Hans de Klokkeluider

Part 2

Chapter 24,037 wordsPublic domain

HANS. (Stokt, luistert.) Wat is dat? Wie lachte daar? Was het de torenhaan, die knarste? (Mijmerend:) De haan, die het hoogst van allen staat en toch niet kraaien kan van vreugde. Dat komt er van, als je met goud besmeerd bent! Je blinkt wel mooi, maar kraaien kun je niet, alleen maar knarsen .... Gaaike.

(Boven op den torenzolder ratelt wat. Er piept een rat.)

HANS. Ratten op zolder? (Hij gaat de trap op, die naar den zolder leidt.)

SATAN. (Springt uit een zijnis het tooneel op, buigt zich over de leuning van de trap. Fluisterend:) Snuf!

SNUF. (Wipt uit den benedentrap, zijn guitaar los in de hand. Rondziend:) Waar is ....?

SATAN. (Snel:) Ik heb hem even naar boven gestuurd. Is alles geregeld?

SNUF. (Knikt.) Ik heb me onzichtbaar gemaakt en het zwaantje hier naar toe gelokt. Hoor maar! Ze komt er al aan!

SATAN. Prachtig. Is de rest ook in orde?

SNUF. Alles klopt. De koets wacht aan den rand van het bosch. Als ik fluit, zóó .... (hij fluit zacht) zal ze op de stad aanrijden, de lichten ontstoken, dat ze van verre al te zien is.

SATAN. En de sleutel van de schatkamer?

SNUF. Hier! (Haalt een sleutel uit zijn zak.)

SATAN. Hou jij hem maar. Je weet wat je me brengen moet?

SNUF. Eerst den mantel. Als hij niet toehapt, den hoed; daarna ....

SATAN. Juist. Kom mee. (Hij wil zich weer in de nis verbergen.)

SNUF. (Bukt zich over den rand van de trap en zingt fluisterend, duivelsche accoorden tokkelend op zijn guitaar:)

Ai, Gaaike, Gaaike, m’n Gaaike, Kom! Wees niet dom! Een juweel Van een kasteel! Een koets met een paardje! En dan met een vaartje, Duizelend van min .... (Keert zich tot zijn meester om, grijnzend:) .... de hellepoort in!

(Dan springen beiden snel weg in hun nis.)

GAAIKE. (Een dorpsmeisje met blonde vlechten, schuchter, lieftallig als een veldbloempje, komt de trap op en ziet verlegen, aarzelend rond. Ze is hier blijkbaar nog nooit geweest. Ze weifelt nog even, klimt dan de laatste paar treden op. Gaat nu snel op een der nissen af en kijkt naar buiten. Gejaagd, fluisterend:) Van welken kant .... zou hij kunnen komen? (Zij haalt een brief uit haar jakje.) Er staat niets van in.

(Dan hoort ze boven zich iets kraken en bergt doodelijk verschrikt den brief weer in haar jakje weg.)

HANS. (Komt de trap weer af. Als hij beneden is, bemerkt hij Gaaike. Strijkt de hand over het voorhoofd, als om een droom weg te wisschen. Fluisterend:) Gaaike ....!

GAAIKE. (Is schuchter tegen den steenen wand gevlucht.) Hans ....

HANS. (Hij gaat nu beseffen, dat wat hij ziet geen droom is, maar werkelijkheid. Met trillende stem van overgroote vreugde:) Gaaike .... jij hier?

GAAIKE. De deur beneden aan de torentrap stond open. Toen dacht ik ...

HANS. (Naar woorden zoekend om zijn vreugde te uiten:) Hier! Neem mijn mantel. Je zult kou vatten. Alles is hier zoo open. Kom! (Hij wil haar den mantel omdoen.)

GAAIKE. (Weifelend:) En jij dan?

HANS. Ik? Ik heb het nooit koud. Ik zit hier altijd in den toren. Ik ben het gewend, Gaaike. (Hij doet haar hoffelijk, bezorgd, met trillende handen den mantel om.)

GAAIKE. Het zal wel mal staan!

HANS. (Overtuigend:) Heelemaal niet, Gaaike! Kom, ga zitten. Ja .... stoelen heb ik hier niet. Ik zit altijd maar zoo op de steenen. Hier in deze nis. Daar heb je het mooiste uitzicht.

GAAIKE. (Gaat zitten, de handjes in den schoot. Naar buiten ziend:) Er zit sneeuw in de lucht, hè, Hans?

HANS. (Leunt nu tegen den anderen wand van de nis en ziet Gaaike in zwijgende verrukking aan. Hij knikt bevestigend.) Ja! We krijgen een witte Kerstmis!

GAAIKE. Wordt de kerk dan weer net zoo mooi versierd als het vorig jaar?

HANS. (Even pijnlijk getroffen:) Het vorig jaar ....? Was .... Was de kerk toen zoo mooi versierd?

GAAIKE. Weet je dat niet meer? Voor alle beelden stonden brandende kaarsjes. Alles was zoo feestelijk, zoo mooi; de heiligen keken zoo vriendelijk .... de kerk straalde van licht!

HANS. Ik .... ik heb het niet zoo gezien, Gaaike. Voor mij .... was alles .... duister. (Hij vermant zich.) Neen, dit jaar wordt de kerk mooi, Gaaike, veel mooier dan toen .... die vreemde hier was. En we zullen zoo lang luiden tot Kerstmannetje zelf naar onze versierde kerk komt kijken!

GAAIKE. Heb jij Kerstmannetje al gezien, Hans?

HANS. Gisterenavond alweer! Hij dwaalt nu in de bosschen en zet de omgevallen dennetjes recht, en onder een schraal, scheefgegroeid dennetje stopt hij wel eens een goudstuk weg, tot troost voor wien geen mooien kerstboom meer vinden kon. Gisterenavond, na het vesperluiden, wenkte hij met zijn lantaarntje. Ja, ik zie je wel, grijsbaard! dacht ik.

GAAIKE. En ben je toen naar beneden gegaan?

HANS. (Mijmerend:) Neen, dan had ik hem niet meer gevonden. Ik zie hier in mijn toren zooveel .... wat ik beneden nooit zie.

GAAIKE. (Leunt voorzichtig een weinig uit de nis.)

HANS. (Verschrikt:) Voorzichtig, Gaaike ....!

GAAIKE. Wat is het hier hoog! Wordt jij nooit duizelig, als je omlaag kijkt?

HANS. (Peinzend:) Neen, ik niet. Soms voel ik me juist wel eens duizelig wanneer ik beneden ben. Dan vlucht ik in mijn toren .... daar gaat het over.

GAAIKE. Hoe kan dat nu?

HANS. Hier boven voel ik me zoo vrij, Gaaike. (Mijmerend:) Ik kijk naar de wolken en ik denk. En wat ik denk .... vertel ik aan mijn klok.

GAAIKE. Verstaat die je dan?

HANS. Ze verstaat alles en ze denkt er over na. En als ik haar luid, antwoordt zij mij. (Hij ziet om naar zijn klok.) Ik hield al van mijn klok, nog voor ik ze gezien had. Bij ons daarbuiten was het ’s winters zoo stil in de velden; daar hoorden we niets dan een paar maal per dag die heldere klokkeslagen; als ik met mijn broertjes door het bosch zwierf, bleef ik altijd staan om er naar te luisteren. Mijn moeder werd ziek,—toen was het nog stiller. We zaten zwijgend aan tafel, en de klok daar in de verte riep ons toe: Houd moed ....! Houd moed ....! (Hans zwijgt, veegt even met de hand over het voorhoofd.) Toen Moeder was gestorven, luidde de klok .... alleen voor haar. Dien dag vroeg ik mijn vader of ik eens met hem mee mocht naar de stad, om de klok te zien. En toen het voorjaar werd, nam hij mij mee aan zijn groote sterke hand. Het was een Zondagmorgen,—ik had mijn beste pakje aan; de hemel was blauw, met witte wolken; de groene velden stonden vol lentebloemen; de vogels zongen in de boomen. Zoo kwamen we in de stad en bij de kerk. De klokkeluider .... heb je hem nog gekend?

GAAIKE. (Mijmerend naar de klok ziend:) Jawel. De oude Sebastiaan.

HANS. Ja! Nu, die ging ons met een groote bos rammelende sleutels voor,—den toren in. Er kwamen schrikkelijk veel treden; ik dacht, dat het nooit zou ophouden,—maar eindelijk waren we toch boven, hier bij de klok. „Kijk, Hans,” zei mijn vader, „daar achter het bosch ligt ons huis. Zie je het dak niet glinsteren in de zon? En daar is moeders graf .... die populieren zijn van het kerkhof. En daarachter, heel ver, ligt de zee, vol schelpen en parels, en daar ligt de stad van den koning,—met honderd zilveren poorten en een toren van gesmeed goud. En dien kant uit, nog veel verder, ligt het land van de Chineezen,—die hebben huizen met twintig daken er op, alle van ivoor ....”

GAAIKE. (Hans verwonderd aandiende:) Vertelde je vader dat alles?

HANS. (Ontwakend uit zijn droom, verlegen glimlachend:) N-neen .... dat bedacht ik later zoo. Toen mijn vader sprak .... keek ik alleen maar naar de klok.

GAAIKE. En hoe ben je toen later klokkeluider geworden? .... Hans?

HANS. Luister, dat wou ik juist vertellen. „Kom,” zei Sebastiaan, „ik moet luiden voor de kerk.” En hij ging met zijn rammelende sleutels omlaag. (Hans’ blik dwaalt naar de trap.) „Vader,” fluisterde ik, „wat gaat hij nu doen?”—„Dat heb je toch gehoord?” zei mijn vader. „Hij gaat de klok luiden.”—„Kàn hij dat dan?” vroeg ik. „Ik had altijd gedacht, dat een engel uit den hemel het deed!” Mijn vader lachte, en later vertelde hij aan Sebastiaan, wat ik gezegd had. Die lachte niet, hij nam mij op zijn knie en hij keek me over zijn ijzeren bril in de oogen, heel lang en heel ernstig. „Wat wil je later worden?” vroeg hij toen. „Ik wil klokkeluider worden,” zei ik. Sebastiaan keek me aan met oogen, alsof hij me wilde opeten. „Jongen,” zei hij toen, „klokkeluider zijn .... dat is niet zoo eenvoudig als het lijkt! Je moet van je klok houden, zie je? Een echten klokkeluider moet niets ter wereld boven zijn klok gaan!” Ik knikte .... en ik zag, dat zijn oogen eensklaps vochtig werden.—Zoo ben ik klokkeluider geworden, Gaaike!

GAAIKE. (Ziet hem aan.) We kennen jou allemaal zoo weinig, Hans. Jij zit hier maar altijd in je toren .... niemand van ons kent jou. Vindt je het nu prettig om hier zoo alleen te zitten?

HANS. (Ziet haar aan. Schudt dan ontkennend het hoofd.) Ik vind het veel prettiger .... als jij komt, Gaaike.

GAAIKE. (Slaat de oogen neer.) Ik heb niet geweten .... dat het hier bij jou zoo mooi is, Hans.

HANS. Je kunt van hieruit de heele wereld zien, Gaaike! Ik zie ook altijd de zon opgaan; mijn klok en ik zien haar het eerst. En de torenhaan ook .... maar die telt niet mee. En de wolken zie ik hier van zóó dichtbij! Ik ken ze allemaal!

GAAIKE. De wolken ....??

HANS. (Naar buiten wijzend, fantaseerend:) Zie je dien draak daar, met zijn zeven koppen? Hij zoekt een prinses, die hij geroofd had, maar die nu bevrijd is .... door dien ridder daar! Zie je hem, daar op dat zwarte paard?

GAAIKE. (Mede in spanning:) Zou hij haar krijgen, Hans?

HANS. Welneen! Kijk maar: de ridder is al vlak bij zijn kasteel .... wat een forsche torens heeft het, hè? En als de poort van het kasteel eenmaal gesloten is, kan de draak er niet meer in!

GAAIKE. (Peinzend:) Hans, hoe ziet het er uit .... in zoo’n kasteel?

HANS. (Naar de wolken starend:) Het is van zwart marmer. De vloeren zijn van ivoor.... Dienaren in zijden kleeren zullen de sleep van de prinses dragen, en, als ze uit rijden gaat, houdt de ridder zelf voor haar den beugel vast.

GAAIKE. En .... en wat voor kleeren draagt zij, Hans?

HANS. De mooiste stoffen zullen dienen voor haar kleeren. Een mantel van brokaat, een kleed van zijde en kant en borduursel. Een beugeltasch met paarlen bestikt en muiltjes van satijn .... en alles wat ze hebben wil, Gaaike!

GAAIKE. Hans .... geloof jij, dat ik nog wel eens .... een dame zou kunnen worden?

HANS. (Verward:) Een dame ....? Een prinses!

GAAIKE. Een prinses kan ik toch niet worden, Hans? Maar ik zou zoo graag .... een dame willen zijn. Hans .... zou ik het kunnen?

HANS. (Met gebukt hoofd, smartelijk:) Ik weet het niet. Ik heb nog nooit .... een dame gezien.

GAAIKE. Ben je nu boos, Hans?

HANS. (Zwijgt, wendt het hoofd af.)

GAAIKE. Waaraan denk je nu, dat je opeens zoo stil wordt?

HANS. Ik denk nu aan .... den vreemde, die hier geweest is.

GAAIKE. (Onrustig, even tastend naar den brief in haar jakje:) De .... de vreemde?

HANS. De vreemde, die jou .... een handkus gaf .... toen hij weer in zijn koets steeg.

GAAIKE. (Na een zucht, verward:) Nu, nu is hij weg. Al lang.

HANS. Daareven had ik het gevoel .... alsof hij er nog was .... Gaaike.

GAAIKE. (Snel om zich heen ziend:) Hans! Hans .... zul je het niet vertellen? Zul je er met niemand over spreken?

HANS. (Voelt onraad naderen.) Waarover?

GAAIKE. Hier, ik heb .... Beloof me, dat je het niemand vertellen zult. (Ze heeft den brief uit haar jakje gehaald, vouwt hem met bevende handen open en toont hem aan Hans.)

HANS. (Neemt den brief aan, vliegt den inhoud door, staat dan op, naar adem zoekend.) Wie heeft je hem gebracht?

GAAIKE. Ik vond hem gisteravond, Hans .... in den rand van mijn spiegeltje.—Waarom schrik je zoo? Wat scheelt je?

HANS. Mij? N-niets. Mij scheelt .... niets.

GAAIKE. Je wordt opeens zoo bleek! (Zelf is ze ook onrustig.)

HANS. Dat is .... d-dat komt....—Dus je weet niet wie hem op je kamertje heeft gebracht? (Voor zich uitstarend, met trillende lippen:) Het zal toch geen laffe grap zijn?

GAAIKE. Hans ....! (Het schreien komt haar nader dan het lachen.)

HANS. Nu, stil maar Gaaike. Hij zal wel .... echt zijn. Wat staat er onder? Het is al wat donker; mijn oogen zijn .... ik kan het niet lezen.

GAAIKE. Er staat zoo’n vreemde naam onder! „Beëlzebub”. Heb jij dien naam al eens gehoord?

HANS. (Schudt ontkennend het hoofd.) Misschien heet die .... die vreemde graaf wel zoo.

GAAIKE. Ik weet het niet. Ik weet niet, hoe hij heet. Maar die brief is toch echt, Hans?

HANS. (Knikt. Peinzend naar den brief ziend:) Hij is met roode inkt geschreven.

GAAIKE. Een graaf schrijft misschien wel altijd met roode inkt, hè?

HANS. Misschien wel, Gaaike.—Dus je bent in den toren gekomen .... om naar hem uit te zien?

GAAIKE. (Bukt beschaamd het hoofd.)

HANS. (Na een innerlijke overwinning:) Nu .... laat ons dan naar hem uitzien, Gaaike.

(Op dit oogenblik snerpt een schrille fluittoon door de lucht, van denzelfden toonaard als het fluitje van Snuf, daarstraks. Hans richt zich verschrikt overeind; Gaaike krimpt ineen.)

HANS. Wat was dat? Waar kwam dat vandaan? Was het de wind .... er is geen wind. (Hij ziet naar buiten en deinst achteruit.) Een licht ....! (Geslagen, met moeite een sarcastischen toon terugdringend:) Gaaike .... de koets.

GAAIKE. (Vliegt met een kreet op.) Waar? (Ze staart als betooverd naar buiten, terwijl Hans met van smart vertrokken gelaat tegen den wand is teruggedeinsd.) Hans! (Ze ziet om. Hans bukt het hoofd en wendt het af. Dit verwart haar. Zacht, verwonderd:) Hans ....? (Besluiteloos blijft ze staan. Dan, Hans smeekend aanziend:) Hans .... ik moet nu gaan. Ik moet nu vlug ....—Dag, Hans! Hans, wees niet boos? Toe? (Ze kust zijn slap hangende hand.) Dag, Hans, lieve Hans! (Dan, na nog een weifeling, snelt ze op de trap af en gaat met gebukt hoofd omlaag.)

HANS. (Blijft met gesloten oogen nog even staan; dan heft hij langzaam het gelaat op, als kwam hij bij zinnen. Prevelend:) Gaaike ....! (Hij snelt op de nis toe, waar doorheen hij de koets kan zien.) Een koets .... (De smart trilt door zijn stem.) Een rijke koets! Twee zwarte paarden .... een groote, gouden kroon er boven op .... daar komt hij in zijn koets in zijden kussens .... jouw graaf, Gaaike! (Hij bergt het hoofd in de handen.)

SNUF. (Springt te voorschijn, wenkt zijn meester met een grijns. Satan springt nu ook uit zijn verborgen nis. Snuf slaat een accoord aan op zijn guitaar.)

Waarom zoo treurig, beste vrind? Omdat je liefje je niet mint? Kom, zoek een ander uit den hoop! Want liefjes zijn er zat te koop!

SATAN. Stil, Snuf, laat mij met hem praten.

HANS. (Is doodelijk verschrikt overeind gerezen en drukt zich, met lijkwit gelaat, ruggelings tegen den wand.) Wie zijn jullie? Wat zoek je hier?!

SATAN. Schrik maar niet, mijn jonge vriend: we komen je helpen. En vraag niet wie we zijn, want onze naam zou je op een dwaalspoor brengen.

SNUF. Of juist op het goede spoor! Hi—hi—hi!

SATAN. Staak je gezwets, Snuf. En open de schatkamer,—dan zal hij zien, dat we niet gekomen zijn om hem wat af te halen!

SNUF. Integendeel! (Hij werpt zich de guitaar om den hals, opent met veel gewichtsvertoon de „Schatkamer”, die zich blijkbaar in een zijnis bevindt. Snufs tooversleutel knarst in een onzichtbaar sleutelgat, en meteen valt door de nis een fel-rood licht naar binnen.)

SATAN. (Vriendelijk uitnoodigend:) Wil je eens een kijkje nemen, jonge vriend?

HANS. (Bleek, gereed zich tegen het booze, dat hij voorvoelt, te verdedigen:) Neen! Ik wil niet.

SATAN. Hoe is het mogelijk!—Snuf, sta niet te luieren en breng me den mantel hier.

SNUF. (IJveriger dan ooit, haalt een mantel uit de schatkamer.) Hier is hij, meester!

SATAN. (Aanprijzend:) Een mantel van brokaat, met ’t kostbaarste satijn gevoerd en gouden sluiting! Breng de sluiting naar den goudsmid! Het is alles echt, mijn jonge vriend, het komt van ver. Wat zeg je van dien mantel? Werp hem eens om je schouders en zie hoe hij je staat?—De prijs? Je vraagt den prijs? Een krats. Een niemendal. De mantel is te geef .... Nu?

HANS. Ik wil niet ....

SATAN. De hoed, Snuf.—Zie dezen hoed? Hoe past die bij den mantel? Heb je ooit iets gezien, wat in teere blankheid wedijveren kon met deze veer? Zie, een robijn hecht haar aan den bol; de rand is afgezet met paarlen uit het achterland van Indië .... Hier! Een degen met gouden greep en kwasten; de scheede ingelegd met het kostbaarst paarlemoer, waarmee ooit de oceaan een oesterschelp bekleedde ....—Nu, hier dan! Marokijnen laarzen met zilveren gespen en strikken van satijn!—Snuf, haal een spiegel hier, dat hij de kleeren passen kan en zien kan hoe ze hem staan!—Trek deze handschoenen er bij aan, handschoenen van gemsleer, fijner dan ze een edelman ooit over blanke, ringen-overdekte handen droeg. Zul je er met dit alles niet uitzien .... als een graaf?

HANS. Ik wil niet ....!

SATAN. Maar alles is te geef! Voor niet! De prijs is minder dan de kosten van ’t vervoer! (Aanprijzend:) Want alles is van heinde en verre aangebracht! Het bont is uit Siberië, het goud uit Afrika, de paarlen uit de diepten van de diepste zeeën, die slechts de haaien kennen .... Nu?—Begrijp jij het, Snuf? Als jou zoo’n kans geboden werd?

SNUF. (Zucht.) Laten we maar weer gaan, meester. Het is bij hem boter aan de galg gesmeerd.

SATAN. Neen, ik geef het nog niet op. Je weet toch waarvoor we zijn gekomen: om hem te helpen! Ik heb meelij met je, jonge vriend, omdat je liefje je laat zitten.

HANS. Zwijg!

SATAN. Kalm-aan wat, heerschap! Wat heb ik je misdaan? (Verlokkend:) Wat zou je er van zeggen .... wanneer ik je die mooie koets daarbuiten schonk?

HANS. Is die .... van jou?!

SATAN. Hij dacht van niet!—Snuf, laat de koets eens stilstaan, want hij gelooft niet, dat ze ons behoort!

SNUF. (Springt in de nis en fluit doordringend.)

HANS. (Verward:) Dezelfde toon, die ....

SATAN. Nu? Staat ze stil, ja of neen?

HANS. (Worstelend tegen de verleiding:) Ik .... ik wil niet ....

SATAN. (Driftig:) Dwaas! Als ik je er een kasteel bij geef?

HANS. (Angstig:) Ik wil niet ....!

SATAN. Ik zal je landerijen geven! Bosschen vol wild!

HANS. (Schreeuwend:) Ik wil niet! Weg!! Scheer je weg met je duivelsche schatten ....

SATAN. (Zuchtend:) Heb je ooit zoo’n ondankbare gezien, Snuf?

SNUF. Laten we toch gaan, meester! Onze goede bedoelingen worden miskend.

SATAN. Ik wil het nog met het laatste probeeren. Breng het hier, Snuf. Daarvoor zal hij toch wel zwichten!

SNUF. En als hij het niet doet, meester, is hij de grootste idioot .... op jou na. Want alleen een volslagen idioot kan zooveel kostelijks te geef aanbieden.—Hier is het. (Hij reikt Satan een vrouwenkleed.)

HANS. (Heeft den blik afgewend en de oogen gesloten.)

SATAN. (Wiegt grijnzend het kleed in het helsche licht.) Kijk dezen kant eens uit, mijn jonge vriend?

HANS. Ik wil het niet zien!

SATAN. Ai ....! Daar zou je spijt van hebben, als je eerst maar wist wat het was. Ja, knijp je oogen maar toe: door je dichte oogleden heen zul je de schittering nog zien. Nu .... wil je niet?

SNUF. Neem het weg, meester. Hij is het niet waard. (De spanning, waarvan hij blijkt geeft, is in tegenstelling met zijn woorden.)

SATAN. Stil, Snuf.—Nog drie tellen, jonge vriend! Dan neem ik het weg .... voor altijd, en het mooiste wat je in je leven hebt kunnen zien, is voor jou verkeken. Een .... twee .... Nu?

HANS. (Hijgend, naar adem zoekend:) Wat .... wat is het?

SATAN. (Krijgt moed, bedwingt met moeite zijn vreugde.) Een vrouwenkleed.

SNUF. (Bukt zich in spanning.) Een gravinnekleed!

HANS. (Stamelend:) Voor .... voor Gaaike. (Hij wendt zijn blik naar het kleed, aarzelend, als was hij bevreesd voor wat hij doen gaat.)

SATAN. (Wiegt het in het licht.) Nu? Lijkt het je?

HANS. (De handen uitstrekkend:) Geef het mij!

SATAN. (Over het bleeke duivelsgelaat glijdt even een grijns.) Het kost een krats .... een niemendal.

HANS. (Hartstochtelijk de handen uitstrekkend, maar niet roerend van zijn plaats:) Geef dan hier dat kleed!!

SATAN. Je krijgt het .... maar niet voordat ik weet, of je op den prijs ingaat. Het is niet veel .... bijna te geef. Als ik je zeg wat het kost, zul je lachen ....—Nietwaar, Snuf?

HANS. Noem den prijs ....!

SATAN. Zullen we hem den prijs noemen, Snuf?

SNUF. De prijs is veel te laag. De schoenen alleen zijn het dubbele waard.

HANS. (Kermend onder zijn foltering:) Noem den prijs! Den prijs! Ik wil den prijs weten!

SATAN. Nu dan, heerschap, dan zal ik het je zeggen. (Hij geeft zichzelf even wat moed.) De prijs is .... de stem van die klok daarboven.

HANS. (Bleek, duizelend, met trillende lippen:) De .... de stem van .... mijn klok? (Hij trekt zijn handen terug, moeilijk, als werden ze magnetisch tot het kleed aangetrokken.) De stem van mijn ....?!

SATAN. (Bevreesd, zijn partij te zullen verliezen:) Zie! Er is in smaragd een gravinnekroontje op geborduurd! Zou Gaaike ermee in haar schik zijn? Nu ....? Je .... je hoeft vandaag nog niet te beslissen! Neen! Neem alles mee wat ik je heb aangeboden; ik bewaak dan hier de klok, en tot .... tot den kerstavond zelf mag je nog alles inruilen.

HANS. (Weifelend den duivel aanziend; zijn stem schijnt uit een andere wereld te komen:) Tot .... tot Kerstmis mag ik nog ....?

SATAN. Tot overmorgen, den avond voor Kerstmis!

SNUF. Maar daarna niet meer!

HANS. Moet ik .... dan alles teruggeven? Het .... gravinnekleed ook?

SATAN. Vooruit .... dat mag je houden. (Geruststellend gebaar tot Snuf, die vindt, dat zijn meester een stommiteit begaat.) Ze zullen van mij niet kunnen zeggen, dat ik een galanterie niet te waardeeren weet! Maar al het andere breng je me terug, als jij je klok weerom wilt hebben!

HANS. (Na een innerlijke worsteling, fluisterend, met gesloten oogen:) ’t Is goed.

SATAN. (Zichtbaar voldaan:) Bravo!—Maak het contract op, Snuf!

SNUF. (IJverig:) Ik ben in een ommezien klaar, meester! (Hij tijgt aan het werk.) Drie-en-twintig December van het jaar ....

HANS. (Zijn houding wijzigt zich thans geheel. Aan het besef, hoe duur zijn gekochte schatten door hem betaald zijn, ontleent hij den bevelenden toon, waarin hij nu spreekt.) Mijn laarzen!

SATAN. (Onderdanig:) Hier zijn ze, graaf!

HANS. (Onaangenaam beroerd, aarzelt even, schiet dan driftig de laarzen aan.) Mijn mantel!

SATAN. (Reikt hem den mantel.)

HANS. (Werpt zich den mantel om de schouders.) Mijn degen!

SATAN. (Reikt hem den degen.)

HANS. (Gordt zich den degen om.) Mijn hoed en handschoenen!

SATAN. (Reikt ze hem.)

HANS. (Zet zich den hoed op, treedt dan voor den spiegel, zwierig als een cavalier, verbijtend zijn innerlijke smart en spot voor zichzelf, en trekt zijn handschoenen aan.)

SNUF. (Een sierlijke haal onder het contract zettend:) Zie zoo. (Onderdanig buigend:) Zou Uwe Edelheid het even willen onderteekenen?

HANS. (Neemt met korzelig gebaar de veer aan, die Snuf hem reikt. Ziet het contract in. Verward:) Wéér roode inkt ....? (Hij ziet Satan en Snuf aan. Beiden buigen diep. Hans overwint een aarzeling, zet dan bruusk zijn naam.)

(In dit oogenblik valt de klepel uit de klok, slaat dreunend neer op den vloer en tuimelt dan met donderend geraas langs de torentrap verder omlaag.)

HANS. (Werpt zijn pen neer, krimpt ontzet ineen, snakkend naar adem.)

SNUF. (Grist hem het contract uit de vingers en brengt het, vriendelijk grijnzend, haastig in veiligheid.)

HANS. (Heesch fluisterend als het geluid verstorven is:) Wat–was–dat ....?

SATAN. De klepel van de klok, heer graaf! Die viel!

HANS. De klok .... is haar tong .... ontrukt.

SNUF. Dat ze niet praten kan!

HANS. Ik heb .... mijn klok .... haar tong ontrukt.

SATAN. Tot Kerstmis kun je ze haar teruggeven.

SNUF. (Voor zich heen:) Maar hij doet het niet.

SATAN. Kom volg mij, graaf, de poort uit! En stillekes, dat de poortwachter ons niet ziet!

HANS. (Satan aanziend, wezenloos:) De poort zal gesloten zijn!

SATAN. Wij hebben .... een eigen sleuteltje! (Toont grijnzend zijn sleutel.) Dat past op alle deuren! En ongemerkt komt ge in uw koets, heer graaf!—Snuf, draag het kleed!