeggen, dat hij juist geantwoord heeft en dat ik heel tevreden over hem ben.

De waarzegger strijkt dadelijk de gaatjes uit het zand weg, zoodat het weer glad en netjes ligt en verzoekt mij nog een vraag te doen. Dezen keer bedenk ik mij niet lang. Wij moeten den volgenden dag uit Jeruzalem vertrekken om Nazaret, Tiberias en Damaskus te bezoeken. Ik vroeg alleen: „Zullen we een goede reis hebben? Zullen we de plaatsen bereiken, die we graag willen zien?”

Het duurt ook niet lang, voor de waarzegger opnieuw spreekt. Maar hij antwoordt niet op mijn vraag; hij verzoekt mij mijn handen te mogen zien, mijn beide handen.

Ik strek mijn handen uit, met de palmen naar boven. De waarzegger bekijkt ze, doet een stap achteruit en heft de armen op. De woorden stroomen over zijn lippen. Hij is blijkbaar ontroerd.

„Wat scheelt hem? Wat zegt hij?” vraag ik den tolk.

„Hij zegt, dat de lady denkt aan den weg, die vóór haar ligt,” antwoordde deze, „en hij verklaart, dat de lady een goede reis zal hebben. Hij zegt, dat deze lady het teeken van Sultan Ibrahim il Khal en van Sultan Soliman in haar handen heeft. Hij zegt dat alles deze lady zal gelukken. Deze lady heeft een heel sterke ster.”

Ik verzoek den tolk den waarzegger te zeggen dat ik heel tevreden ben met zijn antwoorden en ik betaal hem. Ik begrijp, dat ik tevreden moet wezen, nu ik weet, dat ik het teeken van Abraham en Salomo in mijn handen heb.

„Ik zou wel eens willen weten wat tante Wennervik hiervan zou zeggen?” zeg ik in mij zelf, terwijl ik weer naar mijn kamer ga.

Maar nauwelijks heb ik dat gezegd, of het is me als hoor ik een scherpe stem, vlak bij mijn oor in ’t echte, meest huiselijke Wermelandsch: „Dat kun je toch wel begrijpen, kind, dat die oosterlingen hier, al zijn ze ook zoo leelijk als apen en al loopen ze ook in lompen, toch beter slag hebben van vleien en complimentjes zeggen dan wij, vooral als ze er een duitje meê verdienen kunnen. Maar op mijn voorspelling kun je vertrouwen. Die is niet betaald. Reizen zul je en werken, en boeken schrijven, heel gezond word je nooit, en zoo zal je leven voorbij gaan.”

„Lieve tante Wennervik,” fluister ik terug, „wees u maar niet ongerust. U begrijpt niet wat deze man bedoelt. Hij wil alleen maar zeggen, dat wie op rijper leeftijd mag uitvoeren, waar hij als kind van droomde, het geluk der oude wijzen heeft ontvangen en door een goede ster werd geleid.”

EEN VERHAAL VAN EEN VERHAAL.

Er was eens een historie, die verteld worden wou en uitkomen in de wereld. Dat was heel natuurlijk, want die wist, dat ze al zoo goed als klaar was. Veel menschen hadden er aan meegewerkt door hun wonderlijke daden, anderen hadden ’t hunne gedaan door altijd weer van voren af aan van die wonderlijke daden te vertellen. Wat er nog maar aan ontbrak, was dat dit alles goed in elkaar gezet werd, zoodat de historie zonder ongelukken door ’t land zou kunnen dwalen. Nu was ze nog maar een heele massa verhalen, een vormelooze wolk van sprookjes, die heen en weer zweefden als een zwerm verdwaalde bijen op een zomerdag, en niet wisten hoe iemand te vinden, die ze in een korf zetten kon.

De historie, die verteld wou worden, was in Wermeland ontstaan en gevormd, en men kan er van op aan, dat ze voortzweefde over vele fabrieken en pastorieën en officierswoningen in die mooie provincie. Ze keek door de vensters naar binnen en vroeg of iemand ze ter hand wou nemen. Maar ze moest veel vergeefsche pogingen doen, ze werd overal afgewezen. Dat kon ook eigenlijk niet anders. De menschen hadden vele gewichtiger dingen om aan te denken.

Eindelijk kwam de historie aan een oud huis, dat Mårbacka [1] heette. ’t Was een kleine hoeve met lage gebouwen en door hooge boomen overschaduwd. Vroeger was het een pastorie geweest en ’t scheen alsof dit een stempel op de plaats had gedrukt, die ze niet meer verliezen kon.

Het was alsof de menschen daar meer van boeken en studeeren hielden dan ergens anders, en er heerschte altijd een stille vrede op die hoeve. Men mocht er nooit jachten met het werken en had er nooit last met de dienstboden. Haat of oneenigheid mocht er niet voorkomen, en niemand, die daar was, mocht het leven zwaar opnemen, maar moest vóór alles het als zijn plicht voelen onbezorgd te zijn en te gelooven dat onze lieve Heer alles ten beste zou besturen voor hen, die op die hoeve woonden.

Als ik nu over dit alles nadenk, begrijp ik, dat de historie zich hier jaren lang moet opgehouden hebben, terwijl ze vergeefs hoopte verteld te worden. ’t Komt me voor, dat ze dat huis omzweefd moet hebben zooals een wolk een bergtop, en zoo nu en dan een van de sprookjes, die ze bevatte, heeft laten neerdalen. Zij kwamen als zonderlinge spookhistories over den landheer, die altijd zwarte stieren voor zijn wagen had, als hij ’s nachts van een feest thuis kwam, en in wiens huis de Booze zelf op den schommelstoel zat te wiegen, terwijl de vrouw des huizes speelde. Ze kwamen als wonderlijke sagen van de naburige hoeve, waar de eksters de huismoeder vervolgden, zoodat ze de deur niet uit durfde, van de kapiteinswoning, waar men zoo arm was, dat ze alles moesten leenen, en van ’t kleine huisje bij de kerk, waar zooveel oude en jonge meisjes woonden, die allen op den mooien orgelmaker verliefd werden.

Soms kwamen de lieve sprookjes om zoo te zeggen in levenden lijve in dat huis. Oude, arme officieren reden voor de stoep met stokoude paarden en in rammelende wagens. Zij bleven daar weken lang logeeren en ’s avonds, als de toddy hun moed gegeven had, begonnen zij te vertellen van den tijd, toen ze zonder kousen in de schoenen dansten, om maar kleine voeten te hebben, toen ze ’t haar friseerden en hun snor verfden. Een van hen vertelde hoe hij een mooi meisje naar haar verloofde had willen terugbrengen, en onderweg door wolven vervolgd geworden was; een ander had een Kerstfeest bijgewoond, waar een verontwaardigde gast alle gebraden vogels tegen den muur slingerde, omdat men hem had wijsgemaakt, dat het kraaien waren; een derde had een ouden man gezien, die gewoon was Beethoven op een houten tafel te spelen.

Maar ook op een andere manier kon de historie haar tegenwoordigheid openbaren.