Heleen

Part 17

Chapter 174,041 wordsPublic domain

De zekerheid, dat ze hem nu terstond zou zien en dat elk ding zich oplossen en ontwarren zou, maakte Heleen plotseling kalm. Ze liet de meid haar boozen blik verkwisten en zette zich in een stoel. Ze was bijna blij met dat gedwongen uitstel, waarin ze haar woorden kon kiezen en haar houding bepalen. Ze zou op geen enkele wijze verraden, dat ze den dag van gisteren nog herdacht of nog herdenken wilde, opdat hij niet zou vreezen voor zichzelf en voor haar. Ze zou hem een jolig jokkentje op den mouw spelden van een onverwachten vrijen namiddag en dat ze hem nu eens kwam verrassen. Ze sloot de oogen, leunde het hoofd achteruit en beluisterde de geluiden van het huis. Daar boven haar hoofd klonk dof zijn stap, nu hoorde ze ook het tinkelen van glas en metaal en zelfs zijn zachte, bijna klanklooze fluiten. Plotseling zag ze zijn gelaat en zijn handen in de donkerte achter haar gesloten oogen, pijn kerfde in haar hart, zoozeer had ze hem lief, en zoozeer vreesde ze voor haar zelfbedwang. En in die pijn een andere pijn: haar dwaze, kortstondige verwachting was niet vervuld, geen blijde wonderen wachtten haar, hij was op zijn best die hij gisteren was en liet haar kalm wachten. Haar hart schokte van wanhoop, ze rilde in lijfelijk onbehagen en voelde het bloed wegkruipen uit haar hoofd. Ze sprong op, en liep de kamer op en neer, staarde naar de deur, waardoor hij moest komen en voorvoelde de bange heerlijkheid van dat oogenblik. Zou hij haar ook heden kussen, zich naar haar toebuigend op het voorhoofd, of op haar wangen, terwijl zijn vingers haar kin omrondden? Zou hij „kind” tot haar zeggen of haar noemen bij haar naam?

Ineens glimlachte Heleen, wijl ze overdacht, hoe deze kleine dingen sinds weken haar eenige problemen waren en ze aan niets anders dacht, nadat ze jarenlang in koortsen had geleefd om van elk ding begin en doel en eind te weten.

Plotseling viel boven een deur in het slot, hij kwam de trap af. Heleen’s angstige verwarring rees door den fellen schrik als een heete bloedzuil in haar op, wierp voornemen en bedachtzaamheid omver, stichtte onvastheid en wanorde overal, haar lippen werden bleek, haar wangen slonken, de glans van haar oogen stolde in een bang staren—, de deur ging open en Heleen ging willoos haar vriend tegemoet. Hij kuste haar niet dadelijk, Heleen hief het hoofd naar hem op en zag achter in zijn oogen den blik van den vorigen dag als een gereede waarschuwing, maar die zich toch zachtmoediglijk verbergt, tot het noodig is. Toch rondde hij zijn vingers onder haar kin en kuste haar vluchtig.

Heleen trilde daardoor zoodanig, dat ze niet de kracht vond van hem weg te gaan, schoon ze in hetzelfde oogenblik voelde, dat ze nu van hem weg moest gaan, doch haar hoofd tegen zijn schouder deed zinken en zacht stamelde, in een gebroken poging tot scherts, „laten we nog eens doen, alsof je mijn oom Lovelace bent.” Hij aarzelde merkbaar, ging zitten en trok Heleen bij zich op zijn knie.

Heleen lei nu tegen zijn borst haar hoofd in de schaduw van het zijne, hij voelde hoezeer ze trilde en vroeg haar zacht, wat of haar deren kon. „Ik ben zoo dood-moe,” zei Heleen dof, „zit heel stil en verroer je niet.” Hij hield zich onbeweeglijk en Heleen droomde stil voor zich henen, dat ze nu zoo den ganschen dag tot donker-avond bij hem blijven zou, en daarna in zijn armen slapen en dat ze nimmermeer zonder hem en onbeschermd tusschen de menschen en bij zichzelf terug zou gaan, daar hij zich voor haar tegen haarzelf en voor hen beiden tegen de wereld zou verweren, tot haar eindeloos geluk. Ze zou niet anders dan aan zijn hand meer gaan, geen mensch haar meer deren, geen raadsel haar vervaard maken. Toen trilde plotseling de adem uit haar borst, haar zelfbedwang vervlood, ze greep om het te behouden als iemand die in het water vallend, duizelend naar den oever reikt, tastte mis en liet de vraag, die haar verraden en verderven moest, ontsnappen; ze lei haar arm om zijn hals en fluisterde, uit den aandrang van haar teederen hartstocht, „heb je wel ooit ook zóó naar mij verlangd?” In de bange stilte verroerde hij zich nog niet; het was die stilte, waarin na lang dreigen, de sneeuw begint te vallen in de schemering van den kortsten dag—, een boos beest wrong zijn kop door haar borst naar binnen en beet haar in het hart, haar hoofd zonk slap als een bloem, die het leven opgeeft, toen hoorde ze zijn stem, koel bedroefd om wat hij zeggen ging, „je weet toch wel, dat ik het altijd heel prettig vind als je komt.”

Heleen werd koud tot in haar voeten, doch ze had geleerd, schoon ze somwijlen luid was in haar vreugde, haar leed zonder teeken te lijden. Ze stortte dus klacht noch traan, stond op, ontwond haar armen, ging zacht en onvast naar het raam, keek in den tuin en zei, „de rozen beginnen al mooi....” Doch plotseling gevoelde ze het pijnlijke en nuttelooze van haar poging, nu nog te veinzen en te ontkennen, ze keerde zich om, zette haar hoed op en zei, „ik zal je vandaag nog schrijven.” Hij antwoordde kalm en bedrukt, „doe dat dan maar,” en liet haar uit.

Op weg naar huis martelde Heleen zichzelf met het felste zelfverwijt. Ze verwenschte den onberaden angst, die haar naar hem toegedreven had, de koppige verbijstering, waarin ze de dienstmeid, die haar keeren wilde, had weerstaan, de uitzinnigheid, die haar de woorden uit de borst had gescheurd, tot haar onherroepelijken jammer. Verlangen had haar, zoolang zij het meester bleef, op sluwheid gespitst; even maar had bekoring haar hand verslapt, en het was uit haar losgeslagen als de vlam uit een brandend huis, als de gistende wijn uit een vat, had haar vermeesterd en in kommer gestort. Ze had den engel het vlammende zwaard uit de hand willen slaan, om met geweld te komen, waar geen geweld eenig mensch brengen kan, het vuur had haar geschroeid en het Paradijs was stelliger dan ooit verloren. Ronddobberend in een schemerzee, in weifelzieke hoop naar haven smachtend, had ze haar roer verloren en zich vastgestooten op een klip; wat kort te voren ondraaglijk scheen, het dobberen, smachten en uitzien, werd plotseling begeerlijk, daar het toch nog hoop in zich sloot. De kaart was gekeerd, en toonde hoonend de verkeerde kleur. Het woord was gezegd, er viel nu ook geen schijn meer te redden.

Ze moest hem dus nu schrijven en vrijwillig van hem weggaan, om hem het leed te besparen, als hij haar moest doen lijden. Zij zou zich niet, als andere vrouwen en meisjes, vastklampen aan den man, die haar niet liefhad, door smeeken en tranen zijne zwakheid en zachtzinnigheid misbruikend tot haar baat—, zij zou zich ook hierin ernstig en eerlijk betoonen, opdat hij haar aldus erkennen en herdenken zou. Heldenmoed, de oude, beproefde, die uit de boeken—, even zwol haar borst—, maar het was niet waar, en zelfs in dit hachelijk oogenblik bleef de troost der zelfmisleiding haar ontzegd. Ze ging niet schrijven om hem pijnloos te verlichten en te verlossen, doch om zijn hart zooveel mogelijk pijn en zwarigheid te bereiden en hem in een ongedachte smart tot een onherroepelijke daad te verlokken.

Liet het dan zoo zijn. Moed en kracht waren ten einde, recht en redelijkheid hadden haar nimmer baat gebracht, mocht ze niet reiken naar haar aandeel in het festijn des levens, nu haar hart en haar bloed beiden schreiden naar haar vriend en haar leven wankelde als op de punt van een naald? Had ze niet eerlijk gestreden, had ze niet allen ballast uitgeworpen, al datgene, waaraan menschen gehecht zijn, om den berg te kunnen bestijgen tot zijn top? Ze was in de eeuwige sneeuw gekomen, ze was uitgeput, wat verleiding niet had gekund, zou vermoeidheid doen, vermoeidheid bereidde haar de nederlaag. Ze zou te werk gaan als de reiziger, die zich in de sneeuw tot slapen legt, wetend dat hij nimmer meer ontwaken zal en aldus zijn leven verspilt voor rust, omdat hij niet langer kan.

Plotseling werd Heleen kalm. Ze liep de straat in naar haar huis en bezon zich op een vreemd gevoel in zichzelf: ze was tegelijk tevreden en ontevreden. Het was de spijtigheid van iemand, die een stuk uit zijn kostbare verzameling heeft gebroken, doch zich niet zoozeer bedroeft om de verloren waarde, maar wel omdat zijn bezit nu niet meer volledig is—, willens en wetens besloot Heleen tot een verkeerde en onredelijke daad en het ging niet zonder spijtigheid, doch tegelijkertijd schonk haar het besef, dat ze niet beter dan anderen was, dat ze niet was in haar voortreffelijkheid miskend, een zekere troost. Ze viel van haar toren en kwam gewond en gekneusd tusschen de menschen terecht. Nu pas was ze nederig—, tot hoelang?

Ze kwam in haar huis, sloot haar deur, deed de gordijnen toe tegen de felle zon en zette zich tot schrijven. Haar brief werd aldus:

„Mijn beste vriend, in de eerste plaats en voor alles dit: dat ik na heden niet meer bij je kom en dat ik doen zal wat je weet dat indertijd mijn voornemen was, zoo gauw mogelijk heengaan hier vandaan.

„Wat ik je nog te schrijven heb, is een opheldering en niet meer. Als je me nog hield voor wat ik niet ben, voor mij zou het zijn een bitterheid ondragelijk en voor jou een ontgoocheling meer dan noodig. Alleen daarom wil ik je zeggen, dat geen lichtzinnigheid en niet de begeerte je te veroveren mij heeft gedreven en dat ik je van den beginne af aan heb liefgehad en dat ik het heb willen verbergen en bedwingen, omdat ik wist en weet, dat jij mij niet liefhebt, en dat ik je heb willen laten leven in den waan, dat dit alles voor mij niets beduidde dan een lieflijk en teeder spel, omdat ik je behouden wilde en dat ik het ten langen leste niet meer heb gekund en dat ik daarom alles losgelaten en prijsgegeven heb.

„Van mijn vroegere vrienden en mijn ervaringen met hen heb ik je vaak genoeg en openhartig genoeg gesproken. Het is een goedkoope en versleten bewering, en daarom staat ze mij tegen en daarom zeg ik het niet, dat niemand mij ooit heeft begrepen; ik meen ook meer: niemand heeft ooit raad met mij geweten, eerst met mij niet en later ook met mijn liefde niet. Het is niet dat ik te veel vraag, het is dat ik te veel geef. Wie ontvangen wil moet ruimte beschikbaar hebben, en de meeste menschen hebben voor liefde zoo weinig ruimte beschikbaar, en ik wilde toch altijd maar blindelings geven, hieruit kwam mijn ellende, mijn verderf, mijn schaamte en mijn naberouw. Ook met mijzelf wist ik geen raad en vaak gevoelde ik mij als iemand, die een al te groot vermogen bezit en het niet aanwenden kan, zoodat het een last en een hinder, maar geen vreugde meer voor hem is en soms voelde ik mij een instrument, gaaf van bouw en goed van toon, maar voor mijn onkunde eveneens onbruikbaar. Het vermogen had ik je ter hand willen stellen, dat je het voor ons beiden beheeren zoudt, het instrument had ik je willen toevertrouwen, tot een vreugde wellicht voor ons samen—, mijzelf had ik je willen geven en toevertrouwen, om mee te doen naar je goedvinden, als je mij hadt kunnen liefhebben.

„Je moet niet gelooven, wat ze soms zeggen, dat wij meisjes door onze vrijmaking en geestelijken groei, onze zoogenaamde emancipatie, in ons wezen veranderd zijn, en dat we geen heer en meester meer begeeren om boven ons te zien en te dienen, want het is niet zoo, en het eenige, dat voor ons veranderd en verminderd is, dat is onze kans, zulk een heer en meester te vinden, om boven ons te zien en te dienen, omdat wij wèl gegroeid zijn en mannen dezelfden gebleven en geen enkel mensch op den duur een mindere boven zich erkennen en dulden kan, al gaat het om een levensbehoefte en al komen verbeelding en een vurige wil te hulp. Dat is het eenige, dat is al mijn ervaring, al mijn ellende, al mijn leed. Wij willen wel heerschers, maar wij willen hoogere heerschers, en wat mij betreft, ik heb langen tijd en den langsten tijd zonder dat ik het wist, gehunkerd naar den man, dien ik als mindere zou naderen, maar door wien ik in mijn eigen waarde gekend en erkend zou zijn en die mij daarna nochtans zou kunnen en willen beheerschen.

„Ik heb natuurlijk wel mannen ontmoet, die mij wilden beheerschen, maar ik heb mij tegen hen verzet ter wille van mijn trots, want ze waren plomp en dom en zelfgenoegzaam. En ik heb er nog meer ontmoet, die mij dienen wilden, maar ik heb mij tegen hen verzet ter wille van mijn nederigheid, want ze waren slaafs en geboeid door hun zinnen.

„Mijn trots en mijn nederigheid zijn beide even groot, lijden beide honger en willen door een en denzelfden mensch voldaan wezen. Dat ik het niet geweten en er niet naar geleefd heb, omdat ik het niet wist, is een deel van mijn ellende. Ik heb hoegenaamd niets van het moderne, het onafhankelijke, het kloeke, het hupsche, het zoogenaamd ernstige meisje, dat de „gelijke” is van haar kloeken en hupschen man en met zijn hulp voor haar rechten vecht. Ik geef niets om mijn rechten in dien zin; ik wilde wel dienen, maar ik wilde niet mijn mindere dienen. Ik heb gedroomd van den man, die mij aan zijn voeten zou kunnen zien, zonder mij als zijn slavin te behandelen. Brak hij mijn lieflijk spel en deed het toch, ik zou mij oprichten en hem wurgen. Jij zoudt het niet gedaan hebben. Ik heb gedroomd van den man, die voor mij zou zijn, wat voor andere menschen God, wereld en geweten is, niet om hem te gehoorzamen, maar om door hem mijzelf getrouw te blijven en mijzelf te verwezenlijken, uit zijn wil, maar uit mijn eigen neigingen. Dat zou jij zijn geweest. Tusschen de menschen heb ik niet kunnen aarden, hun taal heb ik niet verstaan, zij niet de mijne,—dat is geen zaak van beter en minder, het is een zaak van zoo en anders. Omdat ik anders was, hebben ze mij doen lijden, van kind af aan, hebben ze mij bijkans vermorzeld. Daarvoor kwam mij een vergoeding toe. Ik begeerde maar één enkele vergoeding. Die vergoeding zou jij zijn geweest, als je mij hadt kunnen liefhebben. Voor mij had het leven nimmer meer dan één echt belang, niet meer dan één echt doel, niet meer dan één echte vreugd: die welke des harten is. Daarop was al mijn hoop, mijn betrouwen en mijn kans op geluk gebouwd.

„Ik voor jou, zou zijn geweest een kind om je huis te vullen met vreugde en vroolijkheid. Ik heb nooit luid en ruim gelachen en gezongen, ik ben nooit luid en ruim een kind geweest. Nu was ik klaar om een kind te wezen. Ergens in de wereld wacht een leeg huis op mijn stem en mijn stap, ik had gedacht, dat het jouw huis kon wezen. En dan een klein meisje om aan je hand te gaan en over blijde en argelooze dingen te praten, en verder een jongen, een jonge kameraad, om verre en barre zwerftochten mee te ondernemen, regen en wind te trotseeren, bergen te beklimmen, bosschen te doorworstelen, ik word niet bang, niet duizelig en niet moe, je weet immers hoe ik lenig en taai ben door mijn gehardheid als een jonge roover. O, voor ons beiden heb ik jeugd genoeg en in overvloed. En verder een man, om met je te zamen te werken en daarin tot je gelijke op te groeien en met je te zamen ons zelf en elkaar en de wereld te doorzien, zoo nietig en geniepig als we allemaal zijn en om onszelf en elkaar en de wereld te lachen, zonder bitterheid en boosheid en ijdeltuiterij. Ik zou tot je schouder hebben gereikt en we zouden te zamen zijn voortgegaan en het te zamen hebben gedragen, dat geen van ons beiden zijn bestemming weet, en ons onderweg hebben vermaakt met kleine dingen, zooals alleen volwassen menschen zich met kleine dingen vermaken kunnen.

„En dan, ik zou behalve kind en meisje en man en jongen, ik zou ook voor je je vrouw zijn geweest. Je weet, ik ben nog niet in gedachte, wil of daad, eenig mans vrouw geweest, daar ik pas sinds gisteren van mij zelve weet, dat ik eenig mans vrouw wezen kan....”

Heleen wierp de pen neer, schoof met een ruk haar stoel achteruit en sloot de oogen. Een heete gloed trok over haar gezicht, ze greep naar den brief om hem te verscheuren, er stak kracht en wil in haar vingers, doch door haar dunne polsen trok het snel weer weg en het vuur aan haar slapen glom uit. Een smartelijke machteloosheid greep haar beet, ze vond haar brief niet toereikend, doch ze had toegezegd dat ze schrijven zou en wilde dat doen, en ze miste de kracht opnieuw te beginnen, maar ook den moed. Want het was toch al om het even.

Laat in den avond verzond ze haar brief en sliep den nacht die daarop volgde, vrijwel kalm, want ze had nu het hare gedaan en hield niets van haar lot meer in eigen handen. Doch den anderen morgen bij het ontwaken rilde ze van afgrijzen tegen de vele onzekere uren, die nog komen moesten. In den namiddag kon haar brief hem hebben bereikt. En dan—een kramp trok Heleen door de leden. Zijn antwoord. Plotseling bevloog het haar, dat hij ook zelf zou kunnen komen, maar in het volgend oogenblik verwenschte ze de ongegronde gedachte, die niet in vervulling zou gaan, doch wel haar de uren van den middag tot een gruwel maken. Ze bleef ook dien dag weg van de school, liet de gordijnen toe zooals ze waren en bracht den morgen in een verdoofde kalmte door. De geluiden in huis, de geluiden buiten, zijzelf in haar kamer, alles leek haar onwezenlijk en benauwde haar. Doch tegen den middag stond de felle onrust in haar op en bestookte haar en teisterde haar lijf met zenuwschokken, iederen keer als het geluid van het deurbelletje van buitenaf het huis binnenstoof en de stilte stoorde. Hij kon het zijn, die buiten wachtte. Ze sloop naar het raam en schoof het gordijn terug, ze sloop naar de deur en luisterde en loerde aan de kier, haar hart hamerde, of het zichzelf vernietigen wilde—het duurde even, en de doodskou van een wreede zekerheid verjoeg dat brandende lijden en martelde haar daarmee te zamen zoodanig, dat haar hart smeekte of dit zich niet herhalen zou. Doch het herhaalde zich wel en sleepte iedermaal eenzelfde foltering aan, zoodat Heleen in den naderenden avond volslagen uitgeput was. Ze wist nu dat hij niet zou komen en dat geen zekerheid overschoot dan van zijn schriftelijk antwoord—, dit kon er pas in den laten avond zijn. Ze ging uit en bracht het tot den hoek van de straat, keerde zich om en vloog ijlings terug, stormde naar boven, maar vond er niets. Toen ging ze in de keuken en liet de oude vrouw een boodschap verzinnen, die haar een uur uit huis houden zou. Ze ging uit in een kunstmatige kalmte, die toenam en werkelijker werd, naarmate ze zich verder van haar huis verwijderde en haar zekerheid steeg, dat ze daar voorloopig niet terugkeeren zou. In een vol uur kon er veel gebeuren. Toen ze een meisje was, was eens een van haar kleine broertjes weggeloopen en verdwaald. Ze ijlde schreiend heen om hem te vinden, bleef uren achtereen in donker weg; toen ze terugkwam, vond ze het broertje wel en veilig thuisgebracht op moeders schoot. Dat heerlijk gevoel! Zoo lang ze nu zich nog verwijderde, behield de hoop de overhand, doch toen ze haar boodschap had verricht en den weg insloeg naar huis terug, rilde ze kil en werd wit tot in haar lippen van angst en hopeloosheid. Het was al laat, toen ze thuis kwam, ze stormde de trap op en zag in de schemering zijn brief op tafel liggen. Ze herkende onmiddellijk vorm en handschrift. Er was geen postzegel op, de brief was gebracht. Haar handen waren zoo machteloos en koud, dat haar vingers geen vat kregen op het stijve papier en ze wachten moest om zich te stillen. Toen vouwde ze hem open en las:

„Heleentje, toen ik je brief ontving, sloeg juist de klok boven mijn tafel: vier uur. Ik las je brief en daarna weer en daarna overdacht ik hem. Het is een heerlijke, een verleidelijke brief, bijkans bedwelmend. Ik overwoog toen wat ik je schrijven zou tot antwoord, ik liep eenigen tijd de kamer op en neer, ging weer zitten peinzen en stond weer op. Plotseling sloeg de klok weer: het was vijf uur. Ik had een uur laten verstrijken met wikken en overdenken, en was niet naar je toe gegaan.

„Meer kan ik je eigenlijk niet schrijven. De hartstocht van je brief heeft mij ontroerd en verontrust. Elke nieuwe mogelijkheid, elke volgende belofte vernietigt een deel van de mogelijkheid tot verwezenlijking—, want je belooft niet alleen, maar je kunt en je zult vervullen, je kunt niet alleen kind en meisje, man en jongen zijn, maar je zult het ook willen, en niet eerder tevreden en gelukkig zijn voordat je elk ding hebt vervuld. Ik kan je niet helpen in die vervulling en ik zou een voortdurende kwelling lijden door jou voortdurend tekort. Het kind zou hongeren, het meisje smachten en de jongen morren. Dat je mijn vrouw wilt zijn—, als ik wat jonger was en ik had wat minder geleefd, en jij waart wat ouder, en je hadt, vooral, wat meer geleefd, ik zou nòg naar je toekomen en het andere vergeten en beproeven om met je te zamen gelukkig te zijn. Maar ik kan niet, wat ik door de jaren aan inzicht en bedachtzaamheid won, om een droom vergooien. Liefde is een begin van leven, ik ben in ouderdom en dood getroost en denk aan mijn einde. Jij houdt van mij, zooals een jong meisje houdt van één enkelen man—, dat is veel en voor mij te veel, ik houd van jou zooals een ouder man van elk lief en jong meisje kan houden—, dat is voor jou te weinig. Maar heb ik je daarin ooit misleid? We zouden beiden geven wat we hebben en het verschil zou de som van ons ongeluk zijn. Het is een besluit, dat ons beiden zal doen lijden, maar het is een goed besluit, dat we elkaar in heel lang niet terug zullen zien. Ik wil mijn zomerreis vervroegen en morgen al heengaan, tot den winter toe. En jij zult hier vandaan en naar buiten vertrekken....”

Heleen las dien brief en liet hem daarna uit haar handen vallen. Ze gevoelde zich zooals in een ouden, benauwden droom van jaren terug. Ze stond in nacht en nevel boven stad en menschen uit op de spits van een hoogen toren, rechtstandig in doodsangst verstard, en de voeten tegeneen, daar ze wist dat iedere beweging haar dood zou zijn en slechts roerloosheid haar tijdelijk redden kon. Zoo bleef ze nu in een plotselinge en algeheele verdooving naast de tafel staan en bewoog geen lid van haar lijf, als was in die roerloosheid redding, zoolang ze het weerhouden kon. Ze behield die verdooving uit al haar macht om zich heen, als een kleed dat een wonde naaktheid dekt, terwijl ze zich ontkleedde en in haar bed ging. Ze waakte zonder klacht of tranen de lange uren door, haar hart schokte in donker van pijn en smeekte om gehoor voor de klacht van zijn afgrijselijk lijden, maar zij hield zich doof en keerde zich af. In den morgen stond ze op, kleedde zich aan, pakte haar schoolschriften bijeen, haalde uit de keuken haar middagbrood, dronk staande haar thee en ging het huis uit naar school.

Maar van dien dag af begon Heleen’s leven nederwaarts te neigen. Want haar hoop was gedood en haar jeugd was voorbij.