Part 15
Heleen wachtte enkele weken voordat ze weer naar hem toeging, doch iedere dag bracht met het ontwaken een nieuwe worsteling tegen haar verlangen om tot hem te gaan, en in den avond een nieuwe blijde verluchting, omdat ook dien dag het wegblijven haar was gelukt. Het gebeurde wel, dat zij zich zoozeer ledig en droefgeestig voelde dat de begeerte hem te zien elke andere overweging uit haar verdrong, dan begaf ze zich naar zijn huis, maar onderweg bezon ze zich en dwong zich huiswaarts te keeren. Bange voorgevoelens bevlogen haar, dat ze het op die wijze niet uithouden zou. Dat ze naar hem toe zou gaan en zich onbeheerscht verraden door mond en oogen en alzoo wat ze met geduld en sluwheid bezig was te bouwen, in de koorts van een enkele seconde ineenstorten, zooals een aardbeving den arbeid van tallooze jaren en tallooze handen in één stoot verwoest. Zij zou haar dwaasheid begaan en hij zou haar verachten en verstooten, of op zijn best haar tot zich nemen, zooals een man wel een vrouw tot zich neemt, van wie hij niets anders weet dan dat zij bekoorlijk is en een slechten naam heeft, na een daad, welke van haar slechten naam de bevestiging is, tot een kortstondige vreugde, welke voor beiden in leed en in weerzin eindigt. De angst dat ze buiten haar wil en verstand om, dien daad zou begaan, als haar de eenzaamheid ondraaglijk werd en het weifelend dwaallicht haar verlokte, maakte haar gejaagd, het dagelijksch optornen tegen zichzelf vermoeide haar bovenmate.
Er was ook deze mogelijkheid—zei ze zichzelf dan weer in oogenblikken van kalmer beraad—dat ze hem van liefde niet sprak, doch troost en onderstand als bij een vriend kwam vragen. Dan overwoog ze wat ze hem zeggen kon en keerde zich weerzinnig af van die ziellooze en door misbruik beduimelde woorden, daar elke verschoten juffrouw zich van bedient, om haar lievelingsdominee te zeggen, dat de wereld zoo slecht is en dat ze hem bewondert. Om alles ter wereld, géén gevoelsbiecht; want het zou niet de eerste zijn, die hij te hooren kreeg, noch haar tranen de eerste, die een man verveelden en met zijn figuur pijnlijk verlegen deden zijn. Zijn glimlach zou haar doen verkrimpen en zij zou hem haten om den nederlaag uit eigen onmacht en voorbarigheid, of erger, hij zou aan haar oprechtheid twijfelen en meenend dat ze hem had willen vangen met een grove list, zijn hart voorgoed van haar afwenden.
Ze moest dus wachten, moest zich bedwingen, en hem den tijd gunnen, haar zonder opgedrongen inlichting harerzijds, uit dagelijksch woord en daad te leeren kennen. Ze had meer dan klacht en tranen, ze had haar geest en haar begaafdheid. Ze moest zich geestig en begaafd toonen, niet als een doel, maar als een middel, dat hij door het betere gehalte van haar geest en haar begaafdheid bij voorbaat het betere gehalte van haar weemoed en haar leed zou erkennen, die toch boven geest en begaafdheid haar echte deel van leven waren, de eeuwige weemoed om de ongewisheid van het bestaan, het eeuwig leed om de menschen met hun geringe liefde en hun gering begrip—en die hij niet mocht vereenzelvigen met den flauwen praat van zijn bloedarme vriendinnetjes, die haar „wereldwee” zes weken vergeten voor een mooi hoedje en voorgoed begraven onder de bloemen van haar verlovingsfeest.
Eindelijk bepaalde Heleen opnieuw een dag om naar hem toe te gaan. Ze ontzegde zichzelf het genoegen, wat bloemen voor hem mee te nemen, want ze wilde niet den schijn wekken, als zocht zij hem door ongevraagde gaven tot een tegenverplichting van hoffelijkheid of genegenheid te dringen. Maar wel ging ze den vorigen avond vroeg slapen, opdat de glans van haar oogen niet door vermoeidheid verduisterd zou zijn en ze kleedde zich met voordacht en ongewone zorg. En ook ditmaal, zoodra ze in zijn huis en bij hem was, week alle onrust uit haar weg. Ze had haar plaats onder de lamp in het midden van het vertrek met opzet zoo gekozen en zette zich gebogen in den ouden armstoel, zoodat haar haren sterk glansden en haar voorhoofd daaronder in schaduw lag, mond en kin vaag zichtbaar in het gedempte licht, en weer bedacht ze, als dien avond in de tram, in een kleine trilling van onbehagen, dat ze haar leven van deze dingen afhankelijk moest stellen en daar tegelijk blij mee was. Hij vroeg Heleen naar haar werk op school en in een mengeling van vreugde en bitterheid bemerkte ze, hoeveel hij al van haar uiterlijk leven wist, doch ze verried hem niet aan zichzelf door hare bevreemding te toonen en antwoordde argeloos, alsof het alles van zelf sprak.
Heleen vertelde hem dien middag van het averechtsche onderricht in haar jeugd, dat ze met onrijpe balsturigheid nog goeddeels verworpen had en hoe pas in later jaren een krachtige drang naar kennis in haar was opgestaan, die ze nu langs elken weg tevreden zocht te stellen. Hij hoorde haar aan, keek peinzend voor zich uit, en Heleen had moeite het uitbarstend juichen van haar hart te toomen tot een schijn van betamelijke erkentelijkheid, toen hij haar aanbood, dat ze iedere week een middag bij hem zou komen om practisch te leeren werken, tot den winter toe.
Dien avond zwierf Heleen naar haar oude gewoonte uren lang langs donkere dijken en verlaten paden om zich te bedwingen en te stillen en verborg zich na dien dag zorgvuldiger en voorbedachtelijker dan ooit voor het oog van de wereld, opdat de menschen haar vergeten zouden en ook opdat ze hun van haar vreugde niets mededeelen zou, noch lichtvaardig „zijn” naam noemen in vreemd gezelschap, om het genoegen die klanken met haar lippen en haar adem koozend voort te brengen—, zoodat niemand haar bij hem als praatziek of erger zou kunnen aanklagen. Ze ging voort zich in gedachte en daad te onderzoeken, overwoog elk woord voordat ze het uitsprak, vermeed vooral lichtzinnige gesprekken, waarin ze in haar overmoedige buien wel eens behagen had gevonden, en de uitbundigheid, waartoe ze in diezelfde stemmingen licht mede te sleepen viel—, want elkeen, die haar hoorde en gadesloeg, kende misschien hem en kon een valsche boodschapper, een lasteraar zijn. In den avond van iederen eenzamen dag ging ze eenzaam wandelen en overdacht de voorbije uren en voelde zich voldaan, als ze geen van hare gewone onvoorzichtigheden had begaan. Ze sliep dan rustiger en voelde zich daardoor krachtiger worden, het bange voorgevoel trok af, ze wist zich vaardig tot geduld, nu ze van elke zeven dagen er een bij hem zou wezen. Als een kring rondden zich de zes andere om dat lichtend middelpunt en ieder ontving daaruit een eigen, verzoetend licht. Het leek haar weer begeerenswaard te leven.
Weken deinden achter elkander heen in een weldadige rust, Heleen kwam geregeld als het haar dag was en vorderde snel. Zij oogstte voortdurend zijn lof om haar ijver en haar vlug begrip en vermeed het zorgvuldig te veel over zichzelf te spreken. Soms vreesde ze wel in een vlaag van somber mistrouwen, dat hij gewend raakte aan haar gezelschap en geen ander belang stelde in haar dan in elke leerling, want de nieuwsgierigheid was uit zijn blik verdwenen en hij vorschte niet meer naar haar leven. Doch op een middag, terwijl ze ieder aan een afzonderlijke tafel te werken stonden, zag Heleen plotseling, dat hij haar gadesloeg en even later hoorde ze zijn stem: „weet je wel, dat ik me je heel anders had voorgesteld? Je bent haast het tegendeel van wat de menschen je denken....” Heleen nam enkele seconden om zich te bedwingen en haar opgeschrikten hartslag glad te strooken, keerde toen het gezicht naar hem toe, glimlachte zacht en antwoordde niet.
Doch even later, terwijl hij toekeek, hoe ze enkele uitkomsten in een formule neerschreef op een stukje papier, zei hij opnieuw, in denzelfden toon van daareven, waarin Heleen nu een tint van schertsende verteedering meende te hooren: „wat schrijf je toch nog een echt meisjeshandje.” Ook nu bedwong Heleen zich, maar de robijnen blijdschap fonkelde fel in haar op. Want wekelijks schreef ze aldus bij hem en onder zijn toezien, ook had hij enkele briefjes van haar en nimmer voor nu had hij op haar wijze van schrijven gelet. Hij kwam haar argeloos naderbij en wist niet, dat hij het deed, doch zij droeg ook nu angstvallig zorg hem niet aan zichzelf te verraden. Hij had zich gewapend met zijn spot, zijn hooghartigheid, het doorzicht van zijn rijpe jaren tegen het meisje, dat hij zich overmoedig en onstuimig-veroverend had gedacht, doch de weken gingen voorbij zonder dat er een open aanval op hem werd gepleegd en zijn waakzaamheid verslapte. Inmiddels naderde hem onhoorbaar van een andere zijde een gedaante, die hij niet kende....
Heleen overwoog dit aldus, terwijl ze, ietwat verward en blozend, weerging naar haar werk. Was ze al te sluw in haar bedrijf? Ze gaf zich toch in oprechtheid en deed, wat ze deed, tot geen ander doel dan hem te naderen en te winnen, te winnen en te behouden, om hem lief te hebben en van hem geliefd te zijn.
Ze bleven nog een pooslang afgewend van elkander ieder aan het eigen werk. Doch toen Heleen daarna heenging en hij voor haar staande, toekeek, terwijl ze haar handschoen dichtknoopte, vroeg hij haar plotseling: „ben je nu heusch zoo een flirt....?” Heleen sloeg haar oogen naar hem op, weeke woorden lagen ineens op haar trillende lippen gereed, maar ze sprak die niet uit en antwoordde: „ja, héél erg,” maar haar blik en haar stem weerspraken den glimlach en de luchtige woorden. Toen vroeg hij ook niet verder en liet haar gaan.
XXV.
Heleen geloofde geen oogenblik, dat hij haar liefhad en ze durfde zelfs niet verwachten, dat hij haar ooit liefhebben zou. Ze had zich in veel vergist, maar ze wist dat ze zich ditmaal niet vergiste, zelfs het aroom van teederheid dat meermalen zijn stem en zijn gebaar ontvlood, hoezeer het haar verrukte, het misleidde haar niet. Ze nam zich wel eens voor, enkele weken weg te blijven, om te weten òf, en op welke wijze hij haar tot zich roepen zou, maar ze deinsde terug voor de mogelijke uitkomst van die proef en liet het achterwege. De kwelling der onrust keerde bij vlagen terug, wanhoop en verbijstering bevlogen haar soms in den nacht, dreven haar uit bed en in jachtigen stap haar kamer op en neer. Als ze bij hem was, trilden vaak haar handen en deed ze onbeholpen dingen, of een vraag was haar ontgaan en ze gaf een verkeerd antwoord. Dan had hij wel eens een ongeduldig woord of een misnoegd gebaar, dat haar volslagen ellendig maakte. Daar zijzelf in de geheele week, die daarop volgde, aan niets dan aan dien éénen misslag denken kon, waande ze uiteraard, dat ook hij aan niets anders dacht, geen andere herinnering aan haar behield en haar verachtte als dom en onbeduidend. De oude kleinheidswaan greep haar weer nijpende beet. Wat was ze, wat had ze, wat beteekende ze meer dan volslagen niets? Ze sleepte alles, dat ze hem gedurende al die weken had gezegd, uit haar gescherpt geheugen aan en vóór zich en woog het en bevond het te licht, leeg en onbeteekenend. In dit licht leek het haar een buitensporige aanmatiging te meenen, dat hij ooit van haar houden kon. En die uiterlijke bekoorlijkheid, waarop ze haar vertrouwen had gesteld—, ach, bekoorlijkheid gewende, zoo goed als elk dagelijksch ding en besloeg zeker geen plaats in herdenking en overweging.
Doch er waren andere weken, die stonden in den glans van een liefkoozenden blik, van het gebaar, waarmee hij soms de hand op haar schouder lei, dan flitste de hoop weer in haar op, hervond ze haar zelfvertrouwen en verblijdde zich in wat ze alreeds had gewonnen. Want of liefde kwam of dat liefde uitbleef, hoeveel van haar verlangen was al geleidelijkerwijs in vervulling gegaan! Als zij sprak en hij luisterde, verdween de glimlach, elk woord nam hij tot zich in ernst en proevende oplettendheid. Ze had hem van haar jeugd en later leven verhaald, zoodat hij nu uit haar tegenstrijdig opgroeien en rijpen haar tegenstrijdig zijn en tegelijk haar sterke bewustheid omtrent zichzelf begreep.
Het leek zoo wonderlijk, en eenvoudig tegelijk, zooals elk wonder eenvoudig is, een toevallig samentreffen, ’t welk toch geen toeval wezen kon, dat ze na die felle botsing tusschen wat waarheid gewaand en wat leugen gebleken was, in een koorts naar onderzoek was gedreven om te weten wat aan de dingen waar en wat niet waar was en langs dien weg tot het besef gekomen, dat geen enkel ding bewezen waar of onwaar is.... en hoe ze sinds dien de gansche wereld lediggeloopen voelde, zichzelf als afgesneden van een levendheid buiten haar zelf, en kwijnend—, omdat haar wezen niet bestemd en niet bestand bleek deze dingen te weten. Voor zoovele anderen die van haar aanleg waren, liepen wil en bestemming langs ééne lijn, die mochten dan levenslang ongestoord droomen en geloovig dwepen, zij alleen leek wel verstooten, gedoemd om altijd tegen zichzelve in te gaan.
Sprekende scheen het Heleen als werd haar dit alles, dit oude eigene van haar zelf, nog eens weer opnieuw en anderszins dan voorheen opgehelderd en geopenbaard—, het was zijn luisteren, dat haar bezielde, zoodat ze zich bewogen voelde in zoet beklag, zonder dat toch haar oprechtheid ooit haar begaf—elke troebeling verklaarde zich, elke oneffenheid verdween, en het geleden leven lei zich voor haar uit als een gesmede keten van dingen, elkanders oorzaak en gevolg, en waarvan geen enkel, noch eigen, noch andermans, snood of boos, maar evenmin edel of verheven was geweest.
Elk gesprek met haren vriend, dat een tastend al-verder zich verdiepen in zichzelf was, bracht Heleen flitsen van dat nieuwe licht. Geleek het haar niet, als besefte ze nu pas het meeningsvolle van haar kinderlijk peinzen, had ze ooit als nu kunnen zeggen wat haar uit klanken en verhalen, uit kerkhofbloemen en oude reuk had bewogen, zeggen zóó zuiver en klaar dat herdenken hervoelen werd: het opnieuw teeder-wreed uiteengereten worden van haar weeke inwendigheid, zooals ze het als kind had gevoeld, een bedroefdheid, zoo zwaar en van haar alleen, leed dat het leven draaglijk maakte en haar schadeloos stelde, voor wat haar anderszins verbitterd en onthouden wierd? En toch slaagde ze er nog nu niet in, het echte te zeggen, en haar zorgvuldigste woorden botsten tot haar terug als uit gewelven van dat sterke gevoel, zonder het innigste daarvan te kunnen mee- en naar buiten brengen....
Dit besefte Heleen, terwijl ze sprak, en tastend verloor zich haar stem, tot ze zweeg, zonder het te weten en in de oude aandoeningen haar kinderlijkheid hervond, het huis aan de rivier niet zag, maar om zich voelde, haar gansche lange leven dáár, als droomend, in een oogenblik overdeed, tot den bodem proefde en bevond, hoe haar heele innerlijke rijkdom uit de ervaringen dier vluchtige jonge jaren en uit de dwaze, bruine boeken met de zwarte prentjes afkomstig was. Ze proefde dat oude als een smaak, rook het als een geur, het was het aroom der schoonste en heiligste uren, in haar jeugd de regel van elken dag, met het wassen der jaren al schaarscher geworden. Eerst het schoolsche leven en daarna de menschen en hun wereld, hadden haar aan zichzelf ontroofd—, terwijl ze waande te winnen, had ze verloren, en wat ze gemeend had, dat haar rijker zou maken, had haar leeggezogen en verarmd.
Dit alles was het, iedermaal opnieuw, en iedermaal anders, somwijlen bang en diep, wrang en somber, tot Heleen haar lasten moede werd, en het spreken moede werd. Ze voelde het ook: ze had genoeg gezegd, het gelukkige zwijgen was in aantocht, misverstaan voortaan buitengesloten, het afmattend vechten om zich in telkens nieuwe troebeling tot wanbegrip, telkens opnieuw zuiver te doen kennen, niet langer noodzakelijk. En in die oogenblikken van zwijgend in schemer te-zamen-zijn, nadat één enkel woord van hem of soms maar een teeken, een gebaar, een zucht háár zachtverwarde verzuchtingen had beaamd, voelde Heleen, roerloos en zoet verdoofd in haar stoel, het geluk om dat zwijgend begrijpen als een zacht zengen door haar bloed—, tot haar bevreemding....
De enkele malen dat Heleen haren vriend in het bijzijn van anderen ontmoette, miste ze geheel en al de kalmte van hun gewoonlijk samenzijn. Het was geen jaloezie, die haar onrustig maakte, noch voelde ze eenige vijandschap tegenover de meisjes, die tot hem spraken, maar evenwel kon ze haar neiging om voortdurend dicht bij hem te zijn en deel te nemen aan zijn gesprekken met anderen niet onderdrukken.
Ze gevoelde, dat hem dit ontstemmen moest, ze hield zich voor, dat ze met die averechtsche angstvalligheid zichzelf wellicht nadeel en schade, doch stellig geen voordeel of vreugde toebrengen zou, en ze kon het niet ten onder brengen, want het was sterker dan zijzelf was. Later leed ze de heugenis van haar zelfvernedering nog dagen lang in lusteloosheid, ongewissen slaap en verval in haar uiterlijk.
Het bewustzijn dat ze aldus en met zoovele ketenen haar leven aan het zijne vastgeklonken had, vervulde Heleen somwijlen met kommer en angst, omdat ze wist, dat hij haar niet liefhad, doch de gedachte aan de mogelijkheid dat het eenmaal en misschien binnenkort in een scheiding tusschen hen beiden zou kunnen eindigen, weerde ze af, als het haar bevloog en dorst ze, als te gruwzaam, niet onder de oogen zien.
Eenmaal vertelde Heleen haar vriend, hoe ze zich voor zichzelve liefde had gedroomd en hoe ze dien droom had willen verwezenlijken in het werkelijk leven, maar hij noemde haar wijze van omgaan met haar vrienden ondoordacht en onedelmoedig, met haar wenschen van redelijkheid en wederzijdsche welwillendheid schromelijk in strijd. Heleen verweerde zich en maakte zich warm, haar stem trilde van tranen, daar hij haar afviel in dit liefste deel van haar leven...., totdat zijn stem en zijn blik verzachtten. Hij boog zich naar haar toe, nam even haar hand en murmelde glimlachend:
Thou art not false, but thou art fickle.....
Heleen beefde en trok haar hand terug, haar glinsterende tranen ontsnapten over haar plotseling verbleekt gezicht, daar ze zich machteloos wist hem in woorden te beduiden, hoe weinig wispelturig ze was uit haar natuur. Ze wilde geen lafsmakend „neen” stellen tegenover een „ja” dat iederen schijn van waarheid met zich had, doch even steeg een witte drift tegen hem uit deze haar onmacht in haar op en een bitterheid ook tegen haar oude vrienden, van welke niet één haar had kunnen blijvend bekoren, boeien en binden, zoodat ze aan hem had kunnen toonen, dat ze tot een vast en trouw gevoel de vermogens bezat, daar niet één van hen grooter van omvang en fijner van gehalte was gebleken dan zijzelf en ieder van hen haar boekenpraat voor wijsheid en verveling voor rust had gegeven. Ze had maar van één ding berouw en dat was, dat ze zich haar gansche leven had afgegeven met haar minderen en zich vernederd zonder loon. Haar stem steeg in een klank van bitterheid, trots en verachting, die ze in zichzelf nauwelijks kende, totdat ze die heerlijk-innige en bijkans vrome aandacht op zijn gelaat gewaar werd en zag, dat hij haar gelooven wilde, en al het andere en al de anderen vergat voor de vreugde van hun samenzijn en schielijk lachte door haar glinsterende tranen heen en hem lachende voorlei wat ze de formule van haar ideale bestemming noemde: één deel liefkoozen en drie deelen geliefkoosd zijn. En waarom zou het niet mogen, die uiterlijke blijken van een teederheid, die aan den omgang van man en meisje zooveel lieflijks zou kunnen geven, dat nu door lafheid en menschenvrees uit het aardsche leven verloren ging? Heleen werd weer warm, hij lachte en bestreed haar niet, stemde evenmin toe. Heleen ging er verder op in. Een vroolijkheid steeg trillend in haar op, ernst vervlood in fijne en vlugge scherts, maar Heleen was daarin niet geheel en al onbevangen; diep in haar trilde er iets, een bedoeling achter de woorden en voorbij het oogenblik: een nieuwe verwachting, die hoop putte uit zijn glimlach en blik, naar wat mogelijk was geworden, eene liefkoozing van haar vriend.
Ze hield de oogen neergeslagen, opdat hun schittering haar niet verraden zou—, o, dat hij haar nu kussen mocht. Vroeger dan gewoonlijk stond ze op om heen te gaan en terwijl ze zich gereed maakte, lachten ze tegelijk en keken elkaar even aan, terwijl Heleen vluchtig bloosde om wat ze beiden dachten. Ze sloot half de oogen en hief in den lichtschijn het gezicht naar hem op. Wat gehoopt was, geschiedde, zijn vingers rondden zich teederlijk om haar kin, zijn hoofd naderde het hare, hij zei „wat heb je toch een aardig kinnetje” en kuste haar eenmaal op elke wang.
XXVI.
Heleen gevoelde scherp, dat zijn aandeel in hun nieuwe innigheid met liefde niets gemeen had en dat zijzelf die met haar sterk ontkennen, niet alleen van gevaar en verderf, maar ook van elken dieperen zin dan die van een lieflijke en zoo al ongebruikelijke, daarom nog niet verwerpelijke omgangswijze tusschen man en meisje—, op een ander plan had gebracht.
Niets was derhalve redelijker en natuurlijker dan dat hij, op zijn fijne en bescheiden wijze nemend en genietend van wat ze hem aldus tot haar eigen vreugde aanbood en toestond, en wat hij zelfs niet meer weigeren kon, zonder haar te krenken, geenerlei belofte deed. Een instinct zeide haar, dat hij haar wellicht toch teruggewezen zou hebben, had hij de diepte en de hevigheid van haar liefde vermoed, doch hiervan zweeg ze en niet om deze reden alleen.
Nimmer zei ze hem van die teedere vleierijen, waarmee ze in andere tijden andere vrienden en zichzelve had verblijd—ze achtte die vreugde door haar lichtvaardigheid verbruid—en bespaarde hem evenzoo de betuiging dat ze meer van hem dan van al haar vorige vrienden hield, tevoren in elke nieuwe illusie opnieuw gretig geloofd, door elke lichte scheiding opnieuw tot logen en ten leste tot een bespotting van zichzelf gemaakt—, want ze wilde hem op geen enkele wijze in het oude leven betrekken, niet hem ermede vereenzelvigen, noch hem iets geven, dat ze alreeds anderen gegeven en daarna weer ontnomen had. Haar zekerheid had geen betuiging van noode, maar toch ontging haar veel lieflijks zoo en ze aanvaardde dat gelaten als een redelijke vergelding.
Nimmer was hij onstuimig, hij kuste haar kalm en zacht bij komen en heengaan, lei onder het werk soms den arm om haar schouder en trok haar wel eens even en heel vluchtig tegen zich aan, terwijl hij haar in haar mantel hielp. Maar Heleen nam soms in onweerhoudbaren drang zijn hand en kuste de vingers, één voor één, zooals een kind den vader, zwijgend en met gesloten oogen hopend en vreezend tevens, dat hij in den zachten druk van haar lippen de vastheid van haar vertrouwen en de volheid van haar overgave mocht gevoelen.