Part 12
Ze zocht nu te weten of anderen hetzelfde hadden geleden als zij en zoo niet, op hoedanig andere wijze ze den aanblik van de wereld en haar schijnselen hadden doorstaan en wat er daarna van hen was geworden. Hadden zij ook de vuist in de borst gevoeld, in ondraaglijke overklaarheid rondgedoold en zich in hun wanhoop gewenteld als een beest in zijn pijn? Had ook hen, te midden hunner werken, het tergend besef overmand, dat ze geen enkel ding volvoerden uit eigen wil, dat de grenzen van hun doen, en van hun denken zelfs, afgepaald en vastgesteld waren en dat ze die nimmer zouden kunnen overschrijden, evenmin als de geit in het land den loopkring van het touw dat hem gebonden houdt? Was ook voor hen die marteling der gebondenheid nog verzwaard geweest door aanwaaiende geur en gerucht uit eindeloos betere en verdere werelden? Wisten zij ook zichzelf in den ouden, wreeden bijbelvloek: een Beloofd Land zien, maar nimmer betreden mogen? Hoevelen en wie leden als zij, waren als zij, bestonden als zij? Tot haar lafenis en haar behoud zocht Heleen hunne klachten op te sporen in verzen en in muziek, in lijn en in kleur, ten einde hen in het verraden hunner hartsgeheimen te betrappen en daarna zich in medegevoel met hen te mogen vereenzelvigen.
Heleen dwaalde vaak buiten de stad tot in het open veld, waar de tinten en de geuren van den herfst haar lokten en weemoed weefden in haar ziel. Eens dat ze er weer kwam, vond ze er soldaten gelegerd en zag hun geweren opgesteld in de drietallen, welke men rotten noemt. Ze voelde, dit gadeslaande, dien zachten, innerlijken ontroeringsschok, die bekende waarschuwing, dat ze iets overdenken moest, ze bleef stilstaan en keek toe en moest het zich afvragen: staan de geweren of staan ze niet? Hoe vreemd klonk dat antwoord weer: ieder voor zich staat niet, maar de een staat door den ander en de ander staat door den een. Peinzend ging ze door.... Het was wel altijd en overal datzelfde wonderlijke, dat geen ding op zichzelf, maar door een ander ding bestond.... als bouwvallige huizen.... die met elkaar zich staande houden, maar ieder afzonderlijk zouden moeten instorten door gebrek aan steun en innerlijk evenwicht.
Toen dacht ze ook aan een ouden man, die haar had liefgehad en voor wien ze zich sterk en standvastig had kunnen toonen, omdat zijn slinkende zekerheid, de angst die hem bekroop in den laten avond van zijn leven, haar sterkte en standvastigheid van noode had. Nooit had hij van haar eigen twijfel en vertwijfeling geweten—, haar zekerheid van een Eeuwig Leven had zijn wankelend wezen met den dood verzoend.... zoo had hij zich staande gehouden aan wat niet bestond en zij had zich staande gehouden aan een liefde, die hij wellicht om dezelfde redenen tot harentwille had voorgewend.... geen van hen beiden had op zichzelf kunnen staan, maar de een door den ander, en de ander door den een, zóó hadden ze zich overeind gehouden.... en beiden hun wezenlijke krachten gevoed uit wat niet was, uit een schijn....
En aldus was het overal, en ook dit wankelen tusschen schijnen en zijn had ze als kind voorvoeld in haar vluchtigen angst om de „foto van een spiegelbeeld.”
Vele dingen dreven Heleen gedurende dat najaar in zwaarmoedig gepeins, niet meer zoet, maar somber. Ze was bij voorkeur alleen, vermeed de menschen en hun feesten en nam zich voor in de komende Kerstvacantie naar huis te gaan.
Ze schreef haar ouders, dat ze komen wilde; het bericht werd met vreugde ontvangen en beantwoord en haar vader wachtte haar aan den trein.
Het was een lauwe Decembermaand, de dunne, witte nevel zweefde over elk ding. Uit den trein had Heleen het al gadegeslagen hoe innig en stil de dorpen daarin verdoken lagen. Met hun ingezonken, wazige kleurtjes geleken ze naar de droomachtige, geheimzinnige prentjes, waar Heleen als kind mee had gespeeld. De boomen droegen kappen en mantels van nevel om kroon en stam en beneden in de laagte reed tusschen akkers en bleeke slooten een boerenkar; het paard draafde onhoorbaar, met gebogen nek en straffe pooten. In het stadje was dien dag weekmarkt gehouden, boeren met honden zwierven heengaand op het plein onder de hooge boomen, winkellichten en lantaarns gingen al aan. Heleen was maanden lang weg geweest.
Buiten langs de akkers lagen de slooten blank en bloot tusschen kortgesneden riet, de boerenerven walmden van mest en zoet stroo, de horizon was van rondom naderbijgetrokken, verborg huizen en molens verderop en keerde den blik van alle kanten. Voor de ramen der tuindershuisjes zaten de vrouwen en gaapten en keken met leege oogen en bleeke blikken in den damp, die al dichter neersloeg op het land en zich samentrok om de boomen. De middag neigde nederwaarts.
Heleen kwam stil en blij in huis geloopen, waar moeder wachtte met het maal. Het was plotseling avond. Heleen had gevraagd haar het oude bed onder de binten gereed te zetten; ze was de spoken niet vergeten, doch ze wilde nu elk ding onder de oogen zien en weten, hoever ze met zichzelf was gekomen. Er werd niet veel gesproken, de verouderende vader sliep al vroeg in den avond, de moeder las gretig in een versleten roman en Heleen verblijdde zich met het zoetste en bedroefdste aller boeken en haar het liefste, het boek van Romeo en Julia—, nu en dan keek ze op en glimlachte in zichzelf, dit was weldadig en behaaglijk leven.
In dien nacht verstijfde de mist tot grijzen rijp, de nevelen stegen op, zoodat de hemel klaarde en een rozerood licht den anderen morgen door den ijlen ijsbloei van het dakvenster drong. Heleen sprong op en schrok, want ze vreesde de vorst in aantocht, doch het was maar een nachtelijke vleug geweest, nieuwe nevelen zegen neer, ze haakte naar buiten. Vroeg in den morgen ging ze uit het huis vandaan, maar liet dat nu achter zich als een warme, vaste plek, waar ze weerkeeren mocht als haar de avond benauwen zou. Ze ging dwars door de verlaten akkers, sprong lenig over de open slooten en vertrad knappend de glasbroze vliezen ijs, zoodat de opgeschrikte kraaien klapwiekten om haar hoofd en zich schreeuwend wegrepten in den mist. Ze liep warm en vlug in haar winterkleeren, zonder doel de ruimte in en de armen vast aan het lijf gedrukt. Ze keek naar het wolken van haar adem en naar den horizon, waar een bleeke zon glom door den mist. Ze was blij met haar kortstondige vrijheid, blij omdat ze eindelijk weer naar huis was gekomen, ze voelde zich wonderlijk rustig en wonderlijk klaar—, maar zoodra ze dacht aan de stad, die daar nu ver weg achter de misten lag en waar ze zich gisteren nog in haar huis bevond, werd ze een benauwde schommeling binnen in zich gewaar en ze wist, wat in aantocht was: de onvrede met zichzelf.
Zooals een ernstig man uit de kalmte van zijn statig werkvertrek met een rilling van onbehagen terugziet op zijn dronken daden van den vorigen avond, zoo keek Heleen uit haar volslagen eenzaamheid tusschen de akkers vandaan, terug op het leven dat ze had geleid en verbeet zich de lippen in een bittere grimmigheid en voelde een zuur schrijnen in haar keel en sloeg de oogen neer en trachtte zich af te wenden, maar stond dat zichzelf niet toe. Ze dwong zich tot zien, ze dwong zich tot erkennen. Dag na dag had ze zich aan zichzelf vergrepen, zich laten beheerschen door wie haar meerderen niet waren, omdat ze in haar lafhartigheid den schijn van hunne genegenheid, hun nietsbetreffende vleierijen niet ontberen dorst. Ze had zich sluwer en wereldscher voorgedaan dan ze was, gezwegen als haar hart morde tegen wat het zag, deelgenomen aan wat haar tegenstond, zich medeplichtig gemaakt in wat ze verachtte, wetend dat menschen hun beteren haten en derhalve het betere streven zorgvuldig in zich verstekend, opdat ze haar niet haten zouden.
Dit was geweest het vervalschen, dat ze in anderen had veracht, de onoprechtheid uit vrees, het vleien om te verkrijgen—, en wat had ze ten slotte verkregen? Dat elkeen haar veronachtzaamde, omdat zij het niemand deed, en dat ze ieders bedrogene was, omdat ze niemands bedriegster had willen wezen.
Ze had met liefde, schenkend en ontvangend, zichzelf en anderen rijker en blijder willen maken, ze had met liefde, schenkend en ontvangend, zichzelf en anderen een schoonen droom willen bereiden in de donkere smartelijkheid, die voor haar het leven was. Ze had liefde te baat willen nemen, om in zichzelf te verwezenlijken, wat de menschen eeren en kronen als deugd: recht en rechtschapenheid, niet om door menschen geëerd en gekroond te zijn, enkel en alleen om daarin haar richtsnoer te bezitten. Heleen had voor zichzelf nimmer gestreefd naar verheffing, maar naar kennis omtrent haar inwendig zijn, nimmer rechtstreeks naar wat deugd wordt geheeten, maar wel naar grondslag en Eenheid. Haar hart reikte en smachtte naar die Eenheid, het altijd geldende, het Absolute—, en ze had het niet gevonden. Alles dat ze had aangegrepen om het te onderzoeken, had ze lauw, onvast, wankel en in zichzelf tegenstrijdig bevonden—, ze voelde zich tegen dit voortdurend te aanschouwen en dit voortdurend te erkennen niet langer opgewassen. Haar jeugd en haar weekheid deden het haar verafschuwen, ze moest er zich tot zelfbehoud in zelfgeschapen wanen aan onttrekken. Als het Absolute er niet was, dan zou zij het scheppen, om te vergeten, wat ze wist: dat ze geenerlei bewijs had gevonden voor zijn bestaan; om te vergeten, wat ze wist: haar eigen volmaakte afhankelijkheid van wat buiten haar om op haar inwerkte—, en haar „eeuwig geldende Wet” was niets dan een nieuwe gedaante van het oude, het ingeboren Ideaal en moest „Recht en Oprechtheid” heeten.
Ze miste alles wat anderen tot dezelfde keuze aanspoort en kracht verleent, een straffende God, wiens liefde en gunst ze verspelen kunnen, een menschenwereld die ze vreezen, of hun eigen rede, die ze zegt dat rechtvaardigheid een goed is, en onrechtvaardigheid een kwaad—zij immers kende geen zulk een God om te vreezen, zij beefde niet voor een menschenwereld die geen macht over haar had, dewijl ze te goed wist dat die als zoodanig haar tot haar werkelijk geluk niets schenken of ontnemen kon, en ze miste evenzeer den steun van een innerlijke zekerheid, want deze tegenstrijdigheid had nog geen oplossing gevonden: dat de rechtvaardige droomt en de onrechtvaardige doet en dat niemand zich kan aanmatigen te zeggen, dat werkeloos van recht te droomen beter is dan ijverig onrecht te doen, zoodat het schijnt alsof het onrecht zelfs een klemmender bestaansvoorwaarde is, dan het recht.
Doch zij wilde nog maar een enkel ding en vóór alles: een harmonisch en logisch leven, daardoor rust: de Eenheid van Leer en Leven, die ze om zich heen in de buitenwereld altijd en overal tevergeefs had gezocht, en daarom hield ze zich krampachtig vast aan wat haar die harmonie, die Eenheid, die toch ook niet meer dan schijn was, geven zou; het onverwoestbare Ideaal, dat haar telkens in nieuwe gedaante, maar in aard gelijk, dierbaar bleef uit haar jeugd en dat juist dáárom haar rede zoo mistrouwde.
Toen had ze ervaren hoe zwaar het valt, niet om half-rechtvaardig, en niet om half-onzelfzuchtig, maar om, vaak tegen het eigen hart in, volkomen rechtvaardig en volkomen-onzelfzuchtig te zijn, wanneer geen wet of steun van buiten te hulpe komt, geen straffende God, geen wereld en geen geweten. Evenmin als voor anderen, was voor Heleen „deugd” mogelijk en uitvoerbaar gebleken zonder liefde en vrees, zonder God of wereld of geweten—, derhalve had ze, tot haar behoud en aanvankelijk onbewust, zelf in haar nood voorzien, geschapen wat voor haar nog niet bestond—een God om lief te hebben, een wereld om voor te vreezen, en een geweten om tevreden te stellen—dit alles te zamen in den Vriend die haar liefhebben zou en van haar zou verlangen dat ze haar Ideaal verwezenlijkte, ten einde hem waardig te wezen, aldus rede gevend aan het redelooze, doel en grondslag aan wat uit zichzelf geen doel en geen grondslag had. Dit langen tijd onbewuste willen en wenschen was haar eindelijk bewust geworden uit de plotselinge verrijking, veredeling en krachtdadigheid, die ze verbaasd in zichzelve waarnam, wanneer een nieuwe vriend haar tot zijn nieuw ideaal had gekozen—, maar ook uit haar eigen altijd weerkeerende vreemde prikkelbaarheid en veeleischendheid, waarmee ze haar eerste vriendje alreeds van zich had vervreemd, die ze destijds niet begreep en nu wèl, en die voortsproot uit de onvervulde begeerte, hem vlekkeloos te zien, teneinde hem daarna in vlekkeloosheid te evenaren, hem waardig te weten, om door haar als God, wereld en geweten te worden geacht. In hem en door hem de verwerkelijking der droomen, de inlossing der heimelijke beloften, een volmaaktheid, die nergens anders bestond....
Zoolang ze alleen was, duurde de onzekerheid, twijfel besprong haar om de waarde van wat ze deed, ze heette zichzelf een dwazen fantast, worstelend en lijdend en zichzelf kastijdend om hersenschimmen van „rechtvaardigheid” waar anderen onbekommerd zonder leefden—, en ze kwelde zich tegelijkertijd met die andere, diepere, nooit-uitgesproken zekerheid dat ze met dat alles tegenover geen enkel kwaad, tegenover geen enkel bederf ook maar eenig waarachtig bolwerk bezat,—want nimmer misleidde haar de schoone illusie van een Vrijen Wil—, maar was er een Vriendschap in haar leven en een Vriend, dan sloeg alles om: elke daad had richting naar een doel, elke verloochening vond belooning in zich-zelf en het waarachtig bolwerk tegen kwaad en bederf bestond nu wel en heette voor haar als voor elkeen, liefde en vrees te zamen.
Doch het hield geen stand, want haar vrienden vorderden veel, behalve juist de verwerkelijking van eenig „ideaal” en prezen haar voor allerlei, behalve voor wat zijzelf waardevol achtte—, ongerekend degenen, voor wie liefde beuzelarij en tijdverdrijf was—zoodat ze veel illusies bouwde en veel teleurstelling leed, en toch altijd zoeken bleef en iederen keer weer onverdroten hoopte.
Dat zoeken en uitzien naar den man, die behalve vriend en jongen, geweten en wereld voor haar belichamen zou, had haar glanzende oogen dien sterken, gretigen blik gegeven, welke de menschen opmerkten en naar eigen aard en verstand verklaarden. Elk nietig vrouwmenschje, genepen en gepend, tot denken en werken onbekwaam, tot teedere en krachtige vriendschap onmachtig, van liefde niets meer begrijpend dan het blind en zelfzuchtig aanhangen van den man, die haar niet bewust had uitgekozen en dien zij niet bewust had uitgekozen en die de man van iedere andere soortgelijke vrouw, zoo goed als zij de vrouw van iederen anderen soortgelijken man had kunnen zijn, dorst haar openlijk hare geringschatting toonen—, en raadde uit haar oogen niets dan begeerte naar ijdelheidsstreeling en zingenot. Mannen, laf en parmantig, naderden haar in hun onwijze ijdelheid zonder eerbied en zonder hoffelijkheid en bespraken haar in hun gezelschappen als een gering en gemakkelijk meisje, dat naar ieder van hen haakte met gelijke gretigheid en tot maar één doel. Doch Heleen was als een, die een vriend zoekt in een vreemd land; geen wuftheid en lust, maar doodsangst en vertwijfeling huisden in haar hart. Ze meed geen enkelen schijn, omdat ze op de gedachten der menschen zelfs niet bedacht was, daar pas het vermoeden tot hoeden noopt.
Ze had haar schoonen droom ten einde gedroomd en was ontwaakt en zag in zichzelf en om zich heen. Ze was geen klein kind meer, ze kon niet langer de taak van twee alleen verrichten. Als een kind in een gewaande samenspraak, waarbij het vergeet, dat het maar heel alleen en aan het spelen is, zoo was Heleen opgegaan in de fantastische vereering, in schijn voor eenig vriend, doch in waarheid gericht op wat zij zelf had willen zijn, op het oude Ideaal. Het tweeledig vermogen, meisje en man tegelijk te zijn, had haar bedrogen, ze had met zichzelf gespeeld, de man had liefgehad en het meisje vereerd—, alles was uit haar zelf ontsprongen, had haar zelf betroffen en was tot haar zelf teruggekeerd. Ze zag het en het stond haar tegen.
Wat baatte het haar, dat ze nu sneller liep tusschen de verlaten akkers, dat ze bloedrood bloosde in haar eenzaamheid, dat haar hart kromp van pijn en van schande, alsof het gebrandmerkt werd en haar smeekte dat ze nu zwijgen zou? Ze zweeg niet en stortte haar bitterste gal over zichzelve uit, en kerfde in zichzelf, dat ze door de scherpste pijn zichzelf mocht genezen. Eenmaal voor jaren was de waarschuwing in een ontroering tot haar gekomen voordat haar begrip reikte tot zoover.—„Wie vader ofte moeder liefheeft boven Mij, en is Mijns niet weerdigh,” maar ze had het niet verstaan. Nu was ze wakker en wilde wakker blijven. Doch wat de anderen betrof, hoe dikwijls was in de verloopen jaren haar trots, een spontane, onoverwogen trots, binnen in haar als een ingekooid dier tegen zijn traliën opgesprongen. Dan wilde ze zich oprichten, zich op de menschen werpen, hen bevechten en zich hun meerdere doen gelden. Ze had op zich genomen redelijk en nederig en zachtaardig jegens elkeen te zijn, doch redelijkheid en nederigheid en zachtaardigheid waren hier onbruikbaar als ongangbare en onbekende munt in een land vol menschen, die op zijn best de betrekkelijke dingen betrekkelijk verstonden.
Ieder diende met eigen munt betaald, met eigen wapenen bestreden te wezen. Ze had al te lang naar boven gestaard waar in de oneindigheid het verschil tusschen toren en vlakken grond verloren gaat, en uit die aanschouwing het besef van haar volstrekte nietigheid geput. De anderen hadden het opgemerkt, naar hun aard aangemerkt en verstaan, en haar aan het benedeneind hunner tafel, tusschen de geringsten verwezen. Nu zonk haar blik vaak naar de aarde, ze mat met een aardschen maatstaf en bevond het verschil tusschen toren en vlakken bodem toren-hoog. Ze had zoolang ze denken kon, de gevaarlijke dwaasheid der zelfverheffing, die de denkkracht sloopt, gemeden, was blij geweest als ze haar eigen fouten en zwakheden zag, als teeken dat ze zulks nog kon, had zich verre gehouden van hen, die zich op hun afwijkingen bij voorbaat verhoovaardigen en hun zwakheden beginselen noemen, ze had elkeen minstens als haar gelijke en waar ’t kon als haar meerdere willen begroeten—, ze vermocht het niet langer.
Ze zag hoe ze allemaal als slaven aan den zwaren keten van hun begeerten en den zwaarderen van hun domheid en eigengerechtigdheid in de aarde vastgeklonken lagen en ze had zich eindelijk, een arm en vrij mensch, boven hen uitgegroeid durven gevoelen.
Kon ze zich dan nu maar van die menschen ontdoen en bevrijden. Doch ze had ze nog altijd noodig voor haar geluk. Haar versmade en verlaten jeugd wreekte zich aan haar volwassen leeftijd en het leven zelf wreekte zich aan haar, omdat ze zich van zijne werkelijkheid had afgewend. Ze kon tusschen de menschen niet aarden, en vreesde hen tegelijk, omdat ze de macht bezaten, haar laatste illusie te ondermijnen, welke deze was, dat zij louter in liefde en zonder haat zou kunnen leven.
Bleef ze tusschen de menschen en ging ze hen bevechten, dan zouden ze haar dit zeker ontstelen. Niet uit den strijd-zelf zou ze haat vergaren, doch als vuil schuim zou hij uit haar eigen machteloosheid komen bovendrijven. Ze zou zich oprichten en een glimlach zou haar bedwingen, ze zou zich wapenen en een teederheid of valsche vleierij zou haar ontwapenen. En de heugenis aan al die onderbroken pogingen zou als donkere droesem in haar bezinken, als ongedoofde koorts haar rondsluipend blijven kwellen—, menschen zouden voortgaan haar te beheerschen, zonder haar meerderen te zijn, tot haar ondraaglijken smaad. Het leven was in gebreke gebleven haar met kracht en met hardheid toe te rusten, sterken richten zich op en vechten en de hitte van den strijd verteert hun haat tot witte asch, maar de onredelijke haat der zwakken, die eigen onmacht in verwijt tegen anderen keert, kweekt woeker op woeker, tot het gansche leven verstikt en vergiftigd is. Heleen wilde niet aldus verstikt en vergiftigd zijn.
In een kalme gestrengheid richtte ze zichzelf en bevond, dat ze tot het behoud van haar rust en haar zuiverheid terug moest naar de eenzaamheid, die ze zoo zeer had geschuwd. Doch niet zoodra had haar rede vonnis gewezen, of het kind binnen in haar hart sprong op en jammerde om genade. Het vleide om voor Julia te mogen blijven spelen en in elken zot een Romeo te zien. Het wilde dwaze woorden hooren en dwaze woorden fluisteren, het wilde den blos en het hartebonzen voelen als de dichtbije geliefde nadert, het wilde uit den stap van den laten bode verstaan of hij een brief bracht van den verren vriend. Wat deerden het kind enghartigheid, hoovaardij, en onbegrip, het verlangde naar zachte handen en een zachten mond. Het wilde beloven, voortaan voorzichtiger te zijn en bedachtzaam uit te zien, voor het zich nieuwen vrienden in de armen wierp. Het kind beloofde grif en blindelings, zooals elk kind belooft, tegelijk wringend om los en vrij te komen en, zijn beloften vergetend, eigen zin te doen, maar de volwassen geest had al te veel geleden en bleef genadeloos. Het kind moest ditmaal lijden, moest verkwijnen, als het niet leeren en groeien wilde. De volwassene greep het beet en duwde het voor zijn verleden als een Blauwbaardskast en het kind snikte en rilde en wendde zich af en dorst snikkende nog van een betere toekomst fluisteren. Het was onverbeterlijk en moest heengebracht worden, waar het zichzelf geen kwaad kon doen.
Laat in den middag kwam Heleen thuis, at een weinig, praatte wat met haar ouders en ging vroeg naar bed.
Dien nacht regende het, tot in den morgenstond toe. In het diepe dal van den nacht spartelde de vleugellamme dag vergeefs om naar het licht te stijgen. Heleen ontwaakte in het duister onder de binten en nog voor haar bewustzijn tot het leven was weergekeerd, zonken haar de walging en de rampzaligheid zwaar op de borst. Ze wilde dien dag alle licht en leven mijden en besloot in haar bed te blijven. Haar moeder kwam en meende haar te wekken, maar Heleen kon in een plotselinge en vreemde geprikkeldheid, die haar al het bloed naar de huid dreef, zelfs dat bijzijn niet dulden, ze dwong echter haar stem tot vriendelijkheid en zei, dat ze liever alleen en in haar bed wilde zijn. Toen de moeder daarop nog bleef aandringen dat Heleen uit het koude hol vandaan beneden bij haar en vader in de warmte zou komen, logenstraften Heleen’s oogen plotseling zoo fel de zachtheid van haar stem, dat de beduusde moeder snel aftrok in den schemer. Heleen bleef alleen. Een gevoel van voldoening om de verlossing schonk haar voor een wijl soulaas, vergetelheid wiegde haar in een kortstondige verdooving, doch daar wist ze het weer, de walging bekroop haar als een moddervuil beest en zoog zich aan haar vast, ze wierp zich met een schok op het gezicht en kreunde in haar kussen van afgrijzen en van bitterheid.
Ze schreide in haar eenzaamheid toomeloos en woest, daar haar leven ontwricht was en bezoedeld en haar lafheid en zwakheid daar deel van schuld in hadden, met haar los en zot vertrouwen, tot ze geen tranen meer had en uitgeput was. De regen ruischte, spoelde van het dak af door de pijpen naar omlaag en kletterde in de zwarte aarde—, dat regengeluid, dat regengeluid, hoe kende ze het uit vroeger jaren; beneden tikte de klok en stommelde moeder in het rond.