Hans de Klokkeluider

Part 3

Chapter 33,973 wordsPublic domain

SNUF. (Neemt het kleed vol respect op zijn armen.) Ik zal er mee omgaan, alsof er al een gravin in stak, meester!

SATAN. (Laat Hans met hoffelijk gebaar voorgaan. Volgt hem dan, de torentrap af, na met een tooverbeweging en tooverwoord de „Schatkamer” te hebben gesloten.) Brabbaisjka!

SNUF. (Het kleed parmantig op de armen:) Daar gaat ie! Daareven nog behoorde hem de wereld. Nu zal hij zich tevreden moeten stellen .... (grijnzend:) met een helsch kasteel, een nagemaakt gravinnetje en een kwaad geweten. De zielenvangst zal er wel bij varen! (Hij huppelt de trap af.)

HET SCHERM VALT

DERDE TAFEREEL

(De herberg: „’t Swaentjen”.)

(Een eikenhouten gelagkamer. Tafeltjes, schemeltjes, groote schouw, rechts-fond de toonbank met tapkast. Links-fond: de deur naar de straat met een trapje er voor. Links en rechts twee deuren. Hooge vensters met kleine ruitjes, waardoor de ondergaande zon rood licht werpt. Een kandelaar met oude borden op de schouw. De zoldering wordt gestut door zware balken. Het vuur in de schouw brandt. Hier en daar slingers en vlaggetjes, die later als versiering zullen moeten dienen. Ergens staat een ragebol en een emmer met een bezem.)

(Als het scherm opgaat, is het tooneel ledig. In een der zij-kamers zijn vrouwen aan het kwebbelen.)

STEMMEN. (Uit de zij-kamer:) Geef me die dweil aan! Ajasses, wat is dat water koud! De gordijnen moeten er nog af .... Die graaf brengt een drukte, hoor! Z’n palfrenier is een aardige kerel! Hij wou me zoenen .... (veel gegiechel) maar ik heb hem een watjekou gegeven! Handen van den boter!

EEN WERKVROUW. (Sloft over het tooneel, verhit van het werk, met verwarde haren, opgestroopte mouwen, een emmer water torsend. Ze sloft de kamer in, waar gekwebbeld wordt. Daar zet ze, na de deur weer achter zich gesloten te hebben, de emmer rinkelend neer.)

STEMMEN. (Uit de kamer:) Kijk uit! Kijk waar je loopt! Die graaf ....

KASPER. (Komt met Stoffel en Snoek door de buitendeur op. Hij draagt een paar zakjes, die hij op een tafeltje gooit. Kasper mist niet een zekere waardigheid, die zich uitspreekt in een fermen neus, een licht onderkinnetje, een wijnbuikje, dat hij met overtuiging vooruitsteekt en vaak gebruikt als rustplaats voor zijn handen, een dikke, zilveren horloge-ketting, een bruine jas met panden, een kuitbroek met lage gesp-schoenen, een gebloemd vest, een groote, bonte zakdoek, die achter uit zijn jas steekt. Snoek is ook een heel heer, vinnig en parmantig in zijn bewegingen, mager, niet groot, bottig gezicht, roode neus. Stoffel is meer een ridder van de droeve figuur, dien men zijn zeven ongetrouwde dochters, zijn mageren spaarpot en zijn kijfzieke vrouw van buiten af al aanziet.)

KASPER. (Loopt haastig, maar niet zonder een zekere plechtigheid, naar de tapkast.) Ja, vrienden, daar zullen we een wijntje aan wagen!

SNOEK. Waarachtig, Kasper, ik ben het niet altijd met je eens, maar ditmaal heb je het aan het goeie eind. Er zal niet elke week een graaf om je dochter komen!

KASPER. Eenmaal is genoeg, buurman! Wat zeg jij, Stoffel?

STOFFEL. ’t Is een wonder! Ik heb, de Heer zij mijn getuige, zeven huwbare dochters, en er is zelfs nog geen dronken ketellapper om gekomen!

SNOEK. (Grinnikt.)

STOFFEL. Ja, jij, als vrijgezel, kunt lachen! Ga je de boel versieren, Kasper?

KASPER. (Inschenkend, na zich boven uit de tapkast een flesch veroverd te hebben:) Wat dacht jij dan, buurman? Aan den gevel komen slingers en vlaggen, en hier binnen maken we alles piekfijn; de tapkast zal ik met oude Fransche en Spaansche wijntjes versieren, en mijn vrouw zal de tafel versieren met koeken en taarten; mijn schoonzoon zal merken, dat er bij Kasper wat in ’t vaatje zit!

SNOEK. (Nieuwsgierig:) En waar zit hij nou, die monsjeu? Bij Gaaike?

KASPER. Snoek, niet zoo nieuwsgierig! We zijn allemaal jong geweest. Hij zal met Gaaike in de voorkamer zitten en zich niet vervelen. Hier, neem je kroes, Stoffel. We zullen op hem drinken! Ik wil ook nog op mijn wijf drinken en op den schout en zijn schepenen en op jouw zeven dochters, Stoffel, en niet allemaal in een slok naar beneden, hoor, neen, stuk voor stuk, en de volle maat. (Ze drinken.) Alle duivels, makkers, ik ben vandaag in staat, mijn heelen wijnkelder in jullie magen om te keeren!—Zeg eens eerlijk: ze mag er wezen, mijn Gaaike! ’t Is mijn eenigst kind, en ’t is zonde, dat ik het zelf zeg, maar ze mag er wezen!

SNOEK. Niet zoo hoogmoedig, Kasper!

KASPER. Hoogmoedig! Heb ik gelijk of niet, Stoffel?

STOFFEL. Nou! Ik heb wel leelijker gravinnen gezien, Snoek!

SNOEK. Waar heb jij gravinnen gezien?

STOFFEL. In het paardespel, dat hier geweest is! Daar was een echte!

SNOEK. Als dat een echte gravin was, zal ik nog eens een echte snoek worden.

KASPER. Nou, maar in elk geval, als mijn Gaaike er niet wezen mocht, zou die graaf niet om haar zijn gekomen! ’n Jonge graaf met fortuin .... ga zelf maar na, mannen! Aan elken vinger tien gravinnen, in alle soorten en afmetingen!

STOFFEL. (Zucht.) En mijn zeven dochters er bij!

SNOEK. Eerlijk, Kasper,—toen hij het vorig jaar hier wegging, had jij ook niet gedacht, dat hij nog eens jouw schoonzoon worden zou!

KASPER. Als je de waarheid weten wilt, Snoek, ik heb altijd al zooiets gedacht! Mijn grootmoeder had al wat met een baron uitstaande! Hier makkers, laat je nog eens inschenken.

SNOEK. Vertel op .... wat was dat met je grootmoeder en dien baron?

KASPER. Met mijn grootmoeder is het adellijk bloed in onze familie gekomen. Kijk maar eens naar mijn neus. Mijn vrouw zegt, dat er een baronnehaak in zit.

SNOEK. (Honend:) Nou, laten we dan maar eens klinken op jouw baronnenneus, Kasper!

KASPER. En op jouw neus, dien je overal insteekt, Snoek!

(Ze drinken.)

STOFFEL. Mag ik je eens eerlijk iets zeggen, Kasper?

KASPER. Zeg maar op: als het een leugen is, zullen we hem dood drinken.

STOFFEL. Ik had altijd gedacht, dat Gaaike .... en Hans nog eens een paar zouden worden.

SNOEK. (Binnensmondsch lachje.)

KASPER. (Zet zijn kroes neer.) Hans?? Wie Hans?? Wat Hans?!

SNOEK. Hans, den klokkenluider, bedoelt hij.

KASPER. Klokkelui....! Mijn dochter Gaaike met een Klokkelui....! Stoffel, als je mijn buurman niet was, zou ik je de herberg uitzetten en je al de kroezen nagooien, die je bij mij al hebt leeggedronken.

STOFFEL. (Verschrikt:) Ik niet alleen Kasper! Ze hebben het allemaal gedacht. En .... eh, het zou toch ook een heel knap paar zijn geweest.

KASPER. Een knap paar! Ja, knap zou het zijn geweest, wanneer die klokkeluider Kasper zijn dochter had afgetroggeld! Een mooi bestaan: op droog brood in een toren! Je kunt je nog beter door den schout laten opsluiten!

SNOEK. Droog brood ....! Jij zit er toch warmpjes in, Kasper.

KASPER. En moet ik daarom de kou in huis halen? Kom, mannen, ik wil drinken op dien klokkeluider en op het knappe paar, dat hij met mijn dochter Gaaike gevormd zou hebben!

SNOEK. Verslik je niet, Kasper!

KASPER. Geen nood, Snoek! (Ze drinken.)

(Weer komt een werkvrouw in groote haast over het tooneel sloffen, gewapend met emmer en dweil.)

SNOEK. („Galant”:) Zoo, meiske? Zoo druk in de weer?

WERKVROUW. (Gillend:) Laat me er door! (Ze sloft woedend, mompelend in zich zelf, het tooneel weer af.)

SNOEK. (Ziet haar verbluft na. Hoofdschuddend:) Die vrouwen! Die vrouwen!

KASPER. Je hadt de mijne moeten zien gisteravond! Eerst was Gaaike komen binnenvliegen en naar haar kamertje gehold. „Wat scheelt Gaaike?” vraag ik mijn wijf. „’k Zal eens zien”, zegt ze. Tien tellen later staat ze weer voor me met een hoofd als een rooie kool en een brief in haar hand. „Kasper”, zegt ze, „trek als de weerlicht je beste pak aan!” Ik nam juist een snuifje. „Waarom zou ik dat doen, wijf?” vraag ik. „’t Is toch geen Zondag?”—„Neen”, zegt ze, „maar er komt zoometeen wel een graaf om je dochter! ’t Staat in een brief!” Nou, en meteen kreeg mijn wijf het zoo op haar zenuwen, dat ik maar gauw naar boven ging om mijn beste spulletje aan te trekken. En net kom ik weer in de gelagkamer, of de graaf staat er ook al!! „Zoo, monsjeu”, zeg ik. „Dag, Kasper”, zegt de graaf. Nou, en toen ik mijn vrouw en mijn dochter ging halen, hadden ze zich allebei piekfijn opgekalefaterd! Satan en Eva regeeren de wereld, makkers!

SNOEK. Kom, laten we daarop eens klinken! (Ze drinken.)

ANNE-MARIE. (Komt met Aafke en een werkvrouw van links het tooneel opstuiven. Ze is vuurrood van de drukte.) Hierheen! De gordijnen moeten er af, en de planken nog geschuurd en .... (Met giftigen blik op Kasper:) Zit jij daar te nietsdoen, Kasper?

(De werkvrouw neemt den emmer en bezem weg en sloft weer het tooneel af.)

KASPER. (Ziet naar zijn krijgshaftige, blozende, goedgevulde eega.) Nietsdoen, wijf?? Ik heb meel en rozijnen gehaald en ....

ANNE-MARIE. (Stort zich op de zakjes, die Kasper op een tafeltje heeft neergegooid.) En .... en de gist heb je vergeten! En inplaats van suiker heb je zout gehaald! Stel je voor, dat ik over de taarten zout had gestr....! (De gedachte aan die mogelijkheid doet haar bijkans bezwijmen.)

STOFFEL. (Angstig:) De gist wou je juist gaan halen! Niet waar, Kasper?

KASPER. Hou je wafel, Stoffel: ik kan ’t alleen wel af. (Hij neemt den zak zout. Overmoedig:) Je zult eens zien, mannen, wat een mooie japon ze morgen op de bruiloft aanheeft! Die krijgt ze van mij, die japon! Nietwaar, wijf?

ANNE-MARIE. Groote genade, ja, ik moet nog passen ook. Vooruit, sta dan toch niet te treuzelen! En vergeet de muziek niet te bestellen, want dat heb je natuurlijk ook nog niet gedaan!

KASPER. Jawel! Om de muziek heb ik gedacht! Ze zullen met z’n vijven komen en alles meebrengen, waarop je maar fiedelen en blazen kunt. En dan de beenen van de vloer, hé, wijf? We kunnen het nooit jonger meer doen!

ANNE-MARIE. Kasper, schei toch uit!

KASPER. (Gaat grinnikend met zijn vrienden heen om Anne-Marie’s bevelen uit te voeren.)

ANNE-MARIE. Wat moest er nog maar weer gebeuren? M’n hoofd loopt om. Wacht, de gordijnen! (Geheimzinnig-fluisterend:) En dan zou ik je het kleed nog laten zien, dat hij voor Gaaike heeft meegebracht!

AAFKE. (Poezelig en blozend als Anne-Marie.) Het zal wel mooi zijn, hé?

ANNE-MARIE. (Gebaar van verrukking.) De kraag van Brusselsche kant! Pofmouwen van witte zijde! Ze durft het niet aan te passen, zoo bang is ze, dat het kreukt. Maar morgen, op de bruiloft, krijgt ze het aan!—Wacht, laat ik de rozijnen meenemen.—Heb ik je al verteld, dat er een kroontje op zit?

AAFKE. (Slaat de handen ineen.) Op de rozijnen?!

ANNE-MARIE. Neen, op het kleed! Een kroontje van .... van groene diamant. Kom, ik zal het je laten zien. En dan zoometeen vlug met de ragebol .... Wat een knappe jongeman, hé? Heb je hem van opzij gezien?

AAFKE. Hij is nog veel knapper geworden, nu hij zijn baard heeft weggeschoren! Den vorigen keer had hij een baard, weet je wel?

ANNE-MARIE. Ja, dat maakte hem veel ouder. Maar ik zag toch direct wel, dat het dezelfde graaf weer was.

AAFKE. Ja! Z’n gezicht kwam me dadelijk weer zóó bekend voor, hè?

ANNE-MARIE. Voor Gaaike heb ik een zijden hemd met een sleep!

AAFKE. Een sleep? Een hemd met een sleep?

ANNE-MARIE. Natuurlijk met een sleep! ’t Is een gravinne-hemd, Aafke!

AAFKE. Ja, daar dacht ik zoo gauw niet aan.

ANNE-MARIE. Heerem’ntijd, wat zal ik het eerste doen! Die mannen hebben het toch maar makkelijk! Die staan maar te babbelen en te nietsdoen!—Ach ja .... m’n Kasper is zoo trotsch op zijn schoonzoon, hè? Heb je de ragebol? Wacht, daar komen ze! De graaf en zijn .... en zijn verloofde!

(De beide vrouwen vluchten achter de deur en zien nog even toe, in warme bewondering. Dan verdwijnen ze, de deur achter zich sluitend.)

HANS EN GAAIKE. (Komen op, Gaaike blozend, verlegen; haar oogen stralen van blijde opwinding. Ze heeft haar beste japonnetje aan. Hans, die haar met hoffelijk gebaar laat voorgaan, draagt zijn gravenkleeren vol aangeboren zwier.)

GAAIKE. (Rondziend:) Vader wil de herberg heelemaal versieren! Kijk, daar liggen slingers en vlaggetjes .... ziet u wel?

HANS. (Met geforceerde luchthartigheid:) Ja ....! Groene slingers en allerlei kleuren vlaggetjes er aan. Wat zal dat leuk staan, als die door de herberg hangen.—Alles .... alles zal morgen zoo mooi zijn, Gaaike!

GAAIKE. (Knikt blozend:) Het .... het kleed is ook zoo mooi!

HANS. (Half vroolijk:) Maar dat is toch niet de hoofdzaak, Gaaike.

GAAIKE. Neen. Maar het is toch mooi.

HANS. Ben je er blij mee?

GAAIKE. (Knikt.) Het zal wel vreeselijk veel gekost hebben!

HANS. (Peinzend, smartelijk:) Ja .... de prijs was hoog. Maar voor jou was mij niets te duur, Gaaike.

GAAIKE. U is zoo goed voor mij, graaf!

HANS. (Mijmerend:) Waarom zeg je .... „graaf” tegen mij, Gaaike?

GAAIKE. (Hem verlegen aanziend:) Dat wil vader zoo. (Met gebukt hoofd.) En ik ken Uw naam ook nog niet.

HANS. (Als ontwakend uit een droom:) Ja .... natuurlijk .... dat is zoo. Ik heet .... (Hij zint zich op een naam. Dan, weemoedig:) Nu, het doet er immers niet toe .... (Zich vermannend:) Morgen is ’t ons feest, hè, Gaaike? En dan gaan we in mijn koets naar ons kasteel!

GAAIKE. (Met lichten schrik:) Maar we blijven de kerstdagen toch nog hier?

HANS. Zeker! Tot den Nieuwjaarsdag blijven we nog! En dan ....! Je bent toch niet bang om met mij mee te gaan, Gaaike?

GAAIKE. Eerst was ik bang. De vorige maal, dat u hier was ....

HANS. (Angstig:) Wat? Wat .... den vorigen keer?!

GAAIKE. Toen droeg u een baard en durfde ik u heelemaal niet aan te zien. Maar nu is het, of ik u al jaren ken. En nu ben ik ook niet bang meer om met u mee te gaan! (Ze vleit zich tegen hem aan, ziet hem vriendelijk, dapper in de oogen.)

HANS. (Verward:) Gaaike ....! Dus .... je houdt wel een beetje van mij?

GAAIKE. (Lief, innig:) Ik hou heel veel van u.

HANS. (Hijgend:) Van mij? Van mijzelf hou je, Gaaike? Niet alleen van mijn kleeren .... mijn koets .... het kleed, dat ik voor je heb meegebracht?

GAAIKE. (Ziet hem verschrikt aan.)

HANS. Begrijp je wat ik bedoel, Gaaike?

GAAIKE. (Schudt angstig ontkennend het hoofd.)

HANS. Vind je het prettig, Gaaike .... om met mij mee te gaan .... naar mijn kasteel? Of wil je liever hier blijven en .... (Hij zoekt naar een beteren uitleg.)

GAAIKE. Liever .... naar het kasteel!

HANS. (Bukt het hoofd.)

GAAIKE. Ik .... ik ben nog nooit in een kasteel geweest. Ik heb er ook nog nooit een gezien. Maar Hans, de klokkeluider .... (in gedachten:) vertelde mij er van.

HANS. (Met afgewend gelaat:) Hans .... de klokkeluider?

GAAIKE. Ja, dien kent u natuurlijk niet.

HANS. (Smartelijk:) Neen .... dien ken ik niet.

GAAIKE. Hij vertelde me zoo mooi van de wolken en van zijn klok en .... (mijmerend:) van een zwart marmeren kasteel. (Ze vleit zich tegen Hans aan.) Vertel mij eens van .... uw kasteel?

HANS. (Om zijn mond is iets bitters gekomen; zijn oogen hebben iets satanisch gekregen. Ja, zelfs zijn stem herinnert nu even aan het snijdende van Satans stem. Hij spreekt, met zijn oogen starend; wij voelen zijn innerlijke smart.)

Mijn kasteel? Je wou weten .... hoe mijn kasteel er uit ziet? (snijdend:) Goud! Alles van goud! En paarlen en diamant uit alle oorden van de wereld aangesleept; alleen van de vervoerkosten zou men een ander kasteel kunnen bouwen. (Hijgend, in de lucht starend:) Wat je zult zien .... het is alles duur en kostbaar; het is handen vol geld waard .... en ik ben er voor een krats aangekomen .... het was te geef, voor niet; belachelijk, bespottelijk was de prijs!—(Fluisterend, heesch:) Nu, Gaaike, hoe lijkt je .... dat kasteel?

GAAIKE. (Is verschrikt teruggedeinsd. Stamelend:) Hans zei ....

HANS. (Snijdend, met de tranen door zijn stem:) Hans zei?! Wat weet een klokkeluider van een kasteel?! Laat hij zich bij zijn klok houden! Laat hij de leugens, die hij uit de wolken haalt, maar aan zijn klok vertellen!

GAAIKE. (Doodsbleek, naar adem zoekend:) Ik ga niet mee! Ik wil niet mee naar dat kasteel!

HANS. (Tast naar zijn hoofd. Bleek, duizelend:) Vergeef mij, Gaaike.

GAAIKE. Hebt u .... verdriet?

HANS. (Wendt het gelaat af, vechtend tegen zijn tranen.)

GAAIKE. U hebt verdriet .... ik weet, dat u verdriet hebt! Ik hoorde het aan uw stem daareven. En dat van uw kasteel .... dat is niet waar.

HANS. (Fluisterend, met gesloten oogen:) Ik zal het je anders vertellen. Kom bij mij .... wat ik daarnet vertelde .... moet je weer vergeten. Luister. Luister, Gaaike .... dan zal ik vertellen. Het is hier ver, heel ver vandaan, mijn kasteel. We rijden de poort binnen, een mooie, grijze poort met bloemenvazen op de zuilen ....

GAAIKE. Maar nu is het winter. Nu zijn er geen bloemen.

HANS. Nu staan er kleine kerstboomen in, Gaaike. Kerstboompjes met brandende kaarsjes. Als we het hek door zijn, rijden we de breede oprijlaan in, met hooge boomen aan de zijden, en ver voor ons uit ligt ons kasteel!

GAAIKE. (Verheugd:) Van zwart marmer?

HANS. (Haar hoofdje strelend, fantaseerend om Gaaike genoegen te doen:) Neen .... dit is blank. Blank als versche sneeuw, en er staan roode schoorsteenen op. Er ligt een wijde tuin omheen, met zwanenvijvers, Gaaike, en fonteinen en perken. We zullen jachten houden! Op sterke schimmels zullen we door het woud stuiven; hoor je de schalmeien? En tuinfeesten zullen we houden met bonten schijn van lampions en zoeten klank van fluiten en violen. Bij volle maan zullen we over de stille meren varen en lelies plukken, Gaaike ....!

GAAIKE. (Leunt in verrukking op zijn arm. Droomend:) Zoo is het mooi! Zoo is het net zoo mooi als in het kasteel .... van Hans.

EEN STEM. (Roept van boven:) Gaaike ....!—Gaaike ....!

GAAIKE. Ja, ik kom!

HANS. Een kus, Gaaike ....

GAAIKE. (Bergt zich hevig blozend aan zijn borst. Hun monden vinden elkaar. Dan snelt Gaaike heen, werpt Hans bij de deur nog een vriendelijk knikje toe.)

HANS. (Staart droomend naar de deur waardoor Gaaike verdwenen is. Prevelend:) Zij heeft mij gekust. Gaaike heeft mij gekust! (Het hoofd oprichtend in twijfel, fluisterend:) Wien .... heeft zij gekust? Hans, den klokkeluider ... of den vreemden graaf??—Mij heeft ze gekust. (Hartstochtelijk:) Mij. Mij! En ik ben toch Hans! Hans, de klokkenluider. (Peinzend:) De .... klokkeluider. (Als in een andere wereld levend:) Waar is mijn klok? Klokkeluider, waar is je klok? Jij hebt de klok verkocht .... jij hebt je klok verkocht en durft je klokkeluider noemen. (Snijdend, honend:) Klokkeluider! (Smartelijk:) Ik ben geen klokkeluider meer. (Fluisterend, met heesche stem:) Maar wat ben ik dan? (Heftig:) Wie? Wat ben ik?! (Gejaagd fluisterend:) Ben ik een graaf? (Hij beziet zijn kleeren.) Ja .... ik .... ik kan een graaf zijn. Als ik morgenavond mijn klok niet weer terugkoop. Als ik mijn klok voorgoed aan den duivel verkoop. Als ik Hans, den klokkeluider, verkoop! Als ik .... (snijdend:) mij zelf verkoop voor een koets, voor een kasteel, voor deze kleeren, voor Gaaike’s kleed .... (fluisterend, verlangend:) voor Gaaike zelf. (Zacht, peinzend:) Als ik mijn geluk wil bouwen .... op een leugen. (In sterken twijfel:) Mijn geluk ....? Zal ik mijn leven lang niet .... jaloersch blijven? Jaloersch op dien vreemden graaf, wiens kleeren ik draag, wiens kasteel ik bewoon, maar die mij, Hans, (vol verbittering:) mij .... Hans .... mijn Gaaike roofde?! (Hij bergt het gelaat in den arm.)

STEMMEN. (Klinken op dit oogenblik van buiten.) Hans! Hans .....! (Veel rumoer, verwarde kreten:) Hans ....!

HANS. (Luistert verward; dan begrijpt hij. Hij snelt naar het raam, blijft staan en breekt in een spotlach uit.) Ze zoeken! Ze zoeken Hans .... den klokkeluider. Zoek! Zoek maar overal ....! Zoek hier! Zoek onder mijn gravenkleeren en je zult hem nog niet vinden. Een leugenaar zul je vinden, een lafaard, een luider zonder klok .... (De tranen breken door zijn stem.)

(Het rumoer op straat neemt toe. Uit de verschillende deuren komen werkvrouwen, ook Anne-Marie en Aafke, en achter hen aan, met angstigen blik: Gaaike.)

ALLEN. (Dooreen:) Wat is er? Wat gebeurt er? Wat roepen ze op straat? Waarom is al dat volk op de been?

KASPER. (Komt achter adem door de buitendeur binnensnellen, een paar zakjes onder den arm, die hij Anne-Marie in de handen duwt.) Hier! De gist! De suiker! Hans is weg. Ze kunnen hem nergens vinden.

GAAIKE. (Deinst doodsbleek achteruit.)

ANNE-MARIE. Hans, de klokkeluider?!

SNOEK. (Komt ook opgewonden binnensnellen.) Kom mee, Kasper! Ze willen gaan dreggen in de gracht!

(Gegil bij de vrouwen.)

AAFKE. Dreggen?? Is hij dan verdronken?!

SNOEK. Wie zal het zeggen? Ze hebben overal gezocht!

ANNE-MARIE. In den toren ook? Daar zit hij altijd.

KASPER. In den toren is hij niet. En de poort is hij ook niet uitgegaan. Dan had de wachter hem moeten zien!

STOFFEL. (Is ook komen binnensnellen.) Alles is even zonderling! Onder aan de torentrap hebben ze den klepel gevonden! Den klepel van de klok! Wie heeft er ooit meegemaakt, dat een klepel uit een klok viel! Een klepel, die met zóó’n ijzeren ring in de klok zit vastgesmeed!

SNOEK. Er zit tooverij achter!

DE VROUWEN. (Gillen of slaan de hand voor den mond.)

KASPER. Kom, mannen! Naar de stadsgracht!

SNOEK, KASPER, STOFFEL. (Snellen heen, gevolgd door Aafke en de werkvrouwen, die haastig doeken omslaan.)

HANS. (Worstelend naar adem:) Ik .... ik wil ook even .... buiten zien. (Wankelend volgt hij de anderen.)

ANNE-MARIE. (Weifelt wat ze doen zal. Dan ziet ze haar kind doodsbleek tegen den wand staan. Verschrikt snelt ze toe.) Gaaike ....!

GAAIKE. Moeder! (Wanhopig snikkend bergt ze zich aan haar moeders borst.)

ANNE-MARIE. (Haar omsluitend:) Gaaike .... m’n kind, wat beef je?

Wat is er dan met je? (Moederlijk troostend:) Arm kind! Arm kind van mij! Ja, dat bederft nu alles, hè? Nu, stil maar. Stil maar ....! Hij wordt nog wel gevonden! Je zult zien, dat hij gevonden wordt!

GAAIKE. (Schudt snikkend het hoofd.) Hij .... hij wordt niet meer gevonden!

ANNE-MARIE. (Verwonderd:) Wat zeg je, kind? Hoe weet jij ....? Nu, huil maar uit, hoor.

GAAIKE. Moeder .... als Hans verdronken is .... is het mijn schuld!

ANNE-MARIE. Jouw schuld?? Wat is jouw schuld! Als Hans verdronken is ... is dat dan jouw schuld ....?? Och, je bent heelemaal overstuur, m’n kind. (Van den weeromstuit snikt ze mee.) Hoe kan het jouw schuld zijn, als Hans ....?!

GAAIKE. (Wanhopig snikkend:) Hans hield van mij!

ANNE-MARIE. (Opgelucht:) Och, m’n kind, is dat alles?

GAAIKE. Nu hij gehoord heeft, dat ik morgen ....! Ik wil niet! Ik wil niet met den graaf trouwen!

ANNE-MARIE. (Verschrikt:) Maar, kind ....!

GAAIKE. (Naar adem zoekend:) Ik wil niet! (Hartstochtelijk snikkend:) Ik hou van Hans! Nu hij er niet meer is, weet ik het! Ik hou van Hans!

ANNE-MARIE. Kijk nou eens aan! Kijk nou toch eens aan!—De graaf zal zoo goed voor je zijn, m’n kind! En .... ’t is toch een graaf! Er zal niet elken dag een graaf om je komen, Gaaike! En daarstraks heb je toch nog gezegd, dat je zooveel van hem hield!

GAAIKE. (Verward:) Ik weet niet .... ik weet niet wat het is ....!

ANNE-MARIE. (Fluisterend:) Je hebt toch je ja-woord gegeven!

GAAIKE. (Snikkend:) Ik kan niet! Ik wil niet! Ik mag niet ....

ANNE-MARIE. Wat mag je niet? Je mag niet neen zeggen, als je eenmaal je ja-woord gegeven hebt, Gaaike! En alles is nu klaar .... de muziek is al besteld... de koeken zijn gebakken .... en dat mooie kleed, dat hij voor je heeft meegebracht! Heb je wel goed gezien wat een mooi kroontje er op zit?

GAAIKE. (Snikkend:) Moeder ....!

ANNE-MARIE. Wij willen toch niets dan je geluk. Dat weet je toch wel?

GAAIKE. (Kust haar moeders hand.)

ANNE-MARIE. Nu, als wij je nu zeggen: Gaaike, je mag dien graaf niet voor het hoofd stooten! Het is voor je geluk, dat we willen, dat je met hem trouwt!

GAAIKE. (Zwak protesteerend:) Ik hou van Hans ....!

ANNE-MARIE. (Sussend gebaar.) Zul je dan alles doen wat wij zeggen, Gaaike? Zul je dan morgen met hem trouwen?

GAAIKE. (Smeekend:) Moeder ....

ANNE-MARIE. Nu ....?

GAAIKE. (Bergt snikkend haar hoofdje aan Anne-Marie’s boezem.)

ANNE-MARIE. Bedenk, Gaaike, hoe trotsch en gelukkig je vader zijn zal! En dat wil je toch wel? He?—Nu, zul je hem dan trouwen?

GAAIKE. (Knikt snikkend.)