Herinneringen

Part 1

Chapter 14,227 wordsPublic domain

HERINNERINGEN

NAAR HET ZWEEDSCH VAN SELMA LAGERLÖF

DOOR MARGARETHA MEIJBOOM

AMSTERDAM H. J. W. BECHT

INHOUD.

BLADZ. TWEE VOORSPELLINGEN 1 EEN VERHAAL VAN EEN VERHAAL 41 EEN SAGE VAN JERUZALEM 65 DE LUCHTBALLON 83 EEN HEKSENKIND 125 IN DE GERECHTSZAAL 153

TWEE VOORSPELLINGEN.

EEN STUK LEVENSBESCHRIJVING VAN SELMA LAGERLÖF.

Men kan wel begrijpen, dat ze het druk en moeilijk hebben op de oude hoeve Mårbacka, den 2en November 1858. Er is daar dien dag vrij laat in den avond een kind geboren, en zooiets brengt immers altijd onrust en opschudding te weeg, zelfs op een plaats, waar men gewoon is het leven kalm op te nemen en niet meer beweging over iets te maken dan noodig is.

Tegen den avond, als het donker is, komt de dominésvrouw, die op de naastbijzijnde hoeve woont en steekt het hoofd om de keukendeur. ’t Is een klein, oud vrouwtje, een familielid en vriendin, die door alle menschen „Tante Wennervik” wordt genoemd. Ze kon niet rustig thuis blijven, maar heeft een shawl over het hoofd geslagen, een lantaarn in de hand genomen en voor zich uit lichtend den weg gezocht langs het smalle dwarspad, dat achter den tuin om loopt, om te hooren hoe het nu is.

De dominésvrouw wordt dadelijk in de kamer achter de keuken gelaten. Daar woont de oude mevrouw Lagerlöf, weduwe van den regimentssecretaris Lagerlöf, nog op den dag van heden, zoo als ze daar haar leven lang gewoond heeft, als getrouwde vrouw èn als jong meisje. Zij zit daar, 70 jaar oud en met grijze haren in haar hoekje op de canapé, kousen te breien voor haar kleinkinderen, zooals zij altijd doet. Bij haar in de kamer is alles rustig, en zij is zelf kalm, omdat haar zoon, luitenant Lagerlöf, die bij den dood van zijn vader de hoeve heeft overgenomen, zoo juist bij haar is geweest en haar verteld heeft, dat het ergste nu voorbij is, en dat het kind ter wereld is gekomen.

Hoewel ’t al laat op den dag is, zet de huishoudster de koffie op en komt al gauw de kamer in met een gevuld koffieblad. Daarna blijven tante Wennervik en de oude mevrouw alleen en drinken samen koffie. Tante Wennervik hoort, dat er een meisje is geboren, en de twee oudjes, die aan de grens van het leven staan, zitten er over te praten hoe dat kindje, dat zoo pas gekomen is, het wel in haar leven zou hebben.

„Ze zal het krijgen zooals ze verdient,—niet beter en niet slechter,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Dat hangt ook wel een beetje van het geluk af, moet ik zeggen,” antwoordt tante Wennervik.

Juist toen de dominésvrouw die woorden uitspreekt, buigt de oude mevrouw Lagerlöf zich voorover en voelt aan de reticule, die tante Wennervik altijd aan den arm heeft hangen. Daar zit van alles in, want tante Wennervik is iemand, die overal raad op weet en die er daarom ook voortdurend op bedacht moet zijn, dat de menschen haar om hulp komen vragen. Ze is eerst, toen zij al oud was, getrouwd met dominé Wennervik, die een broer van mevrouw Lagerlöf is; vóór dien tijd heeft ze op veel groote hoeven aan het hoofd van de huishouding gestaan. Daarom heeft zij overal verstand van, van het klaarmaken van een bruiloftsmaal en het opzetten van het fijnste driedraads weefwerk tot het verzorgen van zieken en het opvoeden van jonge boerendochters tot goede huismoeders toe. Nu mevrouw Lagerlöf aan de reticule voelt, merkt ze al gauw, dat daarin, behalve de bril, en de sleutelbos, en het naaigerei, en de hoestpastilles, en de medicijnflesch en het weefboek en het reukdoosje, ook nog een hard vierkant voorwerp is.

„Ik voel, dat je de kaarten bij je hebt,” zegt ze.

Tante Wennervik’s verbleekte wangen worden een beetje rood. Ze kan voorspellen en ze legt nooit de kaart of al wat ze voorspelt, komt uit.

Ze is er een beetje gevoelig voor, dat men zich tot haar wendt om haar kunst te vertoonen; maar dat wil ze niet weten. Ze betuigt dat ze in ’t geheel niet vermoedde, dat ze de kaarten bij zich had. Ze kan heelemaal niet begrijpen hoe ze in haar reticule gekomen zijn.

„Maar nu je ze toch bij je hebt, kun je ze toch wel even leggen voor dat stumpertje, dat juist op de wereld is gekomen,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

Tante Wennervik maakt wat complimentjes, maar ze laat zich niet heel lang bidden, en dus wordt de koffiekan op zij gezet en de oude dominésvrouw begint de kaart te leggen. Zij hanteert ze met groote vaardigheid en terwijl de oude mevrouw Lagerlöf haar zit aan te kijken kan ze niet laten te denken, dat haar schoonzuster er als een echte kaartlegster uitziet. Ze heeft een bruine gezichtskleur, donkere, vonkelende oogen en een langen neus zoo krom als een haak. Op ’t hoofd heeft ze een zwarte kanten muts, die met een punt over het voorhoofd hangt, en bij de slapen hangen drie groote krullen. Ze heeft nog geen enkel grijs haar en ze heeft geen plekje in haar gezicht, dat niet één en al rimpels is.

Tante Wennervik legt de kaarten uit in vier rijen van negen kaarten, en als ze dat gedaan heeft, zet ze haar wijsvinger op de eerste kaart en begint te tellen: één, twee, drie, vier—tot zestien toe. Ze telt op en neer, vooruit en achteruit en verzet haar vingers onder het tellen, tot ze aan de zestiende kaart komt. Dan mompelt ze wat in zich zelf, alsof ze niet recht tevreden is.

„Nu, wat zie je?” vraagt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze is wat ziekelijk,” antwoordt de dominésvrouw, „en ik geloof, dat ze dat haar heele leven houden zal.”

„Iedereen moet zijn kruis dragen. Anders wordt je niet flink,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf. Zij is opgewekt van natuur en wil altijd van alles het beste zien. „Als ze ziekelijk is, moet ze een rustig leven leiden en dat is ook ’t beste voor een mensch.”

Tante Wennervik zet weer den wijsvinger op de kaarten en begint te tellen.

„Er staan haar vele en lange reizen te wachten,” zegt ze, en kijkt schalks haar schoonzuster aan. „En verscheiden keeren moet ze verhuizen.”

„Op een rollenden steen groeit geen mos,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf. Zij, die haar heele leven op dezelfde hoeve heeft gewoond, vindt het niet zoo heel prettig, dat haar kleinkind iemand worden zal, die door ’t heele land zwerft.

„Maar ik kan wel begrijpen, dat ze, als ze ziekelijk wordt, haar eigen brood niet verdienen kan, maar van den een naar den ander wordt gezonden in de familie. ’t Is niet zoo gemakkelijk door de wereld te komen voor iemand, die niet werken kan en zich nuttig maken.”

„Ze moet werken en zwoegen haar leven lang,” verkondigt tante Wennervik na weer een poos geteld te hebben. „Daar hoeft ze dus niet bang voor te wezen.”

„Zoo?—dan beteekent dat zeker, dat zij haar brood bij anderen moet verdienen en dikwijls van betrekking veranderen,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf en zucht. Zulk een leven komt haar, die nooit bij een ander in dienst is geweest, als het ergste voor wat er is. „Maar met jou ging het toch goed,” zegt ze en haar gezicht klaart op. „Als ze maar zoo’n flink mensch wordt als jij!”

„Ze zal haar heele leven geen weefsel opzetten,” zegt tante Wennervik, met den neus over de kaarten gebogen; en zóó is ze verdiept in het uitvorschen van de toekomst, dat zij er in ’t geheel niet over denkt of ze iets aangenaams of onaangenaams voorspelt. „Ze zal veel met boeken en papieren te maken hebben, dat zul je zien.”

De oude mevrouw Lagerlöf buigt zich ook over de kaarten, alsof ze wil trachten uit deze verwarring wijs te worden.

„Zal zij veel te maken hebben met boeken en papieren?” zegt ze verwonderd. „Je meent misschien, dat ze met een armen dominé trouwen zal, die steeds van de eene gemeente naar de andere zal verhuizen en nooit tot rust komen. Maar als hij maar een braaf mensch is, die goed voor haar is...”

Tante Wennervik steekt een vinger in de lucht en valt haar in de rede.

„Wil je dat ik ’t zeggen zal zoo als het is?”

„Ja zeker wil ik dat,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze trouwt nooit.”

„Zoo, trouwt ze nooit?” zegt de oude mevrouw Lagerlöf en nu moet ze zichzelf goed beheerschen om niet te toonen hoe verschrikt ze is. „Ja, ze wordt misschien op die manier voor veel verdriet bewaard. Maar je kunt misschien wel zien of ze een braaf en goed mensch wordt?”

„Lief en bescheiden wordt ze wel,” zegt tante Wennervik en buigt zich weer over de kaarten om nog meer geheimen na te speuren, maar nu wordt ze in de rede gevallen door de oude mevrouw Lagerlöf, die wat droog zegt:

„Nu moet je maar liever niets meer zeggen. Ik ben blij, dat ik te weten kwam, dat ze een goed mensch wordt. Dat is eigenlijk het eenige wat van belang is.”

Er is een boek, dat Oceola heet—ja ’t is ook wel mogelijk, dat ik het me verkeerd herinner en dat het een anderen mooien vreemden naam heeft. Het is een Indianenboek, zooals men het nu noemt, maar het is zeker niet oorspronkelijk voor kinderen geschreven, maar voor groote menschen bestemd. Ik weet niet wie het geschreven heeft en ook niet wanneer het geschreven is; maar zeker is het heel oud, want het is meer dan veertig jaar geleden, dat ik het voor het eerst zag. Ik kan niet zeggen hoe het kwam, dat dit boek zijn weg vond naar mijn ouderlijk huis in Wermeland; het hoorde niet tot de boeken van het huis, die meest gedichten bevatten en maar heel enkele romans. ’t Kan zijn, dat een bezoeker het meebracht, of de zuster van mijn vader, die veel romans verslond, heeft het van een van de buren geleend. Maar hoe dat ook was, het is zeker, dat het op een mooien dag toen ik zeven à acht jaar oud was, thuis op een tafel lag en ik het in ’t oog kreeg.

Ik houd veel van lezen en ik zit gewoonlijk iederen dag op een laag stoeltje naast moeder als zij zit te naaien en lees haar voor uit „Nösselts algemeene geschiedenis voor vrouwen”. We zijn alle zeven deelen doorgekomen, maar ik begrijp het eerste deel, met al die vele sagen, het best. Ik vind het iederen keer weer heerlijk als Odysseus thuiskomt en de aanbidders van zijn vrouw doodschiet; maar het afscheid van Hektor en Andromache sla ik liefst over, omdat ik het niet lezen kan zonder te schreien.

De Fritjofssage, de sprookjes van Andersen, de verhalen van Stål, de vaandrig, hooren ook tot mijn goede vrienden, maar een roman heb ik nog nooit onder de oogen gehad. Ik denk er ook niet aan dat dikke boek te lezen, dat er uitziet alsof men jaren noodig zou hebben om er door te komen, ik blader er alleen maar in. Maar het geluk wil, dat ik het juist dáár opensla, waar de heldin van het boek, de jonge, schoone dochter van een plantage-eigenaar, midden onder het baden overvallen wordt door een alligator. Ik lees hoe zij vlucht en vervolgd wordt en in levensgevaar verkeert. Nog nooit heb ik iets gelezen, dat me zóó in spanning bracht. Ik sta ademloos te lezen tot de jonge heldhaftige Indiaan tot hulp komt aansnellen en na een vreeselijken strijd met den alligator zijn mes in het hart van het dier steekt.

Daarna lees ik de eene bladzij na de andere, zoo lang ik met rust gelaten word. En zoodra ik een vrij oogenblik heb en niet aan de schooltafel moet zitten om te leeren schrijven, rekenen en lezen, sluip ik weg naar Oceola, die steeds op dezelfde plaats blijft liggen en lees verder.

Ik ben heelemaal bekoord, betooverd! Dag en nacht denk ik aan dat boek! ’t Is een nieuwe wereld, die ik plotseling heb ontdekt. ’t Is de heele rijkdom van het leven, die mij voor het eerst wordt geopenbaard. Daar zijn liefde, heldendaden, schoone, edele menschen, laaghartige schurken, gevaren en vreugden, geluk en nederlaag. En vooral is er een kunstig in elkaar geslingerde rij gebeurtenissen, die spanning en verwachting wekken. Van dat alles heeft een klein zevenjarig meisje, dat op een stil landgoed opgroeit, nog nooit eenig vermoeden gehad.

Laat een van de aardbewoners eens verplaatst worden, naar een ster, ver weg in de wereldruimte! Ik geloof niet, dat hij die nieuwe wereld met meer gloeienden ijver zou onderzoeken,—met grooter belangstelling, met een sterker gevoel van geluk, omdat juist hij met al dat vreemde kennis mocht maken.

Nadat ik Oceola heb uitgelezen, val ik op alle romans aan, die ik maar bereiken kan. ’t Zou niet gemakkelijk zijn te zeggen hoeveel ik er van begrijp, maar ik geniet er onbeschrijfelijk van. De meesten zijn toch volkomen uit mijn herinnering verdwenen.

Als ik aan dien tijd terug denk, verbaast het mij, dat men mij heeft laten lezen wat ik wilde. Maar ik begrijp, dat Vader en Moeder mij moeilijk iets weigeren konden. De ziekelijkheid, die tante Wennervik mij voorspeld heeft, is over me gekomen. Mijn eene been was zwak en lang kon ik in het geheel niet loopen. Het werd niet goed gevonden, dat ik me vermaakte met spelen buiten en lichaamsoefeningen als andere kinderen, maar ik moest me liefst rustig houden. En toen mijn ouders zagen, dat ik gelukkig was als ik maar een boek in handen had, wilden ze mij zeker niet van dat genot berooven.

Maar voor mij werd de kennismaking met het Indianenboek Oceola beslissend voor mijn geheele leven.

Dat wekte bij mij een diep, sterk verlangen om ook eens iets zóó heerlijks te kunnen maken. ’t Is dàt boek, dat maakt, dat ik al in mijn jeugd weet, dat ik ’t liefst van alles in mijn later leven me bezig wil houden met romans te schrijven.

Mijn broers en zusters en de kinderjuffrouw hebben mij verteld van de voorspelling, die de oude tante Wennervik gedaan heeft den nacht, dat ik geboren werd. En er is niemand, die met die voorspelling meer ingenomen is dan ik zelf. Ik ben blij, omdat die zegt, dat ik veel met boeken en schrijven te maken zal hebben. Naar iets anders vroeg ik in dien tijd niet.

En nu wil ik eindelijk nog vertellen, dat het mij eenige jaren geleden gebeurde, toen ik al een paar boeken geschreven had, dat ik in een boekvitrine op een station een klein dik boek zag, dat Oceola heette. ’t Was slecht gedrukt op leelijk, grauw courantenpapier, in een leelijken dunnen band ingenaaid en werd aangeboden voor heel weinig geld.

Ik kocht het, en toen ik goed en wel in den trein zat, begon ik er in te lezen om te zien of het werkelijk het wonderboek van mijn jeugd was, dat ik in handen had gekregen. Ik vond werkelijk dat tooneel met den alligator. Het moest dus hetzelfde boek zijn.

Maar toch was het niet hetzelfde, ’t was een leelijk, vervelend, slecht vertaald, oud, gekunsteld boek. ’t Was ongeveer alsof men na lange jaren van scheiding den geliefde van zijn jeugd als een oude, ziekelijke grijsaard weerziet. Ik werd bang voor het boek; ik vreesde, dat het uit mijn ziel de echte, stralende Oceola zou wegwisschen. Ik had grooten lust het uit het coupé-raampje te gooien. Maar ik kon toch dat boek niet uit het raam gooien. Er was eigenlijk iets aandoenlijks in, dat zulk een boek mij toen zóó veel had kunnen geven. Ik heb het mee naar huis genomen, maar ik heb het achter in de boekenkast gezet en ik durf er niet meer naar te kijken.

Als ik negen jaar ben komt een andere van de donkere voorspellingen van tante Wennervik uit. Ik ga een verre reis maken. Ik word naar Stockholm gestuurd om genezing te zoeken voor mijn ziek been, en mij wordt een kuur op een gymnastiek-inrichting voorgeschreven. Ik blijf den heelen winter in Stockholm en de behandeling doet mij veel goed. Als ik thuiskom in ’t voorjaar, ben ik even gezond als de andere kinderen en het is bijna niet te merken, dat ik mank loop.

Ik woon bij familieleden in, die heel goed voor me zijn, maar dat kan toch niet beletten, dat ik een beetje naar huis verlang. Ik heb moeite me aan het stadsleven te wennen. Het hindert me, dat ik telkens hoed en mantel aan moet doen als ik uitga, en ik houd niet van die lange, rechte steenen straten, waar kleine kinderen even zedig en behoorlijk loopen als de groote menschen. Ik heb ook geen begrip van de spelen van de Stockholmsche kinderen. Ik kan op hun kleine sleedjes niet rijden en ik houd heelemaal niet van poppen. Ik voel me dom en onbeholpen bij die nette en handige jeugd en ik ben bang, dat ze me zullen uitlachen, omdat ik Wermelandsch spreek.

Maar er zijn dingen in Stockholm, die boven alle beschrijving heerlijk zijn en die alle moeilijkheden vergoeden. Zoo heeft b.v. mijn oom een boekenkast, waar alle romans van Walter Scott op een van de planken staan en hij leent mij den eenen na den anderen, zoodat ik ze allen doorlees. En dan is daar immers ook de schouwburg.

Bij mijn familie is een oude, trouwe meid, die de huishouding van mijn oom bestuurde vóór hij trouwde. Zij is te oud om nog in huis meê te werken, maar zij zit dag in, dag uit in een mooien leunstoel in haar eigen kamertje te werken en te naaien. Oom is heel goed voor haar. Hij is bang, dat ze het te eentonig zal hebben en komt haar niet zelden een plaatsbewijs voor de comedie brengen. Maar als zij naar de comedie gaat, mag ik meê. Mijn familie heeft ontdekt welk een buitengewoon genot dat voor me is en misschien zijn ze ook wel wat bang om de oude vrouw alleen te laten gaan. Bovendien kost mijn plaats in de comedie niets. De oude Ulla doet maar een goed woordje voor mij bij den portier en dan mag ik meê naar binnen. Ik krijg natuurlijk geen zitplaats, maar moet voor haar staan. Maar wat beteekent dat! De tijd gaat zoo gauw om in den schouwburg. Ik kan er niet aan denken of ik moe ben, voor alles al voorbij is.

Er is zeker nu nog wel iemand, die zich de uitgesleten trappen en de smalle gangen in het oude operagebouw herinnert. En er is ook nog wel een of ander, die zich herinnert hoe het in den corridor rook. Ik kom nu en dan nog wel eens in een ouden schouwburg in het buitenland, waar die zelfde theaterlucht nog is. En telkens als ik die ruik, komt weer de zaligheid van de verwachting over me. Het is me alsof ik weer een kind ben, dat buiten de logedeur sta te wachten tot de portier die zal komen opendoen.

Ulla en ik zitten altijd op de tweede rij in de eerste bank. We gaan trouwens niet altijd naar de opera, we gaan ook naar tooneelvoorstellingen; maar we hebben dan ook dezelfde plaatsen.

Op die manier hebben we samen allerlei gezien: l’Africaine, la Muette de Portici, Robert, de Freischütz, de Wermelanders, la belle Hélène, l’Ecole des femmes, Kasbloemen, en Mijn roos in ’t bosch.

Dit is weer een nieuwe bonte wereld, waar ik word binnengeleid. Men kan wel begrijpen, dat ik er heelemaal door bedwelmd word.

’t Is maar goed, dat ik bij mama’s naaitafeltje gezeten en de algemeene geschiedenis van Nösselt gelezen heb; hoe zou ik er anders den weg gevonden hebben.

Maar eigenlijk is het niet een heelemaal nieuwe wereld. ’t Is eerder mijn welbekende romanwereld, die levend is geworden, en die in levende beelden voor mijn oogen voorbij gaat. Zóó zien ze er dus uit, mijn wilde, geharnaste ridders! Zoo gaat dus een koning gekleed, zoo is een kloostertuin ingericht, in zulke lange grijze mantels loopen dus de monniken en nonnen. Ik maak kennis met storm op zee, met tropische landschappen, met vuurspuwende bergen. En ik neem natuurlijk alles op als de meest geloofwaardige ernst. Ik begrijp niet dat „la belle Hélène” één en al scherts is. Ik geloof dat alles zoo toeging, toen Helena werd weggeroofd, hoewel Nösselt vergeten heeft dat te vermelden.

We hebben volkomen denzelfden smaak; de oude vrouw en ik. We houden van mooie decoraties, mooie costumes, groote scènes, als het tooneel wemelt van menschen. En natuurlijk letten wij het meest op de handeling. Van den zang en de muziek hebben we niet zóóveel verstand. Die hindert ons eer een beetje, omdat we de gezongen woorden zoo moeilijk kunnen verstaan en dan het verband verliezen.

We zijn ook niet recht tevreden met zulke stukken, waar geen koningen of ridders in optreden. Ik voor mij ben heelemaal bekoord door een volksstuk zooals b.v. de Wermelanders, omdat het mij aan huis herinnert. Maar de oude Ulla houdt er niet van om alleen boeren op het tooneel te zien. Ze kwetst me diep door te zeggen, dat la belle Hélène met haar grooten stoet koningen toch heel wat anders was. Dat hindert me om mijn landslieden, maar in den grond van mijn hart ben ik het eigenlijk met haar eens.

Intusschen gaat de winter voorbij, en tegen den zomer moet ik naar huis. En natuurlijk blijft mij de herinnering bij aan al wat ik gezien heb en vertel ik het telkens weer aan mijn broertjes en zusjes.

Op een dag, dat we om een of andere reden een vrijen dag op school hadden, komen we op het idee, dat we tooneel moesten spelen, en dat we een van de stukken moeten spelen, die ik in Stockholm gezien heb. En er wordt besloten dat we „Mijn roos in ’t bosch” zullen opvoeren. Niet omdat dit het mooiste is wat ik gezien heb, maar het is het eenvoudigste,—het eenige, wat we voelen te kunnen spelen.

Het wordt een vermoeiende dag voor mij. Want ik moet de rollen helpen instudeeren en de spelers leeren wat ze moeten zeggen. We hebben geen tekstboekje, maar alleen mijn geheugen om op te vertrouwen. Ik verander, met behulp van dekens en spreien onze kinderkamer in een tooneel. Ik moet ook bepalen hoe de optredenden zich grimeeren moeten, en hoe hun haar en hun kleeren moeten wezen. Ik ben de eenige, die van dit alles een beetje verstand heeft.

Voor den avond is toch alles klaar en het tooneelstuk loopt van stapel. De toeschouwers zijn: Vader en moeder, tante, de gouvernante, de huishoudster, en een paar van de dienstmeisjes. Zij zitten allemaal in een nauwe deur-opening en ik geloof niet, dat zij veel van het tooneel kunnen zien; maar dat doet er zeker niet veel toe. Zij hebben in elk geval veel pleizier.

We hebben een klein meisje van twaalf jaar in huis. Ze is heel lief en loopt rond met Mama’s oude baljurk en speelt de rol van de heldin: „Mijn roos in het bosch”. Mijn oudste zuster, die ook twaalf jaar is, heeft Papa’s oudste uniformjas aan en speelt de rol van den held. Zij ook is heel lief en ze speelt zoo mooi. Ze heeft echt aanleg voor het tooneel. Ons kamermeisje speelt voor een oude huishoudster. Er kwam een grijsaard met lang wit haar in ’t stuk voor, en ik neem die rol, omdat mijn haar lang en heelemaal wit is.

We hebben groot, groot succes. Ik zou wel eens willen weten wat de schrijver zou gezegd hebben als hij zijn stuk zóó had zien opvoeren; maar misschien was hij er ook wel meê tevreden geweest.

Van af dien dag droom ik niet alleen meer van romans schrijven. Nu wil ik ook tooneelstukken schrijven. Ik verlang er naar om groot te zijn, zoodat ik niet meer op de schoolbanken behoef te zitten en mijn tijd verspillen met rekenen en schrijven.

’t Is een mooie lentemiddag en ik loop heen en weer in het kleine boschje achter den tuin. Zoodra ik op een van de slingerende paden aan de grens van het boschje ben, komt me een schitterend licht tegemoet. Groote akkers breiden zich voor mij uit, en de zonneschijn ligt tintelend op den damp, die uit ’t pas geploegde veld opstijgt. Hier straalt de lucht in purpergloed en daar weer schijnt ze vol stofgoud te zijn. Onder de boomen is ’t weer wonderlijk donker. Ze zijn pas in het volle blad gekomen. Ik ben nog niet gewend aan de groene duisternis, die daaronder gewoonlijk heerscht. Op eens, terwijl ik mij van het licht bij den tuin weer naar de schaduw keer, komen mij een paar dichtregels op de lippen.

„Det är så mörkt under lindarna Så ängsligt stilla i vindarna.”

(Het is zoo donker onder de linden, zoo angstig stil in de gebouwen.)

Wat nu? Wat is dat? Ik blijf staan en ben bijna buiten adem van verrassing. Dat rijmt immers! Dat zijn immers verzen! Kan ik verzen maken? Ik ben vijftien jaar en ik heb alle verzenboeken gelezen, die ik thuis vinden kon: Tegner, Runeberg, Fru Lenngren, Stagnelius, Vitalis, Bellman, Wallin, Dahlgren, maar ik ben nooit op de gedachte gekomen, dat ik zelf verzen zou kunnen maken. Verzen schrijven, dat was iets hoogs, iets heiligs. Dat was een gave, die alleen aan de uitverkorenen onder de menschen toekwam.