Part 16
Dit alles gaf een nieuwen ommekeer in haar stemmingen. De weken verdwenen in het proevend herdenken van de heerlijkheid der voorbije dagen en in de verwachting naar nieuwe vreugd. Heleen’s gedachten lagen stil en haar houding tegenover zichzelf en de menschen was een blijde en volmaakte vlekkeloosheid en onzelfzuchtigheid in wil en daad, met geen ander doel, dan dat zij hem aldus bekoren zou, zonder begeerte naar eenig ander doel of loon. Der hemelen klaarte scheen verwijd tot een eeuwigheid van licht en in de broze droomen harer nachten schemerde een onleefbare gelukzaligheid, dewijl ze hem liefhad. Terwijl het zomer werd, geurde de aarde en de dagen zetten zich zwellende uit als vruchten, die hun rijpheid tegemoet gaan, hoop groeide boven rede uit; de opgang van het getij begeleidde den opgang van Heleens verwachtingen. Doch tegelijkertijd minderde de staat van haar gezondheid, ze verviel zienderoogen. De spanningen der laatste weken, slapeloosheid en koortsig slapen, het zware werk in de warme school, angst en bedwang wreekten zich in veelvuldige hoofdpijn en vermoeidheid, die haar schouders brandend knakte. Ze verborg dit voor haar vriend, opdat hij haar niet zou ontraden te blijven komen en slikte drankjes om zich staande te houden. Zijn bezorgdheid streelde haar en zijn lof voor haar ijver schonk haar kunstmatige kracht en bedrieglijk vermogen tot volhouden. Doch eens op een keer, het was een warme, gedrukte middag, voelde ze zich na langen tijd gebukt staan, plotseling duizelig-klam en tot in haar lippen wit, ze keek om naar een stoel maar vreesde te vallen, als ze zich er heen begaf. Ze bleef dus staande, met het hoofd in de hand tegen de werktafel geleund, hij keek op, bemerkte het, kwam snel naar haar toe, trok haar mee naar zijn stoel en liet haar neerzitten op zijn knie. Heleen had een aarzeling ondanks zichzelf, doch hij overwon die met zijn onbevangenheid. Hij zei, Heleen moest maar voor even denken dat hij haar oom was. Heleen, na even rusten gauw hersteld en in een zachte opgetogenheid vaardig tot scherts, lachte om dien voorslag, ze kuste hem speelsch en zacht op zijn haar en noemde hem „oom Lovelace.” Een lichte jaloerschheid prikkelde haar voor het eerst, ze wist niet van waar en ook niet waarom juist nu, en ze had speelschen lust hem naar de meisjes die hij kende en zijn verhouding tot haar te vragen. Een zwoele damp sluierde hun hoofden te zamen, de onbevangenheid trok even heen. Heleen zei, met een streelende, gedempte stem: „zal ik mijn oom nu nog eens kussen?” Hij antwoordde evenzoo: „ja.... toe.... doe dat.” Maar een coquette speelschheid wakkerde in haar aan, ze trok het hoofd terug, „ik kus geen mannen” Hij plaagde, „je laat je liever kussen.” Heleen beaamde dit met peinzenden knik en overdacht, dat het werkelijk altijd zoo was geweest.... ze vergat het oogenblik.... toen drong hij aan, „maar je hebt het nu beloofd.” Heleen kuste hem nu wederom teeder en speelsch op zijn wang en zóó licht of haar lippen appelbloesem waren van den boom af neergewaaid naar zijn gelaat, even tippend en weer weg. Ze lachte met bedauwde oogen en was blij en had in de handen willen klappen en schreien tegelijk om deze ongedroomde verrukking, doch zijn klein, nauwelijks merkbaar gebaar beduidde haar dat hij teleurgesteld was, hij wilde het niet doen blijken, maar deed het toch; de vreugde dáárover vervoerde Heleen, ze bukte snel het hoofd en kuste hem vier maal achtereen zacht en vast op zijn mond. Maar dat was de eerste maal in haar leven, dat ze haar bloed moest bedwingen om zich niet aan zijn borst te werpen.
Plotseling begeerde ze te weten en te hooren, wat hij ervaren had. Ze lei, opgesprongen en staande naast zijn stoel, de armen om zijn hoofd en fluisterde „was het heerlijk zoo?”—en zijn „ja” was klankloos als door een nevel van verrukking en willoosheid heen. Doch toen ze dwazelijk diezelfde woorden nog wederom vragen en wederom hooren wilde, trok hij zacht het hoofd uit haar armen terug en stond op. Hij had zijn stem en zijn glimlach hersteld om effen en koel te zeggen: „Natuurlijk was het heel prettig, het gebeurt niet iederen oom iederen dag dat hij zoo door zijn nichtje gekust wordt.” Pijnlijk verschrokken om zijn lichtvaardigheid keek Heleen hem aan, doch zag zijn oogen in donkeren ernst op de hare gericht. Ze verstond hun waarschuwing: dat ze zich hieruit niet te groot en te vast een illusie zou bouwen.
XXVII.
Zoo goed als elke bloem en elke vrucht geleidelijk rijpt, zoo was ook Heleen geleidelijk gerijpt, maar zoo goed als er voor elke vrucht en voor elke bloem één oogenblik bestaat, dat hij voor het eerst rijp is tegenover een vorig, dat hij voor het laatst nog niet rijp was, zoo was er nu ook voor Heleen zulk een oogenblik geweest. De zomerdag was luw en lang, Heleen deed haar werk en sprak met de menschen, deed ineens haar stem jubelend opgaan—een vroolijkheid die in haar trilde als een vogel op gespreide vlerkjes—verviel dan plotseling tot stilte, waarin haar hart bang en zwaar bonsde in haar borst. De zoete bevangenheid week voor het een niet en voor het ander niet en drong haar tot alleen zijn met zichzelve, dat ze te mijden zocht. Er was iets, doch ze wilde nog niet weten, wat er was, in een warme huivering van zoete onrust trad ze den nacht tegemoet, die haar aan zichzelf openbaren zou.
Toen dan lei ze zich op haar bed, zonder wil of lust tot slapen, zacht ademend in de zomernachts-schemering en wilde zich overgeven aan bezinnend zelfonderzoek. Doch een zoetvloeiende weelde welde in zachten aandrang uit de kern van haar hart en overstroomde als met golven haar geheele wezen, elke vastheid van gedachte voor zich uit en uiteendrijvend, zooals een zilvergrijs meer ieder vast ding oplicht en meevoert op de glinsterende toppen van vlotte golven naar een onbekenden oever toe. Roerloos voelde ze zich als opstijgend tot niets verkwijnen, haar hart trilde, uit haar borst worstelde zich een zucht naar boven en vervlood in het zomernachtsdonker; ze drukte vier malen achtereen zacht en vast haar tanden in haar onderlip en smaakte, zoeter dan in dag en licht, het zoet van haar eigen kussen op den mond van haar vriend. Verlangen schreide als zomerdauw uit haar oogen, verlangen lei zich als een vaste, zachte hand streelend tegen haar keel, fladderde als damp om haar hoofd, streek als huivering langs borst en schouders neer,—uit een nieuwe bezieling groeide een nieuw besef, en Heleen wist van nu af aan, en van nu af aan niet langer als een ingeprente les, dat in het volledig wezen der liefde meer van den mensch dan hart en rede, en ook meer dan oogen, mond en voorhoofd is betrokken.... Plotseling wist Heleen, wat ze haar vriend zou kunnen schenken, dat ze nooit een ander geschonken had.
Wist ze waarlijk ook nu pas, dat ze hem liefhad? Was de twijfel aan eigen gevoelens, inzicht en standvastigheid, de harde vergelding van haar los vertrouwen en onbedwongen gretigheid sterker geweest dan de stem van hart en rede te zamen? Nooit had die twijfel geheel en al gezwegen en droeg in de zoetste oogenblikken herinnering uit oude tijden aan, aan andere zekerheid en ander vertrouwen, voor zeker en vast vertrouwd en nochtans uitgescheurd, afgeteerd, verworpen en vergeten. Heden was de nieuwe getuige opgestaan, welke bij elken man en bij elke vrouw in laatsten aanleg voor zijn liefde pleit en beslist—, in schroomvallige verrukking had haar bloed voor hem gesproken. Heleen wist, dat ze nu niet meer twijfelen zou. Ze ving haar tranen in haar open mond en ervoer plotseling uit hun smaak, dat ze deze zelfde tranen al eerder had geschreid en in haar mond geproefd, ze huiverde in een blijde pijn en bevond dat ze die huivering kende en die blijdschap en die pijn. Als naar een gerucht uit de verte, waaruit een oude zang zich weifelend kennen doet, luisterde Heleen ademloos, naar wat het verleden fluisterde uit de volheid van haar eigen hart: dit waren de tranen van den avond op het schoolplein, van de nachten vol van doodsverlangen, dit was de blijde pijn om den Ridder en zijn Bruid! Wat ze als nieuw-geboren in zich had willen begroeten—, het was er altijd geweest, in zuchten en tranen, in het benauwd drukken van de handen tegen haar borst, in zoete ontroeringen; zwaarder en somberder in leed en doodsvrees, in angst en kwijnend voorgevoel, het was om den vogel, die voorbijvloog en dien ze niet grijpen kon, het was om den heer en de dame uit „De Fonkelende Sterren,” het was in zich alleen alles dat niet genoemd, maar wel gevoeld kan worden, het benauwde en bange, het blijde en droefgeestig-zoete. Liefdes-verlangen.... Doods-verlangen.... o, Liefde en Dood hadden eenzelfden bitter-zoeten smaak, het een was een droefgeestige verblijding, het andere een verblijde droefgeestigheid, elk van beiden kiemde in een oude herinnering en had den geur van een verkwijnende bloem.
Heleen had jaren lang genomen wat ze vond, omdat ze niet wist, wat ze zocht; ze had gekust en gekoosd in een vluchtige verblijding, de wierook en den wijn der vleierij in eenzelfde uur opgezogen en vergeten, doch de zoete vlijmen van het verlangen, dat was alsof haar hart werd losgetornd uit haar borst, en alleen in den nacht zijn weg ging tot hem, niet gekend. En dit moest dan het naar den klank langgekende, doch in wezen niet begrepene, dit moest dan hartstocht beduiden? Als een zucht uit duister woei het woord haar aan, doch grofheid en onverstand hadden het eens voor al voor haar ontluisterd, ze wendde zich af als met een wrevelen schouderschok. Dit zou moeten zijn, waarvan menschen in gesprek en geschrift getuigd hadden, dat het hen als een koorts had bezeten, als een scherpe doorn het bloed uit de aderen opgetornd, als een loopend vuur in hen geteerd, als een wild beest in hen gewoed? Dit de hartstocht, die het haten na stond, die met rauwe klacht en groot gebaar omging, die nog kermen en krijten wilde in den ure-zelf, dat hij werd gestild en een geesel werd geheeten en een plaag werd genaamd en nochtans tot haar pijn en afschrik met liefde, die ze had gemeend te kennen, in eenzelfden naam en adem genoemd?
Voor haar verscheen dit alles niet—, maar wel het onvermoede uitzicht op een ongedroomd land van zwijgen, innigheid en roerloosheid, en zoo heerlijk, dat de bitterheid der vrees zich reeds mengde in het zoet van den eersten voorsmaak, daar het leven zoo weinig heerlijkheid voor haar verwezenlijkt had.
Eerder was Heleens blik, heden was voor enkele seconden haar hartslag in dien van haren vriend opgegaan—, van nu af aan zou haar geheele wezen met zijn verborgenste trillingen en windingen, pijnen en geheimen, met al datgene, dat menschen nauwelijks in zichzelven kennen en zelden aan zichzelf belijden, door het gelukkige zwijgen in hem opgaan—, zoodat ze rust in zaligheid zou smaken.
En nu ze, in zomernachtelijke, lichte verdwazing, uit elke werkelijkheid losgeraakt, deze zaligheid in haar bereiken wanend, het einde van strijd en wisselvalligheid, van dolen en tasten in donker en eenzaamheid nabij meende te zien, nu voelde ze, als nooit te voren, hoe haar lichaam en haar geest, van de jaren die achter haar lagen ten doode toe waren vermoeid.
Ze viel in slaap en had een droom als een vluchtige bedwelming. Het was een zijige zomerschemer, het land en de luchten geurden koel en zoet naar erwtenbloesem. Haar vriend en zij traden elkaar tegemoet, hij nam haar in zijn armen en ze kusten elkander tot ze maar één glimlach en één blik en ten leste ook maar één enkelen adem te zamen behielden. Toen niets meer.
XXVIII.
Uit de hoogten der verrukking verzonk Heleen in een donkere vallei van wanhoop, een korte droomlooze slaap volbracht dien nedergang. Bij het ontwaken bevond ze, dat ze bang was en trilde van leed. Ze had haar vriend iets willen geven dat hem verblijden zou en dat ze geen ander vóór hem gegeven en daarna weer ontnomen had en nu ze wist, wat het wezen kon, nu zou het haar geluk niet vergrooten, maar haar strijd zwaarder en banger maken, haar angst smorend en nimmerwijkend, een smartelijk masker met dwalende oogen en verzonken mond. Ze trilde in het Junimorgenlicht van onrust en ongewisheid. Nimmermeer zou ze met de oude onbevangenheid naar hem toe kunnen gaan, want die nijpende vrees om hem te verliezen zou haar woorden en gebaren tot troebelheid beslaan en een averechtsche angstvalligheid, waardoor menschen juist die kostbaarheden breken, daar ze bangst voor zijn, zou ook hem voor haar doen verloren gaan.
Hoe moest haar de nacht betooverd hebben, dat ze had durven droomen, wat niet verwezenlijkt zou worden. Hij had haar niet lief, hij had de bekoring van een oogenblik heerlijk tezamenzijn opzettelijk verbroken met gewilde scherts, in een vastberaden zelfbedwang, dat elke illusie weerde. O, had hij haar toch, ware het voor even, misleid, dat niet het schoone van een nieuwen droom na één enkel uur in den eerstvolgenden morgen alreeds teloor moest gaan.
Lang voor den schooltijd ging Heleen uit het huis en liep de stad uit. Daar was de lucht alreeds van zonnewarmte volgebroeid, uit het wijde, tintelende land geurde hooi en velerlei zoetigheid. Heleen overdacht wat haar vriend haar van zijn eigen leven had verteld. In dezelfde levensjaren dat zij, vervuld van beelden en wanen uit boeken, droomen en mijmerijen, geen andere werkelijkheid kennend en begeerend dan haar eigen ongegronde illusiën omtrent menschen en hun streven, niet anders voor zichzelve vragend dan liefde met liefde te winnen en trouw met trouw, uit haar eenzaamheid van klein stadje, huis en school tusschen de menschen was gekomen en door het verwarrend onderscheid tusschen wanen en ontwaren in een razernij van denken en onderzoeken gedreven, zonder dat haar hart tot het dragen van wat ze als uitkomst aanschouwde, was gerijpt; in dien tijd, dat ze van angst tot angst geslingerd en van pijn in pijn gesleurd, zonder hulp of liefde van eenig mensch, daar ze hulp en liefde met anders te zijn scheen te hebben verbruid, aanhoudend bloedde uit kleine wonden en leed beliep uit de geringe dingen, die anderen voorbijgaan en niet zien; in dien tijd van machteloosheid tegen hardheid en zachtheid, daar ze der menschen wapenen versmaadde en nochtans hun liefde niet op het spel dorst zetten—, in dienzelfden tijd was hij van jongen jonge man geworden, vaardig en begaafd en zorgeloos, gretig om te leeren, te leven en te genieten. Leerend, levend, genietend was hij geleidelijk boven anderen uitgegroeid, tot een lenige volwassenheid en wijsheid gerijpt. Hij had de liefde tot den arbeid om den arbeid-zelf, en niet als stilling van klacht en vraag gekend; liefde van vrouwen nemend en genietend, had hij nimmer op die liefde zijn geheele bestaan en al zijn wenschen samengetrokken, noch haar, gelijk Heleen, tot eeredienst verheven. Hij had in het daadwerkelijk leven vooraan gestaan, menschen ontmoet, gereisd en feesten gevierd. Hij had zich in die jonge jaren van betrekkelijke redeloosheid, buiten het onvruchtbaar peinzen over deugd en recht, dat haar van het leven vervreemd en ten gronde had gericht, in behoeften en gewoonten vastgeklonken, welke zijn gerijpte rede hem misschien niet zou hebben toegestaan, doch die nu met zijn leven-zelf waren vergroeid, en met hun eischen en bezwaren zijn dagen bleven vullen, ook nadat hij er de nietigheid en ijdelheid lang van had ingezien, terwijl zijn hart zich naar eigen verlangen aan vreugde en leed had verzadigd, tot het gestild en bijkans voldaan was. Heleen daarentegen had haar leven in zelfkwelling verdaan, verloochening gepreekt, zich geen gewoonten en begeerten geschapen, weelde verworpen als verachtelijk, en zich aan geen enkel aardsch belang vastgehecht. Eenmaal was dat bijkans haar hoovaardij geweest, nu gewerd het haar als het bitterst gemis.
Jonge menschen, die ze kende, mannen en meisjes, verloofden zich en trouwden, spraken gewichtig en omslachtig over tafels en banken, die ze koopen, huizen en straten, waar ze wonen en werk, dat ze verrichten wilden; in hun onschuldige onwetendheid vleiden ze elkaar en zichzelf met mooie en verheven namen te geven aan de dingen die ze bij voorkeur wilden doen—, doch het was Heleen in den grond onverschillig, welk huis ze bewoonde, aan welke tafel ze zat en welk werk ze verrichtte; de troost van den eigenwaan was haar evenzoo lang ontnomen. De anderen trouwden, te zamen jong en dwaas, werden ze soms te zamen oud en wijs, meestal oud en dwaas, soms gelukkig en wijs, meestal ongelukkig en onwijs, doch alzoo vloden hun jaren voorbij in op- en nedergang, tot ze oud en vermoeid waren. Heleen was jong en vermoeid. Haar vriend was geleidelijk en veelzijdig gegroeid, zij daarentegen was als op een bed van Procrustes geworpen en in scherpe pijnen uitgerekt naar eene richting. Mocht het schijnen, dat zij en haar vriend van eenzelfden maat waren en van eenzelfde gehalte, hij was van binnen gaaf en in zijn geheel gebleven, doch zij vol scheuren en onheelbare kneuzingen. Bijen zamelen honing in, zoolang het zomer is—want lust en bestemming zijn in hen tot één vereend—ze vragen naar geen doel en geen waarom, doch in den winter, als de bloemen verdwenen, ligt er de voorraad en bewaart voor den dood. Hadden ze zich verzet te doen wat ze niet begrepen, ze zouden hebben moeten sterven. Niet zij alleen leefde in een woestijn, maar wel zij alleen miste teerkost en tijdverdrijf, de lengte der dagen en de honger der nachten dreigden haar te verpletteren—, ze had zichzelve leeggezogen.
Nooit te voren had Heleen zoo schrikkelijk haar eenzaamheid beseft. O, zij en haar vriend, hoe verschilden ze nog naar hun groei en maaksel. En toch was hij haar boven alles dierbaar en toch stond hij haar nader dan eenig ander mensch. Hij ook had het leven als een rekensom ontworpen en de som zijner zekerheden in den nul uitgedrukt, die de gesloten kerker is van elken mensch, maar hij had niet, zooals zij, toch altijd weer aan de traliën gewrikt en de tanden geknarst; hij was als een gelaten gevangene midden in zijn cel gaan zitten en aan zijn dagelijksch werk gegaan, wetend dat rukken nutteloos is en dat toch ook geen mensch meer van de wereld ervaart dan de gevangene in zijn cel. Ook Heleen had dit zichzelf voorgehouden, maar de kracht gemist, daar berusting een zaak van bloed en zenuwen, niet van wil of verkiezing is, en haar eigen tijd kiest om te komen.
Hem had de meester, toen hij van wereldsch weten en wereldsche vreugde verzadigd was, naar een rustige plek gedragen, daar al het vergaarde in schoone en zuivere vlakken was gekristalliseerd, haar wezen daarentegen was lang voor den rechten tijd door schudden en schokken tot verwrongen vormen gestold. Doch daarbinnen leefde een kind en had nog niets genoten, en daar was een vrouw pas ontwaakt en had nog niet eens geleefd, en die beiden te zamen zouden dag en nacht opvragen van den vriend, dien ze liefhad en die zijn hart alreeds had uitgeleefd, zoodat hij nu niet langer vriend, vrouw en kind in één wezen tot zich nemen en bevredigen kon.
Heleen overpeinsde dit alles, hoorde haar overwegingen aan en gaf zichzelf gelijk en toen ze gesproken en geluisterd had, toen bemerkte ze, dat ze over het zachte mos van een lindelaan ging en dat er een wit bruggetje in de verte van dansende gouden sproeten volstond. Ze haalde warmte en zoetigheid met haar adem in, keek in de hoogte naar blauw en wuivend groen, voelde een opstijgende vreugde en hoopte, dat haar vriend haar liefhebben en tot zich nemen zou. Want ze was niets meer dan een gewoon meisje, dat een man zoodanig liefheeft, dat ze zonder hem niet gelukkig kan wezen en derhalve tegen de sterkste klaarblijkelijkheid nog hopen blijft.
De morgen ging kalm voorbij. Heleen deed haar werk zonder onrust of achtergedachte, doch in het middaguur bevloog haar plotseling de vrees, dat er in haar huis een brief kon liggen van haar vriend, waarin hij haar schreef, dat ze niet meer bij hem moest blijven komen, na wat er gisteren was geschied. Ze zag plotseling den donkeren blik van zijn oogen, en meende nu pas ten volle zijn bedoeling te verstaan. Hem, die niet wist, dat zij hem al zoo langen tijd, schier van den beginne af, had liefgehad—daar haar weerzin tegen de woorden, die zijzelf door al te grif gebruik ontluisterd had, haar in een ander uiterste gedreven en zijzelf in ernst en in scherts liefkoozing buiten het gebied der scheidende of bindende liefde had verwezen—, hem moest het gelijken, alsof ze hem in een listig voorbereid en listig gekozen oogenblik overrompeld had, hij zou haar verachten en minder dan ooit tot wederliefde genegen zijn. In heete golven rees het bloed haar naar het hoofd,—ze wilde hieromtrent ten spoedigste klaarheid hebben. De school was ver van haar huis, ze bleef dus gewoonlijk tusschen de lesuren over, maar ditmaal haastte ze zich hijgend door de heete straten huiswaarts om te weten of haar vrees waarheid voorspelde.
Het gebeurde wel meer, dat vrees voor onraad of slechte tijding haar op die wijze plotseling naar huis dreef; zoo sterk was dan dat onheilspellend voorgevoel, dat het haar bijkans onmogelijk scheen, geen onraad of slechte tijding te zullen vernemen, elk ding rustig en op zijn eigen plek te zien, het huis kalm en gewoon.
Ook nu lag er geen brief, de kamer was koel achter de gesloten gordijnen. Heleen trilde van de spanning en van het overmatig haasten, een brandende pijn scheen haar lendenen te knakken, ze moest gaan zitten, om haar hartslag uit haar keel weg te duwen. Al gauw diende ze weer terug, de tusschentijd was kort, doch ze lei zichzelf een voorloopige rust op door haar voornemen na den schooltijd tot hem te gaan. Dan zou er omtrent alles zekerheid wezen. Ze wilde weten, hoe hij, na gisteren, over haar dacht, en hoe hij zich hunne verdere verhouding voorstelde, maar bovenal begeerde ze hem de overtuiging te brengen, dat zijzelf in het gebeurde niet meer dan een oogenblikkelijke vervoering zag, waaraan ze geen dieperen zin wilde hechten. Gisteren had hij haar zwak gezien, heden zou ze hem doen weten, dat ze ook wel sterk tegen zichzelf kon zijn en een oog uitrukken, zoo het haar hinder deed, opdat ze niet met lijf en ziel verloren zou gaan. Maar dieper in haar school de verdoken hoop, dat ook hem de nacht aan zichzelf mocht hebben geopenbaard en dat haar blijde wonderen te wachten stonden. Indien dat eens waar was. Een zachte warmte stroomde door haar heen, in een zucht effende zich haar onrustigheid, even wiegelde ze weg in zalige voorspiegeling. Doch hoe, als hij op dit oogenblik thuis zat en haar den brief schreef, dien ze als een vonnis voorzag? De ijzigheid der vrees en de gloed der verwachting bestormden haar gelijktijdig van allen kant en verwarden haar zoodanig, dat ze aan niets meer dacht, dan dat ze hem dadelijk zien en spreken wilde, uit den tramwagen sprong en zich rennende naar zijn huis begaf.
De oude meid opende de deur met een verbaasd en wantrouwig voorhoofdfronsen; door de oogen van die andere zag Heleen haar eigen angstige oogen, haar eigen witte lippen. De meid zei haar, dat hij werkte en niet gestoord kon worden, ze stak minachtend de lip vooruit toen Heleen bleef aandringen, de blik van haar oogen maakte Heleen een oogenblik woest woedend en rampzalig van schaamte tegelijkertijd, doch ze vond niet de kracht terug te gaan. De meid liet haar daarop in een kamer beneden, ging aarzelend naar boven en kwam na enkele oogenblikken, waarin Heleen haar adem beklemd en haar oogen beneveld van spanning gevoelde, haar met een koude stem aanzeggen, dat ze een enkel oogenblik moest wachten.