Part 11
De menschen in haar huis zagen Heleen volstrekt niet aan als iemand die ziek of gek of overspannen is en dat stelde haar gerust. Zonder dat ze het opzettelijk vermeed, vermoedde niemand iets van het verborgene achter het zichtbare leven, van haar zelfkwellingen en haar deernisloos rukken en knagen aan de eigen illusies,—niemand zag de wonden, die ze om waarheidswille meende te moeten slaan in haar eigen hart. Heleen was blijde toen ze hoorde dat een der „moderne” meisjes in huis haar een „banaaltje” had genoemd,—zij voor zich wilde de eenheid met allen, niet het onderscheid, en het besef toch wel anders dan anderen te wezen, streelde haar niet, maar deed haar zeer—, want het beteekende eenzaamheid, waartegen ze niet opgewassen was. Ze praatte gaarne met de oude vrouw, zocht vaak gezelschap, was dan niet zelden vroolijk en zelfs vrij gauw uitbundig—, doch de echte levenslust kende ze niet. Het was altijd een opvlammende verblijding om de vreugden van het samenzijn, die haar zoo lang onthouden waren en waaraan ze zich niet verzadigen kon, zoodat ze zich nog steeds voor elk blijk van genegenheid overmatig en onstuimig dankbaar gevoelde en toonde.... tot haar schade.
De oude vrouw bleef haar getrouw verzorgen en Heleen beantwoordde haar angstvalligheid door zich opgewekt te toonen en meer te eten dan ze begeerde. Ze bleef haar helpen in haar bezigheid, boodschappen voor haar loopen, gevoelig voor haar lof en oplettend bij haar verhalen. Beneden haar in het groote huis woonde een meisje, dat heel gelukkig was omdat zij voor zich met anderen te zamen een waarheid bezat. Vaak had ze Heleen gesproken over den band der algemeene broederliefde en de zekerheid des eeuwigen levens, die in haar gemeenschap te vinden waren en getracht Heleen in haar geluk en haar voldaanheid te doen deelen, maar Heleen was er tot haar smart niet in geslaagd. Het andere, wat oudere meisje, werkte niet voor haar onderhoud, ze ging met lieflijk-kwijnenden oogopslag, gekleed in teederkleurige, sleepende gewaden door het huis, lag in den avond op een divan tusschen spreukenboeken in wit en goud bij een matte lamp en liet zich door de oude vrouw bedienen. Heleen had in den beginne tot haar opgezien, aanvankelijk troost van haar gehoopt en verkreeg die niet, doch ze meende teederheid te zullen vinden en die met al den hartstocht van haar hart te mogen beantwoorden.
Heleen was geboren en opgevoed tusschen teruggetrokken ouders en kleinsteedsche of boersche menschen, die van vriendschap niet wisten, althans niet gewaagden, geen ander onderscheid maakten dan tusschen eigen en vreemd, dorpsgenoot en onbekende, en wier stroeve ingetogenheid uiterlijk genegenheidsvertoon geheel en al buitensloot.
Heleen had zich nooit tusschen die meer beschaafde en verfijnde, ietwat verweekelijkte menschen in betere kringen bewogen, waar de meisjes elkaar vleien en fleemen en liefkoozen en met lieve naampjes noemen, zonder dat een werkelijk warm en teeder gevoel daaraan ten grondslag ligt; met haar was niemand ooit op deze wijze omgegaan, noch zij met anderen; nu het haar plotseling overkwam, gaf ze er zich geheel en al aan over en meende ze in haar vreugde niet anders of haar nieuwe vriendin droeg haar de teederste en trouwste vriendschap toe. Bovendien had ze Heleen van die genegenheid met woorden verzekerd, en dat ze haar helpen wilde, als Heleen haar noodig hebben mocht.
Doch eens op een avond was Heleen, door angst en eenzaamheid van haar kamer gedreven, bij haar gekomen en vond haar tot uitgaan gereed en in de verste verte niet tot blijven om harentwil bereid. Ze had het gezien in de zachtzinnige oogen, gehoord in de teedere stem en haar woorden gespaard. Wel echter vroeg ze, of ze den anderen dag, na haar school, mocht komen, en het zachtzinnig antwoord was wederom een weigering: dien anderen dag was tot den avond toe alreeds bezet en bestemd. Pijnlijk en beschaamd om deze dubbele afwijzing sloop Heleen terug en doolde alleen den avond door,—doch toen ze den volgenden dag in den middag uit school kwam, ontmoette ze de vriendin drentelend en winkelend in de straten met een ander, evenzeer fraai gedost meisje. Ze vermeed haar snel, rende als een gewond dier naar haar huis terug en leed heftig-schreiende om wat elkeen weet, maar wat zij nog niet had geweten, dat van de vrouwen de meesten haar geringste beuzelarijen en eigenbelangetjes hooger stellen dan de laffe lievigheid, die ze in zichzelf het vermogen om vrienden te bezitten en lief te hebben wanen.
Ofschoon Heleen dus zeer zeker haar overtuiging behield, dat mannen in het algemeen eerlijker en redelijker zijn dan vrouwen en zelfs veelal gevoeliger en bovendien zuiverder het grappige en aandoenlijke in kleine dingen verstaan, besefte ze het wel, en bekende het zich ook: het was niet daarom in de eerste plaats dat ze liever met hen dan met vrouwen verkeerde.
Het was om de weelde van hen met oogen en glimlach zoo licht te kunnen bekoren. Ze was ook bij haar jongens-vrienden nooit verlegen, gevoelde geenerlei onbeholpenheid, maar bewoog zich zachtstralende in haar eigen lieftalligheid tusschen hen en liet in ruil voor haar teederheid hun vleierijen naar zich opgaan als een zoete damp. Of ze deed mee met hun scherts en verblijdde zich in de innigheid der kameraadschap. Ze had soms vele vrienden tegelijk, maar een van hen was de uitverkorene, niet doordat hij sterker of schooner dan de anderen, zich sterk en schoon van hen onderscheidde, doch omdat ze wilde, dat er één uitverkorene wezen zou, één, voor wien ze de anderen gewillig zou hebben opgeofferd, één die ze alles gaf wat jongens vleien en verblijden kan, en ook hem dus vleien en verblijden moest: liefkoozing en lieve woorden, die zijzelf even zoo gaarne ontving. Ze maakte van dien uitverkorene een held—ten einde daarna zichzelf in vlekkeloosheid te volmaken en hem waardig te zijn—op dezelfde wijze als een schilder een profeet maakt van een ouden, armoedigen Jood; wat den echten jongen van den held onderscheidde, bloeide op in haar eigen ziel en werd hem van daaruit rijkelijk toebedeeld. Dusdanig is de kunstenaar-zelf de profeet, dien hij in zijn model verbeeldt, maar toch kan hij het model voor zijn verbeelding niet missen. Ze wist, dat mannen naast vrouwen zich gaarne de meerdere voelen en speelde met een blijden glimlach het spelletje van den sterken, wijzen man en het kleine, onderworpen meisje, om hem te behagen. Haar scherpzinnigheid doorzag dit gansch bedrijf; ze kende meestal haar vriend beter dan hij zichzelf kende, ze doorzag hem volkomen in al die dingen, waarin hij zichzelf zoo gaarne vleide en misleidde, zijn zelfingenomenheid, zijn menschenvrees, zijn overschatting van eigen kunde, eigen kracht en eigen deugd. Ze zag zijn zwakheden, die hijzelf met mooie namen bekleedde en beginselen heette, zooals ze haar eigen zwakheden zag en liet zich nochtans door hem beheerschen, omdat mannen in heerschen behagen scheppen. Ze liet hem ter wille dingen na, en deed er andere, die hij haar oplei of ontzegde, schoon zijzelf het een en het ander even onbelangrijk vond, ten einde haar vriend en zichzelf te vleien met het besef, dat haar leven werd geleid door zijn wil. Alles offerde ze aan die illusie op, ze gaf haar belangstelling en haar tijd aan zijn plannen, stelde zich van alles wat daartoe dienen kon op de hoogte, en gaf hem oordeel en raad in beslissingen, die haar volkomen onverschillig zouden zijn geweest, als ze haarzelf betroffen hadden. Ze werd levenslustig, geestdriftig, ijverig en eenzijdig om zijnentwil, vond om zijnentwil een sterk behagen in haar bekoorlijkheid, zoodat ze haar oogen toelachte en haar mond kuste op het spiegelglas, uit dankbaarheid voor hun vermogen hem tot vreugde te zijn—, ze verheugde zich om de uitkomsten van haar vlijtig zelfonderricht en onverpoosd peinzen—die ze reeds voor zichzelf als ijdel en nietig verworpen had—en ze toonde hem dit alles zoo veel mogelijk, opdat hij met haar liefde als met een waardevolle onderscheiding hoogelijk en altijd weer, gevleid en verheugd zou zijn. Van dien aard was haar behaagzucht.
Alzoo muurde ze zich een leven binnen haar leven af, want alles wat liefde betrof, lag buiten het geweld, buiten het slagveld van martelend worstelen tegen het onbekende, buiten het pijnigend zelfonderzoek, buiten twijfel en wanhoop—daar stond ieder ding roerloos en rustig in gouden damp, in de reuk van zoete bloemen, daar was het louter weelde en lieflijkheid, zooals in de oude boeken, zooals op de prent van „De Ridder en zijn Bruid.” Daar scheen een ander licht, dat het kleurlooze kleur gaf en het waardelooze waarde. Geen neiging, geen gevoel, geen aanvechting had ze ooit in zichzelve ontdekt of ze had het beet gegrepen, er het mes in gezet, het ontleed, tot er geen vezel ongedeerd van bleef en ze zich afwenden moest. Liefde spaarde ze. Ze had aan het bestaan van elk ding getwijfeld, tot aan haar eigen oprechtheid, tot aan haar eigen bestaan. Liefde betwijfelde ze niet. Liefde bestond. De scherpe stem binnen in haar zeide haar, dat dit onredelijk was, dat ze ook liefde behoorde te ontrafelen en daarna te ontkennen; ze luisterde en knikte als een kind tegen den meester—ja, hij heeft wel gelijk!—keerde zich af en huppelde neuriënd verder.
Alles wat liefde betrof, moest edel en verheven wezen, als in de oude boeken, daar moest de luide lach verstommen, het grof gebaar breken en verfijnen en ieder woord van een uitgelezen welluidendheid zijn. Hij was de Ridder en zij was de Bruid, de fijne, zoete, bescheidene, de vlekkelooze en in iedere deugd volmaakte.
Het schoone dat Heleen in wereld en menschen aanwezig had gedroomd, het Onzelfzuchtige, alles dat vrijwillig van het eigen-ik af en naar anderen of naar iets anders toegewend is, om zich daarmee ten diepste te vereenzelvigen, en waarvan het eender is welken naam het draagt—liefde, geestdrift, toewijding of vereering—en aan welken vorm of stoffe het zich hecht—aan man of vrouw, menschheid of God—omdat het in zijn wezen-van-overgave zichzelf eeuwig gelijk blijft—, dit goddelijke, dat in menschen verminkt en verknoeid en door ijdelheid en begeerte verdrongen is, leek haar in ongeschonden volheid te verwerkelijken binnen die kleine wereld van twee menschen die elkaar liefhebben. Het overige was vergankelijk, was vluchtig, was aardsch—, liefde eeuwig, vast, blijvend, goddelijk—, het overige op handhaving en verrijking van de eigen persoonlijkheid, liefde slechts op overgave en opoffering bedacht. Liefde was goddelijk, want scheppend een nieuwe wereld waarin leven vreugde en ademen zoetheid was, een wonderlijke wereld, waar andere wetten heerschten en het geven niet verarmde, maar verrijkte.
Dit vermogen tot onzelfzuchtig prijsgeven van het eigen ik, anderen ten baat, krachtig in zichzelf aanwezig te gevoelen, was Heleen te midden van verflauwing en vervloeiing een klare en sterke vreugde, een krachtig en weldadig tegenwicht dat haar heele persoon in balans hield, en om dit vaster te gevoelen wendde zich haar genegenheid bij voorkeur naar de zwakken, de eenzamen, de bedroefden, naar al diegenen, welke haar het meest konden noodig hebben. Ze zou gaarne zelfs de dommen en bekrompenen hebben gekozen, doch die juist hebben geen anderen van noode en hun botte aanmatiging kan door geen illusie worden vermomd. Ze zocht haar vrienden om een plaats in hun leven te verkrijgen en daarin onmisbaar te zijn, als een bevestiging, tevens rechtvaardiging van haar eigen bestaan. Was ze niet eenmaal onverwacht en onhoorbaar met een armvol bloemen in de kamer van een vriend gekomen en had hem met sombere oogen en betrokken voorhoofd starend voor zijn haard gevonden? Ze had zacht lachend op een afstand zijn naam gezegd. Daar was zijn blik omhoog en naar haar opgegaan. Hij bleef even zitten en keek naar haar op, zij bleef even staan en keek op hem neer en uit dit korte wisselspel van trillenden lach en blij-bedauwden blik was als een flits een nieuw besef in haar ontsprongen: zij was de zon, zij was een licht, zij kon haar vrienden met gelukzaligheid bestralen. Was ze op aarde, in het heelal, volstrekt nietig en volstrekt misbaar, dit was een ander leven, dit was een ander oogenblik en dit leven reikte gretig naar haar leven, dit oogenblik beleed voluit haar onmisbaarheid....
Liefde moest alles goedmaken, de klacht van het verleden, de pijn van het nu, beider kille ongewisheid. Overal klonk de klop, maar het vertrek der liefde had zachtbehangen wanden, daarbinnen lag ieder gerucht verstomd, was de booze betoovering verbroken. Liefde moest bloemen doen bloeien uit de oude hartewond, liefde moest haar met het zijn verzoenen en behoeden voor wanhoop, waanzin en melancholie. Zooals een brandglas dat de stralen der zon samentrekt op een middenpunt, dat daardoor zelve zon wordt, terwijl het overige koel blijft, zoo stond Heleen’s leven naar het schenken en ontvangen van liefde gericht. Al hare energieën, de tezamenvoeging van alles wat anderen in jacht, haat en vrees, in eerzucht en zorg doen opgaan, had ze in dat eene vermogen geofferd. En uit die vast-gespannen ernst en aandacht van ziel en geest werd ieder van haar liefdedaden, gebaar en kus en woord, wat zijn arbeid is voor den kunstenaar, alzoo: het diepste, het krachtigste, het edelste dat hij heeft te geven.
XX.
Heleen werd ouder, ze naderde haar vijf en twintigste jaar, ze was in menig ding volwassen en in menig ander een kind. Ze voelde zich bij tijden pijnlijk vereenzaamd en volslagen verlaten, daar ze nog steeds niet begreep, waarom zoo weinigen haar eenvoudige en redelijke wenschen deelden; vaak ook was ze vermoeid. Haar lichaam had in het geteister van haar geest hevig meegeleden en verdroeg het vermoeiend zwerven niet meer zooals vroeger. En in school tusschen de lessen, als ze met de anderen rondom de kachel ineengedoken haar middagbrood at, verzuchtte ze bij herhaling, maar zonder dat te beseffen, alsof het haar zelf telkens voor de eerste maal trof: „ik ben toch zóó moe”—, zoodat de anderen haar schertsend vroegen, wat ze toch wel voor een hard leven had.
Ze werkte en las in haar avonden gestadig, omdat ze het gewend was, doch niet overmatig zwaar, en kon zich vaak verblijden in de gelukkige oplossing van een moeilijk vraagstuk, of in wat ze uit geschriften aan kennis en verheldering won, zonder altijd weer opnieuw te worden meegesleurd in de vertwijfeling, dat zijzelf en elk mensch op de wereld tot zijn wroeten en zoeken, zijn gedachten en daden, werd gedreven en gedrongen buiten eigen wil of begrip en nimmer zou ervaren, waartoe zijn leven had gediend.
Ze leerde in dien tijd van inzinking tot betrekkelijke rust terugzien op de jaren die achter haar lagen en op haar bedrijf, haar worstelen, haar te keer gaan tegen zichzelf, haar vruchtelooze vermoeienissen en de onheelbare verwoestingen, die ze in zichzelf had aangericht. Peinzen.... altijd door verwoestend peinzen en niet genieten, niet lijden, niet vechten—, waarom toch? Waarom was het haar opgelegd zichzelf en al haar droomen en verbeeldingen zoodanig te knauwen, zij, die met ongerepten droom en teedere verbeelding ruimschoots gelukkig had kunnen zijn? En waar had het haar gebracht, wat had ze geleerd en was ze nu werkelijk verder dan anderen gekomen? Het waren waarlijk niet alleen de dommen, de oppervlakkigen, de opgeblazenen, het waren de besten onder de menschen, de geestdriftigen, de werkers, de dichters en kunstenaars even zoo goed, die vertrouwden op hun instincten en onderscheidden met hun gevoel en zich als uiterste verklaring voor hun drijven en willen tevreden stelden met woorden als „aanleg,” „roeping,” en „plicht,” zonder naar den dieperen oorsprong van hun aanleg, roeping en plicht te vorschen. Had zij werkelijk iets meer gevonden, had haar „verstand” ook maar iets onderscheiden, dat haar gevoel niet alreeds bij voorbaat en beter wist? Met alle anderen te zamen had ze een effen weg bewandeld, maar zij alleen had de effenheid versmaad en was terzijde af een bar doornenpad ingeslagen, om aan het einde nieuwe werelden te zien. Het pad bleek kronkelend en lang, ze had geloopen en geworsteld, geleden en gehijgd, tot ten leste een einde zichtbaar scheen: een effen weg met kalm wandelende menschen. Een nieuwe wereld, een nieuwe weg, nieuwe menschen! Ze was nader gedrongen, haar hart had geklopt, zij verblijdde zich fel in wat ze vinden zou.... toen stilde haar hart en de blijdschap slonk.... wat zij zag was dezelfde wereld, dezelfde weg, dezelfde menschen.... Elkeen had gewandeld en gelachen en geleefd en genoten, terwijl zij worstelde en vocht in donker en kronkelende doornen langs een eindeloos en helsch-misleidend pad, en nu was ze weer even ver en mocht meestrompelen tusschen de anderen op haar gewonde voeten, maar kon niet meer tevreden zijn.
Zichzelve had ze willen kennen, de menschen had ze willen kennen.... de zelfverheffing als een kleed uit ondeugdelijke stof van zich af geworpen, nu mocht ze toezien hoe anderen zich daarin warmden en zelve koude lijden—, het genadig schemerlicht had ze als weekelijk gemeden, nu mocht ze in klaarheid gaan om haar eigen ellende te zien.
Haar leven had geen bestemming, het leven van anderen had wel een bestemming, velen hadden het hunne bestemd om op hun wijs onrecht en ongerechtigheid te bevechten, dit vulde hun dagen en deed ze overvloeien van voldaanheid en geluk. Heleen benijdde hen soms tot in hun hoovaardij en verblinding toe—, in sommige uren scheen haar alles begeerlijk boven het eigen lot, begeerlijk het ondoordachte leed en de onbezonnen vroolijkheid, als er maar niet aan gerukt en geplozen behoefde te worden tot het bezweek en uiteenviel tot niets.
Maar in andere, minder vertwijfelde oogenblikken zag ze dit anders en besefte dat ze wel had geoogst, en dat het leed der verleden jaren niet vergeefs was geleden. Ze mocht nu gelooven dat ze iets van zichzelve wist, dit weten was bezit, was rijkdom, was glorie bijna—, mocht ’t aanschouwde—armoe en armzaligheid—ook zijn eer gruwlijk dan schoon. Niet langer beangstigde haar de bewustheid, ze wist die nu als een golfbreker tusschen zichzelf en de onbekende verte van hartstocht en sluimerend gevoel. Het zwellen der baren, hun dreigend heffen, hun aanzwalpen kan de breker niet weerhouden, niet keeren, maar ontkrachten kan hij ze wel. Nimmermeer zou haar het schriklijke verschrikken, het verbijsterende verbijsteren, daar zij het in zichzelve kende en voorzag en elke laaiing, gebroken en weerhouden, voor haar en voor anderen onschadelijk zou zijn. Deze reddende zelfkennis wilde ze niet in een nieuwe vertwijfeling prijsgeven. Arm en afhankelijk wist ze zich, omdat ze zich mensch wist...., en toch leek het haar somwijlen als vloden armoede en erbarmelijkheid voor de pure erkenning van hun zijn, als een spook voor daglicht....
Ze wilde dus op haar inzicht teren en leven, doch de oude spokenvrees en de hang naar vrede uit het gouden kruisje waren daardoor niet verdwenen, ze had dit alles te zamen als weggekuipt in een vat; haar geestkracht sloot als een onverzettelijke vuist op het spongat en hield het gisten binnen in bedwang. Mocht eenmaal, als ze oud en moe zou zijn, die vuist verslappen en verlammen, zoodat hij wijken moest onder wat naar buiten borrelen kwam, dan stond ze bloot aan iedere verdoling. Ze overwoog dit bij voorbaat en gaf het bij voorbaat zijn waren naam, ten einde niet later vrees en verdoling op te hemelen, met ze deugd en geloof te heeten. Veel van haar uren vulden zich zoo met een voortdurend zelfwantrouwen en zelfonderzoek, opdat ze niet zou behooren tot hen, die hun eigen daden en redenen niet verstaan en hun zwakheden noemen met mooie namen, van hun onmacht tot zelfverloochening een levensleer maken, van hun zwakheid een beginsel en van hun nood een deugd. Ze hield zichzelf kort en streng om niet in hun fouten te vervallen. Alles wat onvast, onvrij en onrustig maakt, schuimde ze af en wierp het uit in den avond van elken dag, opdat niet haar rede zou opstaan tegen haar daden en haar daarin beschamen. Doch dit alles kon haar niet maken tot wat ze zoo zeer van noode had te wezen: een gelukkig kind, en meestentijds benijdde ze den anderen hun zoete verblindingen, hun dierbare wanen en troostvol zelfgevoel, daar „geluk” toch niet anders scheen te kunnen worden vervuld dan met wat het licht der rede niet kon lijden, en zij bezat niets dan de zwakheid van haar deernis en het nimmer aflatend, verlammend en vreugdvergallend besef van de schijnbaarheid en de ijdelheid aller dingen.
Maar toch, tegelijkertijd, terwijl alles in haar en de wereld om haar voor haar oogen op wankelen en omslaan stond, terwijl ze haar eigen schijnbaarheid aan den lijve gevoelde en de eene twijfel de andere verdrong, tot ze vertwijfelde in de wilde jacht, bleef haar begeerte de wereld te kennen in al haar gedaanten, menschen te doorgronden uit wat van hen naar buiten schijnt, ongedeerd—, gaf ze acht op ieder gebaar, op iedere verschijning, trachtte woorden en geruchten te verstaan om hun dieperen zin te vatten. Voortdurend sterker leerde Heleen uit dit alles beseffen, hoe van elken mensch de bestemming zich buiten zijn wil en zijn begrip om, uit anderen Wil en ander Begrip aan hem voltrekt, en de woorden, die haar ééns hoonend schenen, leken bij wijlen in weeke oogenblikken tot een zacht-vaderlijke vermaning getemperd—, dat ze zonder vragen in deemoed moest leven en werken, naar de wenken van haar eigen hart. Soms fluisterde ze voor zich uit... du bist am Ende was du bist.... boog het hoofd in haar gevouwen handen onder de lamp en als een glanzende mist omgaf haar de gelatenheid. Het bleek haar nu wel duidelijk.... wat in haar diepste zijn bestond, was daar altijd geweest en zou daar altijd blijven.... Als kind had ze niet geweten, wat ze zoo koortsachtig zocht in een half-verscheurde „Reinaerde” dat ze er uren over gebogen zat, om oude woorden als schatten op te delven, en zoet-zwaarmoedig peinsde over het verband tusschen de vergane gedachten in de vergane woorden van vergane geslachten en de hedendaagsche taal, die de gedachten der hedendaagsche menschen bevat. Nu leek het haar toe, dat ze toen al het heden door het verleden had willen kennen, om samenhang en beduidenis, het blijvende, bindende, altijd geldende, in de verwarde ketenen der menschelijke daden te zien—, daarom was haar ontroering geweest als ze een begrip dat ze kende, plotseling in een oude en vreemde gedaante voor zich zag.... ontroering als een voorgevoel.... de heilige blijdschap om Eenheid en Eeuwigheid. Niet zij zelf had dit haar lot gekozen, maar het was haar opgelegd en al dat woelen en wroeten binnen in haar, het beangstigende, het onbegrepene, het geheime geschiedde voorzeker niet ordeloos en woest, maar naar de wetten van eenen Wil, dien zij niet kende, zoomin als het stukje ijzer den magneet kent, die uit de verte zijn inwendigheid beroert en verontrust tot al zijn deelen in rechtstandigen regelmaat gericht liggen. Dan pas mag het de vereeniging kennen. Was zij zulk een stukje ijzer, was er een Magneet, die uit de verte haar beroerde en bewoog en naar zich toe wilde trekken, zonder dat ze wilde of wist? Haar gelatenheid leerde haar, dat ze dit in waarheid geloofde.
Het werd weer herfst, vaak was Heleen met zichzelf alleen, en schoon ze nog las en luisterde, er was in het doel van haar lezen en haar luisteren verandering gekomen. Ze wilde niet altijd meer doorvorschen en het een met het ander weerleggen tot een slotsom, die onweerlegbaar zou zijn; ze was alreeds bescheidener geworden.