Hans de Klokkeluider

Part 4

Chapter 43,847 wordsPublic domain

ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Ik wist wel, dat jij mijn lieve Gaaike was!

HANS. (Komt aarzelend door de fond-deur binnen.)

ANNE-MARIE. (Ziet hem.) Nu? Is hij al gevonden?

HANS. Ze zijn .... aan het dreggen .... in de gracht.

GAAIKE. (Krimpt ineen).

ANNE-MARIE. Dwaasheid! Hij zal ineens weer voor ons staan! Je zult het zien, m’n kind! Wat zegt u, graaf?

HANS. (Starend:) Als hij .... morgen .... ook nog niet gevonden wordt .... zal het wel te laat zijn.

ANNE-MARIE. Troost haar maar wat, graaf. Hans de klokkeluider was .... was een speelkameraadje van haar en .... (Hans duidend haar te troosten:) Nu, ik laat jullie maar alleen! (Met een aanmoedigenden knik naar Hans, af.)

HANS. (Aarzelend, onzeker op Gaaike afgaand:) Gaaike .... Schrei je?

GAAIKE. (Bukt het hoofd.)

HANS. Schrei je .... om Hans?

GAAIKE. (Knikt met opeengeklemde lippen.)

HANS. (Aarzelend, hoopvol:) Als je verdriet om hem .... zoo groot is, Gaaike, wil je dan nog wel .... met mij meegaan? (In spanning wacht hij haar antwoord.)

GAAIKE. (Zoekt naar een antwoord, maar kan niet spreken. Dan, eindelijk, knikt ze.)

HANS. (Smartelijk:) Dus morgen .... is onze groote dag?

GAAIKE. (Springt op en valt Hans snikkend in de armen.)

HANS. (Haar zachtkens streelend over het hoofdje:) Dan zul je Hans .... den klokkeluider .... wel gauw vergeten zijn.

HET SCHERM VALT

VIERDE TAFEREEL

(In de herberg.)

(Het vuur in de schouw is bijna uitgedoofd. Maanlicht valt door de vensters binnen en schept droomstemming. Als het scherm opgaat, is het tooneel een oogenblik ledig. Dan opent zich de straatdeur, en binnen komen Kerstmannetje en Bof.)

KERSTMANNETJE. (In zijn gang zit iets verdrietigs. Zuchtend zet hij zijn lantarentje op tafel neer. Gaat er dan bij zitten, droevig starend.) Ja—ja.

BOF. (Sluit de deur achter zich, werpt zijn zak af. Meewarig naar zijn meester ziend:) Zal ik het vuur wat oppoken, Meester?

KERSTMANNETJE. (Knikt stom zonder om te zien.) Maar stil wat, Bof, dat ze er niet wakker van worden.

BOF. (Pookt in den haard.) Zooveel sneeuw is er in geen jaren gevallen, meester! Je zult moeite hebben gehad om uit het bosch weer naar de stad te komen!

KERSTMANNETJE. (Starend, knikt met het hoofd.) Het loopen viel mij zwaar. En ditmaal was er ook geen klok, die mij .... den weg wees.

BOF. (Trekt zijn laarzen uit en zet ze bij het vuur.) Moed, meester! Er kan morgen nog zooveel gebeuren!

KERSTMANNETJE. (Zucht.) Satans plan is goed doordacht, Bof. (Mijmerend:) Wanneer het nacht is in een menschenziel, stelt hij een lokkend licht op, zooals een strooper ’s nachts in het bosch de haasjes lokt. (Pauze.) Ik wil dat meisje spreken, Bof. Roep haar eens hier .... maar zachtjes!

BOF. Dan zal ik eerst eens zien in welk kamertje zij slaapt! (Hij loopt op zijn sokken naar een deur en gluurt door het sleutelgat.) Hier snurkt iemand.

KERSTMANNETJE. Dat zal de waard zijn, Bof, die snurkend van zijn graaf droomt en aan zijn trots zijn kind graag offeren zou, ook als dat kind .... het kasteel daar boven in den toren koos. Zijn vrouw droomt van de jalouzie van andere moeders en van de koeken, die gebakken moeten worden. Laat haar met rust: ze zou jouw klop voor het klapperen van een pannedeksel houden en angstig droomen van een taart, die op het vuur staat aan te branden ....

BOF. (Ziet door een ander sleutelgat.) Hier hangt een gravenmantel!

KERSTMANNETJE. Daar slaapt de klokkeluider. De graaf hangt aan den wand. (Peinzend, droevig:) Of zou de graaf .... al in zijn hart genesteld zijn en duelleeren .... met de verminkte klok? (Bitter:) Een ongelijke strijd! De klok is hulpeloos, kan zelfs niet spreken van haar onschuld; slechts bloed vloeit uit haar mond.—Laat hem slapen, want als je aan zijn deur zou kloppen, hield hij dat nog voor het luiden van zijn klok en zou misschien al angstig naar den wand zien .... of daar zijn gravenmantel nog wel hangt!

BOF. (Door een ander sleutelgat ziend:) Hier schijnt de maan naar binnen en laat haar zilver spelen op een gravinnekleed!

KERSTMANNETJE. Dan slaapt daar Gaaike en droomt van haar kasteel en van de wonderwereld, die haar wacht.—Klop aan, Bof, maar heel zachtjes, alsof je aan haar hartje klopte. Want slechts haar hartje mag het hooren, dat er geklopt wordt. Zij zelf moet slapen .... zij zal nog zooveel nachten wakker liggen.

BOF. (Klopt aan. Fluisterend:) Gaaike? Gaaike lief ....?

GAAIKE’S STEM. (Met onwezenlijken klank:) Wie is het, die daar klopt ...?

BOF. Kerstmannetje wil met je spreken, Gaaike!

GAAIKE. Ik zal bij je komen, Kerstmannetje ....

KERSTMANNETJE. Blaas het vuur wat aan, dat ze geen kou vat, Bof!

BOF. (Neemt den balg van de schouw en blaast er mee in den haard.)

GAAIKE. (Komt in haar nachtponnetje op, een brandend kaarsje in de hand, de oogen gesloten. Aan haar diepe ademhaling hoort men, dat ze slaapt.) Hier ben ik, Kerstmannetje .....

KERSTMANNETJE. Kom, Gaaike! (Hij leidt haar vol teedere zorg naar voren.) Ben je blij, dat ik er ben?

GAAIKE. Ja ....! Spreek, Kerstmannetje. Je wilde met mij spreken. Spreek, spreek .... Verlos mij van dat bonzen in mijn hart ....!

KERSTMANNETJE. Wie woont er in dat hart, Gaaike?

GAAIKE. Hans de klokkeluider ....

KERSTMANNETJE. En morgen trouw je met den vreemden graaf??

GAAIKE. Morgen ....!

KERSTMANNETJE. Ben je niet bang .... om naar dat kasteel te gaan .... waarvan hij vertelde, Gaaike?

GAAIKE. Hij vertelde van twee kasteelen. Het eerste ....

KERSTMANNETJE. .... was van den graaf. Het tweede niet! Het tweede was .... van Hans! Heb je het niet herkend, Gaaike?

GAAIKE. Ja ....! (Weifelend:) Maar dat van Hans was zwart en dit ....

KERSTMANNETJE. .... was blank. Ik weet het. Hans heeft paleizen in alle kleuren, Gaaike .... zooveel jij er maar hebben wilt!

GAAIKE. (Verward, angstig:) Maar hoe kwam de graaf dan aan .... een kasteel van Hans!

KERSTMANNETJE. Gestolen, Gaaike. Dat heeft de graaf gestolen .... van den klokkeluider.

GAAIKE. (Bevend:) Gestolen ....?

KERSTMANNETJE. (De smart door zijn stem:) Eerst heeft hij Hans zijn Gaaike afgestolen! En nu zijn grafelijk kasteel niet mooi genoeg blijkt om er Gaaike heen te lokken, steelt hij, nog niet tevreden met zijn eersten roof, den klokkeluider ook nog zijn paleizen af, zijn droompaleizen. Gaaike! Zeg hem .... morgen .... dat je van Hans, den klokkeluider, houdt! Dan zul je zelf zien ....

GAAIKE. (Angstig:) Dat kan ik niet! Ik mag den graaf geen verdriet doen, Kerstmannetje ....! Moeder heeft gezegd ....

KERSTMANNETJE. (Bitter, smartelijk:) Trouw hem dan. Maar weet, dat het uit is met het dieven, Gaaike, wanneer jij eenmaal met jouw graaf het grafelijk kasteel bewoont! Dan zijn de droompaleizen van den klokkeluider veilig voor den graaf; dan zal de lust in droompaleizen hem wel vergaan! Dan zal hij je vertellen en altijd weer vertellen van .... de klok, die op zijn bruiloftsdag niet luiden kon, omdat haar tong .... (fluisterend:) haar was ontrukt.

GAAIKE. Kerstmannetje ....?

KERSTMANNETJE. Die klok, die niet meer luiden kon ....! Dat zal een wonde worden in zijn grafelijk hart, een ongeneeselijke wonde, Gaaike, die woekert, maar niet sterft.

GAAIKE. Kerstmannetje .... wat moet ik doen?!

KERSTMANNETJE. Hem zeggen, dat je van den klokkeluider houdt!

GAAIKE. (Snikkend:) Dat kan ik niet! Hij is zoo goed, zoo lief ....!

KERSTMANNETJE. Wonen er dan .... twee in jouw kleine hartje?

GAAIKE. (Angstig:) Neen! Er is er maar één! Eén stem .... één paar oogen!

KERSTMANNETJE. (Zucht.) Dan zal ik je zeggen wat je doen moet, Gaaike. Als jij jouw graaf dan geen verdriet wilt doen, spreek dit dan met mij af: trouw niet zoolang de klok niet kleppen kan en wijd en zijd over de landen roepen: ’t Is Kerstmis, menschen! De Kerstman is er weer, en Gaaike draagt haar bruidskleed!—Zul je het doen, mijn Gaaike?

GAAIKE. Als moeder het maar goed vindt ....!

KERSTMANNETJE. Denk dan aan mij, Gaaike. Ik heb een harden strijd te voeren, een strijd tegen .... den duivel. Jij kunt me helpen.

GAAIKE. (Angstig:) De duivel ....?

KERSTMANNETJE. Stil! Als een mensch zijn naam noemt, dient hij zich aan! Ga jij je bedje maar weer in, mijn kind, ik zal wel voor je waken. En denk om wat ik je vroeg! (Hij voert haar behoedzaam naar haar kamertje.)

GAAIKE. (Peinzend:) Niet trouwen .... zoolang de klok niet luidt ....?

KERSTMANNETJE. Zoo is het. Zul je het doen?

GAAIKE. (Knikt stom.)

KERSTMANNETJE. Braaf zoo, mijn kind. En .... goeden nacht!

GAAIKE. Goeden nacht, Kerstmannetje ....! (Ze gaat met haar kaarsje haar kamertje in.)

KERSTMANNETJE. (Sluit de deur achter haar. Tot Bof:) Haar wil is goed, en als ze haar belofte houdt, is Satans kans verkleind. Maar zal ze het hoofd niet bukken, wanneer een storm van moederlijke argumenten haar om de ooren waait? „Als moeder het maar goed vindt ....!” Ja—ja.

BOF. Ik heb in mijn leven zoo’n engeltje nog niet gezien, meester! (Hij begraaft zijn neus in een bonten zakdoek.) Mijn oogen zijn er vochtig bij geworden!

(In dit oogenblik wordt de buitendeur opengerukt; de wind giert binnen, en met een grooten sprong belandt de duivel in de gelagkamer. Snuf volgt hem grinnikend en sluit de deur achter zich.)

KERSTMANNETJE. (Breidt onwillekeurig zijn armen beschermend voor Gaaike’s deur uit. Hij ziet Satan onbevreesd in het gelaat.)

BOF. (Kijkt op, verre van vriendelijk.)

SATAN. (Bemerkt de gasten in de herberg.) Ai ....! (Hij kucht.) Pardon.

SNUF. (Fluit veelbeteekenend tusschen de tanden.)

SATAN. Storen we?

KERSTMANNETJE. Allerminst.

SATAN. Dan zal ik zoo vrij zijn ....! (Hij neemt vol zwier bij den haard plaats, alsof hij hier thuis was. Bevelend:) Snuf, breng wijn!

SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij springt op de toonbank af, laat onderweg de gelegenheid niet onbenut om Bof te honen, vol helsche fantasie.)

BOF. (Driftig, beleedigd:) Laat ons gaan, meester! (Hij trekt zijn laarzen aan.)

SATAN. (Tot Kerstmannetje:) Dacht U zoo laat nog weer op pad te gaan? Het is daarbuiten echt .... duivelsweer; de sneeuw ligt huizen hoog. Kom liever bij mij zitten, heer! Ik heb helaas niet het genoegen Uw naam te kennen.... maar Uw gezicht komt mij niet onbekend voor.

KERSTMANNETJE. (Zet zich tegenover hem.) U is mij .... vreemd.

SATAN. U zult mij nog wel leeren kennen.—Snuf, waar blijft de wijn?

SNUF. (Die bezig was zijn eigen keelgat te spoelen:) Ik kan niets vinden, meester! Het is hier pikke-pikkedonker! Ah! Daar heb ik een flesch!

SATAN. Hier er mee, Snuf!—Dan drinken wij op onze .... interessante ontmoeting in dit late uur!

KERSTMANNETJE. Is U ook trekkende zooals ik, dat U hier in den nacht een onderkomen zoeken moet? Mij dunkt, als U hier woonde, zou U den huiselijken haard verkiezen! Het eigen huis is altijd nog gezelliger en warmer ....

SNUF. (Een flesch ontkurkend:) Te warm soms!

SATAN. Ik heb een huis .... hier in de buurt. Een kleine oneenigheid met mijn moeder .... nu, het doet er ook niet toe. U moest mij eens bezoeken!

SNUF. (Hoffelijk en vol verstand van zaken inschenkend voor de beide kampvechters:) Hoe meer zielen .... hoe meer vreugd!

SATAN. En met mijn moeder zou U ook eens kennis kunnen maken. Zij weet haar gasten te onthalen!

SNUF. Een charmante vrouw! (Hij stampt de flesch dicht.)

KERSTMANNETJE. (Hoffelijk buigend:) Een al te groote eer! Het spijt mij meer dan ik U zeggen kan, maar ik toef hier te kort om ....

SATAN. (Geïnteresseerd:) Hoe lang denkt u hier nog te blijven?

SNUF. (Eveneens in spanning.) Niet lang zeker? Hoogstens tot morgenvroeg?

KERSTMANNETJE. Ik dacht hier in de stad te blijven .... tot ik de klok heb hooren luiden. Het schijnt, dat ze een goeden klank heeft?

SNUF. (Slaat de handen ten hemel.) Een goeden klank ....!

SATAN. Dan hebt ge haar zeker nooit gehoord!

KERSTMANNETJE. Met vriendelijk kleppen wenkte zij mij naar dit stadje. Maar ik was te ver af om het zoo goed te hooren als ik graag gewild had.

SATAN. Betreur het niet, heer, dat ge ze van zoo ver hoordet! En ik raad u aan; ga heen, voor ge ze van zoo dicht bij gehoord hebt, dat ge er Uw leven lang genoeg aan hebt! Mij doet ze altijd denken ....

SNUF. .... aan het schelle tjingelen van een kermisbel, vermengd met het ziel-vermoordend knarsen van een doorgeroeste koffiemolen! En ik kan er over oordeelen, heer, want ik ben musicus van mijn beroep! (Slaat op zijn guitaarkast.)

SATAN. Hij heeft volkomen gelijk, heer, het is niet om aan te hooren!

KERSTMANNETJE. Dáárom hebt ge ze misschien den klepel ontstolen ....?

SNUF. Ai ....!

SATAN. (Voelt het spelletje thans geëindigd. Vinnig:) De klok is van mij.

KERSTMANNETJE. („Belangstellend”:) Van U ....??

SATAN. (Scherp:) Van mij. (Naar buiten wijzend:) Ziet U? Daar boven, hoog en veilig, hangt ze .... mijn klok!

KERSTMANNETJE. Dan mag ik U wel dankbaar zijn, dat U mij gisteren zoo vriendelijk den weg liet wijzen naar de stad! Want werkelijk, met die sneeuw....

SATAN. (Vinnig:) Dien dank kan ik niet aanvaarden, heer. Want toen ze U hierheen .... (woedend:) den weg wees, was ze nog niet van mij.

KERSTMANNETJE. Ze is nu trouwens ook nog niet van U.

SATAN. Morgen zal ze van mij zijn, heer!

KERSTMANNETJE. (Koeltjes:) Morgen nog veel minder, heer.

SATAN. (Wantrouwend:) En waarom niet?

KERSTMANNETJE. Omdat morgen, op Kerstmis, alle klokken den Kerstman toebehooren. Dat is al duizend jaren zoo geweest. Kerstdag is de verzameldag der menschen tegen Satan, en op dien dag ....

SATAN. U sprak van .... Satan?

KERSTMANNETJE. Ik sprak ervan, dat er geen klok mag zwijgen, wanneer het menschdom opgeroepen wordt om Satan te bestrijden.

SATAN. Die Satan schijnt een gevaarlijk heer te zijn!

KERSTMANNETJE, Toch niet. Ik houd hem niet voor zoo gevaarlijk. Voor mij is hij een voddenkoopman, die door de straten trekt bij nacht en ontij en zich de keel om zielen heesch schreeuwt. Hij krijgt slechts .... afval.

SATAN. Toch niet altijd .... afval!

KERSTMANNETJE. Een enkele maal komt hij tegen wat zich verstooten voelt en in het duister dwaalt. Dan kan slechts nog .... de Kerstman redding brengen. Want voor het lichtje van den Kerstboom moet Satan vluchten!

SATAN. Vluchten? Weet ge dat zeker, heer? Tusschen de takken van den kerstboom zag ik de kleuren van Satans wapenschild nog fonkelen: goud en zilver!

KERSTMANNETJE. Een grapje, dat men zich met hem veroorlooft! Want in dat goud en zilver steekt onschuldig suikergoed!—Kom, laat ons onze kroezen ledigen op de eeuwige waarheid van den Kerstnacht!

SATAN. Ik zal mijn kroes ledigen op de waarheid, dat morgen de klok van mij zal zijn!

KERSTMANNETJE. Die dronk zal U niet goed bekomen.

SATAN. (Driftig, argwanend:) Is U hier soms aan het werk geweest, om mij uit den zadel te lichten?

KERSTMANNETJE. U zult zonder mijn hulp ook in het zand vliegen. Uw sporen zijn te scherp. U drukt de flanken van Uw paard tot het bloed er langs stroomt. Dat maakt het .... wispelturig.

SATAN. Men is ruiter of men is het niet. Ik geloof vrij stevig te zitten.

KERSTMANNETJE. Dat gelooft elke zandruiter, zoolang hij niet over den grond buitelt.

SATAN. (Met zijn kroes op tafel slaand:) Mijn is de klok!

KERSTMANNETJE. Mijn.

SATAN. (Ziet Kerstmannetje woedend aan. Zoekt naar woorden om zijn gemoed te luchten.) Wacht! Een strijd van man tot man!—Snuf, haal dien klokkeluider hier! (Hij springt overeind.) We zullen zien!

KERSTMANNETJE. (Staat ook op, uiterlijk rustig. Wij zien zijn innerlijke onzekerheid, spanning en angst.)

SNUF. (Rent langs de verschillende deuren. Als hij bij de goede is aangeland, klopt hij vinnig aan.)

HANS. (Uit het zijvertrek, onwezenlijk:) Wie klopt daar aan mijn deur ....?

SNUF. (Grinnikt, neemt zijn guitaar en zingt:)

Heer graaf, kom uit je grafelijk bed En deel hier onze pret! Drie goede vrienden wachten hier! Kom jij er bij, dan zijn we vier! Verdrijven bij wijn den tijd; (Naar Bof ziend:) Een nar zorgt voor gezelligheid!

HANS. (Uit het zijvertrek, klagend:) Ik kom niet ....

SNUF. Hij komt niet!

KERSTMANNETJE. (Triumfeerend, driftig:) Ik zal hem roepen! (Hij roept, zonder zijn plaats te verlaten:) Kom, Hans? Ik ben hier ....!

HANS. (Uit zijn kamer:) Je stem is goed en vriendelijk en .... wie ben je?

KERSTMANNETJE. Kerstmannetje is hier.

HANS. (Na een pauze, zacht:) Ik kom ....

SNUF. Hij komt! (Springt op zijn meester af en fluistert hem wat in het oor.)

HANS. (Komt op, een kaarsje in de hand, zijn gravenkleeren los omgeworpen, zijn haren verward, met de vrije hand zijn jas gesloten houdend. Zijn ademhaling is die van een slapende.) Hier ben ik, Kerstmannetje ....! Wie lachte daar?!

SNUF. En waarom zou ik niet lachen? Uwe Edelheid de graaf gelieft met een kaarsje in de hand te loopen!

HANS. (Angstig:) Ik ben geen graaf ....

SNUF. Ik wil toch niet hopen, dat Uwe Edelheid droomt .... een klokkeluider te zijn? Dat zou een booze droom zijn, waar U gauw van af moet zien te komen, want ze zou U een nachtmerrie kunnen worden!

HANS. Ik ben geen klokkeluider meer .... De klokkeluider is verdronken in de gracht. Ik ben een doode .... in gravenkleeren.

SNUF. Maar wat een móóie kleeren ....! (Betast ze.) Ai ....! Zijde! Goudborduursel! Wat zal Gaaike ze mooi vinden ....!

SATAN. Een doode, zei je?? Een doode, die morgen in een fijne gravenkoets, het mooiste bruidje naast zich, dat men zich wenschen kan, naar zijn kasteel rijdt, zijn fijn kasteel vol goud en zilver en alles even kostbaar en bijzonder ....?!

HANS. (Zijn hand beeft.) Ga weg! Weg! Ik ken jullie! Jullie stak me een dolk in het hart,—laat af van het gevest ....!

SATAN. (Terwijl Snuf „bewonderend” om Hans heenspringt, duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar.) Een dolk?? Hebben wij je kwaad gedaan?? Hebben wij je geen mooi kleed bezorgd voor Gaaike? Heelemaal te geef? Was ze er niet blij mee? Heeft het je den weg naar haar hartje niet gebaand?

HANS. (Droevig:) Ja .... dat heeft het. Het heeft .... den graaf den weg gebaand. Maar ook zonder dat kleed .... zou hij haar morgen wel naar het altaar hebben gevoerd. Zijn koets, zijn titel was voldoende. (Smartelijk, bitter:) Alleen het kasteel .... was eerst niet mooi. Daar wou ze niets van weten! (Wanhopig:) Kerstmannetje, help mij! De duivel zit mij op de hielen!! Zijn snerpende lach snijdt mij door mijn ziel! „Ik heb je in mijn macht! Ik heb je in mijn macht! (Snikkend:) Ik heb je in mijn macht ....”

KERSTMANNETJE. Doe afstand van alles, Hans. Doe afstand van alles wat Satan je gaf.

HANS. Hoe kan ik dat? Als ik mijn kleeren teruggeef, die zijden en brokaten leugens; als ik mijn koets teruggeef, mijn kasteel .... dan ben ik Gaaike kwijt! Gaaike ....! (Fluisterend:) Beëlzebub .... je strik is goed gelegd! Ik heb mij Gaaike duur gekocht, maar duurder zal mijn klok zijn, als ik die terug wil koopen. Dan moet ik Gaaike haar graaf afnemen .... (Snikkend:) waarvan ze zooveel houdt! (Op duivelstoon, krimpend van smart:) De prijs van je klok? Een krats! Een bagatel! Voor Gaaike’s geluk .... kun je je klok terugkoopen!

KERSTMANNETJE. Je zult haar voor den verloren graaf .... een teruggevonden klokkeluider schenken.

HANS. (Bitter:) Een slechte ruil! Een graaf omruilen .... voor een klokkeluider.—Ze wil in een kasteel wonen, Kerstmannetje, niet in den toren.

SNUF. (Springt tusschen Kerstmannetje en Hans.) En dus ....?

SATAN. Dus blijft hij graaf!

SNUF. Een graaf met een kaarsje in de hand! (Hij blaast het uit.) Kom, ga maar gauw weer onder de wol, want Uwe Edelheid zou kou kunnen vatten! Kom! Kom dan! (Met groote sprongen, tokkelend op zijn guitaar, gaat hij Hans voor.)

HANS. (Volgt hem wankelend.) Het licht is uit .... Niets dan duisternis! (Naar adem zoekend:) Kerstmannetje! Help mij ....

SNUF. (Opent de deur voor hem.) Meneer de graaf! (Als Hans binnen is gegaan, sluit hij de deur achter hem.)

SATAN. (Zegevierend tot Kerstmannetje:) Nu? Wien hoort de klok?

KERSTMANNETJE. (Bleek, met trillende lippen:) Mij.

SATAN. Vervloekt!—Snuf, maak een contract op! Ik zet er honderd zielen voor in, dat de klok morgen van mij zal zijn!

SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij haalt een vel papier uit den zak.) Den vier-en-twintigsten December van het jaar ....

SATAN. Halt!—Wat is Uw inzet, heer?

KERSTMANNETJE. (Ziet den duivel driftig, smartelijk aan. Heft dan zijn Kerstlantaren omhoog.) Ziet U dit licht! Dit kleine lichtje is het Licht der Wereld. Dit kleine lichtje wijst den weg langs poelen en moerassen. Als ik het weg neem .... is de menschheid verloren. Dan zullen duizenden, tien-, honderdduizenden verstikken in den modder; dan zullen door de duistere paden van het leven de menschen zich verdringen, vechten, stompen met de ellebogen en roepen: „Het licht! Waar is het licht! Wie heeft het licht gestolen! Wie heeft ons allen in ’t verderf gestort?! Waarheen?! Wij zien geen weg ....!!”—En Satan zal de poorten van zijn hel wijd open zetten. De gloed der vlammen zal naar buiten stralen in de dichte duisternis, en men zal roepen: „Daar is het licht! Komt allen, komt, daar wacht ons de verlossing!” En schouder aan schouder, in eindelooze gelederen zal het menschdom zich de poort instorten van die lichte feestzaal ....—U vraagt mijn inzet? Mijn Kerstlantaren!—Kom, volg mij, Bof. (Hij gaat met Bof heen. Beiden af door de buitendeur.)

SATAN. (Ziet verbluft naar de weer gesloten deur. Prevelend:) Wel, alle duizend duivels!—Snuf, we hebben een kans ....!

SNUF. Zooals we nog nooit hebben gehad!

SATAN. Nu of nooit! Kom, alle duivelsche machten aan het werk! (Hij springt naar het midden van het tooneel. Met bezwerend gebaar:) Akyra Brabbosch ....! Roet-Sientje, kom! Scheel-Grietje, kom! Grauw-kevertje, kom! Geelzwam-Lotje, kom! Krom-Antje, kom! Kom! Breng alles mee, wat scheel ziet, loenst, wat hinkt en stinkt, wat kruipt en druipt en gluipt en sluipt; brengt ketels mee en bekkens, poken, bezems, balgen, alle balgen uit de hel ....!

HEKSEN. (Komen, zachtjes giechelend, met gebogen ruggen, uit alle hoeken op en dribbelen op Satan af.) Hier zijn we, heer! Wat wenscht ge?

SATAN. Luister! Waar je een licht ziet glanzen, ’t zij groen of geel of rood of blauw, ’t zij fel of flauw, ’t zij heet of lauw .... blaas het uit!

HEKSEN. (Fluisterend onder elkaar:) Blaas het licht uit! Blaas al het licht uit!

(Ze vatten elkaar bij de hand, dansen rond, steeds wilder. Snuf tokkelt op zijn guitaar, de heksen gillen:)

Nacht, nacht, zwarte nacht .... Satan is op zielejacht! Blaas het licht uit! Oei ....! Satan op z’n zieltjes loert .... Lokkend ze ter helle voert! Blaas het licht uit! Oei ....!

Oei! Oei! Blaas het licht uit! Oei! (Een heks blaast het licht in de herberg uit.)

SATAN. Dat licht bedoel ik niet! Het licht daarbuiten, zie! dat lichtje, dat daar door de sneeuw dwaalt .... blaas dat uit! (Hij springt in de buitendeur).

HEKSEN. Blaas het licht uit! Het licht in de sneeuw .... Blaas het uit!

(Krijschend snellen ze heen.)

SNUF. (In vervoering:) Die schatjes! Kom, laat ons volgen, meester!

SATAN. En zien, of ze haar werk goed doen! (Beiden af.)

HET SCHERM VALT

VIJFDE TAFEREEL

(In de herberg.)

(Alles is nu versierd. Groene slingers met bonte bloemen hangen door de herberg. Vlaggetjes boven de vensters en deuren. De toonbank vol wijnflesschen. Muziek van viool, fluit, klarinet en bas. Veel geloop heen en weer. De morgenzon schijnt zwakjes door de ruitjes van geolied papier.)

KASPER. (Op zijn fraaist uitgedost met witte handschoenen, vadermoorder, kleurige, fleurige das, schoenen met strikken, een takje hulst in het knoopsgat, staat met Stoffel en nog een paar trouwe wijnbroeders aan de toonbank. Hij heeft beschermende allures tegen iedereen, die géén graaf tot schoonzoon krijgt.) Daar gaan ze, mannen! (Heft zijn kroes op.) De bruid en haar moeder en haar vader en haar vrijer, alle vier in een slok naar binnen! Zoo! (Ze drinken.) Wat zeg jij, Stoffel, ongelukkige kerel, stakkerd met je zeven ongetrouwde dochters!

STOFFEL. (Zucht.) Lach me maar uit, Kasper.