Heilige Banden: Roman

Part 10

Chapter 104,014 wordsPublic domain

Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur. Een boek lag opengeslagen vóor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn fijne, mooiknaapjes-trekken. Hij hield de oogen half gesloten, de handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding van misnoegdheid. Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf, zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels.

Paula naderde hem van achteren, en voordat hij ’t hoofd kon omwenden, had ze haar handen vóor zijn oogen gelegd.

„Wie zou daar wezen?” riep ze dartel.

„Och, Paula!” was ’t hoogverraste antwoord. Hij weerde de handen van zich af, en sprong op.

„Daar ben ik,” zei Paula, „ben je blij?”

„Ja, blij en boos, hoor! Ga zitten, hier.” Hij trok haar met zich mee naar de sofa bij het raam.

„Boos? Och kom, daar meen je niets van!”

„Dat meen ik wel.” Hij trok haar naar zich toe, en kuste haar herhaaldelijk op mond en oogen.

„Och laat dat, stoute jongen!” riep Paula. „Je zegt dat je boos bent, en dan zoo iets!”

„Ja, waarom laat je me hier zoo alleen? Tien dagen hoor ik taal noch teeken van je.”

„Waarom zou dat nu wel wezen? Omdat ik mijn kleine Dolf vergeten ben, niets meer van hem weten wil? Daarom kom ik nu zeker weer hier. En jij ontvangt me in je huisjasje!”

Dolf keek ’s naar zijn négligé.

„Nee, maar zeg me toch wat er gebeurd is. Maar geef me eerst een zoen.”

„Nee,” zei Paula, en week terug. „Braaf zijn, van avond.”

„Dat zal ik—ik ben niet meer boos. Een zoen.”

„Nee, nee, nee! Ik moet eerst vertellen. Ik heb ’t land.”

„’t Land, jij ’t land?” Dolf schikte zich in ’t onvermijdelijke, met teleurgestelde blik.

„Ja, of dacht je dat ’t alles maar rozengeur en maneschijn met mij was? Als je zoo oud ben als ik....”

„Oud! Jij wordt nooit oud!”

„Dat heb je zeker pas tegen je grootmoeder gezegd.”

Dolf begreep haar niet. Zij lachte, vond hem naïef.

„Goed, ik zal je vertellen. Larsen is ziek.”

„Zoo, ’t spijt me zeer.”

„Nu ja, dat begrijp ik. Maar ’t is ernstig.”

„Wat, zijn ziekte? Gaat hij dood? Allemachtig jammer! Groot verlies voor de wetenschap.”

„Och, hoû je mond. Laat me uitpraten. We hebben ruzie gehad, hevige ruzie, en dàt is ernstig.”

Dolf keek een oogenblik verschrikt.

„Suspicie?” vroeg hij. „Op mij?”

„Och nee, jongen! Wees nu maar niet zoo pedant. Hij denkt niet aan jou. Hij vindt je een aardig kereltje.”

Dolf haalde humeurig zijn schouders op.

„Nu?”

„Och, dwaze veronderstellingen.”

„Hoe komt hij eraan?” Dolf veroorloofde zich de weelde van jaloersch zijn.

„Door een ouwe brief, een ding van niets.”

„Och kom! Die goeie zooltreder? Hoe dat zoo op eens?”

„Je kent ’m niet. Die man is heel anders dan ik gedacht had.”

Paula sprak hier uit wat ze inderdaad tot haar pijnlijke verrassing ontdekt had.

„Ja,” ging ze voort, „als zoo’n man eenmaal argwaan krijgt, is ’t veel erger dan bij een ander.”

„Nu en wat dan nog? Hij weet toch niets bepaalds tegen je?”

„Nee, maar hij is toch erg boos, denkt aan allerlei verschrikkelijkheden.”

„Wat dan toch?”

„Hij wil van me af: scheiden. Maar dat gaat natuurlijk maar niet zoo.”

„Nee. De bepalingen op de echtscheiding erkennen bij ons maar enkele gevallen waarin die plaats mag hebben.” Dolf had zijn candidaats-examen in de rechten nog niet gedaan, en de geheimen van ons burgerlijk recht waren hem nog niet geopenbaard. Niettemin stelde hij graag zijn juristenpraat tegenover de meerdere levenservaring van Paula, die hem nog zoo vaak imponeerde.

„O, dank je voor ’t rechtskundig advies,” zei Paula quasi-deftig. „Een gewone scheiding kan niet. Maar hij wil toch van me af.”

„Maar hoe dan?”

„Hij wil vluchten, met Didi.”

„Hij is gek! Heeft hij ’t je dan gezegd?”

„Nee, niet bepaald met de bedoeling om ’t te zeggen. Hij is erg ziek, en nu droomt hij ervan, en ijlt erover.”

„Zoo, zoo. En te voren?”

„Voordat hij ziek werd, bedoel je? We hebben nu een dag of tien geleden die ruzie gehad, en hij is eergisteren ziek geworden. Hij heeft al die tijd er niet van gesproken, van scheiden meen ik. Hij was erg stil al die tijd. Ik dacht dat alles weer bij zou draaien.”

„Maar, vertel me ’s, hoe was die ruzie eigenlijk?”

Dolf voelde de jaloezie in hem werken, en deze prikkelde zijn nieuwsgierigheid. Zij keek hem aan, greep zijn hand.

„Ik ben een heel stoute vrouw geweest. ’t Is eigenlijk mijn schuld. Je zult me een onverstandig mensch vinden.”

„Nu?”

„Ik heb ’m in zijn gezicht geslagen. Ik kon die onbeschaamde vragen niet uitstaan.”

„Heb je ’m geslagen?” Hij sloeg zijn arm om haar heen. „Braaf zoo!” riep hij. „Zoo leer je ongelikte beeren hun streken af.” Paula liet zich kussen.

„Och nee, ’t spijt me. Nu is ’t zoo naar tusschen ons! Als hij beter wordt, vrees ik dat ’t nooit meer ’t oude wordt.”

„Wat kan jou dat schelen? Zoo’n vervelende boekenwurm! Laat hem zijn troost zoeken in zijn boeken!”

„Goed, ik woû dat hij ’t deed!” riep Paula mismoedig. Ze speelde met het vergulde spilletje van haar das, met peinzende wenkbrauwen. „Maar dat doet hij niet. Ik ben zoo bang dat er ’s iets van komt. Dat hij wegloopt. Je kunt zoo’n man toch niet opsluiten? En als ’t ’s gebeurt, dan zit ik met mijn gebakken peren.”

„Ten eerste doet hij dat nog zoo gauw niet. En dan—als hij ’t doet, wel, dan is hij gek.” Dolf sprak met oudmannetjesachtig aplomb.

„’t Helpt mij wat!” pruilde Paula, en trok aan ’t vergulde spilletje op haar borst.

„Dan is hij gek. Dan bewijst hij dat hij gek is. En jij laat ’m eenvoudig door de politie opsporen, en—in een gekkenhuis zetten.”

„Radicaal,” zei Paula spottend.

„Zeker, en dan ben je van hem af. Dan ben je heelemaal van mij.”

Hij verslond haar met zijn oogen. Zij zag het, en lachte luid.

„Ben ik dan nú niet voor jou?” zei ze streelend. „Trouwen zou je me toch niet—en ik zou ook niet willen.”

Hij protesteerde met een hevig gebaar.

„Ik zie niet in waarom niet,” riep hij.

„Nu, ìk wel. Maar ter zake: je leutert erover heen.”

„Ik zeg je, laat ’m zijn gang gaan. Als hij ’t doet laat je ’m opsluiten.”

„Nee, maar in alle ernst: ik ben heusch bang dat hij gek wordt.”

„Des te beter!”

„Werkelijk, hij doet zoo vreemd. En hij heeft geen koorts, niets. Die dokter laat ook niets los.”

„Och, die doktoren weten er niets van! Maar....” Dolf trok weer zijn wijste gezichtje, „je kunt toch nut van ’m hebben.”

„Van wie?”

„Van die huisdokter. ’t Is immers Dr. Brakel. Laat die hem observeeren. Wijs jij ’m er ’s op, dat je voor Larsen’s verstand vreest. Als hij nu toch van jou af wil, moet je ’m vóor zijn: zie dat jij hèm op een fatsoenlijke manier kwijt raakt.”

Paula keek peinzend. In haar hart was ze veel ongeruster dan ze wel weten wilde. Ze was bang voor schandaal, en beter zoo’n reden, dan een geruchtmakende vlucht. Wat zouden de menschen praten! Dat een geleerde, een stil in zichzelf gekeerd mensch krankzinnig wordt was nog niet zoo iets onwaarschijnlijks. En toch—die arme Larsen! Ze vond de heele zaak toch ellendig. Ze gaf er wat voor als ze alles ongedaan kon maken, zelfs haar avontuurtjes met dat aardige kereltje, dat zoo grappig naïef deed in zijn verliefdheid. Och, hoe naïef ook, misschien had hij gelijk: werkelijk, hoe meer ze erover dacht, des te vaster ging ze ’t gelooven: eerst die heele week dat de man nagenoeg geen woord sprak en nu die onverklaarbare ziekte, die malle praat en dat staren.... Ze zag weer die wezenlooze blik. Wat was die man veranderd in die korte tijd, ook zijn uiterlijk! Zeker, ’t kon best wezen dat Dolf gelijk had. ’t Kon geen kwaad dat ze er op ging letten: ja, dat zou ze stellig doen. Ze was in zoover tevreden dat ze nu de toestand beter inzag dan te voren. Toen ze van Van Thiemen kwam was ze ontstemd, besluiteloos. Ze had behoefte aan afleiding harer gedachten, ontwarring van ’t geen in haar omging. Bij Larsen’s vriend had zij zich ongemakkelijk gevoeld, hier ontspande ze zich.

„Waar denk je toch aan? Vin’ je mijn raad niet goed?” vroeg Dolf, nadat hij haar in haar gepeins gadegeslagen had.

„Je kon wel ’s gelijk hebben,” zei Paula langzaam. Op eens, met een bruuske beweging, stond ze op. „Ik ben blij dat ik bij je geweest ben. Je hebt me gerustgesteld, ten minste.... ik heb nu een andere kijk op die nare dingen. Adieu!”

„Wil je nu weg?” Dolf sprong van zijn plaats op, en vatte haar om ’t middel.

Een glimpje van ondeugende spot blonk in Paula’s oogen.

„Ja, ik moet. Ik kan van avond onmogelijk lang blijven. Nu zoet zijn.”

Ze wendde zich geheel naar hem om, en leî haar handje op zijn schouders. Hij was ongeveer even lang: zijn rond gezichtje met de donshaartjes op de lip, de fijne neus, het kuiltje in de kin, de sprekende blauwe oogen, de nauwzichtbare zijden wenkbrauwen, het gladde, vrij hooge voorhoofd en de overvloedige blonde lokken, was vlak tegenover Paula’s trekken.

„Je blijft, zeg ik je,” zei Dolf quasi-boos. „Tien dagen niet komen, en dan maar zoo kort. Ik laat je niet gaan.”

„Dolfje, vent, frons nu maar die wenkbrauwen zoo niet.” Ze maakte geen beweging om los te komen, maar keek hem aandachtig aan. „Je bent een mooi kereltje, daar; maar ik blijf toch niet. Ik kan heusch niet. Nee,” liet ze op andere toon volgen, „geloof me. Wees nu braaf. Later beter.”

Er was iets in haar stem dat hem deed begrijpen dat ze ’t meende. Ze wond hem om haar vinger, dat wist ze. Maar ze wilde hem troosten. Nog steeds in dezelfde houding zei ze vleiend:

„Niet boos zijn; maar ik ben heusch niet in een stemming van avond. Je hebt niets aan me. Ik kom gauw terug. En dan....”

Hij trok haar tegen zich aan, en kuste haar.

„Vast beloven?”

„Stellig, zoodra ik kan....”

„Van de week....”

„Over ’n dag of drie. Adieu, adieu!” Voordat hij ’t wist, stond ze bij de deur, wierp hem nog een kushandje toe en verdween uit de kamer.

Hij staarde nog op de golving der portière achter haar, had even een aanvechting om haar achterna te gaan, doch bedacht zich.

„Beroerde Larsen!” mompelde hij tusschen zijn tanden, ging weer op den leuningstoel bij de tafel zitten, en sloeg zijn beenen driftig over elkaar.

XIV.

’t Was een gure nacht in ’t midden van October. Nog enkele uren, en de zon zou zich de moeite geven een bleeke dag in te wijden, guur en winderig als de nacht geweest was. Zware wolken lagen overal als opgestapeld aan de hemel, en slechts een enkele ster keek nu en dan als verschrikt achter de reusachtige massa’s door, om kort daarna weer weg te schuilen.

Op de modderige straatweg was het donker, al was er weinig geboomte om het gezicht te belemmeren, men kon geen tien schreden vóor of achteruit, links of rechts van zich af zien.

Twee menschelijke gestalten stapten naast elkaar voort, beiden warm ingepakt, met de kragen op, zwijgend en met haastige schreden. Blijkbaar viel het de kleinste der beiden lastig de ander bij te houden; maar geen woord van klacht werd geuit. Wellicht merkte de ander—een zwaar gebouwd man—aan de hijgende ademhaling naast hem, dat hij zijn pas wat matigen moest. Hij stond even stil, en vroeg:

„Loop ik te hard, Didi? Och, ik denk er telkens niet aan! Vadertje is niets lief, wel?”

„’t Is niets, vader,” zei ’t kind zacht en gelaten. „Zijn we ’r gauw?”

Larsen haalde zijn horloge voor den dag.

„Wacht, laat me even kijken,” zei hij, en streek een lucifer af.

„O, al bij half zes. We zijn er gauw. Aan ’t station kunnen we wat gebruiken. Iets warms.” En, even ongerust, liet hij volgen: „Heb je ’t heusch niet koud?”

„Heelemaal niet.”

’t Meisje sprak met een kalme onderworpenheid, die hem diep in de ziel ging. Arme schat, dacht hij, hoe moedig schikt ze zich in de ellende! Was ’t niet zelfzuchtig geweest haar daarin te doen deelen? Hij had zich meer dan eens die vraag gedaan, sinds ’t oogenblik dat hij zijn huis verliet, om voor altijd heen te gaan. Maar neen, hij kon niet anders handelen: de toestand was onhoudbaar geworden voor hem; langer uitstel had hem krankzinnig gemaakt. En zijn Didi kòn, mocht hij niet achterlaten in dat huis, dat hem een oord der schande geworden was, overgeleverd aan de verpestende invloed harer moeder....

O, hij had wat afgedacht in die akelige uren zijner bedlegerigheid! De wildste fantazieën hadden afgewisseld met de helderste inzichten, en door al het gewarrel zijner gedachten heen had telkens en telkens zijn toestand hem duidelijker in zijn onduldbaarheid vóor de geest gestaan. Met onweerstaanbare drang was ’t teruggekomen, en had hem eindelijk opgejaagd van zijn bed, vastbesloten tot handelen. Hoezeer ook de toekomst hem duister leek: in schande voortleven verkoos hij niet—alles beter dan dat.

Die avond dat Paula op raad uit was bij Van Thiemen en haar jeugdige aanbidder, was Larsen kort na haar vertrek wakker geworden. Didi zat naast zijn bed, op de plaats harer moeder. Ze had het niet langer kunnen uithouden, en ondanks het strenge verbod was ze stil in zijn kamer gekomen: ze moest haar vader zien. Ze dacht aan al wat hij haar gezegd had, aan zijn vreemde, stille droefheid in de dagen vóor zijn ziekte, en nu moest ze zelf zien hoe ’t hem ging; want haar hartje was doodelijk ongerust, hoe ook haar moeder op haar vragen steeds met een geruststellend „’t is niets” geantwoord had. Nu was moeder uit, en kon ze ’t wagen. Op haar teenen kwam ze binnen, en voorzichtig ging ze aan ’t hoofdeneind naast het bed zitten. Aandachtig keek ze naar de liggende: hij had het gelaat naar haar toe gewend. Er brandde éen gaspit, laag gedraaid, met een zachtgroene kap over de ballon. Didi kon goed zien hoe afgevallen de zieke was, en haar medelijden nam toe. Wat was ’t toch dat hem kwelde? Zou dat lieve leven heengaan zonder dat ze wist waarom? En ze voelde zich vernederd in haar kinderlijke rechten. Zij was zijn eenig kind. Al was ze nog klein, waarom mocht zij niet weten wat hem scheelde? Ze kòn hem troosten: o, dat was vast! Vadertje luisterde graag naar haar, en als zij maar wist wat hem deerde, zou zij hem zeker kunnen opbeuren. Die nare moeder! Die woû maar niets zeggen. ’t Is niets, ’t is niets.... ’t was wèl wat: vader was ongelukkig, hij was ziek van verdriet, erg ziek zelfs! Alsof ze dat niet had kunnen zien....

Gelukkig dat ze zich nu eindelijk eens zelf overtuigen kon.

Jammer dat vader net sliep. Ze had al niet best begrepen, hoe moeder, die hem anders zoo trouw oppaste—dat moest ze toegeven—nu opeens weggeloopen was. En zij had zoo vriendelijk gevraagd voor dat uurtje haar moeders plaats in te nemen, en bij vader te waken; ze had er om gebeden en gesmeekt. Waarom toch was moeder daar zoo tegen? Zij zou vader toch geen kwaad doen! Integendeel, ’t zou hem goed doen haar eens te zien. Hij verlangde toch zeker ook wel naar zijn Didi....

Didi zat peinzend op haar stoel, de kleine voetjes over elkaar geslagen; de eene hand op de rand van het ijzeren ledikant. Wat lag vader stil en rustig! Zou hij niet eens wakker worden? Ze zat daar al zoo lang, zeker wel tien minuten, nee, een kwartier. Ze had een onweerstaanbaar verlangen hem even aan te raken. Larsen’s linkerhand lag boven het dek. Wat had ze vaak met die hand gespeeld, hem geplaagd om de overvloedige gouden haartjes op de buitenvlakte—net van een aap!—getracht de vingers uiteen te krijgen, wanneer Larsen haar op zijn schoot had en krachtvertooninkjes deed. Dat was al een paar jaar geleden. Ze was nu al een groote meid, en deed die spelletjes niet meer.... ’t Was toch geen grove hand, nee: de vingers waren niet dik zooals die van Kee, en ook niet rood. Ze waren mooi blank en glad, en de nagels zoo netjes onderhouden, met witte kringetjes.... Haar handje—de helft zoo groot—lag er vlak naast. Even wipte ze een paar maal een vingertje op, en raakte de andere aan. Kom, vader zou wel niet zoo gauw wakker worden: ze woû hem zoo graag streelen. Even maar, langs die glanzende gouden haartjes....

Toen ze opkeek, had Larsen de oogen wijd open. Een flauwe glimlach zweefde om zijn lippen.

„Mijn kindje,” zei hij zacht.

„Hè, is vader wakker geworden!” riep het kind half geschrokken, half aangenaam verrast.

„’t Is niets, mijn lieveling: ik heb genoeg geslapen. Waar is moeder?”

„Uit, ik weet niet waarheen.”

Larsen slaakte een zucht van verlichting. Het voortdurend bijzijn van Paula had hem zoo vaak gedrukt, al had hij er nooit een klaagwoord over geuit.

„Al lang?” vroeg hij.

„Zoowat.... een kwartier.... of iets langer, geloof ik.”

„En kom jij nu bij je vadertje waken? Dat ’s braaf, schat.”

„Ja, eigenlijk woû moeder ’t niet hebben. Maar ik heb ’t tòch gedaan.” Didi was moedig geworden door haar vaders goedkeuring.

Een pijnlijke trek vertoonde zich om Larsen’s mond. Hij fronste de wenkbrauwen. De korte illuzie van geluk, door de tegenwoordigheid van zijn kind gewekt, verdween plotseling, om plaats te maken voor de oude kwelling. En ’t werd hem te machtig. Daar was zijn kind, zijn eenig geluk: met haar moest hij zich redden uit de schipbreuk van zijn leven....

Hij voelde zich kalm, beradener dan ooit.... Hij was niet ziek. De storm in zijn binnenste had uitgewoed. Nu of nooit....

„Didi, heb je medelijden met je vadertje?” zei hij opeens.

’t Kind haalde de schouders op; mond en oogen drukten verwonderd verwijt uit. Didi’s mondje was trouwens bizonder welsprekend. De dunne roode lipjes stonden in rusttoestand gewoonlijk iets uitgepuild en bij elkaar getrokken, als waren ze steeds gereed zich vlug te ontplooien. Haar mooie groote oogen had ze van haar moeder; maar er lag veel zachter schijnsel in: wat bij de andere vuur was, was bij haar innigheid.

„En wil je altijd bij vadertje blijven, kind?” vroeg hij. Hij sloeg een arm om haar heen. Zij neigde het kopje voorover, en de vier oogen keken elkaar vol aan.

„Zeker.”

„Ook zonder moeder?”

Didi aarzelde even: „Als ’t moet, ja.”

Hoe kwam dat kind aan de gedachte dàt het wel eens zou moeten? vroeg Larsen zich af. Er was dan wel veel door haar hoofdje gegaan, om tot zoo iets te komen.

„Geloof je vadertje in alles? In àlles?”

„Natuurlijk....”

De overtuigde, kordate toon van haar stem deed Larsen goed. Hij bedacht zich even.

„Nu, mijn eenige lieveling, moeder en ik kunnen niet langer samen blijven.”

„Dan ga ik met jou mee.” Er was geen spoor van aarzeling in haar antwoord.

„’t Kan niet anders, nie’waar? ’t Doet je vader ook verdriet.... veel verdriet.”

’t Meisje kuste hem op de ruige wang, en fluisterde in zijn oor:

„Ben je niet meer ziek? Wil je al heel gauw weg?”

„Van nacht, als ’t mogelijk is. Je moet niet schrikken als ik deze nacht bij je bed kom.”

Didi schudde energiek haar kopje.

De volstrekte onverschilligheid voor haar moeder in deze voorgenomen daad trof Larsen zeer: ze was niet geheel te verklaren uit de groote aantrekkelijkheid van ’t avontuurlijke op ieder kindergemoed. ’t Was beter zoo, dacht hij. Ze zou zich zóo makkelijker schikken in ’t leven van eenzaamheid dat hen beiden wachtte.

„Maar, vader,” zei Didi na een oogenblik stil peinzens, „waarom zoo in de nacht? Mag moeder er dan niets van weten? Je mag toch heengaan waar je wil, en mij meenemen?”

De vraag maakte Larsen een oogenblik verlegen. Wat zou hij antwoorden?

Hij had haar nooit voorgelogen: in dit opzicht als in zooveel andere onderscheidde hij zich van Paula. Deze speldde het kind wat op de mouw, of scheepte haar af met een praatje. Ook dit was een reden waarom Didi haar vader meer aanhing dan haar moeder; want hoe is liefde op den duur mogelijk zonder vertrouwen? Was ze in Paula’s opvatting een „kind”, dat wil zeggen een wezen dat nog niet denken of oordeelen kon, bij haar vader gold ze voor een schepseltje met verstand en geest, dat slechts om zijn teederheid ontzien, nooit misleid mocht worden.

Larsen greep haar handje en zeide:

„Zeker, dat is wel zoo, kindjelief; maar toch vind ik het beter dat je moeder en anderen ’t niet zoo dadelijk merken. Waarom dat is, zal je later beter begrijpen.”

’t Kind zweeg. Als vader iets niet wilde zeggen had hij er een goeie reden voor, dat wist ze.

Inderdaad schuwde Larsen verdere gesprekken met zijn vrouw. In de dagen na hun breuk had Paula’s aanwezigheid hem steeds gehinderd, gedrukt en gekweld op onzeggelijke wijze. Vooral de eindelooze uren dat ze aan zijn bed zat waren hem ondragelijk geweest. En dan—als hij des daags heenging, had ze hem zeker gevraagd, hoe hij zoo opeens weer wel was, waarom hij uitging en zoo voort. Hij haatte uitvluchten en bedrog. Bovendien wilde hij niemand van zijn kennissen en vrienden in de stad zijn vertrek met Didi laten merken. Later mocht men denken wat men wilde, en hen die werkelijk belang in hem stelden—de enkele vrienden—zou hij wel op de hoogte stellen, als eenmaal een groote afstand tusschen hen en hem lag, en verdrietelijke uitleggingen en vragen vermeden konden worden. Wat Paula, de meest belanghebbende, betrof: wel, hij had ’t haar immers gezegd dat hij niet langer met haar samen kon en wilde wezen. Ze bleef niet onverzorgd achter: daartoe zou hij de noodige maatregelen wel treffen.

Zwijgend zaten vader en dochter nog een wijle hand in hand. Dan streelde Larsen haar hoofdje, en zeide:

„Nu moet je maar heengaan, hoor, kind. Straks komt moeder thuis, en die zou ’t zeker niet goed vinden je hier te zien. Ga maar vroeg naar bed, en zie rustig te slapen, tot—ik bij je kom.”

„Goed, vader. Wees u maar gerust.”

„Wacht nu maar eerst op moeder, en ga dan naar bed, onuitgekleed maar. Voorzichtig, nie’waar?”

Hij kuste haar goede nacht, en ’t kind verwijderde zich stil.

En toen ze weg was overlegde hij zijn plan nog eens. Hij zou tegen een uur of vier opstaan, Didi wekken, en samen de trap afgaan. Paula sliep vast en zou stellig niets bespeuren. De afgeloopen nacht had ze reeds niet meer bij zijn bed gewaakt, en ze zou stellig ook nu de noodzakelijkheid daarvan niet inzien. ’t Zou hem niet mogelijk zijn zich van een groote som gelds te voorzien. Maar wat zou dat? Hij had altijd voldoende bij zich. Hij keek even zijn beurs na—die lag nog met zijn sleutels op ’t nachttafeltje, juist zooals hij ze die laatste nacht vóor zijn ziek worden had neergelegd—en vond een groote vijf-en-twintig gulden. Daarmee zou hij zich desnoods de eerste dagen kunnen redden. Dan kon hij zijn bankier immers telegrafisch de noodige orders geven. Hij wilde van een der tusschenstations dicht in de buurt naar Vlissingen gaan, daar blijven totdat hij ’t noodige geld ontving, en dan met de boot naar Londen vertrekken. Hij was dan toch nog wellicht binnen vier-en-twintig uren aan zijn bestemming....

Toen Paula thuiskwam, veinsde hij te slapen. Blijkbaar voldaan keek ze in de kamer rond, overtuigde zich dat er verder niets noodig was, en verwijderde zich.

Geen oogenblik kwam ’t bij haar op dat Larsen die nacht reeds ondernemen zou wat ze vreesde.

En zoo gelukte de volvoering van het plan in die nacht volkomen. Hij had geen oog toegedaan, het kind sliep rustig toen hij haar voorzichtig wekte. Muisstil slopen beiden de trappen af, de gang in, voorzagen zich van hoed, jas en mantel, en begaven zich op straat.