Part 13
Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter had de gewoonte meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan zijn hoofd scheef op te heffen, zoodat hij hem of haar met wie hij zat te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken onderlip en met iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan stemmen, die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder leelijk: het lichte knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met de enkele, grauwe, platliggende haren links en rechts aan de slapen, de slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele zwarte sprieten van haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang leek door de lage, al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed onweerstaanbaar herinneringen leven aan groteske Japansche beeldjes uit speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes.
Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder meegevallen. Hij ging ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf dat bezoeken van hun kind aan Larsen niet gewenscht waren: „Ja.... ja.... ja....” droomde en knikkebolde de arts, luisterend naar de stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.... zonder twijfel, zonder twijfel....” En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.... ja, mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt u niet?” zei Paula nog eens, heel lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar oogen. De dokter luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.... nee, zeker.... zonder twijfel, mevrouw.... zonder twijfel.”
Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van zijn vrouw geen brieven ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat hij zijn Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in zijn kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich daartegen zoo verzette!—bij de dokter beklaagde over ’t uitblijven van brieven en een bezoek van zijn kind, wierp hij onmiddellijk de schuld op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij hem hier binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn wel of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de menschen zand in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit vandaan kwam, en zoo meer. Op al die hevigheid had de goede psychiater maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie had hem immers geleerd krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij buiten de deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de stemmen in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me zoowat iedere gek.... allemaal op een gemeene manier in ’t krankzinnigengesticht gekomen.... bekende geschiedenis.” En ’s dokter’s mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.... zonder twijfel, hm.... zeker.... ja, ja, ja.”
Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak ernstiger dan hij eerst gedacht had: de patiënt baarde ongerustheid door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam kijken, zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid van diens vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit over sprak, nadat hij eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee, hij zag het nuttelooze daar wel van in, en Larsen vroeg het hèm niet. Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor zijn kamer belast was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar tegenwoordige betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze beter deed met op al Larsen’s uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te doen dan hoog op te geven van ’t verdriet „van dat arreme mensch”, omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch wel een beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”.
En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn patiënten had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s bezoeken moesten voortaan streng geheim gehouden worden, en zoo noodig ontkend. De praatzieke verpleegster werd door een ander vervangen. Nu bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen meer te schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers kwetsen.... Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven eenvoudig, met de andere die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten brengen; dan hield hij daar alles tot het belangstellend bezoek weer kwam, en schiftte wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en wat niet.
Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer veel resultaat zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren en klagen. ’t Onwaardige van zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies in zijn zieleleven was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat hij nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met zelfbeheersching niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet de minste lust toe voelde, ja het spreken er over hem onduldbaar pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die hem bang maakte voor deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst zelfachting eischt en dus zelfbedwang gebiedt. Wat gaf hij om zijn waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem aanzette tot krachtsinspanning over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid verlangde hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig in diepe neerslachtigheid; dan weer woest, wanneer de vrees voor levenslange doem in dit oord der wanhoop hem al te benauwend tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patiënten, wanneer hij die ’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen het gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn waken en slapen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde beide.
Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind werd dat, want het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende. Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde.
Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans: de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot, en daarom alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was hartstocht evenals wat hij hield voor liefde in zijn verhouding tot Paula. Slechts de liefde tot zijn kind had bij alle zelfzucht iets diepers en heiligers.
Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone oppervlakkige beteekenis van ’t woord—onbaatzuchtigheid en zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan alleen nog maar zooals het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers” krijgt.
En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te kennen. De dood zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij ’t verlies niet kon beseffen: hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes, zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen in de wetenschap, zijn schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje, dat hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief kind, dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende dampkring van levensgenot, dat zelfs die éene smart van zijn vorig leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen blijvende indruk van beteekenis had kunnen achterlaten.
Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in levenswijsheid, want ook het kind zoekt het geluk buiten zijn eigen wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover de Groote Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En vroom is wijs, want in de grond is slechts dat gevoel van verantwoordelijkheid het eenig vereischte daartoe, zoodat uiterlijke godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed op vroomheid kunnen blijven.
Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen en angst, als hij vroeger werd misleid door genotzucht.
Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende verpleegster, die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig voortzeilend in breede waardigheid zijn kamer binnen. Zij was een bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar, met blozende bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder wimpers, met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende, roodgepunte kin, een volkomen glad en glimmend, smal voorhoofd; verder een korten nek, vrij hooge schouders, en een breed kort propfiguurtje. Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen zelfbewusts, evenals de naar binnen toegeknepen mond. Haar oogen zeiden: „hier ben ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en haar mond zei zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”.
Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke stemmodulaties, hoog en niet onwelluidend.
„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat avondeten, en de deur piepte achter haar.
Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige verpleegster klopte altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was weer in een van zijn sombere neerslachtige buien, wanneer hij nadacht.
Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t bizonder ’t voorwerp van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk verband te staan met een gedachte die zij bij hem opwekte, want nauw had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een kleine sofa aan, die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen:
„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!”
En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had, lag deels op de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en daaromheen op de grond uitgespreid.
Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in.
Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; want juist toen de vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De enkele schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij in een ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen Larsen hem bereikt had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk begrijpende wat er gaande was, werd niettemin te zeer overrompeld, om voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben: hij trad de ander in de weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem bij beide armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en de man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd vlak vóor zijn neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn vingers waren beklemd geraakt, de punten vermorzeld.
Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna anderen....
En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de vluchteling na te zetten.
Toen was het te laat.
XVIII.
Paula lag achterover op haar weelderig bed, met open oogen.
Ze was best tevreden. Ze was in de laatste maand nog niet zoo in haar humeur geweest. Nee, stellig niet....
Die nare geschiedenis met Larsen had haar heel wat zorg gebaard. Enorm! Maar wat was ze wondermooi afgeloopen! Bizonder meegevallen....
Onwillekeurig keek ze rechts. He, vreemd, ze had nog altijd de gewaarwording of daar naast haar een ander lag: de grove, bonkige gestalte van Larsen’s stoer lichaam.
Ze zuchtte. Daarna glimlachte ze, strekte het eene opgetrokken been wellustig uit, trok het andere, dat gestrekt gelegen had, op, streek de rechterhand streelend langs haar verspreid liggende haren; en geeuwde lang en met een klein geluidje van lustbevrediging. Dan woelde ze eenige malen met het achterhoofd in ’t groote zachte kussen, en geeuwde nog eens, korter maar even smakelijk als te voren.
Nee, ze had toch geen slaap.... Haar blik dwaalde langs de stijlen van ’t reusachtige ledikant, langs de fraaie snijwerkjes aan ’t voeteneind, langs de sierlijke plooien van ’t gordijn boven haar, dat slechts de helft van de heele ligruimte overspande, meer sieraad dan licht-afsluiter. Voor dit laatste was het ook te licht van kleur en te luchtig van stof.
Er lag een warme gloed over al de voorwerpen in ’t ruime vertrek. De glazen hanglamp, aan fijne kettinkjes aan ’t midden der zoldering bevestigd, zond haar schijnsel door een rozeroode, eivormige ballon. Er was geen ander licht in de kamer, want de twee ramen aan de smalle kant hadden ouderwetsche zware luiken en die waren gesloten. Door het rozeroode schijnsel kregen de anders gele venstergordijnen een rossige goudglans. Het wit en licht-grijze marmer van de monumentale schoorsteen—waarbinnen een gashaard met bedriegelijke juistheid een gezellig smeulend kolenvuurtje nabootste—de overtrekken der twee kleine fauteuils aan weerskanten, het geel en witte behang met de bruine hoeklijnen, de overige, gele meubels, het witgepleisterde plafond, het Havana-kleurig, effen tapijt met het groote, zacht-ruige voetkleed vóor ’t ledikant aan Paula’s zijde—rechts—met zijn mollige, melkwit-vlokkige oppervlakte, alles was overgoten met den flauw-rozeroode schemerglans der lamp. En de zinstreelende kleuren-harmonie der kamer, de fijne geursprenkeling die er waarneembaar was—zacht als een liefkozing—de lauwe temperatuur, het eigenaardig halfdonker, dat lijnen en omtrekken ietwat verdoezelde, alsof de stilte er fluisterde van liefdezwijmeling in wereldvergeten, in geheimzinnige afzondering—Paula had er de wonderbare werking meer dan eens van ondervonden sinds de tijd dat zij deze kamer zoo naar haar eigen smaak liet inrichten.
Ook nu was dat niet anders.
Haar stemming bij ’t binnentreden der slaapkamer—wellicht een half uur geleden—was er een geweest van weelderige voldaanheid, een mat, algemeen gevoel van welbehagen, naar ziel, geest en lichaam: een heelheid door de volmaakte samenklank van al deze drie. Met loome, langzame bewegingen had ze zich uitgekleed, ditmaal zonder Pietje’s hulp—Pietje was anders in de laatste tijd meer dan ooit haar lieveling, en steeds om en bij haar wanneer zij aan haar toilet bezig was, of zich verveelde en naar een praatje van gemoedelijken aard verlangde. ’t Was wat laat geworden—de kleine koperen pendule wees kwart over twaalf—zoodat ze de gunstelinge maar dadelijk na haar thuiskomst naar bed gestuurd had.
Een heerlijk avondje was ’t geweest.... Paula dacht er aan terug, toen ze vóor de spiegel heur haar voor de nacht in orde maakte. Het kijkglas weerkaatste haar volledig beeld, en ’t was haar een vaag genot er naar te staren, nu en dan. Dan verwijdden zich haar pupillen meer en meer, en verbreedde een vadsige glimlach haar vleezige mond.
En ze dacht er nòg aan, toen ze, in haar wit nachtkleed, eindelijk besloot om te bed te gaan liggen, en dit toch maar half deed, met het eene been buiten bed.
De groote spiegel stond schuin tegenover haar, tusschen het ledikant en de schoorsteen. In ’t dwalen van haar blik viel deze op wat ze in de spiegel kon waarnemen. Ze sprong op, verzette de psyche even, en ging weer liggen, ditmaal geheel.
Eenige minuten tuurde Paula met welgevallen, met lodderig-halfgeloken oogen: ’t was aardig je zoo in je heele lengte te zien liggen....
Maar nee.... Ze moest weer op.... Ze had zoo’n lust om nog wat rond te dribbelen, het niets doen met variatie, waarvan alleen sommige vrouwen het geheim schijnen te bezitten.
En Paula dribbelde van haar bed naar haar waschtafel, schoof een laadje open, haalde er een doosje met geurige zeep uit, sloeg haar eene voet over de ander, en rook achtereenvolgens aan de drie ingepakte stukjes, die de inhoud van ’t doosje uitmaakten; daarna stond ze even in gedachten—: ’t was toch een allergezelligst avondje geweest bij mevrouw Boudewijnse.... Wat was die kinderachtige jongen weer dol geweest!.... Verbeel’ je, tot zelfs bij de deur van haar huis, toen hij haar met zijn moeder thuisbracht, had hij zich nog zoo dwaas aangesteld, in ’t bijzijn van zijn moeder liefst!.... Wat had die goeie moeder Boudewijnse eindelijk leuk haar geduld verloren.... Ha, ha, ze moest nog lachen om haar komisch aandringen: „Dolf, jongen, ik wor’ boos als je nou niet meegaat.... Dolf!! nee, heusch, hoor, ik wor’ wezenlijk boos. Kom nu mee!” en onmiddellijk daarop was ze in een lach geschoten.... Als zij, Paula, er niet met een ietwat bruuske handigheid een eind aan gemaakt had, stonden ze nu misschien nog afscheid te nemen vóor haar huis.... Verbeel’ je.
En van de waschtafel, waar ze de stukjes zeep achteloos liet liggen, wolkte de witte gestalte droomerig naar een der fauteuils bij de haard. Daar liet ze zich langzaam neerzijgen, leunde achterover en wreef eerst met de achterkant van beide handen, daarna met de voorkant der eene over oogen en voorhoofd. Toen geeuwde ze. Daarna boog ze voorover, keek met aandacht naar de grillige vlammetjes van de haard, en huiverde even—zonder werkelijk koude te voelen, want ze zat immers vlak bij ’t vuur. Of tochtte ’t?.... hoe kon dat? Ze spreidde de vingers van beide handen vóor zich uit, zóo dat ze de roode gloed door haar poezele grijpertjes heen zag. Ze vond het een oogenblik aardig hiernaar te kijken. Toen dacht ze aan anatomische griezeligheden, en sloeg de armen over elkaar, met een klein ongeduldig gebaar.
Een minuut later stond ze weer vóor de psyche, en begon nog eens te gapen. Onderwijl lachte ze er tusschen door, steeds de oogen op haar beeld gevestigd. Ze was nòg mooi.... o zeker—ze kon zich best begrijpen—zoo’n malle jongen! Alleen daar, bij de oogen.... ja.... dat was niet te ontkennen.... dat zag je duidelijk.... Hoe noemen ze dat in ’t Fransch ook weer?.... pattes.... pattes.... de.... nee.... Mijmerend ging ze weer zitten.
Opeens hoorde ze een zucht in de kamer naast de hare.
O, dat was Didi....’t Kind draaide zich zeker in haar bedje om. Zou ze niet even gaan kijken?.... Niet dat ze ongerust was, maar.... waarom zou ze er niet even heengaan? Ze deed het zoo zelden.... Dat is waar, dat bedacht ze daar. Och, ’t kind sliep er niet minder rustig om.... Nonsens, die overdreven ongerustheid van sommige moeders!.... Daar had je nou die mevrouw Lanney, de vrouw van die jonge professor, dat was gewoon belachelijk....
Paula stond op van de fauteuil, en richtte zich naar de ingang van Didi’s kamer, die bij een der vensters aan de smalle zijde der groote slaapkamer, in de zijmuur was aangebracht; er hing een voorhang, in de plaats van een deur.
Vreemd, zoo’n andere temperatuur! Was ’t raam open gebleven in Didi’s kamer?
Nog met de portière in de hand stond ze opeens stil. Wat was dat? Zuchtte Didi daar weer, of.... Ellendig, dat van de plaats waar zij stond het kamerscherm haar belette het bedje dadelijk te zien! Daar was ’t weer. God, daar was iemand bij haar.... Ze hoorde duidelijk fluisteren, zenuwachtig fluisteren, dat telkens afgebroken werd.
En haar blik naar rechts wendend, bemerkte ze nu eerst dat het venster openstond.
Ze stond als vastgenageld, verbijsterd, besluiteloos. Als daar iemand was—een man, ze hoorde ’t aan de stem—moest hij spoedig merken dat zij hem stoorde.... Hoe kwam ’t dat hij nu niet al wat bespeurd had? Als hij ’s op haar afkwam.... als ’t een moordenaar was.... een dief, een inbreker, die.... Maar wat moest hij met Didi? Onbegrijpelijk.... Zou ze toch maar teruggaan en de meiden roepen....? Maar wat gaf dat nog.... als hij ’s in die tusschentijd....? Hè, dat er toch geen man in huis was!
Het fluisteren was intusschen voortgegaan.
Stil! Dat was Didi die sprak.... God, ze schreide....
„Ik durf niet.... ik durf niet,” klonk het duidelijk verstaanbaar.
Paula luisterde ademloos.
„St, niet zoo hard.... Ik zeg je dat je moet. Je gaat mee. Versta je?”
Paula werd bleek van schrik. Ze voelde haar knieën knikken. Ze had even getwijfeld, toen ze de eerste woorden van de man verstond. Nu geen twijfel meer: ’t was Larsen....
’t Koude zweet brak haar uit over ’t gansche lichaam. Ze wankelde, liet de portière los, die ze nog steeds krampachtig vastgehouden had, en omdat ze de grond onder haar voelde deinen, sloeg ze de rechterarm uit. ’t Driebladige kamerscherm viel om, schuin tegen ’t ledikant van Didi aan.
Een benauwde kreet ontsnapte haar. Een vreeselijke angst hergaf haar voor een oogenblik haar tegenwoordigheid van geest. Ze wilde wegloopen, om hulp roepen.
Larsen was bij haar, voordat ze twee passen gedaan had.
Woest greep hij haar aan, hijgend, met verwilderde oogen, de neusvleugels wijd-uitstaand, het ruige gelaat vlak bij ’t hare.
Hij duwde haar achteruit, een eind haar kamer in.
„Pietje!! Kee!” gilde ze. „Hulp!”
„Stil!” riep Larsen met gesmoorde stem, „of ik knijp je keel dicht!”
Dreigend bracht hij zijn rechterhand aan Paula’s keel. Ze worstelde wanhopig om los te komen uit zijn stoere greep.
Haar tegenstand deed het laatste overblijfsel van verantwoordelijkheids-besef uit Larsen verdwijnen.
„Laat me los!” kreet Paula. Haar oogen staarden hem aan, in doodsangst, heur haren hingen los. Ze struikelde over haar nachtjapon. En terwijl hij op haar drong met de volle zwaarte van zijn lichaam, haar zoo belettend haar eene arm te bewegen, klampten zich zijn beide armen en handen om haar schouder en hals.
„Me nu nòg.... tegenwerken! Woû je dat nòg?! Ik zal ’t je beletten, versta je?.... Voor goed.... Ik zal je....” Haar oogen puilden uit. En Paula’s kleine lichaam bezweek onder de druk van de massa op haar. Beide lichamen vielen op de grond. Een kleine stoel bij de waschtafel sloeg om, een fauteuil viel mee omver tegen de haard doordat Paula er met het hoofd tegenaan kwam.
Een ondeelbaar oogenblik was ’t of Larsen’s razernij gebroken was. ’t Was er echter verre van dat de fizieke schok van zijn val eenig zedelijk besef van zijn daad zou meebrengen. Een tijger, plotseling losgelaten na een week van gevangenschap en honger, zou door ’t treffen van een steen, die hem even bezeerde, niet minder fel zijn eenmaal begeerde prooi bespringen. Wat kon hèm stuiten na twee maanden van dagelijks opgekropte aandoening—smart, wrevel, ergernis—eindelijk uitlaaiend in dierlijke wraak?
Alleen werd zijn waarnemingsvermogen even als opgezweept. Hij zag zooals hij nog nooit gezien had: iedere lijn, iedere trek van Paula’s gelaat, haar glanzig zwart haar, hoog over haar hoofd puilend door den stoot tegen den fauteuil, de omlijsting van flauwgele bloemen op witten achtergrond van het cretonne over de voorover liggende stoel. Hij hoorde iedere suizing van haar adem, de ritseling van haar nachtkleed onder zijn vingers. Hij voelde het aderkloppen van haar hals, rook de subtiele geur van Paula’s haren, van haar kleed, van haar weelderig heerlijk lichaam....
En terwijl hij met de beenen aan weerskanten van de achterover liggende gestalte lag, de knieën tegen de grond gedrukt, sloten Larsen’s vingers zich krampachtig om haar keel dicht. Zijn blik boorde in haar oogen, nauw een handbreedte onder de zijne.
’t Sloeg half éen: de zilveren toon van ’t klokje op de schoorsteenmantel viel als een drop geluid, kil en kalm in de zwoele wachtende stilte.
Larsen’s vingers knepen sterker en sterker....