Heilige Banden: Roman

Part 12

Chapter 124,024 wordsPublic domain

Dr. Brakel zeide daarop:

„Mevrouw is niet dadelijk te spreken, professor. Ik moet haar voorbereiden. Ik zou u raden voorloopig naar uw kamer te gaan.” Daarna gaf hij een teeken aan ’t dienstmeisje en wees op Didi. Zijn heele optreden had iets autoritairs, iets korts en afdoends, als gold het hier een weloverdacht plan van handelen.

De anders zoo zachtmoedige professor kon zich niet meer inhouden.

„Ik moet mevrouw spreken, versta je dat, Pietje?” riep hij woedend, niet lettend op de dokter. „Zeg me onmiddellijk waar mevrouw is.” En hij ging eenige schreden de gang in, in de richting van de trap.

„Ik.... weet.... ’t niet,” stamelde de verschrikte Pietje, wie de angst om ’t hart sloeg: je kon nooit weten, nu meneer gek was.... En haar voorschoot aan de oogen brengend, begon ze te schreien.

Haar vrees dat „meneer” haar aanpakken zou werd niet bewaarheid, tot haar groote verlichting; want ze zag hem met ongekende haast de trap opgaan, nog voordat de dokter een woord van protest kon uitbrengen. Bij wijze van schrik-afleider nam ze Didi bij de hand, en troonde haar met zich mee naar achteren: de dokter moest ’t maar verder klaarspelen met meneer, zij moest er niks van hebben, hoor!

En de dokter vond het geraden Larsen zijn gang te laten gaan. Zijn vrouw zou hem toch wel in geen geval ontvangen. Dr. Brakel dacht aan de afspraak, die ze vóor zijn vertrek naar Vlissingen, met hem gemaakt had, en rekende op haar voorzichtigheid. ’t Was Paula makkelijk gevallen hem te overtuigen dat ze bang voor haar man was, nu hij „zoo vreemd” was, en hij had haar dan ook de raad gegeven hem onder geen voorwendsel bij zich toe te laten: hij, Dr. Brakel, zou dan alles wel kalmpjes afdoen. Paula had het hem vast beloofd, met groote voldoening dat ze zóo een lastig tooneel met Larsen vermeed: wie weet wat de man anders in zijn razernij tegen haar zeggen zou, afgezien nog van lichamelijk letsel dat hij haar zou kunnen doen: hu, zoo’n gek!—want dat wàs hij immers nu bepaald—’t was beter alle contact te ontloopen, dan was er geen kans op geklets van de meiden ook, en—de zaak zou op rolletjes gaan....

Zoo had Paula zich dan reeds uren te voren boven in haar kleedkamer opgesloten, en iedere keer was ze naar het venster geloopen, wanneer ze meende ’t gedruisch van wielen te hooren. Over de tuinmuur heen kon ze een strook van de straat overzien. En toen eindelijk ’s avonds vrij laat ’t verwachte rijtuig langs de muur reed, stond ze weer achter ’t gordijn, en kon ze bij ’t schijnsel van een straatlantaarn aan de twee gestalten op de bok merken dat Larsen wel binnen enkele oogenblikken thuis zou wezen. Toen nog even geluisterd aan de deur, die ze met de hand aan de knop openhield: jawel, daar hoorde ze zijn stem in de gang! En ijlings sloot ze de deur, weer op slot.

Paula voelde zich zenuwachtig: zou Larsen misschien tòch trachten tot haar door te dringen? Als de dokter eens.... Ze zette zich op een fauteuil bij haar kaptafel, en wachtte af, de ooren gespitst. Het gerucht van stemmen beneden kwam flauw tot haar. Pietje of de dokter zou wel spoedig boven komen.

Daar werd aan de deur geklopt, met vrij hevige tikken.

Dat moest Larsen zelf zijn! Ze voelde ’t, ofschoon de vlugge schreden op de trap en op den overloop evengoed op een ander hadden kunnen duiden; want men zou haar immers dadelijk verwittigen, wanneer de verwachte er wezen zou.

Een oogenblik bleef ze in beraad.

Nog eens hevig kloppen, vrij onmiddellijk na ’t eerste.

„Paula, mag ik binnen?” klonk het ongeduldig en gejaagd, zonder eenige inleiding.

De aangesprokene was ten hoogste ontroerd: ze beefde over haar heele lijf. Ze moest een besluit nemen: niet binnenlaten, in geen geval.... Maar dan.... als hij eens de deur forceerde?

Haastig sprong ze op, liep naar de schel en deed er drie of vier zenuwachtige rukken aan.

Larsen hoorde de beweging in de kamer en ’t geluid van de schel. O, hij begreep het: Paula was bang voor hem! Deze ontdekking die hij deed was weinig geschikt om hem tot bedaren te brengen. ’t Speet hem nu dat hij maar niet dadelijk naar binnen was gegaan. Hij had ’t niet gedaan, omdat de veranderde omstandigheden hem dwongen tot grootere vormelijkheid.... De deur zou wel open zijn.... hij moest onmiddellijk aan dien onzin een eind maken.

„Wat is dat?” riep hij buiten zich zelven toen hij merkte dat de deur op slot was. „Paula! Ik moet even bij je zijn. Ik moet je spreken. Wat is dat nu voor een komedie? Laat me binnen!”

Geen antwoord.

„Paula! Hoor je me niet?”

Hij luisterde even: ’t was muisstil in de kamer. „Paula!”

Daar kwam iemand de trap op. O, de dokter. Wat had die hier te maken?

„Wat moet u hier?” vroeg Larsen.

De dokter trad op hem toe en leî een hand op zijn schouder. Larsen weerde hem driftig af:

„Dat is onuitstaanbaar! Ik heb u niet noodig....”

„Ik u wel,” zei Dr. Brakel kalm en met beteekenis. Weer ging de bel in Paula’s kamer.

„Wacht u dan beneden op me. Ik kom bij u in de voorkamer, straks. Ik moet even mijn vrouw spreken. Dat wil u me toch niet beletten?”

Merkwaardig stak de drift van de eene bij de kalmte van de ander af. Dr. Brakel waagde nog een poging tot overreding. Vriendelijk vervolgde hij:

„Ik heb u immers gezegd dat uw vrouw u niet dadelijk ontvangen kan. Ze komt misschien straks beneden. Ga nu met me mee, of ga naar uw kamer. Daar doet u heusch verstandiger aan. U begrijpt toch dat uw vrouw na ’t gebeurde.... niet opeens begrijpt.... wat ze aan u heeft.”

Misschien zou Larsen voor die zachte drang gezwicht zijn, als niet juist op dat oogenblik iets voorviel dat zijn reeds bedarende drift heviger dan ooit deed opvlammen.

De man op de bok, op wie Larsen bij ’t thuiskomen in zijn staat van afgetrokkenheid niet meer gelet had, was een kameraad gaan halen en beiden bleven buiten wachten nadat het rijtuig weggereden was. Pietje had van mevrouw de uitdrukkelijke last gekregen ze in te laten zoodra de dokter ’t noodig oordeelde, en als dat gebleken was voorloopig niet het geval te wezen, zou ze hun dit aan de deur zeggen. De politie-mannen—want dit waren zij, al verraadde niets in hun kleeding hun kwaliteit—wandelden op en neer vlak vóor ’t huis. Pietje, die op mevrouw’s bellen de oude dokter naar boven had zien „hollen”, vond ’t geraden naar hulp uit te kijken: wie weet wat er anders gebeurde! Ze was anders juist bezig Didi allerlei vragen te doen, en had zoo graag wat meer uit haar gekregen—Didi was uit haar humeur geweest, had nauwelijks bij Pietje willen blijven, en toch had deze dit noodig gevonden „in de omstandigheden”. En Pietje stoof de gang in, terwijl ze Didi in de keuken sloot, keek schuw links en rechts uit de voordeur, wenkte met hevig gebaar toen ze de twee gestalten gewaar werd.

„Doet-i vreemd?” vroeg de een, die ’t zaakje niet onaardig vond. Mevrouw van de Prefesser was al zoo gul geweest. ’t Was daar ’n goeie boel in huis: cognac en sigaren, asjeblief en fijn, hoor!

„Ja, kom gauw,” zei Pietje zenuwachtig, en keek nog eens of er ook menschen op straat waren.

En de beide mannen kwamen stil binnen. Pietje sloot de voordeur, met bevende vingers, en ze deed zich pijn aan de koperen knop. Ze stak haar duim in haar mond—hè, dat lamme ding aan die deur!

„Mevrouw is boven,” stamelde ze.

„Ja, en?” De gebaarde politie-agent met het blozende gezicht, die iets Duitsch krijgshaftigs in zijn uiterlijk bewaard had, al was hij ook reeds tien jaar „uit dienst”, had zijn minder militair uitziende kameraad—een bleek, beenig stadsmensch met kaal gezicht, iets ouder en minder stevig—met een wenk duidelijk gemaakt dat hij wachten moest: hij had in dienst manieren geleerd, wat blief je....

„Meneer.... is ook boven. En de dokter is ook boven. Ga maar ’s kijken.”

De Germaan van de twee glimlachte goedig over Pietje’s zenuwachtigheid.

„Blijf jij maar hier wachten, Van Turnhout,” zeî hij op gedempte toon tot de ander. „Ik zal je wel roepen als ’t noodig is. Ik zal wel alleen gaan.”

„Gauw dan toch!” jengelde Pietje zoo zacht als haar angst toeliet. Mevrouw had haar weer gebeld....

En zoo kwam ’t dat er zich een ruige krijgsmanstronie boven de trap vertoonde, juist toen Larsen die kant uitkeek, en er reeds aan dacht toe te geven aan de aandrang van Dr. Brakel.

Het kinderlijk, kalm jongensgezicht met de groot-starende, blauwe kijkers had op Larsen een wonderlijke uitwerking. Zonder zich rekenschap te geven van wat hij deed—de impulsies namen meer en meer de overhand in zijn handelen—vloog hij op de verschijning toe.

„Mijn trap af.... Mijn huis uit, zeg ik je!” bulderde hij vlak bij hem.

Weer dat starende blauw, zonder spoor van verbazing; dat massieve geheel van bewuste kracht.

Larsen weifelde. Meteen was onze Germaan boven, en stond nu naast de woedende. Hij wierp even een blik naar de deur aan ’t einde van de overloop, die van Paula’s kamer. Dat was in orde: de dokter stond ervoor, en die wenkte: hij kon zijn gang gaan.

Larsen zag en begreep zijn blik. En smartelijker, honender dan ooit flikkerde dit angstbeeld vóor zijn geest op: Paula wilde hem verwijderen, naar ’t gekkenhuis laten brengen, zonder hem een oogenblik gelegenheid te laten het misverstand uit de weg te ruimen, en de dokter en zijn heele huis spanden samen in een duivelsch komplot!

Dat zou niet, bij God! Hij was nog meester in zijn huis.... Maar ’t bevelschrift dat de oude Brakel hem te Vlissingen had laten zien? ’t Mocht wat! ’t Was al mooi dat hij daarom gewillig mee was gegaan, terug naar zijn huis! ’t Was immers schreeuwend onrecht iemand zoo maar weg te willen halen zonder een woord van explicatie! Dat was Paula’s toeleg: een machinatie zonder naam, op touw gezet omdat ze haar kansen anders tegenover hem verloren zag. Daar zou hij zich tegen verzetten, en hij wou wel ’s zien, of hij zich geen recht zou weten te verschaffen tegenover dat wijf!!

En er niets van beseffende hoe hij hier juist bezig was zijn eigen spel voor goed te bederven, liet hij zich blindelings voortsleepen door zijn toorn.

„Versta je me niet?” riep hij weer tot de agent met gebalde vuisten en vlammende oogen. „Onmiddellijk naar beneden!”

De ander zweeg, maar de dreiging in Larsen’s blik en gebaar ziende, bracht hij snel een fluitje voor den dag, en blies er even met kracht op. Had hij geroepen, dan was er kans geweest dat zijn kameraad beneden een minder gunstig denkbeeld van zijn correct militair optreden gekregen had.

Bij Larsen deed dit de maat overloopen. Met zijn groote kracht, vroeger ondanks al zijn ingespannen studie steeds onderhouden en geoefend door dagelijksche huis-gymnastiek, ’s morgens na ’t bad, en thans nog wonderlijk vermeerderd door zijn dolle woede, greep hij de agent bij zijn schouder, en duwde hem in de richting van de trap, slechts enkele schreden daarvandaan. De man was een oogenblik overbluft door de vlugheid van Larsen’s optreden. Doch zich dadelijk herstellende, wist hij met groote tegenwoordigheid van geest bovenaan de leuning te grijpen, en zoo een anders zekere val te stuiten, toen zijn eene voet reeds van ’t portaal af op de bovenste trede der trap was gegleden. Nauw zijn evenwicht herkregen, zette hij zich schrap. ’t Massieve eikenhout der leuning kraakte bedenkelijk door de forsche druk van die athleten-arm; doch ’t was maar éen oogenblik; want de onbesuisde tegenstander was bedwongen voordat hij nog recht wist wat er gebeurde: de ander had hem met de eene vrije arm en zijn eene knie achteruit gedrongen, was een ommezien later weer op het portaal, en had Larsen de handboeien aangelegd.

„’t Spijt me, meneer,” zei de handige politie-agent met kranig geaffecteerde bedaardheid—hij was blij dat ’t zoo goed afgeloopen was, nou; want de perfesser was niet meegevallen, om de dood nie!—„maar u zal me moeten volgen. Als u zich kalm houdt wil ik u straks die boeien wel afdoen, in ’t rijtuig misschien al.”

De gevangene stond wezenloos, verlamd. Met uitpuilende oogen staarde hij de agent aan, zijn neusvleugels trilden, uit zijn open mond kwamen benauwde ademschokken. Een akelig geluid, half snik, half kreunen ontwrong zich aan zijn borst, en hij zakte in elkaar. Een wit gipsen beeld achter hem wankelde en viel van zijn voetstuk met een harde slag.

Met goedige verbazing in zijn blik ondersteunde de agent het slappe lichaam van Larsen. De dokter schoot toe, gaf orders.

Inmiddels was de tweede agent bovengekomen.

En Pietje schichtig daarachter, op de trap nog, aarzelend, nieuwsgierig, bang.

„Zal ik koud water halen?” riep ze.

Larsen werd naar een bank geleid bij een raam op de overloop. De dokter liet hem zitten, maakte zijn vest los. De eene agent ontdeed hem van zijn boeien, de ander haalde wat water: de duinwaterkraan was vlak bij de hand. Hij nam ’t zeepbakje weg en vulde dat.

„Daar neerzetten,” zeî Dr. Brakel, toen de agent terugkwam. En dan tot de schichtige Pietje:

„Breng even een spons, Pietje.” En toen Pietje de trap weer af wilde:

„Uit mevrouws kamer maar.”

Paula, die achter haar deur had staan luisteren, een en al beving en schrik, vermoedde wat er gaande was. Ze liet Pietje dadelijk binnen, toen deze met huilerige stem om toegang vroeg.

De dokter had intusschen zijn patiënt een flacon met „vlugzout” onder de neus gehouden—hij had het bij zich genomen voor alle gebeurlijkheden; daarna het voorhoofd wat gebet, met zijn zakdoek. Larsen opende flauw de oogen.

Toen Pietje terugkwam, stak haar meesteres ’t hoofd uit de deur van haar kamer.

„Dokter!” riep ze zacht.

De geroepene belastte Pietje met het toezicht over zijn patiënt.

„Ja?” antwoordde hij bijna fluisterend.

„Hoe is ’t, dokter? Hij komt bij, nie’waar?”

„O ja, dat gaat al. Maak u maar niet ongerust.”

„Moet hij niet naar zijn bed?”

„Ja, dat zal wel ’t beste zijn. Waar zal ik hem laten brengen?”

„Och.... wat dunkt u?.... Heeft hij daar ook niet een goed bed?”

„Daar.... Wat bedoelt u?”

„In.... in ’t gesticht.”

„O, jawel. Maar woû u?....”

Paula hield even op. Toen nog zachter dan te voren:

„Ik ben zoo bang.... voor hem, dokter. Voor hèm, ziet u? Als u toch verzekert dat ze hem daar goed behandelen. Zou ’t heusch niet beter zijn?”

„Och, eigenlijk wel....”

„Doet u ’t maar. Wacht, ik zal Pietje om een rijtuig laten telefoneeren.... U vindt ’t immers goed zoo, nie’waar, dokter?”

„O zeker, zeker, u heeft gelijk. Beter zoo.”

Hij ging naar Larsen terug, loste de bevende Pietje af van haar akelige taak: och, meneer zag zoo wit als een doek, en dan die natte haren vóor zijn oogen!

Beneden in de gang gekomen, hoorde ze Didi weeklagen in de keuken. ’t Kind was buiten zichzelve. „Ik wil naar vader, ik wil naar vader!” kreet ze telkens tusschen zenuwachtig snikken in.

Pietje gebood haar gevoelig hart te zwijgen, en hanteerde het spreekwerktuig met zenuwachtige haast.

Een half uur later—’t was half twaalf in de nacht—reed op de weg naar Den Haag met eenzame wielrateling een dicht rijtuig in de richting der hofstad. Op de bok zat ditmaal alleen de koetsier met nog een man; op de achterbank binnen het korte lichaam van Dr. Brakel, met gekruiste armen achterover leunend, en tegenover hem Larsen in kussens half weggezakt, in doffe onverschilligheid.

XVII.

„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel ineengedoken zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij dacht na. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om na te denken: iedere keer werd hij gestoord!

De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef hij vóor zich kijken.

„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk. „Hoe staat het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op de schouder.

„O, ben jij ’t....?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met veranderde toon, maar nòg gemelijk: „Kruyt.... Albert.”

„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige keer....” Medelijdend keek de bezoeker de ander aan.

Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren rondblozend gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai gevormde neus, streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van ironie, door rooken eenigszins zwartachtig geworden gave kleine tanden, waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje liet zien; verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen iets welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer voor- dan nadeelig was: ’t gaf hem bij de ongedwongenheid en evenredigheid zijner bewegingen een waas van priesterlijke waardigheid en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met een heldere geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een waardig man, en een wie ’t goed gaat in dit leven. En, wat het uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding en stand, die zijn wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van trekken.

Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan, om zich op de hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van zijn oude vriend vernomen, en opeens had de tijding van diens vlucht en wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast. ’t Was Van Thiemen geweest, die hem op de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn ongelukkige vriend was voor Kruyt voldoende geweest, om geen oogenblik meer te twijfelen aan diens geestestoestand: ’t was mis met Larsen, en—misschien voor goed!

„Gisteren is zij er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor zich uit starende oogen en weer op gemelijke toon.

„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel.

Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander toe:

„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer hier te houden! Ik wil haar niet zien! Ik wil haar nooit meer zien, versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!”

De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van wrevel, de derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren steeds over zijn vrouw gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem meer dan eens pijnlijk opgevallen. Wat maakte de man zoo achterdochtig tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig met haar scheen te wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter zake van zijn huwelijksleven—toch besefte hij vaag dat hier iets bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag!

„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo kwaad niet. Ze wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je zorgen. En ze stuurt je toch ook dikwijls wat lekkers....”

Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die staat van afgetrokkenheid waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde gadeslaat dat er met zijn droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld buiten hem als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds rondwaarden of waarin ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden. Hij verbeeldde zich dat zijn vriend Paula herhaalde malen gezien en gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula: die stond in contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In werkelijkheid was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke hij verpleegd werd, driemaal om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in ’t gesticht geweest, „om naar mijn arme man te gaan kijken”, zooals zij ’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een enkele keer Kruyt te ontmoeten. Telkenmale had Larsen volstrekt geweigerd haar te woord te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon een instinktmatige kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware ’t slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer liet—had hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd over Paula’s optreden. Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in schril contrast met de zachtmoedigheid, droefenis en teedere belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het hoofd: de beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo te beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden, terwijl hij zoo onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor zijn beweringen aangaf! ’t Was wel treurig, waar men immers wist hoe goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd hadden: dat zei immers iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn gekend had!

Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij was ook al op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde iedereen in met haar duivelsche aanhalige manieren! Wat hielp het hem er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al weten wijs te maken, hoe lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe vreeselijk ze ’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid meer! Zoo had ze iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten te houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde niemand wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn brieven aan Van Thiemen, de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom geen taal of teeken van Didi? Waarom mocht hij zijn kind nooit zien? Dat was alles om krankzinnig te worden!.... Was hij ’t niet al? O stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest voortduren, die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder eenige aanraking met zijn vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en een enkel bezoek van Kruyt, die van niets afwist! Paula’s brieven! Hij woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan de eerste genoeg gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen gelezen had deelde Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t haastig inspringen van een trein, die reeds in beweging was, zijn eene arm gebroken had, en nu het bed moest houden. Ze onthield zich van te verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste wanhopige brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere correspondentie. Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar eerste bezoek aan ’t gesticht in overleg was getreden met de geneesheer en hem op allerliefste en overtuigende wijze had duidelijk gemaakt dat het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve van haar. „Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van zijn huis, van zijn kind, van zijn vrienden.... En dan—hij kan mij immers zien zooveel als hij zelf verlangt....” De dokter was ’t volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk man en een voorzichtig man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter dan zijn vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te worden, en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles bedisselende en regelende leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis ondervond. Hij wist er alles van, hij die zelf een mooie vrouw had, en een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij daarom met nauw zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar draaiend, tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje.