Hans de Klokkeluider

Part 1

Chapter 13,902 wordsPublic domain

HANS DE KLOKKELUIDER OF DE DUIVEL IN DEN TOREN

WINTERSPROOKJE IN VIJF TAFEREELEN VAN

JOHAN FABRICIUS

’S-GRAVENHAGE MCMXXV H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ

DRAMATIS PERSONÆ:

KERSTMANNETJE. BOF, zijn dienaar. HANS, de klokkeluider. GAAIKE. SATAN. SNUF, zijn dienaar. SATANS-MOER. DE HELLEWACHTER. KASPER, Gaaike’s vader, herbergier uit „’t Swaentjen”. ANNE-MARIE, Gaaike’s moeder. STOFFEL, } SNOEK, } vrienden van Kasper. AAFKE, vriendin van Anne-Marie. Heksen, bruidsmeisjes, bruiloftsgasten.

Het sprookje speelt zich af in de laatste dagen voor Kerstmis en op den Kerstavond zelf.

Plaats der handeling: een oud stedeke.

Kleedij: de tijd der staartpruiken.

Aan mijn oudste vriendin. Kerstmis 1924.

EERSTE TAFEREEL

(Voor de poorten der Helle.)

(Alom ligt sneeuw. Het loopt tegen schemeren. De hel is een rots, waarin een zware, dubbele, met ijzer beslagen deur is gebouwd. Boven de deur een groote, ijzeren lantaren met rood perkament. In de deur zelf bevindt zich een klein tralievenstertje,—thans gesloten. Naast de deur een schelring aan een lange staaf.)

(Als het scherm opgaat, staat Snuf, een schrale, roodharige duivelsdienaar, trappelend van kou voor de dichte deur. Hij heeft zijn handen tot aan de polsen begraven in zijn broekzakken, de schouders hoog opgetrokken. Ook zijn blauwe neus en wangen en zijn roode oogleden verraden, behalve een zekere genegenheid voor spiritualiën, de barre koude, waaronder Snuf te lijden heeft. Zijn neus mag men zonder overdrijving een wipneus noemen. Hij draagt een bont, gelapt manteltje, een spits mutsje; uit zijn jaszak steekt een jeneverkruikje zijn rood-gelakten hals te voorschijn. Verder verheugt Snuf zich in het bezit van een soort duivelsgitaar met driehoekige kast, die hem om den hals bungelt. Achter aan zijn broek draagt hij een staart, die ook de trots van een koe had kunnen uitmaken. Overigens uit zich het duivelsche in hem vooral in de bewegingen en stembuigingen.)

(In de verte luidt een torenklok.)

SNUF. (Klappertandend:) Brrrrrrr! Brrr! Brrrrrrrrrrr! (Hij tast met van koude onzekere hand naar zijn fleschje, ontkurkt het met zijn verkleumde vingers, gooit een slok in zijn keelgat, slaat dan vinnig de kurk weer in den flessche-hals en bergt het dierbare vocht in den zak. Gromt van welbehagen. Dan springt hij vlug van de deur weg, alsof hij een schop gekregen had: in de hel dreunt een zware slag. Maar zonder aarzelen huppelt Snuf weer op de deur af en gluurt door het sleutelgat, waarbij op zijn zitvlak een ferme lap te zien komt.)

Alle duivels, het gaat er daarbinnen in de hel zoo heet van langs als het hier buiten om dood te vriezen koud is! Brrr! Zoowaar als ik Snuf heet en een heuschelijken duivelsstaart heb (tast zonder om te zien naar zijn staart) en een stiefkind ben van zeven duivelsgrootvaders, ik ben blij als een kind, dat ik niet mee naar binnen ben gegaan, want Satan wordt door zijn lieve moêr met een ziele-vork op de hielen gereden! (Weer dreunt daarbinnen een slag; Snuf vliegt met groote haast achteruit, maar springt meteen ook alweer naar het sleutelgat en geeft een soort klappertandend gegiechel te hooren.) Padden en schorpioenen, zoo nijdig als ditmaal is ze nog nooit geweest, die oude, rammelende zwavel- en salpeterfeeks, zelfs niet de vorige Kerstmis, toen we toch ook in een week tijds geen zieltje konden machtig worden! Wat zul je er aan doen? ’t Is nu eenmaal niet het goeie seizoen! (Hij springt bij een zwaren slag daarbinnen in de hel weer haastig achteruit.) Ai! Oei!

(De deuren van de hel vliegen wijd open, en een fel rood licht slaat naar buiten in de schemering. Satan vlucht de hel uit, achtervolgd door zijn krijschende moêr, die bij de deur in dreigende houding staan blijft, in de eene hand een ziele-vork, in de andere een pook. Heur grijze haar hangt in sprieten voor haar vergrijnsd heksengezicht met den grooten mond, waarin zich nog een enkele tand vertoont. Haar hoog opgesjorde rokken onthullen magere, bottige beenen. Satan is gentleman. Hij draagt een langen, in een punt eindigenden mantel, van buiten zwart, van binnen gekleurd als de buik van een vuursalamander; lange, puntige manchetten, hooge kraag met witte kanten das, gepoederde staartpruik, kleine horentjes op zijn grauw-witten duivelskop, onder zijn jas een duivelsstaart, iets meer verzorgd dan die van zijn dienaar. Uit de hel davert geloei en gegil, dat het begeleidend orkest vormt voor het snijdend-krijschende solo van Satans-moêr.)

SATANS-MOER. Er uit! De hel uit! Er uit! De hel uit en er niet meer in!

SATAN. (Stormt op Snuf af en verbergt zich achter hem.) Snuf, sta me bij: ze is razend geworden!

SNUF. (Zoekt op zijn beurt weer haastig dekking achter zijn meester. Dan dapper:) Wees niet bang voor haar, meester! Sla er maar op, dat haar botten kraken! (Steekt achter Satans rug zijn tong uit.) Ga je weg, ouwe tooverkol, kromme pook, kikkerdril?!

SATANS-MOER. Kom hier, adderbroedsel, ik zal je villen, kerven, krabben!

SNUF. Kom jij hier, knokige nachtmerrie, als je er het hart toe hebt! Ik zal je neus splijten en je ooren afbijten en je oogen uitkrabben en je in rauwe azijn gooien! Serpent!

SATANS-MOER. (Krijscht haar woede uit, laat pook en ziele-vork vallen en maakt met haar magere armen bezwerende gebaren in de lucht, waarbij ze haar grijpvingers met de lange nagels kromt en een heksenwijsje gilt:)

Vlammentongen, hellevier, Roet en zwavelstank....kom hier!

SNUF. (Krimpt door haar bezwering onder hevige pijnen ineen.) Sta me bij, meester, ze wil me betooveren! Au! Ai!

SATAN. (Met bezwerend gebaar:) Brabbasjka!

SNUF. (Springt verlucht overeind.)

SATANS-MOER. (Neemt gillend de pook en ziele-vork weer op en wil er Satan mee te lijf, maar deze redt zich met een lenigen sprong achter een boom.)

SNUF. Mispoes! Hi—hi—hi—hi—hi!

SATAN. Lieve moêr, neem ons bij je in de hel; daar is het zoo lekker heet en hier buiten is het zoo...Brrrr!

SNUF. Laat haar braaien in haar ranzig vet! Zal ik je aan het spit steken, krakende vampier, en je smoren in de vlammen? Ksssssch! Kssssch! (Hij draait een denkbeeldig spit.)

SATANS-MOER. (Krijscht van woede, heft de ziele-vork op, om daarmee Satan en Snuf te overtuigen, dat in haar gemoed nog bittere wraakplannen sluimeren. Dan vliegt ze de hel weer in, slaat de deuren achter zich dicht.)

SNUF. (Werpt haar een kushand na, grijnst dan tegen Satan.) Hi—hi—hi! Ze is op den loop gegaan!

(Het is met een slag weer stil geworden; het hellegerucht dringt niet meer naar buiten door.)

SATAN. Ja, dat hebben we nou van je praatjes, Snuf! Nou is de deur dicht, en zonder een volle zak zieltjes bij me durf ik niet meer aan te kloppen, want waarachtig, ze zou me met mijn eigen staart bont en blauw ranselen!

SNUF. Dan maar weer op het pad, meester! Ik heb nog een ouwe-wijvenzieltje op het oog, dat allang op kantelen staat. Nog een stootje.... en ze kan in den zak.

SATAN. Eén ouwe-wijvenzieltje! Wat heb ik aan één ouwe-wijvenzieltje? Van die schrale, tanige, uitgedroogde ouwe-wijvenzieltjes gaan er zooveel in den zak als steenen in den oceaan, als vloeken in een soldenier, als goudstukken in een pierewaaiersbeurs, als zuchten in een verliefd gemoed! Heb je niets beters?

SNUF. (Duidt, na een oogenblik peinzen, met den wijsvinger op zijn neus, ten teeken, dat daarin een nieuwe gedachte schuilt.) We vangen een paar dozijn honden- en kattenzieltjes! Je moêr zal er niets verdachts aan ruiken, want ze is zoo kippig als ze bijziend, zoo bijziend als ze blind en zoo blind als ze scheel ziet.

SATAN. Ben je vergeten, Snuf, dat we haar daar vorige kerstmis al op vergast hebben, toen het ook zoo slecht stond met de zielevangst?

SNUF. (Zucht:) Als de stomme dieren niet aan het blaffen en miauwen waren geslagen, toen ik den zak boven de vlammen leegschudde, had ze het nooit gemerkt!

SATAN. Zij? Zij merkt alles, Snuf! Ik ben nog nooit zoo’n wantrouwende tooverkol tegengekomen als mijn eigen moêr! En denk je, dat ik er aardigheid in heb, achter honden en katten aan te zitten? Menschenzielen moet ik hebben, Snuf! Ouwe-wijvenzielen, die kraken en knappen in de vlammen en, al bruin geschroeid van alle kanten, nog schelden en kijven! Vrekkenzielen, rammelende geldbuidels, waarin we naar klinkend en blinkend goud kunnen grabbelen, om onze duivelsche schatkamer aan te vullen, Snuf! Dronkemanszielen, die in alle kleuren branden van de spiritus, dat we er in de hel een vuurwerk aan hebben en er nog wat overblijft om zelf het keelgat te spoelen; weet je nog, Snuf?

SNUF. Praat me er niet van, meester! (Hij tast naar zijn fleschje.)

SATAN. (Steeds meer in vervoering gerakend; Snuf leeft alle heerlijkheden met hem mee). Leugenaarszielen, kunstig aangelegde doolhoven vol verborgen vallen en strikken, om aandachtig te bestudeeren, Snuf, en er ons voordeel mee te doen! Moordenaarszielen, druipend van warm, rood bloed, om er onze duivelskleeren in te verven! Verleiderszielen vol jonge vrouwen! Kloosterzielen, groote taarten en poddingen met.... surprises er in en gedrenkt in oude, fijne wijntjes! En dan, Snuf, wat het moeilijkst te krijgen is .... kinderzieltjes! Zielen van jonge menschenkinderen, geurige bloemen, vleeschgeworden muziek .... Ai! Wat zou ik geven voor zoo’n jonge, warme, teere ziel van een menschenkind! Wat zou ik geven, om die zachtkens te braden op een klein vuurtje, er met mijn neus boven op te gaan zitten en er alle zoete geuren van op te snuiven ....! (Hij zucht. Dan, plotseling vinnig:) Weet je wie ons het meest in den weg zit, Snuf?

SNUF. (Heeft zijn dierbaar fleschje weer aangesproken, stampt de kurk in den hals.) Jawel. Je moêr. Ik wou, dat haar sloffen in het hellevuur vielen, en ze geen tijd meer had ze uit te trekken.

SATAN. (Peinzend, gramstorig voor zich uitziend:) Ik bedoel mijn moêr niet.

SNUF. Ik bedoel je moêr wel. Maar als jij je moêr niet bedoelt, meester, zou ik wel eens willen weten wie je dan wel bedoelt! Kerstmannetje soms, die likkebaard?

SATAN. Nou ja, die zal altijd onze doodsvijand blijven, Snuf. Tegen den tijd, dat hij op komst is, worden de menschen zoo zoetsappig, dat ze naar geen fatsoenlijk duivelswoord meer luisteren.

SNUF. ’k Wou, dat hij naar de weerlicht liep, hij en zijn spullendrager, het grootste vod, dat ooit zich dienaar durfde noemen.

SATAN. Als we die twee nog eens in de hellevlammen konden zien dansen, Snuf! Ik zou er duizend zielen voor prijs geven! Maar als we daarop moeten wachten ....! Neen, Snuf, ik bedoel een ander, die ons ook leelijk dwars zit en die misschien .... uit den weg geruimd zou kunnen worden!

SNUF. (Nieuwsgierig:) En wie dan, meester?

SATAN. (Geheimzinnig, met opgerichten hoofde, als luisterde hij.) Een schavuit met een bronzen kop, die knikkebolt en met zijn tong klapt, Snuf.

SNUF. Ik zal me als een winteraardappel in den grond laten poten, als ik weet wie je bedoelt, meester.

SATAN. (Grimmig:) Een onverbeterlijke zwetser, Snuf! Een lange sla-dood, die met z’n kop in den toren hangt en z’n voeten beneden in de kerk laat slieren. Luister, dan zul je hem hooren!

SNUF. (Zijn staart in de hand.) Die klok bedoel je, meester!?

SATAN. Die klok bedoel ik, Snuf. Die klok, die met haar vermaledijd geklep de menschen er van terughoudt, hun zielen te verkoopen aan .... den duivel. Die klok, die hun in deze dagen slag op slag vertelt: „De Kerstman komt ..... weest braaf .... De Kerstman komt ....!” Of, als het Zondag is: „Op, menschen, naar de kerk; het is de dag des Heeren; legt alle werk thans neer; staakt al dat ijveren, dat slechts een ijdel doel heeft; ’t is Zondag; sluit nu de handen vroom ineen ....” Die klok, die iederen avond wijd en zijd over de landen roept: „De avond komt! De avond komt! Het werk is nu gedaan; thans is het tijd van bidden. Bidt, menschen, bidt! Bidt voor je zaligheid, waakt voor den duivel ....”—(Uitbarstend:) Vervloekt!

SNUF. (Grinnikt.) Meester, ik geloof, dat je gelijk hebt! Als we die klok in onze macht hebben, zullen we zieltjes kunnen grabbelen als appels na een najaarsstorm! Maar hoe krijgen we haar?

SATAN. De klokkeluider moet ze ons verkoopen.

SNUF. Ai! Die klokkeluider, Hans, is een brave Hans, meester! Daar valt geen woordje mee te praten. Hij zal ons zijn klok niet verkoopen, voor geen zak met goud en voor al onze duivelsche schatten niet!

SATAN. (Driftig, starend:) Spreek me niet tegen, Snuf! Te lang heb ik het plan gekoesterd in ’t verborgen van mijn duivelshart; nu is het van mijn giftig bloed verzadigd en wil de wereld in!

SNUF. (Kruipt tegen zijn meester aan. Met duivelschen blik rondloerend:) Stil, ik weet misschien een weg, meester. Een achterweg, die, kronkelend, toch recht het doel ingaat.

SATAN. Ik hou van kronkelwegen, Snuf. Wijs hem mij, dien kronkelenden achterweg.

SNUF. (Fluisterend:) Cherchez la femme!

SATAN. (In spanning:) Ah! Wie bedoel je?

SNUF. Er is in de stad een herberg, meester ....

SATAN. „De drij Coninghen”?

SNUF. „’t Swaentjen”!

SATAN. Kasper’s herberg.

SNUF. En Kasper heeft nòg een zwaantje! Véél blanker dan het zwaantje op zijn herbergsschild.

SATAN. Een dochter?

SNUF. Gaaike is haar naam!

SATAN. En die klokkeluider is verliefd op haar?

SNUF. De wereld is voor hem een zee, die hij Gaaike noemt! En daarin tolt hij rond .... als een dronken haring. Als we ons netje goed uitwerpen, zwemt hij er regelrecht in!

SATAN. Vertel op, Snuf, moet zij van hem ook zooveel hebben?

SNUF. (Wijsneuzig-schrander:) Als ik goed zie, is hij voor haar .... een haring! Smaakt niet kwaad .... maar zalm smaakt beter!

SATAN. (Met voorpret:) Wie is die .... zalm, Snuf?

SNUF. (Grinnikend:) Herinner je je nog, meester, dat er vorige Kerstmis een rijke sinjeur in een koets door het stadje getrokken is?

SATAN. Was het geen graaf, Snuf?

SNUF. In elk geval heeft men het gedacht, en dat is voldoende voor onzen .... kronkelenden achterweg! Geen mensch twijfelt aan zijn graventitel. Op zijn koets stond een wapen; de palfrenier zei zus en zoo en dat hij meer zei dan hij zeggen mocht ....

SATAN. (Peinzend:) Die palfrenier was nog zoo dom niet, Snuf. Neem daar een voorbeeld aan. Spreek nooit in volle zinnen, breek onderweg je woorden af .... de wereld loopt vol ezels, die blij zijn, als ze er een slot aan mogen balken!

SNUF. (Grinnikend:) Nu, die snuiter heeft in Kaspers herberg overnacht, en toen hij den volgenden morgen weer in zijn koets stapte, heeft hij Gaaike een kuske op haar kleine handje gegeven, en daarvan is dat malle zottinnetje overstuur geraakt en ze is zich gaan inbeelden, dat een graaf haar nog eens naar het altaar zal voeren om haar zijn hand en zijn kasteel te bieden!

SATAN. Ik zie wel kronkelingen, maar nog geen weg, Snuf.

SNUF. Luister! Dien graaf, dien vreemden graaf .... laten we terugkomen!

SATAN. Hoe wou je dien hier naar toe sleepen, Snuf?

SNUF. (Geheimzinnig:) Stil! Het is voldoende, als Gaaike maar dènkt, dat hij komt! We schrijven haar een brief, een mooien brief .... met een adellijk zegel er achterop!

SATAN. Aha!

SNUF. (IJverig:) „Lieve Gaaike! Een graaf komt je halen om je tot zijn gravinnetje te maken! Ga in den toren, Gaaike, ga in den toren .... hi—hi—hi! en zie naar hem uit ....!”—En dien brief steek ik vanavond tegen den tijd, dat ze naar haar witgespreide bedje gaat, in den rand van haar spiegeltje. Daar zal ze hem vinden,—want ze is een meisje! Goed. Morgen gaat ze den toren in om naar hem uit te zien. Hans, de klokkeluider, zit daar ook den heelen dag te koekeloeren, en hij zal denken, dat Gaaike om hèm de driehonderdzevenenzeventig treden van de torentrap is opgeklauterd! Intusschen laten wij onze beste koets keurig oplakken, blauw met goud, zetten er een kroon boven op, schilderen een wapen op de portieren .... de verf zal nog nat zijn, maar de graaf, die er in zal komen te zitten, is toch ook nog niet droog achter de ooren wat zijn graafschap betreft!

SATAN. Snuf, je bent een schrandere bol. Wien nemen we als koetsier en als palfrenier?

SNUF. Daar nemen we Lummel en Rakker voor. Die hebben zich, voor ze bij ons in dienst kwamen, bij graven en baronnen rijk gestolen en dus goede manieren verworven. We trekken hun een livrei aan, een beetje lang van snit, dat hun staarten niet zoo aan het licht komen. Nu, de koets rijdt op een teeken van ons recht op de stadspoort aan. Daar boven in den toren wordt ze opgemerkt; Gaaike ziet haar brief bewaarheid; Hans is jaloersch, en met iemand, die jaloersch is ....

SATAN. .... heeft de duivel makkelijk spel! Snuf, breng me pen en inkt!

SNUF. Ik vlieg, meester! (Hij trekt aan de schel der helle, bonst ten overvloede met een vuist op de deur.) Open! Doe open!

HELLEWACHTER. (Opent het tralie-venstertje in de deur. Gegil en gekrijsch dringt weer naar buiten door. Fel-rood licht beschijnt den woesten duivelskop van den hellewachter, die zich in het bezit van ferme horens, slagtanden en groote, rollende oogen verheugt.) Wat moet je, schrale sprinkhaan?!

SNUF. Pen, inkt, briefpapier met lak en tondeldoos, vette galblaas!

HELLEWACHTER. Waar moet het voor dienen, schobberig scharminkel?

SNUF. Vraag dat aan je grootje, gemest varken!

SATAN. Stil!—Zeg maar, dat ze het boeken onder „Zielevangst”!

HELLEWACHTER. Geduld. (Hij slaat het venstertje dicht.)

SNUF. (Ziet naar rechts.) Meester! Daar komt me waarlijk in levenden lijve Kerstmannetje aansukkelen, met dat vod van een dienaar achter hem aan!

SATAN. Laten we ons verbergen, Snuf! (Hij springt achter een boom weg.)

SNUF. (Verbergt zich achter een anderen boom.)

KERSTMANNETJE EN BOF. (Komen van rechts op. Kerstmannetje is niet groot, weldoorvoed en draagt een roode pij met bont afgezet, een bontmuts met een takje hulst als versiering, en zijn beenen steken in wijde kappen. In de hand een lantarentje. Vriendelijk, blozend gezicht met borstelige, grauwe wenkbrauwen, zilverwitte haren en een dito ronden baard. Bof, zijn dienaar, mag niet tot de snuggersten behooren; zeker is het, dat er geen kwaad haar op zit. Hij torst op den rug een zak, waaruit kinderspeelgoed en een kerstboompje komt kijken.)

KERSTMANNETJE. Die klok heeft ons goed geleid, Bof! Kijk, daar zie ik den toren al.

BOF. Den toren, meester? (Hij kijkt naar boven).

KERSTMANNETJE. Niet daarboven, Bof. Recht vooruit.

BOF. (Volgt met zijn oogen de richting, die Kerstmannetje aanduidt.)

KERSTMANNETJE. Zie je hem nu?

BOF. Ik kan niets zien, meester: ik heb tegen de kou mijn muts over de ooren getrokken. Maar ik hoef den toren ook niet te zien; als jij hem maar ziet, is het toch voldoende?

KERSTMANNETJE. (Snuivend en knikkend:) Ja—ja. Kom, ik zal mijn lantaren eens aansteken; ’t wordt donker, en jij zou kunnen struikelen met dien zwaren zak op je rug. Zal ik hem eens van je overnemen, Bof?

BOF. Hij is zoo zwaar niet, meester. Als ik bedenk, hoeveel gezichten er nog vroolijk zullen kijken om wat er in dien zak zit, dan komt hij me zoo licht voor, alsof ik hem mijn leven lang zal kunnen dragen. Maar steek de lantaren maar aan, meester, want jij zou over een verborgen wortel kunnen struikelen.

KERSTMANNETJE. (Steekt zijn lantaren aan. Het gaat niet zoo makkelijk, want hij moet zich met een tondeldoos behelpen.) Verborgen wortels .... dat zijn de gevaarlijkste, Bof. Ik zou het den menschen altijd wel opnieuw willen zeggen: „Pas op de verborgen wortels ....! Er zijn twee paden in het leven. Het eene is niet altijd mooi geëffend; soms is het mul, soms is het steenig, soms gaat het maanden lang door barre zon, door koude, regen, hagelbuien .... Maar de grond is betrouwbaar,—men weet waar men staat. Het andere pad biedt koele schaduw als het warm is, en beschutting, wanneer de sneeuwjacht op witte rossen door de velden raast. Maar neem je in acht .... er zijn verborgen wortels ....!” (Hij heeft de lantaren aangekregen en heft haar omhoog.) Zie, Bof, hoe voor het licht het duister vluchten moet. Zoo duister kan een duistere nacht niet zijn, of het kleinste lichtje scheurt zijn kleed uiteen. (Naar boven ziend, naar zijn brandend lantarentje:) Het licht der waarheid is een klein, maar stevig barkje; geen woelige zee kan het verzwelgen, al raast een storm van laster ook gierend door het want, al kruiven zich de golven leugens nog zoo hoog ....!—Kom, laat ons verder gaan. Die klok daarginds roept ons zoo vriendelijk en vertrouwelijk, alsof ze zeggen wilde: Kom hier! Hier is het goed! En warm! Hier wonen vrienden!

BOF. Als die klok ons niet op het goede pad gehouden had, meester, waren we, met die versneeuwde wegen, nog verdwaald!

KERSTMANNETJE. Ja, we mogen dien klokkeluider wel dankbaar zijn! We zullen hem eens opzoeken. Heet hij niet: Hans?

(Hij gaat links het tooneel af, moeizaam stappend door de sneeuw.)

BOF. Ik geloof het wel, meester. Als hij niet Hans heet, heet hij Jozef, of: Gijs, of: Cornelis, of iets wat daarop lijkt. (Volgt Kerstmannetje het tooneel af.)

SNUF. (Springt achter den boom te voorschijn. Hij heeft zich al moeilijk genoeg in bedwang gehouden. Woedend:) Die loopen me rakelings langs de hel en merken het niet eens!

SATAN. Ze zullen merken, dat ze er nog is, Snuf! Overigens bevalt het me niet, dat ze van dien klokkeluider hebben gesproken.

SNUF. We zullen zien wie het wint, meester: ons briefje en onze mooie, adellijke koets, of .... (Beukt op de helledeur.) Doe dan toch open!

(Het venstertje opent zich, en de verlangde zaken worden aan Snuf verstrekt.)

SNUF. Een veer, een kaars, lak, een omslag, inkt, papier .... Als je nu nog even licht maakt ....?

HELLEWACHTER. (Spreekt een tooverwoord uit:) Mykrasjka!

(De lantaren boven gaat aan.)

SNUF. (Bukt zich voor Satan.) Als Uw Edelheid mijn rug voor lessenaar zou willen nemen ....?

SATAN. (Schopt hem onder het zitvlak). Laten we voor het schrijven van dien brief een plekje zoeken waar het warmer is, Snuf! Hier zouden er weinig meer dan hanepooten op het papier komen!

SNUF. Je hebt gelijk, meester, brrrrrr! (Zoekt troost bij zijn fleschje.)

SATAN. Neem de boel maar mee. Snap jij, Snuf, wat de lui voor aantrekkelijks vinden aan zoo’n klok?

SNUF. Ik? Ik word er katterig van. Als we haar gekocht hebben,—in het moeras er mee!

SATAN. Nog beter, Snuf! We hangen haar in de hel op, boven de vlammen; dan kunnen de brandende zieltjes er zich aan verlustigen.

SNUF. En als Kerstmannetje het gelui bij ons hoort, neemt hij misschien nog wel eens een kijkje in de hel!

SATAN. Als hij eenmaal binnen was, Snuf, bij de giftige tong van m’n moêr, hij kwam er niet meer uit!

SNUF. Dan aan het werk, meester!

SATAN. Kom mee!

(Beiden af.)

HET SCHERM VALT

TWEEDE TAFEREEL

(In den klokketoren.)

(Het tooneel is klein. In het midden bevindt zich een trap, die omlaag leidt. Dieper in den fond een trapje, dat nog hooger gaat,—in den torenzolder. Er zijn diepe nissen met galmgaten, waardoorheen men in een grijsrooden avondhemel kijkt. Boven het tooneel hangt de groote klok, waarvan alleen de onderkant met den klepel te zien komt. Het klokketouw hangt er naast. De toren is van ruwe steen.)

(Als het scherm opgaat, zit Hans, de klokkeluider, in een der galmgaten en tuurt naar buiten. Hij draagt een grijzen mantel los over de schouders, een bruine kiel, hier en daar versteld, een grijze kuitbroek en lage schoenen met gespen. Peinzende oogen, fijn gebouwd lichaam.)

HANS. (Mijmerend, starend in de wolken:) Wolken! Jullie bent als onvervulbare wenschen, onbereikbaar hoog drijvend op vleugelen van den luimigen wind. Waar komen jullie vandaan, waar ga je heen? (Dan, zacht verlangend:) Gaaike .... Gaaike .... Gaaike .... Kom bij mij, Gaaike .... Mijn toren is van ruwen steen, maar de vensters zijn kostbaar! Kom bij mij, Gaaike .... Gaaike!

(Achter het tooneel klinkt een duivelslachje.)