Heilige Banden: Roman

Part 11

Chapter 114,061 wordsPublic domain

Zoo hadden ze meer dan een uur geloopen. ’t Kind was moê, maar vol moed. Ze voelde zich fier op het vertrouwen van haar vader, veilig in zijn bescherming, en vol illuzies voor het onbekende dat vóor haar lag. Het geheimzinnige van al wat er in de laatste weken voorgevallen was verontrustte haar niet meer, en ze stelde de beantwoording van tal van vragen tot later uit: later zou alles duidelijk worden, hoe vreemd het haar nu ook leek. Later.... en haar hartje zwol bij de heerlijke gedachte dat vader en zij voortaan steeds bij elkaar zouden wezen, dat er meer innigheid in de omgang tusschen hen zou ontstaan, al was die in hun wederzijdsche gevoelens ook volkomen. En haar kinderfantazie stelde zich die voor als een vermeerdering van leesuurtjes—vader kon zoo heerlijk voorlezen, al liet hij een prinses ook met een bromstem spreken—van lange wandelingen; en ze dacht ook aan de eindelijke verwezenlijking van een oude droom: een fiets te krijgen. Moeder fietste zoo vaak, en vader ook wel eens; maar vader vond altijd dat moeder gelijk had, dat zij nog te klein was, omdat ’t zoo gevaarlijk was.... Nu vader steeds bij haar zou wezen, verviel immers dat bezwaar. En zij zou vader altijd gezelschap houden, ze zou hem voorlezen, voor hem schrijven ook—ja, ze wilde hem later helpen met zijn werk. Hoe heerlijk, hoe „leuk” en gezellig! En misschien ging ze niet meer naar school: ze hield van leeren, maar op school was ’t zoo vervelend. Ze was zoo levendig en bewegelijk, en kreeg telkens „afkeuringen” voor allerlei kleinigheden. He nee, die schooljuffrouwen waren erg vervelend. Wat kon vader anders les geven! Zoo’n geschiedenisles op school was als droog zand, en bij vader....! ’t Was net een mooi verhaal in een boek.

En Didi mijmerde voort over al ’t goede dat haar wachtte in ’t tooverland aan de andere kant der zee. Vader had haar gezegd dat ze over zee zouden gaan naar de grootste stad in de wereld. Ze woû niet moê zijn, waar ze dat alles tegemoet ging....

De dag brak druilig aan, toen het tweetal het kleine dorpsstation bereikten. Een blauwe wazige mist lag over de velden, hing als een fijn web over de boomen langs de weg. De wind, die afgenomen was, had nog voldoende kracht om hier en daar de mist bijeen te vegen en in dichtere wittere lagen op te hopen, elders plekken open latend; terwijl dorre bladeren, bemodderd en bruinglanzend van vocht, nu en dan opvlogen van de weg, als verdwaasde, in hun rust opgeschrikte vogels, of neerdwarrelden uit de klamme takken daarboven in vadsige zwijmeling.

Het nieuwe licht, hoe droevig ook, en het besef van welslagen dier eerste faze van hun bevrijdingsdaad, de verwachting van verandering bij ’t zien der ijzeren staven, die zich daar glimmend zwart links en rechts uitstrekten, om zich voor ’t oog allengs op te lossen in de nevelige verte, gaven aan Larsen’s geest een weldadige afleiding. Die rechte, kordaat naar ’t doel voerende lijnen—mocht ook dat doel in wazige geheimenis ver voor de blik verscholen liggen—waren hem een beeld van zijn vastberadenheid om zijn doel te bereiken, ondanks de mist die zijn toekomst verborg.

De heele weg over had hij in somber, nauw afgebroken zwijgen teruggedacht aan alles wat hij verliet om der wille van zijn eer en zijn rust. Met innige droefheid betreurde hij ’t opgeven van een werkkring waarin hij zich thuis gevoelde, waaraan hij zooveel van zijn krachten met lust en ijver gewijd had. Hij was niet alleen geleerde. Ook als docent had hij liefde gehad voor zijn betrekking. Zijn colleges waren hem steeds een genot geweest, en hij wist dat hij bij zijn leerlingen waardeering vond. Hij had er vrienden en bewonderaars onder, onder die jeugdige mannen, wier gemoed hij liefde wist in te boezemen voor zijn heerlijk vak, al was ’t meer door de helderheid van zijn betoog en de warmte zijner eigenliefde dan door de welsprekendheid zijner voordracht. Hij was erin, steeds, en dit won hem sympathieën. Menigeen onder de jongeren zou zijn heengaan voelen als ’t verlies van een vriend, van een degelijk leidsman. De studenten die zijn colleges volgden, kwamen nu en dan familiaar bij hem, vroegen hem vrijmoedig om inlichtingen, sommigen deden lange wandelingen met hem in leerzame aangename kout, en geregeld eens in de maand was zijn salon het vereenigingspunt van tal van jongelieden, die waarlijk niet het „theeslaan” bij „de prof” alleen als een gedwongen fraaiigheid beschouwden. Vooral éen onder hen kwam hem telkens vóor de geest. ’t Was een veelbelovend jurist, die reeds de meesterstitel verworven had en uit liefhebberij zijn college bleef volgen. Er waren er meer met hem, die tot andere faculteiten behoorden, en „prof Lars” gaarne hoorden, zich daarom alleen bij hem hadden laten inschrijven. Maar die eene was een der talentvolsten en zeker de geestdriftigste zijner bewonderaars. Israëliet van zeer nederige afkomst was David Zomer een dier heldere koppen en stoere werkers die zijn ras, ten spijt van vooroordeelen en afgunst, nog steeds tot eer strekken; een dier telgen van het oude volk die, als zoovele voorgangers, eenmaal geroepen zouden zijn onder de leiders der beschaving gerekend te worden.

Wat was er een gloed in zijn woord, wat sprak er overtuiging en wilskracht uit zijn blik! En welk een voorbeeld van liefde tot de wetenschap in de gezondste vorm, van soberheid en plichtsbetrachting was hij steeds geweest in de bonte verscheidenheid dier spes patriae, onder wie zoovelen zoo weinig gaven van ’t geen ze eenmaal deden hopen!

’t Hart van de toegewijde leermeester kromp ineen bij de gedachte aan de gedwongen verzaking eener taak die hem zoo dierbaar was. ’t Werd hem duidelijker dan ooit, welk een rol zijn liefde in zijn leven gespeeld had, en een stem van verwijt klonk telkens weer op in zijn ziel, of hij niet zelfzuchtig was geweest dat alles op te offeren, omdat een vrouw hem beleedigd had, om een hersenschim misschien.... Want wat was die eer, wier eischen zich zoo onweerstaanbaar deden gelden bij ’t heilige van plichtsbetrachting? Moest hij niet dulden, in gelatenheid aanvaarden, stil verdragen wat hem als bezoeking was opgelegd? Er waren zooveel mannen geweest die de schande met moed en zelfverloochening hadden getorst om der wille van een schoon ideaal, ja om de eenvoudige gewetensdrang tot plichtsvervulling! Dat waren helden, martelaren! En ’t waren waarlijk niet altijd de slechtste mannen wier vrouwen hun eer bezoedelden.... ’t Lot moest maar willen dat de mannen die zich wijdden aan wetenschap of kunst, aan een veeleischende levenstaak, zich verbonden met wufte vrouwen, die niet in staat waren daarin mee te leven, en ontrouw was immers schier onvermijdelijk! Hij was dom geweest, kortzichtig en onvoorzichtig.... Maar God, hoe kon een liefde als de zijne éen oogenblik argwaan koesteren? En thans, nu ze dood was die liefde, nu de groote beweegkracht van zijn werken en streven had opgehouden te bestaan, voelde hij zich slap en machteloos, slechts in staat zich voort te sleepen tot zelfbehoud, tot de vlucht. Goed, hij was geen held, geen martelaar. Mijn God, hij kòn niet, hij kòn niet!... Hij was een mensch met menschelijke zwakheden; hij boog ’t hoofd en deed de droeve belijdenis reeds door zoo menig menschenkind in zijn hart uitgesproken:

Homo sum, humani nil a me alienum mihi puto.

Hij had scheiding van tafel en bed kunnen aanvragen.... Zijn eer was dan immers gered geweest en hij had zijn werk kunnen blijven behartigen. En als ’t hem dan ondragelijk was geweest in de stad te blijven wonen waar hij zooveel geluk gekend had, waar iedereen hem in dat geluk gekend had, dan had hij immers moeite kunnen doen voor een plaatsing aan een andere hoogeschool.... ’t Was dus niet zijn eer alleen die hem tot zijn wanhoopsdaad gedreven had. Er was iets diepers, iets machtigers in zijn ziel: de pijn van ’t geen daar uitgerukt was. Die pijn joeg hem voort, weg van de plaats waar hem de wond was toegebracht, ver weg van ieder oord, van ieder mensch dat hem herinneren kon aan dat vreeselijkste oogenblik van zijn leven: Paula’s zelfonthulling na de openbaring van haar verraad....

Waren dus de gedachten van ’t kind, dat hij meegenomen had als ’t laatste wat hem nog aan ’t leven deed hechten—och, zonder haar had hij immers den dood gezocht, zeker!—meest gericht op wat de toekomst geven zou als vergoeding voor al ’t verlorene, voor de vader lag daarin slechts éen belofte: rust en vergetelheid. Hij zou die zoeken in de omgang met zijn lieveling en in zijn studie; al had hij daarvan slechts een vaag besef.

Vader en dochter traden de kleine wachtkamer van ’t station binnen. Zij waren de eenige reizigers op dat vroege morgenuur. De slaperige juffrouw aan ’t buffet reikte op Larsen’s verzoek twee dampende koppen koffie en wat brood aan. Op de houten bank langs de wand gezeten verorberden de beiden hun eenvoudig ontbijt. Larsen greep gedachteloos naar een van de zwaar beduimelde couranten en blaadjes op de tafel vóor hem; Didi sipte stil haar koffie, sloeg nu en dan een nieuwsgierige blik om zich heen naar de kleurige reclame-platen aan de wand, en mummelde haar broodje.

„Echte loerie, vader,” zei ze op haar kopje wijzend, en lachte.

„Maar toch warm, en ’t doet goed, kindjelief.” Hij streelde haar eene hand onder de tafel.

„O ja, en tòch wel lekker!” Ze zou alles lekker gevonden hebben op dat oogenblik. Ze was immers „op reis”, vervuld van de heerlijke illuzie van ’t avontuurlijke....

Tien minuten later reed de trein voor. Larsen begroette hem als een vriend. Toen hij in een hoek van een eersteklas-coupé gedoken zat met Didi tegenover zich, glimlachte hij tevreden tegen haar: hij voelde zich veilig, en ’t was hem alsof nu eerst de beslissende stap gedaan was. Ze zaten alleen met hun beidjes.

Nauw onderweg sloot Larsen de oogen, en weldra overmande hem de slaap. En het meisje streed eenige minuten tevergeefs met aanvechtingen van dezelfde aard. De trein ging niet verder dan Rotterdam: de conducteur zou hen daar wel wekken. En beiden waren vermoeid—Larsen ook geestelijk. De lange wandeling bezorgde beiden een droomlooze rust.

XV.

„Professor Larsen is hier afgestapt?”

„Ja, meneer, met zijn dochter, kamer 36,” antwoordde de portier van ’t hotel.

„Is meneer thuis?”

„Ik meen van wel. Ze vertrekken pas van avond.”

„Naar Engeland zeker. Weet je zeker dat hij van avond nog wilde gaan?”

„Ja, meneer; ten minste dat zeî meneer: hij zou niet blijven logeeren. En de boot gaat over een paar uur.”

„Zoo. Goed. Wil je meneer dit kaartje brengen?”

De portier liep naar binnen. Een kelner stoof de trap op, klopte aan deur no. 36.

„Binnen.”

„Meneer,” en groetend trad de gedienstige het vertrek binnen, „hier is een kaartje van iemand, die u spreken wil.”

Verwonderd bekeek Larsen het kaartje.

„Wie is ’t, vader?” vroeg Didi. Ze zat op een sofa, Larsen op een luien stoel. Larsen antwoordde niet dadelijk:

„Laat meneer.... of nee, wacht, ik kom beneden.” En tot het meisje gewend:

„De dokter wil me spreken.”

„Dokter Brakel?”

„Ja, kindje. Ik kom dadelijk terug.”

Didi zette groote oogen op.

Een kwartier later stond ze van haar plaats op. Ze vatte niet waarom vader zoo lang met die dokter sprak. En wat woû die man toch? Was hij ongerust, omdat hij dacht dat vader nog ziek was, en was hij daarom overgekomen, zoo ver? Ze moest er ’t hare van hebben.

Ze ging naar beneden, en vond weldra haar vader in gesprek met de bewuste. Dadelijk trof haar ’t vreemde in de houding en gelaats-uitdrukking van de eerste. Hij stond, de ander zat. Zijn gelaat vertoonde een hevige gemoedsbeweging. Wat was er nù weer?

Schuchter trad ze binnen in de kleine spreekkamer bij de ingang van ’t hotel.

„Och, ga heen, Didi,” riep Larsen ongeduldig en onvriendelijker dan hij zelf gewild had. Blijkbaar had hij nog veel te zeggen.

De arts wenkte.

„Kom gerust binnen, hoor.” En tot de ander:

„Waarom zou ze niet? ’t Is immers alles in orde nu.”

Larsen barstte los ondanks de tegenwoordigheid van zijn kind.

„In orde? Geen kwestie van! Ik ga niet met u mee. Dat zeg ik u nog eens.” Hij maakte een beweging om heen te gaan.

Didi stond verbluft. Ze had haar vader nog nooit zoo opgewonden en driftig gezien. Vrees sloeg haar om ’t hart.

De arts bleef doodkalm.

„’t Spijt me, professor, dat u niet naar rede wil luisteren.” Hij stond op, en legde Larsen een hand op de schouder. „U heeft toch alles goed begrepen,” zei hij zacht. „Maak u nu maar klaar. Ik hoef u toch niet alles te herhalen. ’t Is voor uw eigen bestwil.”

„Och wat! Machinaties.... van mijn vrouw!” Larsen was buiten zich zelven. De arts keek naar het kind. In vredesnaam! dacht hij; maar hij had medelijden met haar: hij had haar dit tooneel willen besparen.

„Kom, meneer Larsen.... Wat kan u tegen uw vrouw hebben, die u zoo goed opgepast heeft? U moet terug, en dat ziet zij in. Ik kom op haar last. Ik zie dat u overspannen is.”

„Dat ben ik niet, zeg ik u. Ik wìl van avond vertrekken, verstaat u? En daarmee basta. Dag, dokter.”

Hij wilde heengaan. De goede man zag dat het ernst was, of liever kreeg de overtuiging dat hij hier met voor hem zeer verklaarbare koppigheid te doen had. Hij trad hem in de weg.

„Een enkel woord nog, als ’t u belieft.” Hij sprak steeds kalm en op vriendelijke toon.

Larsen weifelde.

„Nu?” vroeg hij nog altijd toornig.

„Wil ik u ’s wat zeggen? ’t Doet me leed, maar u dwingt me ertoe.” Hij tastte in de binnenzak van zijn overjas, en haalde een stuk papier uit zijn zakportefeuille. „Ik heb hier ’t bevelschrift van de rechter.” De arts hield het stuk op. Hij achtte het niet noodig het te laten zien. Innerlijk was hij immers overtuigd met een krankzinnige te doen te hebben. Hoe ver diens onredelijkheid gaan zou, wist hij wel niet; maar hij vond het wijs de man „met een zoet lijntje” mee te krijgen, en eerst in ’t ergste geval geweld te gebruiken. Echter had hij voor dit laatste de noodige maatregelen getroffen.

„Wat moet ik met dat bevelschrift? Ik ben toch geen misdadiger, en bovendien heeft u toch geen bevoegdheid om mij te arresteeren. ’t Is al te dol!” In zijn opgewondenheid begreep hij nog niets.

Weer maakte Larsen een beweging naar de deur.

De arts zag het, en zei snel:

„Ik reken op uw meegaandheid en redelijkheid. Maar u is overspannen en in uw geestestoestand mag ik niet toelaten dat u op reis gaat—met uw dochter.”

„In mijn geestestoestand!” riep Larsen verbleekend.

Opeens werd het hem duidelijk: die man daar hield hem voor krankzinnig, en dat niet alleen, maar het feit was geconstateerd, de rechter was er in gemoeid. Als hij verder weerstand bood, zou hij wel met geweld gedwongen worden mee te gaan. Dat was Paula’s werk! Plotseling zag hij alles: hij herinnerde zich hoe zij in de dagen van zijn ziek zijn herhaalde malen vreemd, met verschrikte blik, soms met een zonderlinge uitdrukking van medelijden, naar hem gekeken had; ook hoe zij telkens fluistergesprekken met de dokter gehouden had, vlak bij zijn bed. Het woord „cerebralis” kwam hem vóor de geest.... In zijn toestand van wezenloosheid en sufheid had dat woord hem bespookt in zijn droomen; maar nooit als de uitdrukking van zulk een denkbeeld als thans....

’t Was dan zoover gekomen met hem.... Paula hield hem voor gek, en liet hem terughalen.... O maar, dat kon niet.... dat zou opgehelderd worden.... hij zou ’t zelf ophelderen, dadelijk!

En hij zag de nutteloosheid van tegenweer in.

„Dokter,” zei hij somber, op heel andere toon dan te voren, „ik begrijp volkomen wat u bedoelt. De zaak zal terechtkomen. U heeft er geen schuld aan.”

De goede Esculaap haalde de schouders en de wenkbrauwen op, en spreidde zijn tien vingers welsprekend uit: hij kon ’t niet helpen....

„Ik vind ’t onaangenaam genoeg, professor,” zei hij meewarig. Hij was innig voldaan dat de zaak die wending nam. Hij was een man des vredes, hield niet van heftige tooneelen.

„U gaat dus mee, nie’waar,” liet hij volgen. Zijn toon had iets van dien van iemand, die vervuld van medelijden tot een kind spreekt. Larsen voelde ’t als een beleediging, maar onderwierp zich gelaten. Wat gaf het hier en thans die man uit de waan te willen helpen? Iedere krankzinnige beweerde immers het niet te wezen?

Intusschen stond Didi met verbaasde oogen naar die beiden te kijken. Ze begreep er niets van. Ging vader weer terug, gingen ze niet naar Engeland? Wat kwam die nare man hier stoornis brengen in vaders plannen? De tranen drongen naar haar oogen; maar ze zweeg. Later zou vader alles wel uitleggen. Evenals hij schikte ze zich in ’t onvermijdelijke. Ze boog haar kopje, en ’t mondje pruilde even op.

„Kom, kind,” zei haar vader. En tot de dokter: „Ik ben tot uw beschikking. Met welke trein gaat u?”

„Iets over vijven, ik zal ’t ’s nazien,” antwoordde Dr. Brakel in gedachten. „Vindt u goed dat ik hier even wacht tot u uw zaakjes geregeld heeft?”

„Goed.” Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet hij met zijn kind het vertrek.

Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr. Brakel even stil.

„Een oogenblik,” zei hij. „Ik moet nog even iets vragen.”

Een glimlach vloog over Larsen’s gebaard gelaat.

De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik om zenuwachtig en haast fluisterend te zeggen:

„Vadertje.”

„Ja, mijn kind?”

„Gaan we nu niet naar Engeland?”

„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen.”

„Hè, gelukkig!”

Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar gemoed weggenomen.

Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam overdacht hij zijn allerlaatste zielkundige waarneming: ’t was toch vreemd met die krankzinnigen: ze konden zoo zot doen, en toch ook weer zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder had „niks niemendal” gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon afscheid genomen, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd, vreemd.... Een lastige studie, die psychiatrie, en men leerde telkens wat nieuws, merkte telkens wat verrassends op.... Maar de zaak was gezond: Larsen ging gewillig mee.

„Stakkert!” mompelde de goede geneesheer nog in de gang, terwijl hij zijn versleten gekleede jas toeknoopte, en de kraag van zijn overjas opsloeg.

„Komaan, Didi, we gaan, nie’waar, kind?” zeî hij vriendelijk tot Didi, die hem zag aankomen, en hem aanstaarde met haar sprekende sprookjes-oogen.

Didi greep haar vaders hand, toen ze zag dat de dokter haar bij de hand wilde nemen. Hè nee, ze wilde niet aan zijn hand loopen!

En de drie stapten de straat op.

Een eindje verder kwamen twee mannen, forschgebouwde kerels in een gelijke donkere kleeding uit een huis. De dokter keek om. Ze gaven hem zijn blik terug en volgden op een kleine afstand.

XVI.

Larsen was merkwaardig veranderd. De verandering in hem openbaarde zich ook in zijn kijk op menschen en dingen. Hij was geen droomer, geen fantast, geen man van oorspronkelijke gedachten of geniale invallen, geen Faust, maar een Wagner, al was ’t van de goede soort. Wetenschap en boek waren bij hem onafscheidelijk; zoodat hij in zijn denkleven steeds daardoor beheerscht werd: zijn geest had jaren en jaren achtereen in een denkbeeldige atmosfeer verkeerd, en was daarin volkomen bevredigd geweest. Zijn gevoelsleven had als onbewust daarnaast bestaan. Nooit had het hem verontrust, geen oogenblik in al die jaren had hij ernstig nagedacht over eenige gemoedsvraag. De liefde voor Paula, die alles aangrijpende drijfkracht van zijn wezen, was als de klop van zijn hart, even natuurlijk, onwillekeurig, buiten alle beheer van zijn denkvermogen.

Thans dacht hij aan die hartslag; want er was stoornis in zijn ziels-organisme.

En hoe meer hij dacht, hoe ellendiger hij zich voelde, hoe meer hij besefloos toegaf aan de verwarring, het verlies van evenwicht in zijn denkbeelden. ’t Eerste gevolg der groote stoornis was angst geweest. Die angst had hem vervolgd, opgejaagd totdat hij geen ander heil verwachtte dan wat de vlucht hem schenken zou. En ’t vooruitzicht op rust had hem reeds toegeblonken: ’t had hem gesust, ’t had zijn zielebrand voor een wijl gedoofd.

En nu? Nauwelijks was hij thuis of de angst kwam terug! Wat hem voorgekomen was als makkelijk te overwinnen, misverstand, bleek thans een weldoordacht plan: niet dat hij er ’t ware besef van had—hoe kon dat in de geschokte toestand waarin hij verkeerde?—maar juist deed zijn overspannen verbeelding hem bedrog en verraad zien waar het niet was. Was werkelijk hier zijn vrouw alleen de schuldige; het duurde niet lang of hij verdacht de huisdokter van gemeene samenspanning. En van de eene verdenking kwam hij op de andere, en telkens werd de strijd, die hij er tegen voerde, zwakker.

Op reis naar huis terug had hij nog de kracht gehad angst-aanvechtingen terug te dringen: zijn vrouw had hem willen dwingen terug te keeren, zeker—waarom anders dat bevelschrift?—maar wat ’n dwaasheid te denken dat zulk een komediespel van haar vol te houden was! Och kom, hij zou wel heel spoedig ’t zaakje in orde hebben. En hij was begonnen met dood-bedaard—hij deed zijn best het te wezen—in gedachten de goede Dr. Brakel nog eens al zijn bewijzen vóor te leggen, dat hier een betreurenswaardige dwaling in ’t spel was.

De heele weg over, tot aan ’t oogenblik dat Larsen met zijn geleider en de kleine Didi in de trein stapten, hadden ze nauwelijks een woord gewisseld. Larsen stapte voort met gefronste wenkbrauwen en saamgeknepen lippen, Didi naast hem, schuchtere blikken werpend op haar vader, terwijl de huisarts in vreedzaam gepeins, voldaan, maar schijnbaar onverschillig, met kleine pasjes de stoere schreden van zijn patiënt trachtte bij te houden.

In de coupé zette Larsen zich als een zak in een hoek, Didi schoof naar hem toe, greep zijn hand en keek hem met groote oogen aan, met de bezorgdheid van een klein moedertje dat troosten wil. Larsen, die reeds de oogen gesloten hield, sloeg ze op, en voelde al de streeling die van Didi’s blik uitging. Een warme opwelling van teederheid deed hem zijn arm om haar heen slaan, en zijn ruige baard raakte haar zachte wang.

„Vadertje,” zei ’t kind alleen, maar er was een wereld van hartelijkheid en belangstelling in haar toon.

Dr. Brakel keek toe. Er was niets dan medelijden in zijn blik, en toch was ’t Larsen of hij er spot in las, of hij met een zweepslag opgeschrikt werd. Driftig wendde hij zich half om:

„Doe me genoegen, dokter,” zei hij scherp, „en kijk me niet zoo.... vreemd aan! Ik weet waaraan u denkt. Bewaar in Godsnaam uw observaties voor later....”

De toegesprokene raakte even de klus kwijt—hij was een schuchter, weinig imponeerend man—maar herstelde zich dadelijk. De meewarige uitdrukking in zijn oogen werd nog sterker en hij antwoordde op gemaakt luchtige toon:

„Maar professor, ik denk er niet aan....”

Larsen wilde uitbarsten, maar bedwong zich. Ongemakkelijk verschoof hij zich op zijn plaats. Hij vergenoegde zich met een blik vol misnoegdheid; thuis, wanneer de tegenwoordigheid van ’t kind hem niet langer zou storen, zou hij die onzin wel wegpraten: zóo en zóo en zóo.... Als hij nu toegaf aan zijn drift en hevigheid, zou de zaak er zeker eer slechter dan beter door worden.

Toen de trein aankwam, stond een rijtuig te wachten, door Paula afgezonden. Larsen merkte met verbeten ergernis op dat er een voorzorgsmaatregel genomen was: er zat een man naast de koetsier op de bok. Zijn verlangen naar huis werd haast onduldbaar, die komedie moest zoo gauw mogelijk uit wezen!

Nauwelijks zijn voordeur binnen, vroeg hij naar Paula. Het welbekende gezicht van Pietje vertoonde een vreemde, medelijdende verwondering.

„Mevrouw?.... Dat weet ik.... heusch niet, meneer,” zei ze met een kleur.

Larsen voelde weer zijn bloed koken: hij, de kalme, zelden kregelige man, had nu telkens moeite om zijn drift te bedwingen.

„Is ze uit?” vroeg hij stuursch.

De dokter nam de verlegen Pietje even apart, fluisterde haar een paar woorden in, waarop ze, eveneens fluisterend, zenuwachtig antwoordde.

Larsen, die ’t zag, wendde zich kort om, streelde zijn kind, dat zich schuchter tegen hem aan drong; en verborg zoo zijn wrevel zoo goed hij kon.