Heleen

Part 13

Chapter 133,958 wordsPublic domain

Heleen richtte zich half op in haar bed en tuurde voor zich uit. Het heden verdween, ze moest straks opstaan en haar boeken klaarleggen om naar school te gaan, de school achter het kleine plein met poort en boomen. Nu liep ze gansch en al vol van een bittere zoetheid, ze neuriede met onvaste stem de oude wijzen, in dien tijd vergaard en zóó mocht het zelfs geen herinnering meer heeten, het was het weergekeerd verleden-zelf, zich losmakend uit sluieren, zooals de beelden uit de troebele glasplaat in het ontwikkelend bad. Hoe weldadig en zoet was dit, daar alles wat „verleden” heette immers daarom reeds noch kreuk noch vlekken had. Beneden hing nog op de oude plek „De Ridder en zijn Bruid,” de jaren hadden haar glans verdoofd, maar de lieftalligheid en het innerlijk geheim waren ongerept gebleven. Zijzelf had die gestadig verdiept en verrijkt met wat ze in haar ballingschap had vergaard en daaruit aangedragen, liefelijk-bedroefde menuet-wijzen, geurige verzen, klank van harp en spinet, de zoete namen en het zoete leed van Romeo en van Julia. O, al dat rijke, blijde, vlijmende, fijne, dat toentertijd reeds in de pijn van het ontwaken haar verlangend hart als de eenige zegen, het eenige leven had toegelonkt, ze had het nimmer kunnen veroveren, ze had het nimmer kunnen verzaken, daar het nog altijd een verborgen hoop en troost verbleef. Ze had ten leste zich tevreden gesteld met wat ze vond, niet recht meer wetend wat ze zocht, ze had naar goud gegraven en haar bedrogen oogen hadden zich verblijd in leem en steenen, het spel van klein-zijn en vleien had ze willen spelen, waarin ieder den ander naar zijn echt gehalte toetst en proeft, zoodat dit spel de diepste ernst en de liefste dwaasheid tegelijk kan zijn en plompe voeten hadden haar op de borst getrapt. Een domme, aanmatigende jongen was haar met smadelijk-achteloozen groet voorbijgegaan, en haar hart wilde het niet vergeten. Daar vrat een vlammenloos vagevuur als van kalk, zoodat het niet draaglijk was. Ze was uitgetrokken om heldin te wezen en had zich tot iedermans speeltuig verlaagd en haar hart wilde er niet van zwijgen; wat het jarenlang zonder verzet lafhartig had geslikt, elk dwaas en pijnlijk misverstand, elke misplaatste en grove scherts, elk geringschattend woord—, braakte het nu uit voor haar voeten als in een benauwde walging tegen zichzelf.

Heleen rilde en liet zich ruggelings terugvallen op het klamme kussen. Damp had zich onder de binten vergaard, stil en zwaar als witte rook. Heleen keek er in op en sloot dan traag de oogen. Ze kroop diep weg onder het dek en sliep van uitputting weer in.

Toen ze ontwaakte, haatte ze het zolderhol, sprong op, kleedde zich snel en ging naar beneden. De regen was opgehouden, het was middag, de horizon had zich ruimschoots verwijd, bleek-gouden licht drong door de zijige misten, een raam stond open en een vogel riep in den kalen tuin. Heleen ging bij haar moeder in de keuken en hielp haar met het bereiden van het maal. Ze voelde zich tegenover haar eigen besluit van den vorigen avond, haar besluit om uit het midden van de menschen weg te gaan, als een kind, dat zijn kleeren bemorst, en de kamer ontredderd, en zijn speelgoed verknoeid heeft, zoodat hij er zelf geen raad meer mee weet, wanneer het zijn kalme moeder ziet komen om alles voor hem te ordenen en te reinigen. Ze wilde naar een afgelegen streek gaan en daar eenzaam wonen, zoodat haar de laster niet deren kon. Ze wilde tusschen menschen leven, die niet door verschillen gedeeld, door partijschappen gekerfd zijn, doch in eenheid van denken, voelen en handelen gebonden, opdat geen opmerken van verschillen haar meer zou verontrusten en drijven tot het onderzoek naar den aard van ieders motieven, en ieders hardnekkigheid. De domheid zou er verdraaglijk zijn, goedig en argeloos en van waanwijzen opsmuk ontdaan, de openlijke en erkende zelfzucht tienmaal verkieslijker dan de geniepige inhaligheid, die nimmer zichzelf betrappen mag, van verlichten en beschaafden.

Daar zou ze tot rust komen. In een vredigheid, die naar vreugde aardde, overzag ze haar plan. Het zou haar licht vallen, na haar jarenlange oefening in zwaarder werk, een plaats aan een dorpsschool te krijgen, ze zou maar te kiezen hebben. Dadelijk na de vacantie zou ze haar ontslag verzoeken en omzien naar een nieuwe woonplaats.

XXI.

Januari hortte traag voorbij, een rij van grijze, verstijfde dagen. Een ijzige Oostenwind heerschte over de stad, scherp stof joeg dreigend langs de pleinen, en de straten waren grauw en hard. Als Heleen in den vroegen morgen schoolwaarts ging, krom verdoken in zichzelf, voelde ze zich tot niets dan smartelijkheid en rampzaligheid verschrompeld; van het geheele leven hoopte ze nu niets meer. Haar uiterlijk verviel, ze werd geelbleek en mager en leek ouder dan ze was. In de avonden hield ze zich schuil in haar huis als een schichtig dier, want ze wilde geen nieuwe kansen wagen, geen nieuwe ellenden binnenhalen en met effen rekening vertrekken. Ze had de oude vrouw aangezegd, dat ze verhuizen en vertrekken ging om rust en gezondheid terug te vinden in het landelijk leven, doch misschien over een paar jaar terugkeeren zou. Zelf geloofde ze dat niet, en ze zei het maar losweg en haastig dien donkeren middag in de keuken, omdat haar dat oude, broze, eenzame leven toen plotseling nog wranger dan haar eigen geleek, oud riet aan een verlaten plas, dat trilt in den winterwind. Ook beloofde ze te schrijven, en nam zich dat werkelijk voor, over haar leven en kleine ondervindingen.

Heleen hield van de oude vrouw, maar niet alleen van haar, ze hield van alle oude menschen, om hun zachtaardige hulpeloosheid, die eigenwaan en aanmatiging heeft afgelegd en gretig naar den steun der jongeren reikt. Als klein kind reeds had ze zich sterk en snel gehecht aan wie op haar vertrouwd of haar deernis ingeroepen hadden, daar die haar de gelegenheid gaven zich te onderscheiden in edelmoedigheid tot rechtvaardiging en bevestiging van haar eigen bestaan. Zoo toonde ze zich nu bij oude menschen geduldig en onverpoosd oplettend en werd daarvoor met dankbaarheid beloond, die haar lijden lenigde.

Heleen was evenmin als anderen in toewijding en teederheid belangeloos, ze begeerde een loon: dankbaarheid, vereering, weder-genegenheid vooral. Toen ze nog een kind en bij haar ouders thuis was, had ze willig het werk gedaan, dat haar opgedragen werd, doch zonder vreugde, want vader en moeder hadden immers recht op haar en het loon, dat ze verlangde, bleef uit. Later had ze haar vrienden het genoegen haar kleine geschenken mee te brengen, door verbod ontnomen, doch zelf overlaadde ze hen daarmee, in een onedelmoedige begeerte de edelmoedigste te zijn. Ook hierin vleide noch misleidde ze zichzelf en noemde niet, als zoo velen, met een mooien naam, wat geen mooien naam verdient. Bleef het loon der dankbaarheid uit, dan troostte ze zich met zelfbeklag en gevoel van miskend-zijn zoodanig, dat het een bijkans tegen het ander opwoog. Ze was dus weliswaar niet boos, bitter of wrokkig, doch dit kwam, omdat ze ten slotte toch altijd verkreeg wat ze begeerde, hetzij de dankbaarheid en de wedergenegenheid, hetzij het zelfbeklag doordat hetgeen, waarop ze had gehoopt, haar werd onthouden. Toen ze die scherpe bewustheid omtrent zichzelf en haar eigen daden en gedachten, die de plaag van haar latere jaren werd, nog miste, had ze zich op haar zachtmoedigheid en haar lankmoedigheid wel eens heimelijk verhoovaardigd; nu niet langer: ze wist, dat ze hierin volstrekt niet anders of beter dan anderen was en zich enkel daardoor van hen onderscheidde, dat een schoone schijn uit zichzelf haar niet bedroog en dat ze alles erkende naar zijn waren aard. Slechts haar medelijden bleef onomwonden zuiver en eischte niets voor zijne uitingen tot loon.

Ze bleef in deze Januari-maand, schoon ze elkeen meed en niet wist, hoe ze dagen en uren bevechten en dooden zou, een oude, doove dame, die ze kende van jaren her, getrouw bezoeken, en bereidde zichzelf ieder maal een vreugde uit haar verrassing. De oude vrouw hield van haar, omdat ze nooit haar gebrek vergat en uren achtereen, zonder dat haar stem haar begaf of verslapte, luidkeels het nieuws van dagen vertelde met allerlei dwaze en grappige verzinsels; en wanneer de ander, die zwak en traag ter teen was, ook haar soms bezocht, en ze leidde haar daarna huiswaarts, dan liep ze langzaam en bezadigd, terwijl de oude dame zwaar leunde op haar arm, en verblijdde zich met zwellend hart in haar jonkheid en kracht, de andere ten liefde.

Februari kwam rumoerig los met water en wind, het bleef zóó donker, dat er van het lengen der dagen niets te bespeuren viel en Heleen dadelijk na schooltijd haar lamp ontstak. Daarna was ze alleen en dikwijls bekroop haar de lust, er uit te trekken en naar dezen of genen van haar vrienden te gaan, maar ze durfde niet meer. Ze was bang, zich te laten gaan en den laster vat op zich te geven. Want het had lang geduurd, voordat ze het wilde gelooven, doch nu moest ze het eindelijk wel erkennen, de laster school overal, onder een schijn van trouwhartigheid, achter de oprechtste woorden. En nu dan eenmaal haar wantrouwen was opgewekt, nu dorst ze niet meer spreken en lachen, was ze schuw en schichtig; de enkele malen, dat ze zich nog in gezelschap begaf, voelde ze haar bloed in een benauwd bonzen opdringen naar haar hart, als menschen fluisterden in hoeken, en keek ze vorschend in de oogen, om te weten wat ze van haar dachten en in haar afwezigheid van haar zeiden. Haar argeloosheid was weg, maar haar weerzin tegen lasteren en kwaadspreken steeg tot walging en nochtans dorst ze zich er maar zelden openlijk tegen verzetten, uit vrees van huichelachtigheid en schijnbraafheid te worden verdacht, doch ook uit een natuurlijke onmacht, anderen in hun woorden en daden openlijk te beschamen. Ze kon dat alleen in drift, niet in koelbloedigheid, en driftig als in haar jeugd werd ze nu nog maar zelden meer.

Er was een tijd geweest, dat ze zich keer op keer liet terugwijzen aan de deur van bevriende vrouwen en meisjes, en grif geloofde in de voorwendsels, waarachter zich hun onverschilligheid en de vadsigheid van hun gevoel verschool, en toch weer terugkwam of argeloos vriendelijk ze bleef ontvangen, als ze zich verwaardigden, tot haar te gaan. Toen veronachtzaamde ze niemand en werd dus door elkeen veronachtzaamd, en van nederigheid door gebrek aan trots verdacht. Nu toonde ze stuurloos en onberedeneerd haar trots in grillige lichtgeraaktheid, weigerde lichte diensten om te laten zien, dat ze zichzelf op prijs houden kon, vatte vlam op een onschuldig bedoeld woord en verviel daardoor in een ander uiterste. Door dit alles vervreemdde ze voortdurend verder van de menschen, maakte het elkeen en vooral zichzelf bitter en moeilijk, trok zich dus meer en meer terug en begon te haken naar den dag, waarop ze in de landelijke eenzaamheid rust, slaap en den vrede des harten terugvinden zou.

Toen Maart in het land kwam, vol lichtvaardige beloften, leefde Heleen op. Het vooruitzicht spoedig te zullen heengaan, lokte haar meer en meer aan. Wederom richtte zich al haar taaie verwachting op en naar een komend leven toe. Ze had naar hier en overal geschreven, wat ze gedacht had was geschied, ze had maar te kiezen, waar ze na Paschen wonen zou. Ze ging nu haar Zondagen besteden, om die dorpen te bezien en zich te vergewissen omtrent hun ligging, kleur en bewoners. Ze zwierf de vlakke wegen af, drong in de bosschen, tuurde de woningen binnen en sloeg de menschen, die ze ontmoette, aandachtig gade, als om te weten, welk een soort leven ze haar bereiden zouden als ze in hun midden te wonen kwam. ’s Avonds was ze dan zoo moe, dat ze niet werken en denken kon en in halve verdooving op haar rustbank lag; in de nachten droomde ze kortstondig en benauwd en in de donkere stonden der slapeloosheid herdacht ze de jaren en de droomen van haar jeugd.

Eindelijk koos ze tot haar nieuwe woonplaats een dorp dat tusschen plassen lag, aan den zoom van bosch en hei. Ze kwam er toen de dorpsstraat vol stond van zon, de boomen beefden van verlangen om uit te knoppen en de boerenkinderen lentetje schenen te spelen met bloemenhoedjes en witte kleedertjes van den vorigen zomer. Hier wilde ze wonen, de meidoorn zou er geuren tegen dat ze kwam, en de witte wasch wapperen onder bloeiende perelaars.

In de tweede helft van de maand keerden koude en buiigheid terug. Al het kruit was ineens verschoten, doch Heleen bleef gelaten in het vooruitzicht van haar naderend vertrek. Een enkele maal bezocht haar een vriend, jongen of meisje, doch vond haar de oude niet meer en trok spoedig weer af, zonder dat Heleen pogingen tot terughouden deed. Ze sprak niet veel meer en lachte niet veel meer, en meed vooral angstvallig elk twistgesprek. Ze hoedde haar verdooving als een kostbaar goed en wilde niet blootgerakeld worden. Eens kreeg een meisje haar toch nog aan het klagen over wat ze meende, dat de menschen haar hadden aangedaan. Het was een namiddag en het regende. Het meisje hoorde haar aan, zweeg even en zei toen, met een zweem van kregeligheid in haar stem: „je waart ook vaak zoo vreemd, Heleen.” Heleen voelde een snelle rilling langs haar slapen, een warme prikkeling achter haar oogleden, ze deed de oogen even toe, Hamlet’s woord murmelde door haar hoofd: „en heet mij daarom als een vreemde welkom,” doch ze was moe en ze zweeg het, sloeg de oogen op, glimlachte vluchtig in een huivering, keek naar buiten en dacht „het is nog maar voor enkele weken.”

XXII.

Heleen herkende hem aan zijn oogopslag, zooals elk oplettend mensch in de volte onmiddellijk dengene herkent die mogelijkerwijs zijn vriend zal wezen. Ze herkende hem aan al dat onbewuste en onwillekeurige, dat oppervlakkigen als oppervlakkig verwerpen, omdat ze het in zijn echte beduidenis niet verstaan,—zijn glimlach, de bewegingen van zijn handen en den klank van zijn stem. Ze ontmoette hem voor de eerste maal in zijn eigen huis, hij was lector en gaf onderricht in scheikunde; een meisje van zijn college had Heleen verteld, dat ze met een groepje anderen was genoodigd enkele zeldzame, oude instrumenten die hij bezat, te komen zien en zich Heleen’s bijzondere voorliefde voor oude voorwerpen en oude prenten onder het vertellen plotseling herinnerend, had ze Heleen toegezegd, dat ze den lector, die met haar familie was bevriend, zou verzoeken, Heleen te mogen medenemen. Hij had dat goedgevonden en op een Woensdagmiddag begaven ze zich te zamen naar zijn huis, waar hij alleen en ruim woonde met een oude meid en boven zijn woonkamer een laboratorium had. Daar waren de meesten der anderen al bijeen, lachend en pratend, ongedwongen maar zonder luidruchtigheid, en Heleen zag hem dadelijk tusschen de jongeren, tegen een werktafel stond hij geleund en praatte schertsend met een meisje, maar brak af en sloeg de oogen naar Heleen en haar gezellin op, toen ze binnentraden, zoodat ook het meisje omkeek, plotseling niet langer lachte, en zich terugtrok naar de anderen toe. Heleen zag nu zijn oogen, donker en kalm doordringend, waarin een felheid uit jongere jaren leek gedoofd maar niet teloorgegaan, onder een hoog en bleek voorhoofd. Iets van den glimlach van zijn laatst gesprek scheen vergeten om zijn mond gebleven, zijn blik vloeide in een vluchtige opmerkzaamheid over haar heen, terwijl het meisje, dat hem kende, lachend om eigen linksheid, hen wat onbeholpen voorstelde—, toen wendde hij zich ook dadelijk weer af.

Heleen deed haar mantel af en sloeg hem gade—, meer dan de oogen bekoorde haar de zachtspottende glimlach, waardoor zijn gezicht welwillend en hooghartig was tegelijkertijd en zijn stem, rustig en effen, maar als uit diepten opgeweld, en met tintelingen van geestdrift en vluchtige pret. Schoon hij tenger en baardeloos was, met maar weinige, teere voorhoofdrimpels, giste Heleen hem eerder vijftig dan veertig, had hij niets van een jongen of een jongen man, en deed geenerlei moeite het een of het ander te schijnen,—hij had in zijn houding het gezagsbewustzijn van iemand die over niets minder denkt dan juist over zijn houding en zijn gezag. Alles wat hij deed, spreken, lachen, zich bewegen, was rijp en rustig, niets echter dood of gedoofd. Zoolang hij met deze en gene afzonderlijk sprak, hield Heleen zich achteraf en sloeg hem en de anderen gade. Ze zag hoe de meisjes het hoofd naar hem ophieven, lonkend met lippen en oogen, of, minder bewust en zediger, vriendelijk vleiden met haar blik en haar stem—, hij daartegenover had voor elkeen denzelfden glimlach en den zachten, vluchtigen blik, die niets weigerde en niets beloofde. Heleen in haar afzonderlijkheid, overdacht plotseling, dat misschien al die meisjes hem onverschillig waren, maar dat hij evengoed met elk van haar te zamen een geheim kon bezitten en dat met volmaakte kalmte en volmaakte gerustheid voor elk der anderen verbergen en ze kreeg tegelijk den indruk dat het hem gemakkelijker moest vallen vertrouwelijkheid te winnen, dan vertrouwelijkheid te weren.

Zoodra het gesprek om de voorwerpen die hij toonde heen, zakelijk en algemeen werd—hij sprak nu vast en koel, zonder haperen of bedenken—schaarde Heleen zich bij de anderen, tusschen wie ze zich vreemd en om hun grootere kennis beschaamd en armelijk voelde en toen de kring daarop weer uiteendreef en er hier en daar nog onderling gevraagd en opgehelderd werd, zag Heleen hem aan een andere tafel bezig met afgewend hoofd onopgemerkt oplettend luisteren, zonder zich nog in de gesprekken te mengen,—zijn handen bewoog hij tusschen glas en metaal, zijn blik greep naar hier en naar daar, hij floot zacht en bijkans toonloos. Heleen zag zijn gezicht van terzij, noch de oogen, noch den glimlach, toch voelde ze de doordringende aandacht van dat afgewende luisteren. Haar hart klopte snel in de plotselinge hevige begeerte dat al die aandacht één oogenblik voor haar alleen mocht wezen.

Het werd nu tijd van heengaan, enkele van de meisjes kwamen vleiend bij hem om zich in hun mantel te laten helpen, hij deed dat vlug en koel, met afwerende handen en den zacht-spottenden glimlach, die toch ook een vergoeding leek te willen zijn—als iemand die zich in een vast voornemen aan kleine bekoringen onttrekt en allen terugwijst, maar niemand grieft. Doch het tegendeel dat hij met elk van haar te zamen een klein en lieflijk geheim bezat, dat hij alleen van allen en geen van haar van elk ander wist, leek Heleen, hoe zonderling ook, nu meer dan even te voren een mogelijkheid, bijkans een zekerheid. Ze had die zekerheid geheel willen bezitten, doch ze dorst zelfs niet vorschen, ze had óók wat van zijn aandacht gewild, doch ze dorst het niet pogen, daarom groette ze stroef en koel en ging alleen naar huis.

Het was tot nu toe in Heleens leven zoo geweest, schoon ze vele vrienden had gehad, dat ze nimmer zelfstandig eenige moeite had gedaan een man te naderen. Geen man had haar ooit sterk bekoord, geenen man had ze ooit begeerd—, dit was geheel en al verklaarbaar uit haren aard. Ze was geen lichtbewogen meisje, op zinnelijk avontuur belust, ze begeerde zich toe te wijden om vereerd te zijn, om deel uit te maken van eens anders leven en daarin onmisbaar te worden, teneinde in het gevoel van die onmisbaarheid een schijn van grondslag en doel te verwerven in een onvast en wankel leven, teneinde door het andere bestaan het levend besef te behouden van een eigen bestaan, en aan de radeloosheid te ontkomen. Doch die drang was pas dan opgewekt, als iemand haar zocht te winnen, omdat hij haar klaarblijkelijk verlangde voor zijn geluk of noodig had tot zijn behoud. Dan rees ze plotseling uit de diepten der wanhoop tot een glanzend, bloeiend leven, wist ze elk ding stellig en zichzelve God-gelijk; in het voluit verwerkelijken van wat hare vreugde en haar bestemming leek, middel en doel tegelijkertijd, achtte ze niet langer de persoonlijkheid van wien haar aanzocht, mat zijn waarde of onwaarde niet langer met redelijken maat, maar verheerlijkte hem willens onredelijk om zichzelf reden te geven voor haar eigen verheerlijkten staat. En door misverstand en ontgoocheling, scheiding en scheuring, pijnlijk en ruw, had ze dit jaren lang volgehouden, zoodat het haar zelve verbaasde en ze zich afvroeg, wat dit toch wel in haar mocht zijn, dat haar méér dan staande hield, altijd weer ophief, altijd weer volop nieuw vertrouwen, volop nieuwe zekerheid gaf—, tot ze ten leste toch niet meer kon, walgend tegen elkeen, walgend van zichzelf als had ze zich voor elkeen blootgetoond en aan elkeen prijsgegeven, walgend tegen haar argeloosheid en haar vol vertrouwen in een ieder, zich kervend met schimp—, eindelijk verslagen, moedeloos en moe, wars en beu van zooveel onbelangrijk leven en zooveel en zoo blijvend misverstand. Nu wilde ze in eenzaamheid vluchten, om haar nederlaag te vergeten en haar kwellingen te ontgaan. Ze zag wel deze haar dwaling: dat ze de menschen had willen winnen en trotseeren in hun zeden tegelijkertijd en zich vernederingen getroost voor het eene, toch doorzettend in het andere, omdat daarin haar bestaansvoorwaarde lag—; ze had vergeving gesmeekt voor wat haar hart als zijn goed recht erkende, om geen liefde, geen genegenheid, geen achting zelfs te verspelen, die ze noodig had, die ze toch stelliger zóó dan door den koppigsten trots verloor.... ze had het klaar voorzien en toch niets op het spel durven zetten, zielsbeducht voor verlies, zooals elke man weet dat hij elke vrouw door smeeken vervreemdt en toch in zijn weekheid voor zich-alleen het tegendeel vreezend en hopend, smeeken blijft. Ze had nu eindelijk van dit alles genoeg, genoeg van het pleiten voor eigen deur, van den kamp tusschen waardigheid en hartsbehoefte, waarin haar kracht versmolt, genoeg ook van haar pogingen, menschen te overtuigen, die niet overtuigd wilden zijn en haar ten leste met hun spot en hun zelfgenoegzaamheid deden wankelen in haar krachtigst gevoel. Ze ging vertrekken om van dit alles verlost te zijn.

De betrekkelijke rust, waarin ze sinds dien Kerstdag in haar oude huis leefde, aardde niet naar de diepe en klare berusting, doch naar de troebele en verlammende verdooving, was geen vrede, maar een wapenstilstand, door nood en uitputting opgedrongen. De zwaarden blijven vaardig, de trommelen gereed om oproer en geweld te roffelen. Ze had bijkans de hoop verloren, dat ze ééns de zaligheid van echte rust en echten vrede zou smaken, dat ze ééns zou mogen zwijgen, niet langer zwijgen om zich te verbergen, ten einde de pijn der bespotting te ontgaan, maar zwijgen omdat zonder woorden alles klaar en duidelijk tusschen haar en een ander zou wezen.

Ze had van het gelaat van den man, dien ze dezen dag had leeren kennen, oogen en glimlach onthouden en de gespannen aandacht in zijn afgewende luisteren. Was het waar, wat haar toch nog zoo argeloos en al te snel vervoerde hart haar toefluisterde, had hij werkelijk ieder ding doorzien en in zijn eigen doorzicht rust en berusting gevonden en zou hij ook haar doorzien in al haar schijnbare tegenstrijdigheden en tweeledigheid? Zou hij haar drang naar recht en redelijkheid verstaan als een drang naar rust en verlossing in een blijvend besef, dat zij voor zich het uiterste had vervuld en gedaan en niet meer vermocht dan ze was? Had ze van hem niet de laffe toegeeflijkheid te vreezen, waarmee menschen elk streven in elkaar ten onder brengen, tot hun verderf? Was hij rijk genoeg om te geven, en nederig genoeg om te ontvangen? Ze voelde zich vol opgetaste schatten, zou hij het waardevol verschil tusschen die ongangbare munt en tusschen waardelooze munt onderkennend, bereid zijn te ruilen tegen het gereede dat hij zelf bezat? Niemand had het tot nu toe verstaan, niemand had wil of vermogen tot dien ruil gehad.