Heilige Banden: Roman

Part 9

Chapter 94,007 wordsPublic domain

Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu moeilijk hem bij zich aan huis ontvangen. De aanwezigheid van de zieke in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.

Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet daadwerkelijk helpen.

XII.

Paula liet geen gras groeien over wat ze zich voornam.

Voor ’t bezoek aan de rechtskundige raadsman koos ze de avond. ’s Avonds, na het diner, is de beschaafde mensch gewoonlijk het best gestemd en ’t meest vatbaar voor indrukken, en hier hing het welslagen der onderneming van beide factoren af.

’s Avonds alleen op bezoek te komen bij een vrijgezel vond ze in dit geval verre van ongepast: Van Thiemen was de vriend van haar man, en, nu deze ziek was, lag daarin voldoende verontschuldiging voor haar om, na een dag van trouwe oppassing, ’s avonds van een oogenblik van vrijaf gebruik te maken. Bovendien, al zeî de wereld ook iets—ze maalde er wat om: zij verkoos zoo te handelen, en daarin voelde ze zich als een vorstin: zij gaf aan wat behoorlijk was, en liet het aan anderen over slaafs een anders opinie te ontzien.

Ze belde aan, en trof Van Thiemen thuis.

’t Bezoek viel hem op als ongewoon, hij dacht aan kwade tijding van zijn vriend. Begeerig de reden van haar komst te vernemen, zette hij zich over een gevoel van tegenzin heen. En met zijn gewone hoffelijkheid ontving hij Paula in zijn salon.

Zij zat er toen hij binnenkwam. Zij voelde er zich behagelijk: ’t was er zoo recht gezellig en smaakvol: geen wansmaak en overvulling zooals ze bij zooveel anderen—collega’s van haar man bijvoorbeeld—waargenomen had. ’t Was duidelijk dat hier de salon geen pronkkamer was, waar alleen Zondags en anders bij buitengewone gelegenheden de huisbewoners durven zitten, en waar in de tusschentijd muffigheid en koude ongezelligheid heerschen. Evenals in zijn studeerkamer had Van Thiemen hier een harmonisch gemeubeld, behangen en versierd vertrek ingericht. Hier was alles lila en wit, behalve het mollige tapijt en de gordijnen die havana-kleurig waren. De piano stond dwars, en was eveneens gedrapeerd in die kleuren. Het daarachter gevormde hoekje had een tegen de muur staande hoekbank, lila-en-wit-geverfd hout. Een dergelijke bank, maar grooter, liep links en rechts van de andere hoek aan dezelfde wand; terwijl tegenover den achterkant der piano een zwarte standaard met een fraai wit beeld—een buste—prijkte. Een groote spiegel met witte lijst boven de schoorsteen, waarop een bronzen beeld met uurwerk. Daarnaast en bij de andere hoek een sierlijke palm. Een enkel doek op een ezeltje tusschen de beide vensters, verder een tafeltje met weinig stoelen en fauteuils. Eindelijk drie groote aquarellen met witte lijsten—alle drie heerlijke bloemstukken van groote meesters—en een elektrische lamp met licht-lilakleurige lelievormige pitten.

De suite-deuren waren dicht. In den grooten haard brandde een klein vuur van briquetten. Een zachte flauwdoorgeurde temperatuur vervulde het vertrek.

Paula had net een blik in de spiegel geslagen, en zich overtuigd dat ze er bekoorlijk uitzag, toen de deur openging.

„Mevrouw!” zei Van Thiemen met zijn stem vol mollige buiging. „Waarmee kan ik U van dienst zijn? U is wel, hoop ik?”

„O, meneer Van Thiemen, dank u. Hoe maakt u ’t?”

„Een beetje druk, mevrouw, overigens volkomen gezond.”

„Ik kom u niet lang ophouden,”—een lachje—„ik heb uw raad noodig. En, u begrijpt”—dit met neergeslagen blik—„overdag geeft mijn man me te veel te doen, om aan uitgaan te denken. Daarom kom ik op dit ongewone uur.”

„O,” zei Van Thiemen, die inmiddels plaats genomen had—zij op een hoekbank, hij ervóor—„dat maakt niets uit. Hoe is ’t met de zieke?”

„O, dat gaat, dank u. Ik hinder u dus niet?”

„Ik heb zelfs liever dat u ’s avonds komt: dan ben ik meestal thuis.”

„Erg druk tegenwoordig, meneer Van Thiemen?”

„Och, dat schikt. Ik ben veel in Den Haag. Koninklijke Bibliotheek,” liet hij volgen, als achtte hij noodig deze verklaring te geven.

„Ook al studies, net als Larsen?”

„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” Van Thiemen draaide zijn knevel op en keek in de lucht. „’t Hoort zoo bij ’t baantje—bij ’t „prof” zijn!”

Hij lachte even. En zij vleiend en ondeugend:

„Nu ja, prof en prof is twee. U is geen professor in de eigenlijke beteekenis.”

„Och kom, mevrouw!”

„Natuurlijk niet, en dat weet u zelf ook wel. Om te beginnen kleedt u zich te goed, en dan is u in ’t algemeen niet aartsvervelend. Dames kunnen daarover oordeelen.”

„Ik neem ’t laatste aan, ofschoon ik ’t compliment—hoezeer ook met erkentelijkheid aangehoord—niet zoo grif aanvaarden kan.”

„Larsen bij voorbeeld is vervelend.”

„ ! ”

„U kent hem. O, maar ik heb u nog niet goed verteld hoe ’t met hem is.” Ze had hem nooit doen weten dat er eenig gevaar bestond, en wilde dat ook nu niet doen. „Hij is iets beter, eet ten minste weer.”

„Wel, ik verheug me ’t te vernemen.”

„Hij had zich wat overspannen.”

„Ja? Hij werkt veel....”

„Ja, en.... dan,” weer met neergeslagen blik, „we hebben een verschil van gevoelen gehad, voor ’t eerst van eenigszins ... ernstigen aard....”

„Zoo.” Van Thiemen vond de wending in ’t gesprek onaangenaam.

„Hij heeft zich bizonder opgewonden, sprak zelfs van scheiden.”

„Jawel, hij heeft er mij iets van gezegd.”

„Nu, ik geloof dat de zaak wel terecht zal komen, o zeker, want ’t sop is de kool niet waard. Nee,” en ze hief ’t hoofd op, „ik zou te ongelukkig zijn als ’t ooit zoover kwam tusschen ons.”

Van Thiemen zweeg, bewonderde haar komediespel.

„Nee, trouwens zoo iets is immers onmogelijk. Er is niets....”

„Zoo.”

„Nee, volstrekt niets. En waarom zou hij dan scheiden? Gesteld—’t is eigenlijk te dwaas ’t te veronderstellen—gesteld ’s dat hij ’t wilde, zou hij ’t immers toch niet gedaan kunnen krijgen. Als men een kostbaar bezit heeft,”—ze zuchtte—„is men soms overdreven bang het te verliezen. Mijn huiselijke vrede—nu zooveel jaren bewaard!”

„Als er geen redenen zijn, ook geen gefingeerde....”

„Gefingeerde, wat wil u zeggen?”

„Als nu hij er eens op stond van u gescheiden te worden, en een gefingeerde schuld op zich nam.”

„Ja, àls hij dat deed, en als ìk daarop een eisch instelde. Te dwaas om aan te denken! Maar ik laat dat daar. Larsen doet zoo vreemd in de laatste tijd, dat ik soms....” Ze aarzelde.

„Aan zijn verstand twijfel?” vroeg Van Thiemen verwonderd.

„Om de waarheid te zeggen, ja. Ik vrees een dwaasheid—een vlucht of zoo iets, met mijn kind....” ’t Kwam er zenuwachtig uit, vol angst.

„Och kom, mevrouw: Larsen, zoo’n nuchter bezadigd mensch! Is er dan zoo iets vreeselijks gebeurd? U verschoont me dat ik ’t zeg, nie’waar? U heeft mijn raad noodig, en dan mag ik wel vrijmoedig spreken.”

„O zeker. Ja, er is wel veel naars tusschen ons voorgevallen, maar, ziet u, hij is zoo overgevoelig en ik—zeg zooveel in mijn drift waar ik niets van meen.” Ze lachte bekoorlijk.

„U heeft dus dingen gezegd.... ja, ja, waardoor hij aan zoo’n dwaasheid zooals u zegt, denkt?”

Paula had zoo graag vernomen of Larsen alles gezegd had, dat wil zeggen alles van na haar handtastelijkheid. Dat hij van ’t eerste hevige tooneel tusschen hen gesproken had, wist ze vrij zeker. Maar de bizonderheden? Van Thiemen doorzag haar, en liet zich niet uithooren.

„Ja, maar hij neemt alles overdreven op. Ver overdreven! Er is niets onherstelbaars. En.... zijn vrouw houdt van hem....” ’t Laatste werd op droevige toon met neergeslagen blik uitgesproken.

„’t Is voor mij erg moeilijk, mevrouw. Zoo lang ’t op rechtskundig gebied blijft kan ik u van raad dienen; maar overigens.... U weet wat de Franschen zeggen: „entre l’écorce et le bois il ne faut jamais mettre le doigt.””

„Kom, dat zeggen al te voorzichtige menschen, niet u, die een goed vriend van Larsen is, en ook voldoende vriendschap voor mij heeft om mij geen dienst te weigeren....”

Ze keek hem met fluweelige streeling aan. Ze was bizonder mooi die avond, met haar donkerbruin mantelpakje en haar Cleo-de-Mérode-kapsel.

„Ik geloof dat ú nu „overdreven” is, mevrouw. Larsen zal zoo iets niet doen.”

„Heeft hij u niets gezegd?” Komaan, ze waagde het ronduit de vraag te stellen.

„Van vluchten? Hij is te verstandig om zoo iets zonder goeie redenen te ondernemen.”

Paula zette haar eene voetje over ’t andere, als afleider voor een hartgrondig stampje, dat ze op de grond had willen doen.

„Goed, maar ìk ben er bang voor. En ìk ben bang voor groote verwijdering tusschen ons.... U kan daar ’t uwe aan doen. Larsen houdt van u: u heeft vat op hem, meer als iemand anders. Raad u hem ten goede....”

„Dat heb ik gedaan, mevrouw. En wat ik tot zijn bestwil nog verder raden kan, zal ik niet nalaten te doen. Geloof u me vrij.”

Zoo’n slimmerd! dacht Paula: zoo’n raad kon even goed tegen haar gericht wezen. Maar.... zou dat wel? Had hij iets tegen haar? Ze had zich altijd verbeeld dat hij tot haar stille aanbidders behoorde, dat hij alleen daarom niet méer voor den dag was gekomen, omdat zij hem geen voet gegeven had. Had ze maar éen vinger uitgestoken.... Hij was immers altijd zoo voorkomend, zoo echt hoffelijk geweest. Misschien had Paula geen gelegenheid gehad Van Thiemen’s houding tegenover andere dames waar te nemen, anders had ze zeker spoedig gezien, hoe weinig al die hoffelijkheid beteekende. Van Thiemen was nu eenmaal hoffelijk jegens iedere dame; en eerst dan maakte deze nietszeggende uiterlijkheid plaats voor degelijker sympathie-betuiging wanneer hij te doen had met een vrouw voor wie hij groote achting gevoelde. En zoo iets kwam zelden voor. Hij hield van de vrouwen, maar vreesde al te groote toenadering: zijn feminisme hield er zulk een hoogstaand vrouwen-ideaal op na, dat de meeste vrouwen hem slechts aantrokken als belangwekkend studiemateriaal. Slechts enkelen hadden het vermocht hem op andere, inniger wijze te boeien. Hij had eens werkelijk liefgehad, jaren geleden; maar sinds de dood van het meisje zijner keuze had geen vrouw de leege plaats in zijn hart kunnen innemen. Zijn hoffelijkheid diende hem als schild, dat alle intiemere aanrakingen afweerde; dat tevens wonderwel zijn eigen gevoelens over deze of gene zijner vrouwelijke kennissen verborg. Zoo ook tegenover Paula. Zij had nooit kunnen merken hoe een aanvankelijke genegenheid al heel spoedig had plaats gemaakt voor onverschilligheid en zelfs voor antipathie.

Toch ging zijn neutrale vriendelijkheid—om ’t zoo eens te noemen—niet zoo ver dat hij in echte huichelarij verviel. Zoodra het op daden aankwam, zoodra belangen van eenige beteekenis op ’t spel stonden, zou hij niet aarzelen zijn ware gezindheid volkomen duidelijk te toonen, hoe onaangenaam hij dit zelf ook mocht vinden.

Hij vreesde dat zulk een zeldzaam geval zich thans zou voordoen, en hij gedwongen zou wezen kleur te bekennen.

Paula begon te weifelen. Ze bedacht zich even, en zeide toen:

„Ik zou u willen vragen wat meer bij ons te komen. We hebben u in dagen niet gezien.... Maar ik ben bang dat u ’t te druk heeft....”

„Ik wou juist dezer dagen eens naar Larsen komen kijken. Ik hoorde gisteren pas dat hij ziek was.”

„O, Larsen mag niemand bij zich ontvangen, behalve mij,” zei Paula snel. „Maar,” liet ze volgen, „u kan daarom toch wel komen. Moeder ziet u ook graag. Die logeert bij ons, om me te helpen.”

„O, als ik kan, zal ik niet nalaten te komen. Zoo, is mevrouw uw moeder bij u? Is mevrouw wel?”

„Dank u. Ik mag dus op u rekenen? U weet niet hoe’n groot genoegen u ons doet, ook Larsen, al kan hij u ook niet spreken.... Als hij merkt dat u mij dezelfde vriendschap toedraagt als te voren, zal hem dat zeker gunstig stemmen....”

Van Thiemen bepaalde zich tot een beleefde glimlach.

„Dus,” zei Paula, opstaande, half als ongeduldsuiting, half omdat ze inzag dat ze niet verder kwam, „u komt gauw ’s aanloopen? Aan de thee vindt u ons altijd.”

„Ik zal ’s zien wat ik doen kan, mevrouw.” Hij stond eveneens op. „Intusschen dank voor uw vriendelijkheid. Maar, u weet hoe druk ik ’t heb.... Wil u wel mijn eerbiedige groeten aan mevrouw uw moeder doen, en ook Larsen beterschap voor me wenschen?”

Hij bracht haar naar de gang, hielp haar met haar mantel, en geleidde haar naar de voordeur.

„Tot ziens, meneer Van Thiemen!”

„Mevrouw,” zei Van Thiemen, boog en sloot de voordeur.

Op straat stootte de schoone avondbezoekster een hartgrondig diepe zucht uit, en stapte met driftige pasjes, niet in de richting van haar huis, dat in de buurt lag, maar verderop de straat in.

Ze keek op haar horloge bij een lantaarn: kwart voor acht.

Gelukkig, ’t was nog vroeg. En Larsen zou nog wel slapen. Hij sliep toen ze uitging.

Toen ze aan de schel trok van een groot huis op een der grachten, bonsde haar hart zoo hevig, dat ze zich geweld moest aandoen om op kalme toon aan de meid te vragen, of mevrouw Boudewijns en de jonge meneer thuis waren.

XIII.

Mevrouw Boudewijns was een deftige dame. Ze was meer dan dat. Ofschoon zelf van een zeer gewone burgerlijke familie—haar vader was indertijd (lang geleden) Deensch scheepskapitein, en had zich later, door eerlijke en smokkel-handel rijk geworden, te Amsterdam gevestigd—had ze van haar vroege jeugd af steeds iets in haar voorkomen en in haar manieren gehad dat haar distinctie gaf boven haar omgeving. Haar zusters noemden haar „de prinses”. Ze was bovendien mooi. ’t Een en ander, gevoegd bij haar niet verwerpelijke bruidschat, bezorgde haar toen ze nog zeer jong was een rijk koopman als echtgenoot, en toen deze na eenige jaren overleden was, en zij zelf meer besef kreeg van haar waarde en aanspraken, een aristokraat met geld en positie. Haar eenig overgebleven zoon uit het eerste huwelijk—haar man was aan tering gestorven en ook twee van zijn drie kinderen bij haar—volgde spoedig na het heengaan van zijn stiefvader, het voorbeeld van zijn levengever. Was Boudewijns al een grijsaard, Bertus was juist drie-en-twintig toen hij bezweek. Zijn moeder had hem verafgood, en ’t gevolg was geweest dat de jonge man een zwakkeling werd zonder ’t minste weerstandsvermogen, noch lichamelijk, noch zedelijk of verstandelijk. Reeds zeer jong had hij ’t leeren opgegeven, was steeds sukkelend, en ging zich in zijn gezonde perioden braaf te buiten aan alles waaraan een rijk jongmensch zich maar te buiten kan gaan.

Voor de tweede maal weduwe op vijf-en-veertigjarigen leeftijd zou ze na de dood van haar Bertus alleen op de wereld gestaan hebben, als ze niet uit haar huwelijk met Boudewijns een zoon gehad had. Aan deze kon ze zich thans met hart en ziel wijden. Waarschijnlijk zou ook deze jongen—toen dertien jaar oud—geheel verweekelijkt zijn, als zijn gezonder gestel en vaster karakter, beide van zijn vader geërfd, hem niet te stade waren gekomen. Inplaats van een lammeling, zooals zijn stiefbroer geweest was, werd hij eenvoudig een braaf moederskindje. Hij leerde goed, leek op zijn moeder, had dus een gedistingeerd voorkomen, en gaf zijn moeder alle reden tot tevredenheid. Was de stiefbroer knorrig en soms onhandelbaar geweest, hij was gewoonlijk vroolijk en gezeggelijk. Trouwens, dit laatste wilde bij een vertroetelende moeder als mevrouw Boudewijns maar weinig zeggen: de jongeheer Boudewijns was erg vroeg wijs, en ’t duurde niet lang of mama luisterde aandachtig naar den ouwelijken praat van zoontjelief. Toen hij zestien was leek hij twintig. Mama bewonderde hem, vroeg hem raad, en verdubbelde haar zorgen om hem het leven zoo aangenaam mogelijk te maken.

Deze bezorgdheid voor zijn geluk openbaarde zich ook in haar angstvallig waarnemen der eerste uitingen zijner ontwakende mannelijkheid met betrekking tot de andere sekse: zijn verliefdheden en hofmakerijtjes. Ze bleef op de hoogte; wist ook zijn vertrouwen te bewaren, en zoo was er niets in Adolf’s gemoedsleven dat haar aandacht ontsnapte. Maar zou dit zoo blijven? Zou ze zóo lang zijn schreden op ’t goede pad kunnen houden—onder haar waakzaam oog hem kunnen behoeden voor uitglijden in de modder of verongelukken in een poel—tot hij veilig aangekomen was waar ze hem zoo spoedig mogelijk hebben woû: in ’t heilige huisje van ’t huwelijk?

Tusschen dat doelwit van haar moederlijk streven en de eerste jongelingsjaren lag immers een gevaarlijk stuk weg: de studententijd. Want de veelbelovende Adolf moest studeeren, en een graad halen evenals papa, liefst in de rechten. Dat was deftig, aristokratisch; bovendien: met geld en een meesterstitel—dat wist ze—kwam men ver in ’t lieve vaderland.

De jonge Boudewijns met zijn fijne gezichtje en schrandere oogen kwam met zijn moeder naar de academie-stad, waar de familie Larsen woonde. Adolf zou bij zijn moeder blijven wonen, en er bovendien een studentenkamer op nahouden: zoo kon hij meedoen aan alle pretjes, en hoefde zijn moeder niet te storen wanneer hij laat thuis kwam.

Op een avondpartijtje bij een professor ontmoette de jonge student voor ’t eerst het echtpaar Larsen. De kennismaking, ook met mevrouw Boudewijns, leidde weldra tot een vriendschappelijke omgang.

Met haar gewone scherpziendheid in alles wat het doen en laten van haar Dolf betrof had de waakzame moeder onmiddellijk meer dan gewone belangstelling bij hem opgemerkt voor de persoon van Larsen’s innemende vrouw. De jongen was verliefd, dat zag ze duidelijk.

Hoe moest ze hier, waar ’t inderdaad geen kalverliefde meer was, als moeder optreden, zoodat haar Dolf beschermd bleef voor gevaar?

Een zeker teeken voor haar, dat thans eindelijk werkelijke hartstocht in ’t spel was, zag de scherpzinnige waakster in Dolf’s geheimzinnigheid. Hij sprak niet over wat zijn gemoed beroerde tot de leidsvrouw en raadgeefster zijner jeugd, ontweek iedere vertrouwelijkheid die tot een bekentenis zou leiden, ging niet in op toespelingen, maakte zich zelfs herhaaldelijk boos wanneer zijn moeder liet merken dat ze op de hoogte was. Was het misschien zoo omdat de jongeling zich eigenlijk schaamde dat hij verliefd was op een getrouwde vrouw, en nog wel eene die bijna zijn moeder kon wezen? Och, hij was te veel bedorven kindje, had te veel geleerd dat wat hem aangenaam was ook goed moest wezen, dat hem te dien opzichte gewetens-aanvechtingen zouden kwellen. Dat wist mama ook wel. Zijzelf was in haar opvattingen lang niet streng. Neen, hier had ze te doen met het gewone verschijnsel bij echte, diepe hartstocht bij een man: die schuwt bemoeienis van derden.

Maar mama móest zich hier met de zaak bemoeien. De kwestie was hoe ze dit op de meest kiesche, voor hem minst hinderlijke en in de gevolgen heilzaamste wijze doen kon.

Zij kende haar wereld te goed om niet spoedig te zien dat de mooie mevrouw Larsen wel gediend was van de vurige, schoon ietwat linksche hofmakerij des jeugdigen Minerva-dienaars. Ze voorzag dat, als zij de zaken op hun beloop liet, de twee minnenden elkaar al heel spoedig „gevonden” zouden hebben. Doch hieraan waren gevaren verbonden: Dolf was zoo jong en onervaren, zou onvoorzichtig wezen, zich compromitteeren, haar compromitteeren, en—nog erger—misschien zijn ongeluk bewerken. Die Larsen kon vermoedens krijgen.... Hij zag er wel wat sullig uit, maar nu ja.... waar men aan ’t wijfje komt, wordt het goedigste beestje wel ’s woest.

Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de ontmoetingen der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis plaats hadden: de fatale samenkomst, waar ’t op uitliep, zou dan ook wel in dat veilige oord tot stand komen.

De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had ’t wel anders willen hebben, ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die allerintiemste omgang met de vrouw die zij hem slechts in ’t huwelijk van ganscher harte gunde. ’t Huwelijk was fatsoenlijk, veilig; daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in vredesnaam, een jongmensch is een jongmensch, en ’t is zoo moeilijk voor een moeder om al zijn gangen te bespieden, hem te beletten te nemen wat zoovelen—bijna allen—immers nemen! Neen, ze moest van de nood een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van alle lichtmisserij—o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo onschuldig als een pasgeboren kind”—nu ’t onvermijdelijke einde zou komen, wel, nu was deze minnarij toch nog de verkieslijkste. Mevrouw Boudewijns waakte immers ook over Dolfje’s gezondheid, en dan was Paula.... nee, heel wat anders dan „zoo’n slechte meid”. Foei, ze huiverde er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met zoo’n beschaafde, lieve dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld; immers ook voor de mogelijke gevolgen.

Alles ging naar wensch.

Na drie maanden omgang was mevrouw Boudewijns de moederlijke vriendin van Paula, nu als zoodanig bij Larsen erkend. Haar waardig voorkomen en innemende, zachte manieren hadden Larsen zeer aangetrokken, ja, weldra zag hij in haar wat hij zoo lang voor zijn Paula verlangd had te bezitten: een goede vriendin, die door leeftijd en ernst van karakter een gunstig overwicht op haar zou kunnen doen gelden.

De omgang met de luidruchtige, leeg-rammelende Margot Ennery, was de bedaarde degelijke geleerde maar half welkom. ’t Was goed dat daar een andere invloed tegenover stond: wijze raad, moederlijke leiding. Och, Paula kreeg die zoo weinig van haar eigen moeder, en de zijne was sinds jaren dood....

„’t Is merkwaardig zoo spoedig als Paula uw vertrouwen gewonnen heeft! Zij is ook erg met ú ingenomen,” zei Larsen op een dag toen mevrouw Boudewijns bij hem op bezoek was, en Paula toevallig niet in ’t vertrek was.

„Och, ja, wie zou ook niet met uw vrouwtje ingenomen zijn, meneer Larsen!” zei de deftige dame beschermend. „Ik mag haar als mijn eigen dochter. Ze moet maar heel veel bij me aan huis komen. Ze is altijd welkom, en ’s avonds vindt ze me altijd thuis.”

„O, u is wel goed,” antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer ’t zeer, dat ze in u een moederlijke vriendin vindt.”

Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze iets van de vorstin die een onderdaan begenadigt.

„Ja,” ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik ’t aan haar merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een omgang als met u was ’t eenige wat haar ontbrak.”

Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van ’t huiselijk drama dat zich bij Larsen was begonnen af te spelen.

Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula de jeugdige Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele verhouding te veel als een onbeteekenend spelletje voorgekomen was. Die Dolf was nog zoo’n aapje: die telde nauwelijks mee. ’t Was wel een aardig kereltje—frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem gegeven, zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig knaapje wien men niets weigeren kan. ’t Was een tijdverdrijf voor haar, meer niet; een aardig spelletje nu en dan om haar verveling te verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen bedwelmende roes, maar slechts een aangename opwekking.

Op die avond na ’t bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen bij haar vriendin geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met vriendelijke verwijten: haar Dolf was wanhopig geweest, hij ook had niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen was er bepaald ziek van. Paula lachte en verklaarde ’t geval. Zoo’n dwaas kind! Waar was hij? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in angstig wachten, was geweest.

„Je vindt hem boven,” zei mevrouw Boudewijns, „verras hem ’s. Wat zal hij blij zijn!” En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht moederlijk gestemd op dat oogenblik. Wat zag die Paula er lief uit, en wat hield Dolf veel van haar!

Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje.

Voorzichtig deed ze de deur van Dolf’s kamer open; de portière die erover hing gleed van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor voetje.