Hans de Klokkeluider

Part 5

Chapter 53,827 wordsPublic domain

KASPER. Zeur niet, Stoffel. Als we straks uit de kerk komen, mannen, begint het feest! Mijn wijf heeft een taart gebakken, mijn hemel, zoo’n taart hebben jullie in je leven nog niet gezien! Vlaggetjes er in, brandewijn er over, en als hij wordt binnengedragen, zullen de vlammen er omheen dansen! Snoek, mijn vriend Snoek .... wacht, dan moet ik jullie eerst vertellen wat voor fratsen mijn dochter Gaaike er tegenwoordig op na houdt. Dat komt ervan, nu ze gravin wordt .... nu komen de fratsen ook! Vanmorgen zegt ze tegen mijn wijf: „Moeder, ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!” En nou kun je zeggen wat je wilt, maar daar blijft ze bij: „Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt.”

STOFFEL. Nou, die luidt straks toch? De klepel hangt er toch weer in?

KASPER. Natuurlijk luidt de klok! De klepel is er gisteren al weer zoo vast ingeklonken, dat ze er de eerste honderd jaar niet weer uit zal vallen! „Snoek”, zeg ik daarom, „luid jij vanmorgen de klok voor het huwelijk van mijn dochter, want anders wil ze de bruid niet zijn!”—„Dat is goed, Kasper”, zegt ie. „Ik kan luiden als ....”

(In den schoorsteen klinkt een duivelslachje.)

KASPER. (Stokt.) Wie lachte daar?

STOFFEL. Ik niet, Kasper! Heeft er iemand gelachen?

DE ANDEREN. Niemand. Heb jij gelachen? Neen. Niemand heeft gelachen!

KASPER. Ik dacht het. „Nu, Kasper”, zegt Snoek, „dat is best, dan zal ik de klok luiden, want ik kan luiden als ....”—Verduiveld, maak me niets wijs: een van jullie staat me uit te lachen!

STOFFEL. Waarachtig niet, Kasper!

DE ANDEREN. Ik hoor niets, Kasper! Ik lach niet! Ik bezweer je ....!

KASPER. Nu, zweer maar niet; vandaag kan ik tegen een stootje, en wie het laatst lacht, lacht het best. Jullie moeten zoometeen mijn Anne-Marie eens zien, mannen! Ik durf geen wijf meer tegen haar te zeggen, zoo’n madam is ze me geworden! Die rok alleen .... je zult eens zien, wat er allemaal op die rok zit! Kom, we zullen aan mijn wijf-madam maar eens een kroesje wagen. En breng die muzikanten daarbuiten ook een fleschje, Stoffel, dan blazen ze misschien wat minder valsch. En zeg er bij, dat ze wat vroolijker moeten spelen. Valsch is het ergste niet, moet je maar zeggen, als het maar een vroolijk moppie is! Hup, Marianneke! Of: Jan, kom kietel me! Of: ’t Is me toch zoo’n rarekiek!

STOFFEL. (Gaat met een fleschje heen.)

KASPER. Alle duivels, mannen, we zullen vandaag eens zingen, dat de opera er jaloersch op wordt! (Inschenkend en met den voet stampend:) Hop, soep en gortebrij, en ik zal jou ’ns pakken! Hier! Neem aan je kroes, mannen! Leve de zeven dochters van Stoffel! (Zich overtuigend, dat Stoffel weg is:) Hij zal ze wel nooit kwijt raken, al wordt hij zoo oud als Methusalem, want de mooiste ervan is nog zoo leelijk als Isabella van Spanje, en de zachtzinnigste van alle zeven is nog zoo kijfziek als de vrouw van Socrates. Nou, daar gaan ze, alle zeven! Bijt er maar op, want ze zijn taai! (Stoffel komt terug.) We drinken juist op jouw dochters, Stoffel! Daar mag jij niet bij ontbreken! Hier staat je kroes. Pak aan.

ALLEN. Prosit! Daar gaan ze, Stoffel!

STOFFEL. Gingen ze maar. (Hij drinkt.)

KASPER. Het verwondert me, dat mijn vriend en kameraad Snoek nog niet aan het luiden is geslagen! (Ziet op zijn horloge). Het is al over den tijd! Kom, mannen, laten we er maar eens op drinken, dat .... (Hij ziet Anne-Marie binnen komen, slaat de handen ineen.) Alsjeblieft, mannen! Mijn vrouw.

ANNE-MARIE. (Komt blozend op, opgedirkt als nog geen herbergierster in haar leven opgedirkt is geweest. De bewondering is dan ook algemeen. Kasper maakt geheimzinnige gebaren tot de anderen, om aan te duiden hoe mooi en kostbaar alles is, en dat dat nu zijn vrouw is, die zooveel schoons zoo gratievol te dragen weet.)

ANNE-MARIE. Kasper, doe niet zoo gek! Zit alles goed, Aafke?

AAFKE. (Is haar gevolgd, zichtbaar genietend van de bewondering, die Anne-Marie ten deel valt.) Wacht! (Ze prutst er nog wat aan.)

KASPER. Heeft iemand in zijn leven zoo’n vrouw gezien? ’t Heeft me wat gekost! Brrrr!

STOFFEL. Als mijn vrouw dat ziet, zal ze ’t niet minder willen doen! Al moest ik er ook een jaar voor krom liggen ....!

KASPER. Hè, wijf, weet je nog wel, dat wij samen naar de kerk gingen? ’t Is nou een dikke dertig jaar geleden! Je bruigom was geen graaf, maar hij mocht er toch wezen, en je was wat trotsch op hem!

ANNE-MARIE. Schei toch uit, malle kerel!

KASPER. En weet je nog, Stoffel, hoe we gedanst hebben? Hè? (Maakt dansbewegingen.) Tjing-tjang-tjoedeli, tjing-tjang-tjoedeli .... ’t Is me toch zoo’n rarekiek! Tjing-Tjang-Tjoedeli .... Hè, ouwe jongen?

STOFFEL. (Zucht.) Dat zal ik niet meer weten, Kasper! ’k Was juist in de bovenste wolken, omdat mijn vrouw haar eerste dochter had gekregen! Als ik toen geweten had, dat er nog zes bij zouden komen ....?

KASPER. Moed, buurman, neem een slokske! Hier!—Maar die klok? Waar blijft die klok! Snap jullie er wat van, dat mijn vriend Snoek nog altijd niet aan het luiden is geslagen?

ANNE-MARIE. Is het al tijd?

KASPER. Een kwartier er over. Waar blijven de kinderen?

ANNE-MARIE. Die komen er aan. Gaaike was daareven al gekleed. Maar hoe kan dat nu, dat Snoek nog altijd niet ....? Heb je het wel goed met hem afgesproken?

KASPER. We hebben de beste afspraak gemaakt, die er ooit gemaakt is. En daarstraks is hij hier nog langs geloopen om even een hartversterking te halen voor hij ging luiden.

ANNE-MARIE. En toen heb je hem zeker zooveel wijn voorgezet, dat hij het klokketouw niet vinden kan!

KASPER. Dan zou ik tien vaten voor hem hebben moeten leeggetapt, want bij het negende is mijn vriend Snoek nog lang niet dronken.

ANNE-MARIE. Nu, ligt de looper al buiten?

KASPER. Ik heb hem zelf gelegd. En de heele markt over tot aan de kerk is de weg met dennetakjes bestrooid.

ANNE-MARIE. En staat er veel volk?

KASPER. Als Kaspers dochter de bruid is, loopt de heele stad uit! (Hij gaat naar het venster.) Je kunt over de hoofden loopen. Maar waar die klok nu toch blijft?! Mijn vriend Snoek ....

ANNE-MARIE. Jouw vriend Snoek zal in een sloot getuimeld zijn.

KASPER. Zwemmen kan Snoek! Wat dat betreft, doet hij zijn naam eer aan! Maar desnoods gaan we zonder die klok naar de kerk!

ANNE-MARIE. En als Gaaike ....?

KASPER. En als Gaaike? Wat: en als Gaaike? Ja, je moet nog maar luisteren ook naar die kuren en fratsen!

ANNE-MARIE. Stil, daar komen de kinderen!

HANS EN GAAIKE. (Komen op arm in arm. Bruidsmeisjes volgen met Gaaike’s sluier en bruidskrans.)

(Algemeene kreten van bewondering, niet het minst voor Gaaike’s gravinnekleed.)

KASPER. Alsjeblieft, mannen! Mijn dochter en mijn schoonzoon. Ze mogen er wezen, wat? (Hij kust Gaaike voorzichtig,—bezorgd, haar kleed niet te kreuken.) Goeden morgen, mijn popje! Je ziet wat bleek; heb je niet goed geslapen? Een beetje opgewonden, hè? Anne-Marie, jij kon drie weken van te voren al niet slapen, toen het ònze groote dag zou zijn. Uit angst, dat ik je zou opeten!

ANNE-MARIE. Dat m’n japon niet klaar zou komen.

KASPER. Dat zeg je nou.—En jij, m’n beste graaf, heb jij goed geslapen?

HANS. En u, schoonvader?

KASPER. Ik? Best! Ik heb best geslapen. Ik slaap altijd best. Mag ik je eens voorstellen, graaf: (Wijst op zijn vrienden.) Stoffel, mijn hartsvriend, die je al zijn zeven dochters wel wil geven, als je er trek in hebt. (Fluisterend:) Maar er zit niet veel achter het linnen, hoor! En hier, Hannekijn Goetsot, die ook nog een paar dochters te koop heeft .... he-he-he! En hier, Domien Lambregts, bijgenaamd: de papzak, en hier: Lammert Bot, een zeevisch, in tegenstelling met mijn vriend Snoek, die meer van zoet water en nog meer van een zoet wijntje houdt, en die vanmorgen de klok zal luiden ter eere van jullie bruiloft, kinderen!

HANS. Hoe kan .... de klok luiden? De klepel is er toch ....?

KASPER. Die is er al lang weer ingeklonken! En mijn vriend Snoek is een klokkeluider, hoor! Als die maar aan het touw trekt .... Alle duivels, schei toch uit met dat lachen!

HANS. Ik .... ik hoor niets! (Hij heeft het duivelslachje heel goed gehoord.)

STOFFEL. Ik ook niet! Hoe kom je er toch bij, Kasper, dat wij je zouden uitlachen?

KASPER. Hou je maar niet van den domme: ik hoor drommels goed, dat er iemand lacht. Ik wil zeggen: Als mijn vriend Snoek maar aan het touw trekt .... (Driftig:) Boem! Dan luidt de klok al!

GAAIKE. Maar waarom .... luidt ze dan nog niet?

ANNE-MARIE. Omdat Kasper zijn vriend Snoek eerst dronken heeft gemaakt.

KASPER. En als ik je nou toch zeg, wijf, dat hij niet meer dan twee .... of drie kroezen wijn gedronken heeft!

ANNE-MARIE. Of vier .... of vijf .... of zes misschien? Of meer?

GAAIKE. Ik .... ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt!

KASPER. Wat?! Is het dan toch waar wat je moeder mij verteld heeft? Jij wilt niet naar de kerk wanneer de klok niet luidt?!

ANNE-MARIE. Nu stil maar, Kasper.

KASPER. Die fratsen kan ik niet uitstaan, wijf!

GAAIKE. Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt ....!

KASPER. (Driftig:) En waarom niet?

GAAIKE. Dat heeft .... Kerstmannetje gezegd.

KASPER. (Ziet verbluft zijn vrouw aan.) Dat heeft Kerstmannetje gezegd. Hoor je dat, wijf?

ANNE-MARIE. Ze zal gedroomd hebben, Kasper.

GAAIKE. (Angstig, droef:) Neen! Ik heb het niet gedroomd ....!

KASPER. Hoor jij niet wat jouw moeder zegt? Je hebt gedroomd, zegt jouw moeder! Sinds wanneer geloof jij nog aan Kerstmannetje?

ANNE-MARIE. Stil, Kasper, ze is immers nog een kind.

KASPER. Een kind, dat straks een vrouw zal zijn! Zulke verhaaltjes van Kerstmannetje en zoo hoeft ze haar vader niet meer op den mouw te spelden!

GAAIKE. Ik heb Kerstmannetje wel vaker gezien .... als ik verdriet had.

KASPER, Verdriet ....? Heb jij verdriet?

ANNE-MARIE. Stil, Kasper, om dien klokkeluider, bedoelt ze. Vertel je moeder maar eens, kind, hoe zag hij er dan uit .... Kerstmannetje?

GAAIKE. Ik heb alleen maar zijn oogen gezien. Die waren zoo goed en vriendelijk. En zijn stem klonk zoo zacht .... Hans, de klokkeluider, heeft Kerstmannetje ook wel eens gezien!

KASPER. Ja, die klokkeluider zal je heelemaal wel veel moois verteld hebben!

GAAIKE. Ja ....

KASPER. Wat: Ja!

GAAIKE. (Droomend:) Hij heeft me veel moois verteld ....

KASPER. (Wanhopig gebaar.)

STOFFEL. Kom, Kasper, laten we maar eens gaan kijken waarom die klok nog niet luidt. Dan weet je het.

KASPER. Vooruit! Die Snoek moet me nog weer eens vertellen, dat hij een klok kan luiden! (Met zijn vrienden af door de buitendeur.)

ANNE-MARIE. (Verzint een leugentje om Hans en Gaaike even alleen te laten. Tot de bruidsmeisjes:) Kom mee, meisjes, dan mogen jullie de taart voor straks eens zien! (Fluisterend tot Hans:) Praat haar dat maar even uit het hoofd, graaf. Ze weet zelf niet wat ze wil!—Kom Aafke! (Af met gevolg door een der zijdeuren.)

(Het gesprek, dat nu tusschen Hans en Gaaike volgt, wordt in gejaagd tempo, fluisterend gevoerd.)

HANS. Gaaike .... wanneer hebt jij Kerstmannetje gezien?!

GAAIKE. Vannacht!

HANS. Ik ook!

GAAIKE. En heb je daarna den storm ook gehoord?

HANS. Hij loeide in den schoorsteen! Ik hoorde krassende raven en gekrijsch van katten! Dakpannen suisden kletterend neer; heksen raasden door de lucht op bezemstelen! Heksen met grijze lange haren en kromme, zwarte nagels en rafelige rokken en ze gierden allen dooreen ....

GAAIKE. „Blaas het licht uit!”

HANS. (Hijgend, bleek:) Dan heb ik goed verstaan.

GAAIKE. Maar het is niet gelukt! Ik heb er mijn hand voor gehouden! Uilen, met groene en roode oogen, kwamen aanruischen; vleermuizen fladderden in dichte zwermen om mijn hoofd en trachtten met haar wieken het licht te dooven. Maar ik beschermde het, tot ze vluchtten voor de morgenschemering. Toen hoorde ik Kerstmannetje spreken .... dicht bij mij. „Gaaike”, zei hij, „dat komt, omdat de klok vandaag niet heeft geluid! Als ze op Kerstmis nog niet luidt, zullen de vleermuizen in den nacht terugkomen, in nog dichter scharen, en het licht zal uitgaan .... voor altijd!”

HANS. Maar als de klok .... nu niet luiden wil?

GAAIKE. Doet u het! Luidt u de klok! Toe ....!

HANS. (Stamelend:) Ik .... Hoe zou ik dat kunnen, Gaaike .... wanneer een ander het ook niet kan?!

GAAIKE. Ik wil niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt!

KASPER. (Komt weer met zijn vrienden op. Driftig:) Als ik dáárvan wat snap! (Roept:) Anne-Marie! (Tot zijn vrienden:) Wat kan er aan die klok mankeeren?!

ANNE-MARIE. (Komt op met Aafke en de bruidsmeisjes.) Wat is er met de klok?

KASPER. Niets anders dan dat ze niet luiden wil!

ANNE-MARIE. Hoe kan dat?

KASPER. Dat moet je maar eens aan Gaaike vragen! Die schijnt het van morgen al geweten te hebben! Snoek heeft staan trekken tot hij er lam van werd, maar de klok zegt geen boe en geen ba!

STOFFEL. Hij is nu den toren ingegaan, om te zien waar het hapert.

KASPER. Daarop wachten we niet. Langs den heelen weg staan de menschen al een half uur te blauwbekken. Zoometeen gaan ze nog allemaal naar huis! Zijn jullie klaar? Dan gaan we. Met die klok zoeken we het later wel uit.

GAAIKE. (Angstig:) Ik wil niet naar de kerk .... zoolang de klok niet luidt!

KASPER. Stil, zottinnetje!

GAAIKE. Ik wil niet!

ANNE-MARIE. Kom, m’n kind, wees nu verstandig. Je begrijpt toch wel, dat je gedroomd hebt!

GAAIKE. Gedroomd? Het komt toch alles uit ....!

ANNE-MARIE. Ach, die klok is gisteren natuurlijk slecht gemaakt!

KASPER. Is het nu nòg niet uit? Wat zegt u wel van haar, graaf?

HANS. (Wendt zich tot Gaaike. Met gebukt hoofd:) Gaaike .... als de klok nu eens .... in het geheel niet meer luiden kon?

GAAIKE. (Bijna schreiend:) Ik wil niet ....!

(Groot rumoer op straat daarbuiten. De muzikanten houden op te spelen.)

SNOEK. (Komt binnenstormen, doodsbleek, met verfomfaaide kleeren, schrammen en builen op het gelaat. Naar adem happend:) Kasper!

KASPER. (Onrustig, driftig:) Wat is er?

SNOEK. Kasper ....! In den toren ....!!!

KASPER. Wat: in den toren?!

SNOEK. De Duivel!!

(Gegil onder de vrouwen. Gaaike vliegt naar haar moeder. Hans deinst achteruit zonder te kunnen spreken, buigt het hoofd.)

KASPER. (Tast naar zijn slapen.) De .... de duivel? Snoek, je bent dronken!

SNOEK. Was het maar waar! Ze hebben hem allemaal gehoord!

STEMMEN. (Op straat) De duivel! De duivel is in den toren! De duivel!!

GAAIKE. (Angstig, vast besloten:) Ik wil niet naar de kerk .... wanneer de klok niet luidt!

SNOEK. Ik hoef je niet te zeggen .... hoe ik schrok! Daar stond .... de duivel met een van zijn dienaren! „Scheer je weg!” schreeuwt die d-dienaar van den d-duivel. En Satan schreeuwt er achter aan: „De klok is .... is van mij! Ik heb haar gekocht!!” Water, Anne-Marie!

ANNE-MARIE. (Brengt hem haastig een kroes wijn.)

HANS. (Stamelend:) Gekocht ....! Nog niet ....!

GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan.)

KASPER. (Wendt zich tot hem om.) Weet u er dan iets van, graaf?

HANS. (Verward:) Hoe zou ik .... er iets van weten?

KASPER. Maar .... gekocht?! Hoe kwam hij te spreken van .... gekocht?! Dan moet iemand ze hem .... verkocht hebben!

HANS. (Geeft den strijd op. Zacht, met gebukt hoofd:) Hans, de klokkeluider.

GAAIKE. (Doodsbleek:) Neen ....!

KASPER. (Begrijpt het nog niet.) Wat: Neen?

GAAIKE. Hans heeft zijn klok niet verkocht!

HANS. (Zacht, smartelijk:) Voorgoed verkocht .... neen, dat nog niet. De duivel loog, toen hij de klok .... de zijne noemde.

GAAIKE. (Ziet Hans met groote oogen aan. Stamelend:) Hoe weet u dat?

KASPER. (Nu gaat hem een licht op.) Wie haalde de duivel hier, als die klokkeluider het niet deed?

SNOEK. Daarom is hij natuurlijk ook gevlucht! Die vermaledeide klokkeluider!

HANS. Misschien wilde hij zijn klok wel verkoopen .... uit wanhoop. Hij hield veel van zijn klok .... is het niet, Gaaike? Als hij niet van zijn klok hield, zou hij .... geen klokkeluider zijn geworden. Nietwaar?

GAAIKE. (Stamelend, Hans strak aanziend.) Nú weet ik ....!

KASPER. Wat is er?

HANS. (Mat, geslagen:) Niets. Kom mee. Ik zal bewijzen .... dat de klokkeluider schuldig is.

GAAIKE. (Hijgend, Hans steeds aanziend:) Stil! Ik wil .... ik wil wat zeggen! (In spanning ziet zij Hans aan, om te weten hoe hij zal reageeren op wat zij zeggen gaat.) Ik .... hou van Hans! Niet van den vreemden graaf, maar van den klokkeluider.

HANS. (Richt verward het hoofd op.) Gaaike ....!

ANNE-MARIE. (Snelt verschrikt toe.) Kind ....!

GAAIKE. (Spreekt nu haar vreugde uit.) Ik hou van Hans! Van Hans!

HANS. (Ziet haar met groote oogen aan. Dan wil hij wat zeggen, maar vindt de woorden niet. Met een vreugdesnik snelt hij door de buitendeur af.)

KASPER. (Verbleekt.) W-wat is dat? Gaaike .... wat heb je gedaan?!

GAAIKE. (Vreugdetranen door haar stem:) Ik heb .... den klokkenluider teruggevonden.

KASPER. Wat is dat voor wartaal?!

GAAIKE. (Juichend:) Hans en de vreemde graaf .... zijn dezelfde!

KASPER. W-wat zeg je .... (Zich omwendend:) Waar gaat hij heen?

SNOEK. Hij rent op de kerk af! Zou hij de klok gaan luiden?

KASPER. Als hij de klok kan luiden .... heeft hij ook wat met den duivel uit te staan!

STOFFEL. M-misschien wel?! Het is alles .... gelijk gekomen! De verdwenen klokkeluider .... de gevallen klepel .... de komst van den vreemden graaf!

SNOEK. Waarom zou die vreemde graaf .... Hans de klokkeluider niet kunnen zijn?

KASPER. (Driftig, smartelijk:) Hoe komt hij aan die kleeren .... die koets?!

SNOEK. De prijs, dien hij van den duivel .... voor zijn klok ontving!

GAAIKE. (Met groote oogen starend, fluisterend:) Neen .... ik .... ik was de prijs!

KASPER. (Stamelend:) Dus .... duivelskleeren. Een duivelskoets. (Naar zijn hoofd tastend:) Is de wereld dan vol tooverij? Of .... droom ik? Of is alles ....? (Hij ziet rond.) Jullie hebt mij .... een poets gebakken! Ja! Kijk me aan ....! Jullie hebt ....! En ik ben er in gevlogen. Ik, zot! Ik, idioot! (Bitter:) Hoe zou een herbergier ook aan een grafelijken schoonzoon komen! Hoe kan een klepel uit een klok vallen? Wat heeft de duivel aan een klok?! En Kerstmannetje .... ha—ha! Een vastenavondsgrap! Jullie allen .... hebt je rollen goed gespeeld! M’n compliment! (Met een traan door zijn stem:) Gaaike, mijn compliment! Vrouw, madam, mijn compliment!

ANNE-MARIE. Kasper ....!

STOFFEL. Ik bezweer je, Kasper ....!

SNOEK. Kasper, je raaskalt!

KASPER. Stil, jij bent dronken! Wat weet jij ....?

(Buiten klinken stemmen dooreen:) De duivel is weg! De duivel is gevlucht! Hans de klokkeluider! Hans ....!

KASPER. Ze roepen: Hans, de klokkeluider ....!

(Hij snelt met de anderen naar de deur. Slechts Gaaike blijft staan en luistert.)

GAAIKE. (Prevelend:) Hans ....! Ze roepen: Hans ....! Hans en de graaf.... zijn dezelfde ....!

KASPER. (Naar buiten roepend:) Wat is er?!

STEMMEN. (Van buiten:) De vreemde .... dat is Hans! Hij is in den toren gegaan, en de duivel is er uit gesprongen!

STOFFEL. Hoor! De klok gaat .... gaat lui ....!

(De klok begint te kleppen, helder en krachtig. Stemmen klinken dooreen:) Hoor! De klok luidt weer! Hoera, de klok luidt weer! We zijn van den duivel bevrijd! Leve Hans de klokkeluider!

ALLEN. (Staan daar aan de deur en luisteren in betoovering.)

GAAIKE. (Vreugdevol stamelend:) Hans ....!

KERSTMANNETJE. (Duikt achter de toonbank op; zijn gelaat straalt van vreugde. Hij knikt Gaaike vriendelijk toe, vol heimelijke pret.) Bravo! Bravo, Gaaike!

GAAIKE. (Ziet hem. Blij verrast, stamelend:) Kerstmannetje ....!

KERSTMANNETJE. (Geheimzinnig met den vinger naar boven duidend:) Hoor je? Hoor je de klok, Gaaike? Dat is een goede vriend van jou, die daar de klok luidt! (Fluisterend tot Bof, die nu ook achter de toonbank opduikt:) Haal hem maar eens hier, dien grappenmaker, Bof, want ik zal hem zoo meteen noodig hebben. En neem jij dan het luiden van hem over!

BOF. Ik zal hem halen, meester! En ik zal luiden .... luiden! (Hij loopt achter de anderen om naar buiten.)

KASPER. (Wendt zich om en ontwaart Kerstmannetje. Hij zet groote oogen op, tast naar zijn hoofd. Stamelend:) Is .... is het nog niet uit? B-ben jij soms .... Kerstmannetje?

KERSTMANNETJE. (Vriendelijk knikkend:) Die ben ik, Kasper!

(De anderen wenden zich nu ook om, zien verwonderd naar Kerstmannetje, die hun allen vriendelijk toeknikt, de handen op zijn buikje.)

SNOEK. Wel sapperloot ....! Daar heb je ....!

ANNE-MARIE. Kerstmannetje ....! Dag, Kerstmannetje!

KASPER. Welkom in mijn huis, Kerstmannetje! Gaaike vertelde al ....

KERSTMANNETJE. .... al iets wat jij niet gelooven wilde, Kasper! Vertel mij eens, waarom je wel aan Satan en niet aan Kerstmannetje geloofde?

KASPER. Ik .... ik geloof wel aan je!

KERSTMANNETJE. Ja, nu ik voor je sta! Jullie menschen vieren Kerstmis ... en gelooven niet aan Kerstmannetje! Schaam je wat! Ik ben gekomen, Kasper, om het huwelijk van je dochter te zegenen.

KASPER. (Bitter:) Dan ben je te laat!

KERSTMANNETJE. In tegendeel, Kasper, ik ben juist op tijd.

KASPER. De graaf is weg, Kerstmannetje.

KERSTMANNETJE. (Verwonderd:) De graaf ....? Is hier een graaf geweest??

KASPER. Nou ja .... een graaf! Een klokkeluider, die ....

KERSTMANNETJE. .... die wat hem op de wereld het dierbaarst was, verkoopen wilde voor de liefde van jouw kind, Kasper!

KASPER. Een gewetenlooze klokkeluider, die den duivel in ons stadje haalde!

KERSTMANNETJE. Dien joeg hij ook weer op de vlucht! (Naar Gaaike ziend, die met groote oogen vol vertrouwen naar hem opkijkt:) De prijs, die hem voor oogen stond .... was aanlokkelijk, Kasper!

KASPER. (Half overwonnen:) Ze mag er wezen, mijn Gaaike, dat is waar!

KERSTMANNETJE. Zou jij .... dertig jaar geleden .... geen rare sprongen hebben gemaakt, Kasper, wanneer het er om ging jouw Anne-Marie naar het altaar te voeren?

KASPER. (Zucht.) Al had ik er de heele stad voor aan de duivel moeten verkoopen.

ANNE-MARIE. Schei uit, Kasper ....!

KASPER. Daar wil ik den jongen niet hard om vallen. Maar ik zie niet in, waarom ik een klokkeluider, die geen veer aan z’n lijf heeft, in mijn familie zou moeten halen!

KERSTMANNETJE. Oho! Zit zoo de vork in de steel? Dan ben jij er dus de schuldige aan, dat Hans den duivel hier haalde!

KASPER. (Verbluft:) Ik ....?!

KERSTMANNETJE. Ja zeker! Jij! Jij wou een graaf tot schoonzoon hebben! En dus was jij het, die dien klokkeluider dwong zijn klok te verkoopen, wanneer hij van jou je dochter wilde loskrijgen!

KASPER. Wel, alle duivels!

STOFFEL. Stil, Kasper, roep den duivel niet terug! Wees blij, dat hij weg is!

ANNE-MARIE. (Zuchtend:) De graaf is nou weg .... Dien moet je maar uit je hoofd zetten. Weet jij een anderen man voor je dochter? Je kunt haar toch niet met haar bruidssluier en haar uitzet laten zitten tot spot van alle menschen?

STOFFEL. En denk je, dat het zoo pleizierig is, ongetrouwde dochters over den vloer te hebben? Ik praat waarachtig niet voor mezelf als ik je aanraad, dien klokkeluider maar te nemen, want (hij zucht) hij was altijd nog zoo’n stille hoop voor mijn vrouw ....

ANNE-MARIE. En de muziek is er nu al, Kasper, de taarten en koeken zijn gebakken ....

KASPER. (Kan er niet meer tegen op. Zuchtend:) Nou, als het dan niet anders gaat .... vooruit dan maar!

ALLEN. Bravo Kasper! Een ferm besluit!

KERSTMANNETJE. Dan samen op naar de kerk, den klokkeluider tegemoet! Ik heb mijn dienaar al gestuurd om hem te zeggen .... Wacht! daar is de gelukkige bruidegom al!

HANS. (Komt in zijn klokkeluiderspakje, met gebukt hoofd op.)

GAAIKE. Hans ....! (Ze snelt op hem toe en valt hem snikkend in de armen.)

HANS. Gaaike ....! Vergeef mij ....

GAAIKE. Ik was de schuld van alles, Hans!