Herinneringen

Part 10

Chapter 104,355 wordsPublic domain

„Ja, dat was toch wonderlijk,” zei Gudmund. Hij geloofde heelemaal niet aan spokerij of tooverij, maar hij vond ’t wel aardig Helga over zulke dingen te hooren praten. „Nu is dat malle boschkind teruggekomen,” dacht hij. „Hoe kan nu iemand, die zooveel heeft doorgemaakt als zij, nog zóó kinderlijk zijn!”

„Ja, zeker is het wonderlijk,” hernam Helga. „En dat zelfde is den heelen winter teruggekomen. Zoodra ’t vuur op den haard brandde, had ik datzelfde gevoel van veiligheid en gezelligheid bij jelui, als ik thuis had. Maar dat is toch ook wonderlijk met het vuur. Niet met ander vuur misschien, maar met vuur op een haard, waar alle menschen in huis avond aan avond omheen komen zitten. Dat wordt als een goede bekende. Dat speelt en danst en praat tegen je en nu en dan ziet het zuur en is treurig. Het is, alsof het de macht heeft gezelligheid of ongezelligheid te scheppen. Nu kwam ’t me voor alsof ’t vuur van thuis met mij meegegaan was en dat het over alles hier ’t zelfde waas van gezelligheid legde, dat het thuis gaf.”

„Maar als je nu gedwongen wordt van Närlunda weg te gaan?” zei Gudmund.

„Dan zal ik er mijn leven lang naar terug verlangen,” antwoordde ze, en aan haar stem was het te hooren hoe hoog ernstig zij dat meende.

„Ja, ìk zal er je nooit vandaan zenden,” zei Gudmund, en hoewel hij lachte, was er iets warms in zijn toon.

Daarna begonnen zij geen nieuw gesprek, maar liepen zwijgend terug naar de hoeve. Gudmund wendde nu en dan het hoofd om en zag haar aan, terwijl zij naast hem liep. Zij was bijgekomen na den moeilijken tijd, dien ze het vorige jaar gehad had. Er was iets frisch en teers over haar. Haar trekken waren fijn, de haren stonden haar kroesig om ’t hoofd, in de oogen was iets onbegrijpelijks. Ze liep vlug en licht. Als ze sprak kwamen haar woorden snel, maar ze was verlegen. Ze was altijd bang om uitgelachen te worden, maar ze moest toch zeggen wat ze op haar hart had.

Gudmund dacht er over of hij wilde, dat Hildur zoo was, maar dat wilde hij toch niet. Met die Helga kon je toch niet gaan trouwen.

Een paar weken later hoorde Helga, dat ze van Närlunda weg moest tegen April, omdat Hildur Eriks dochter niet met haar onder één dak wilde wonen.

’t Was niet zoo, dat de menschen op de hoeve dat rechtuit tegen haar zeiden. Maar Moeder Ingeborg begon er over te spreken, dat zij wel zooveel hulp van de nieuwe schoondochter zouden hebben, als die kwam, dat zij niet zooveel bedienden behoefden te houden. Een andre keer zeide zij dat ze over een goeden dienst had hooren spreken, waar Helga het beter zou hebben dan bij hen.

Helga behoefde niet meer te hooren om te begrijpen, dat zij weg moest; en ze zei dadelijk, dat ze weg zou gaan, maar dat zij geen andren dienst wilde hebben, en dat ze naar huis zou gaan.

’t Was wel te merken, dat men niet uit eigen beweging Helga den dienst op Närlunda opzei.

Toen ze weg zou gaan, was er zóóveel eten klaargezet, dat het wel een feestmaal scheen, en Moeder Ingeborg stopte haar zulk een menigte kleeren en schoenen toe, dat zij, die gekomen was met een bundeltje kleeren in een doek geknoopt onder den arm, nu nauwlijks haar bezittingen in een kist bergen kon.

„Ik krijg nooit zoo’n goed dienstmeisje meer, als jij geweest ben,” zei Moeder Ingeborg. „En denk nu niet te slecht over me, omdat ik je laat heengaan. Je begrijpt wel, dat het niet met mijn toestemming gebeurt. Ik zal je niet vergeten. Zoolang ik iets te zeggen heb, zul je geen nood lijden.”

Zij sprak met Helga af, dat ze lakens en handdoeken voor haar zou weven. Ze gaf haar werk voor minstens een half jaar.

Gudmund stond in de schuur voor ’t brandhout en hakte hout, toen Helga heenging. Hij kwam niet binnen om afscheid te nemen, hoewel het paard voor was. Hij scheen het zoo druk te hebben, dat hij niet merkte wat er gebeurde. Zij moest naar hem toe gaan om hem goeden dag te zeggen. Hij legde de bijl neer, gaf Helga de hand, en zei wat haastig: „Ik dank je voor den tijd, dat je hier waart,” en begon toen weer te hakken.

Helga had iets willen zeggen, dat ze wel begreep, dat het niet mogelijk voor hen was haar te houden, en dat alles haar eigen schuld was. Zij zelf had het er naar gemaakt. Maar Gudmund hakte, dat de spaanders om hem heen vlogen en ze kwam er niet toe iets te zeggen.

Maar het wonderlijkst van alles was, dat de boer zelf—de oude Erland Erlandsson—Helga naar de Moerashoeve reed.

De vader van Gudmund was een kleine uitgedroogde man met een kaal hoofd en mooie, verstandige oogen. Hij was heel teruggetrokken en zóó stil, dat hij soms den heelen dag geen woord sprak. Zoolang alles goed ging merkte men niets van hem, maar als er iets in de war raakte, kwam hij altijd en zei of deed wat er gezegd of gedaan moest worden om alles weer in orde te maken. Hij was bekwaam in administratie, en genoot veel vertrouwen bij het gemeentebestuur. Hij kreeg alle kommunale opdrachten en was meer in aanzien, dan menigeen, die een groote hoeve had en heel rijk was.

Erland Erlandsson reed Helga naar huis over den slechten weg en liet niet toe, dat ze uitstapte bij ’t oprijden van een of anderen heuvel.

Toen ze aan de Moerashoeve kwamen, zat hij lang in de hut met Helga’s ouders te praten, en vertelde hun hoe tevreden hij en Moeder Ingeborg over haar geweest waren. ’t Was alleen omdat ze niet zooveel personeel meer noodig hadden, dat ze haar moesten wegzenden. Zij als de jongste, moest heengaan. Zij hadden gemeend, dat het niet billijk was iemand weg te zenden, die hun lang gediend had.

Erland Erlandssons gesprek met Helga’s ouders had de bedoelde uitwerking, en zij ontvingen Helga vriendelijk. Toen zij hoorden, dat zij zulke groote bestellingen gekregen had, dat zij van weven zou kunnen leven, waren zij er blij om, dat ze thuis bleef.

IV.

Gudmund meende, dat hij Hildur Eriksdochter lief had tot op den dag, dat ze hem de belofte afdwong, dat Helga van Närlunda zou heengaan. Tenminste tot dien tijd toe was er niemand geweest, die hij meer had bewonderd en hooger geacht. Geen jong meisje scheen hem toe met Hildur gelijk te staan, en hij was er heel trotsch op geweest, dat het hem gelukt was haar te winnen. Het was hem een genot geweest aan de toekomst met haar samen te denken. Ze zouden rijk en aanzienlijk worden, en hij voelde, dat het goed wezen zou te leven in een huis, dat door Hildur bestuurd werd. Hij dacht er ook graag aan, dat hij volop geld hebben zou, als hij met haar getrouwd was. Hij zou zijn akkers kunnen verbeteren, de oude gebouwen sloopen en nieuwe opbouwen, de hoeve vergrooten en een echte groote boer worden.

Denzelfden Zondag, toen hij met Helga op den kerkweg geloopen had, was hij ’s avonds naar Elvakker gereden. Toen was Hildur begonnen over Helga te spreken en ze had gezegd, dat ze niet naar Närlunda wilde komen vóór dat meisje daar vandaan was. Gudmund had eerst geprobeerd, dat als scherts op te vatten; maar het bleek al gauw, dat Hildur ’t in vollen ernst meende. Gudmund verdedigde Helga uitstekend; hij zei, dat ze zoo jong geweest was toen ze voor ’t eerst in een dienst werd gezonden, dat het geen wonder was, dat het verkeerd ging, toen zij met zoo’n slecht mensch als Peter Maartenszoon in aanraking kwam. Maar sinds zijn moeder haar in bescherming genomen had, had zij zich altijd goed gedragen.

„’t Kan niet goed zijn haar nu te verstooten,” zei hij. „Dan kan ’t wel gebeuren: dat ze weer in ellende komt.”

Maar Hildur had niet willen toegeven. „Als dat meisje op Närlunda moet blijven, kom ik er nooit,” zei ze. „Ik kan zoo’n mensch in mijn huis niet dulden.”

„Je weet niet wat je doet,” zei Gudmund. „Niemand heeft ooit Moeder zoo goed op kunnen passen als Helga. Wij zijn er allen blij om geweest, dat ze bij ons is gekomen. Vroeger was Moeder vaak knorrig en gedrukt.”

„Ik zal je niet dwingen haar weg te zenden,” zei Hildur, maar het was duidelijk te merken, dat ze bereid was hun huwelijk op te geven, als hij in deze zaak niet toegaf.

„Neen, dan moet het maar gaan, zooals je wilt,” zei Gudmund. Hij vond niet, dat hij voor Helga zijn heele toekomst kon opofferen. Maar hij werd heel bleek, toen hij toegaf en was den heelen avond stil en ontstemd.

Het was nu hierdoor, dat Gudmund bang was geworden, dat Hildur misschien niet heelemaal zóó was als hij zich had voorgesteld. Hij vond ’t ook niet prettig, dat zij haar wil tegenover den zijnen had doorgezet, maar ’t ergste was, dat hij ’t niet anders kon inzien, dan dat zij ongelijk had. Hij voelde, dat hij graag zou toegegeven hebben als ze getoond had groot van hart te zijn; maar in dit geval vond hij, dat ze alleen kleingeestig en harteloos was geweest.

Iedere keer, dat Gudmund nu Hildur ontmoette zat hij te onderzoeken en er over te denken of dat wat hij gemeend had bij haar te vinden ook weer voor den dag zou komen.

Nu zijn wantrouwen eenmaal gewekt was, duurde het ook niet lang of hij vond het een en ander, dat niet was zooals hij ’t wenschte.

„Zij is wel iemand, die ’t eerst aan zich zelf denkt,” mompelde hij, telkens als hij van haar weg ging, en hij vroeg zich af, hoe lang haar liefde voor hem zou duren, als die op de proef werd gesteld. Hij beproefde er zich meê te troosten, dat alle menschen ’t eerst aan zich zelf dachten, maar toen kwam plotseling Helga hem in de gedachte. Hij zag haar weer zooals zij op het Ting stond en den Bijbel naar zich toe rukte en hij hoorde haar roepen: „Ik trek mijn aanklacht in! Ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”

Zóó had hij gewild, dat Hildur wezen zou. Helga was voor hem een maat geworden waarmee hij iedereen mat. Voorwaar! daar waren niet velen, die zich in liefdevolle toewijding met haar zouden kunnen meten.

Met den dag hield hij minder van Hildur; maar hij kwam niet op de gedachte, dat hij van dat huwelijk zou kunnen afzien. Hij trachtte zich zelf wijs te maken, dat dit alles maar verbeelding was. Want voor enkele weken nog hield hij haar voor het beste meisje dat er op de wereld bestond.

Was het in ’t begin van hun verloving geweest, dan zou hij zich misschien hebben teruggetrokken. Maar nu was hun huwelijk al in de kerk afgekondigd, de dag van de bruiloft was bepaald en bij hem thuis waren ze al met groote reparaties begonnen. Hij wilde ook niet den rijkdom en de goede positie, die hem wachtten, verliezen. En wat zou hij voor reden opgeven voor ’t verbreken van hun verloving? Wat hij op Hildur had aan te merken waren zulke kleinigheden, dat ze op zijn lippen zouden opgaan in lucht als hij ze probeerde uit te spreken.

Maar zijn hart was dikwijls bezwaard en telkens als hij in het kerspel of in de stad wezen moest, kocht hij daar bier of wijn in een winkel om zich daarmee in de goede stemming te brengen. Als hij een paar flesschen gedronken had was hij weer trotsch op zijn huwelijk en ingenomen met Hildur. Dan begreep hij niet wat het was, dat hem kwelde.

Gudmund dacht veel aan Helga en verlangde haar weer te ontmoeten. Maar hij meende, dat Helga hem een stumper vond, omdat hij de belofte niet had gehouden, die hij haar geheel vrijwillig had gedaan, maar integendeel haar had laten heengaan. Hij kon het niet uitleggen, noch zich verontschuldigen, en daarom vermeed hij haar te ontmoeten.

Op een morgen toen Gudmund op den weg liep, ontmoette hij Helga, die naar het dorp was geweest om melk te koopen. Gudmund keerde om en ging met haar terug. Ze scheen dat niet prettig te vinden, en liep hard, alsof ze van hem af wilde komen en zei niets. Gudmund zweeg ook, omdat hij niet recht wist hoe hij het gesprek zou beginnen.

Een rijtuig kwam aan op den weg, heel in de verte. Gudmund liep in gedachten en merkte het niet, maar Helga had het gezien en keerde zich naar hem toe.

„’t Is beter, dat je niet met mij loopt, want als ik me niet vergis, is het de familie van den rechter van Elvakker, die daar komt aanrijden.”

Gudmund zag snel op, herkende het paard en den wagen en maakte een beweging alsof hij wilde omkeeren. Maar onmiddellijk daarna richtte hij zich op en liep kalm voort naast Helga, tot het rijtuig voorbij was. Toen liep hij langzamer. Helga bleef snel doorloopen en zij scheidden zonder dat hij een woord tot haar had gesproken. Maar dien heelen dag was hij tevredener over zichzelf dan hij in lang was geweest.

V.

Het was nu bepaald, dat de bruiloft van Gudmund en Hildur den tweeden Pinksterdag op Elvakker zou worden gevierd. Op den Vrijdag vóór Pinksteren reed Gudmund naar de stad om eenige inkoopen te doen voor een feest voor de thuiskomst van het jonge paar, dat op Närlunda den dag na de bruiloft zou worden gegeven. In de stad kwam hij in gezelschap met een paar jongelieden uit zijn gemeente. Zij wisten, dat dit Gudmunds laatste tocht naar de stad was vóór zijn huwelijk en naar aanleiding daarvan zetten zij een groot drinkgelag op touw.

Allen legden het er op aan, dat Gudmund drinken zou en het gelukte hun eindelijk hem geheel buiten westen te maken.

Hij kwam op den Zaterdagmorgen zóó laat thuis, dat zijn vader en de jongen reeds naar ’t werk waren gegaan en sliep toen nog tot laat op den namiddag. Toen hij opstond en zich aankleeden wilde zag hij, dat zijn jas op een paar plaatsen gescheurd was. „Het schijnt wel of ik vannacht gevochten heb,” zei hij, en probeerde te bedenken wat hij gedaan had. Hij kon zich wel herinneren, dat hij de herberg tegen elf uur had verlaten met een paar kameraden; maar waar zij toen heen gegaan waren wist hij niet meer. ’t Was alsof hij in een dikke duisternis probeerde te kijken. Hij wist niet of ze alleen maar op straat hadden rondgezworven of dat ze bij iemand binnen waren geweest. Hij kon zich niet meer herinneren of hij zelf of een ander het paard had opgetuigd en wist niets meer van de thuisreis.

Toen hij in de groote kamer kwam was die geschuurd en in orde gebracht voor het feest. Al het werk voor dien dag was afgeloopen en de huisgenooten zaten aan de koffie. Niemand zei iets van Gudmunds tocht. Zij schenen overeengekomen te zijn, dat hij deze laatste weken de vrijheid zou hebben te leven zooals hij wilde.

Gudmund zette zich aan de tafel en kreeg zijn kop koffie. Terwijl hij daar zat en de koffie op het schoteltje goot en weer terug in de kop om ze af te koelen, was Moeder Ingeborg met haar koffie klaargekomen en nam de courant op, die pas gekomen was, om er uit voor te lezen. Ze las de eene kolom na de ander en Gudmund, zijn vader en de anderen luisterden. Onder allerlei wat zij voorlas, was ook het bericht van een gevecht, dat den vorigen nacht op de groote markt had plaats gehad tusschen een bende dronken boeren en een paar arbeiders. Zoodra de politie kwam, vluchtten de vechtersbazen, maar een van hen bleef levenloos op de markt liggen. De gevallene werd naar het politiebureau gedragen, en daar geen uiterlijke beschadiging aan hem gevonden werd, probeerde men hem weer bij te brengen. Maar alle pogingen waren te vergeefs geweest en eindelijk had men ontdekt, dat het lemmet van een mes in zijn schedel stak. ’t Was het lemmet van een buitengewoon groot zakmes, dat door den schedel in de hersens gedrongen en dicht bij het hoofd was afgebroken.

De moordenaar was met het heft gevlucht, maar daar de politie hen, die aan het gevecht hadden deelgenomen, zeer goed kende, had men hoop hem spoedig te zullen vinden.

Terwijl Moeder Ingeborg voorlas, zette Gudmund zijn kop koffie neer, stak de hand in den zak, haalde zijn zakmes er uit en keek er vluchtig naar. Op eens ging hem een schok door de leden; hij keerde het mes om en stak het daarna zóó snel in den zak, alsof hij zich er aan gebrand had. Hij raakte daarna zijn koffie niet meer aan; maar zat lang volkomen onbewegelijk met een peinzende uitdrukking op ’t gezicht. In zijn voorhoofd kwamen diepe plooien. ’t Was duidelijk, dat hij ingespannen over iets nadacht.

Eindelijk stond hij op, rekte zich uit, snakte naar adem en liep langzaam naar de deur. „Ik moet me eens wat bewegen. Ik ben den heelen dag nog niet buiten geweest,” zei hij en ging de kamer uit.

Ongeveer op ’t zelfde oogenblik stond ook Erland Erlandsson op. Hij had zijn pijp leeggerookt en ging naar de kleine kamer om nieuwe tabak te halen. Toen hij daar zijn pijp stond te stoppen, zag hij Gudmund aankomen. De kleine kamer zag niet op de plaats uit, zooals de groote kamer, maar op een kleinen tuin, waar een paar hemelhooge appelboomen stonden. Achter dien tuin lag een moeras, waar in het voorjaar groote plassen water lagen, die in den zomer bijna droog werden. Zelden ging iemand dien kant uit. Erland Erlandsson vroeg zich verwonderd af wat Gudmund daar te maken had en volgde hem met de oogen. Hij zag toen, dat zijn zoon de hand in den zak stak, daar iets uit nam en het ver weg in ’t moeras slingerde. Daarop liep hij door het tuintje, sprong over een heg en ging den weg op.

Zoodra zijn zoon uit het gezicht was ging Erland op zijn beurt naar buiten en liep naar het moeras. Hier waadde hij door de modder, maar bukte zich spoedig en nam iets op, waar hij met den voet tegen gestooten had. ’t Was een groot zakmes, waarvan een lemmet was afgebroken. Hij keerde het om en om, bekeek het aan alle kanten, terwijl hij nog in het water stond. Toen stak hij het in den zak, maar nam het er weer uit en onderzocht het nog een paar maal, vóór hij weer in huis ging.

Gudmund kwam niet thuis voor allen ter ruste gegaan waren. Hij ging dadelijk naar bed, zonder het avondeten, dat in de groote kamer klaar stond, aan te roeren.

Erland Erlandsson en zijn vrouw sliepen in de kleine kamer. Tegen het aanbreken van den dag meende Erland voetstappen bij het venster te hooren. Hij stond op, schoof het gordijn ter zijde en zag, dat Gudmund naar het moeras ging. Hij trok schoenen en kousen uit, en liep in het water heen en weer, als iemand, die iets zoekt. Hij deed dit lang achter elkaar, ging toen naar den kant, alsof hij van plan was heen te gaan, maar keerde spoedig terug en begon weer te zoeken. Een vol uur stond de vader naar hem te kijken. Toen ging Gudmund naar huis en naar bed.

Den eersten Pinksterdag zou Gudmund naar de kerk rijden. Toen hij ’t paard begon op te tuigen, kwam zijn vader over de plaats. „Je hebt vandaag vergeten het tuig te poetsen,” zei hij, terwijl hij voorbij ging, want de wagen en het tuig waren vuil en ongepoetst.

„Ik had wat anders om aan te denken,” zei Gudmund lusteloos en reed weg zonder er iets aan te doen.

Na de godsdienstoefening ging Gudmund met zijn verloofde naar Elvakker en bleef daar den geheelen dag. Daar kwamen veel jongelieden bij elkaar om Hildurs laatsten avond als meisje te vieren en er werd tot laat in den nacht gedanst. Er werden velerlei soorten wijn en andre dranken rondgediend, maar Gudmund roerde ze niet aan. Dien heelen avond sprak hij bijna met niemand, maar hij danste woest en lachte nu en dan luid en schel, zonder dat iemand wist waarom.

Gudmund kwam niet thuis voor ongeveer twee uur en zoodra hij het paard op stal gebracht had, ging hij naar het moeras achter het huis. Hij trok schoenen en kousen uit, stroopte zijn broek op en liep in het water. ’t Was een lichte zomernacht en de vader stond in de kleine kamer achter het gordijn en keek naar zijn zoon. Hij zag hem gebogen over ’t water loopen en zoeken als den vorigen nacht. Hij ging nu en dan naar den kant, alsof hij wanhoopte iets te vinden, maar een poos later begon hij weer door het water te waden. Eens ging hij een emmer halen uit den stal en begon water uit de kleine plassen te scheppen, alsof hij van plan was die leeg te maken; maar dat vond hij zeker een hopeloos werk, en hij zette den emmer weg. Hij probeerde het ook met een net en ploegde daarmee ’t heele moeras door, maar hij scheen niets anders dan modder omhoog te werken. Hij ging niet naar binnen voor ’t zóó laat in den morgen werd, dat de menschen in huis begonnen op te staan. Toen was hij zoo moe en uitgeput door ’t waken, dat hij wankelde onder ’t loopen en zich op zijn bed wierp, zonder zijn kleeren uit te trekken.

Toen de klok acht uur sloeg, kwam zijn vader hem roepen. Gudmund lag op bed met zijn kleeren vol modder en klei; maar zijn vader vroeg niet wat hij gedaan had; hij zei alleen, dat het nu tijd was om op te staan en sloot de deur. Na een uur kwam Gudmund beneden in de groote kamer in zijn mooie bruidegomskleeren. Hij was bleek en zijn oogen brandden onrustig, maar niemand had hem ooit zoo mooi gezien. Zijn trekken waren als door een inwendigen glans verhelderd. ’t Was alsof men iemand zag, die niet meer uit vleesch en bloed bestond, maar alleen uit wil en ziel.

’t Was plechtig in die groote kamer. De moeder had haar zwarte kleeren aan en een mooie zijden shawl om de schouders, ofschoon zij niet mee naar de bruiloft kon gaan. Alle knechts hadden ook hun beste kleeren aan. Frisch berkenloof was op den haard gezet. De tafel was met een tafellaken gedekt en er stonden veel spijzen op den disch.

Na het eten las Moeder Ingeborg een psalm en een stuk uit den bijbel. Daarop wendde zij zich tot Gudmund, dankte er hem voor, dat hij een goede zoon geweest was, wenschte hem geluk in de toekomst en gaf hem haar zegen. Moeder Ingeborg kon haar woorden goed kiezen en Gudmund was zeer aangedaan. Telkens kwamen hem de tranen in de oogen, maar het gelukte hem ze te bedwingen. Zijn vader sprak ook een paar woorden. „’t Zal je ouders zwaar vallen je te moeten missen,” zei hij en Gudmund was weer op het punt in schreien uit te barsten. Alle knechts traden ook naar voren, schudden hem de hand en dankten hem voor den tijd, die voorbij was. De tranen stonden Gudmund al dien tijd in de oogen. Hij kuchte, en probeerde een paar keer te spreken, maar hij kon nauwelijks een woord over de lippen krijgen.

Zijn vader zou hem naar ’t huis van zijn bruid brengen en de bruiloft mee vieren. Hij ging naar buiten, spande het paard voor den wagen en kwam toen binnen en zei, dat het tijd was om te gaan. Toen Gudmund in den wagen stapte zag hij, dat die was schoongemaakt. Alles was zoo keurig en goed verzorgd, als hij ’t altijd placht te willen hebben. Op ’t zelfde oogenblik zag hij ook hoe de hoeve er uitzag. Er lag nieuw grint in de oprijlaan, hoopjes oud bouwmateriaal en ander afval, die daar in zijn tijd voortdurend gelegen hadden, waren weggeruimd. Aan beide zijden van het hek stonden een paar geschoren berken als een eerepoort; een groote krans meidoorn hing aan den weerhaan, en uit alle luikjes staken bouquetten lichtgroen berkenloof. Weer was Gudmund op het punt in schreien uit te barsten. Hij greep de hand van zijn vader, juist toen die ’t paard wilde aanzetten, alsof hij hem beletten wou weg te rijden.

„Is er nog iets?” zei zijn vader.

„Ach neen,” zei Gudmund. „Er is niets. ’t Is maar het best, dat we wegrijden.”

Gudmund moest nog ééns afscheid nemen eer hij ver van de hoeve was. Helga van ’t groote moeras stond te wachten aan ’t hek, waar het boschpad van haar hoeve uitkwam op den weg. De vader reed zelf en hij hield het paard in, toen hij Helga zag.

„Ik heb op jelui gewacht, want ik wilde Gudmund vandaag gelukwenschen,” zei Helga. Gudmund boog zich voorover, uit den wagen en drukte Helga de hand. ’t Kwam hem voor, dat zij mager geworden was en dat haar oogen rood waren. Ze had zeker iederen nacht liggen schreien, omdat zij naar Närlunda verlangde. Maar nu deed ze haar best er vroolijk uit te zien en lachte hem vriendelijk toe. Hij werd weer heel bewogen, maar kon niets zeggen. Zijn vader, die immers den naam had, dat hij niet sprak, voor de nood op het hoogst was, zei toen: „Ik denk, dat Gudmund met dezen gelukwensch wel eens zoo blij is als met ieder ander.”

„Ja, dat is zeker,” zei Gudmund.

Zij drukten elkaar nog eens de hand, en de vader reed voort. Gudmund lag achterover in den wagen en keek Helga na. Toen ze achter een paar boomen verdween, schoof hij haastig het voetkleed weg en stond op, alsof hij uit den wagen wilde springen.

„Wou je Helga nog iets zeggen?” vroeg de Vader.

„Neen, och neen,” antwoordde Gudmund en ging weer zitten.