Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 38
„Neen, neen, kolonel! wij zijn maar eenvoudige landlieden. Ik wilde evenwel gaarne hooren, dat den kapitein wat goeds te beurt viel, en ik ben overtuigd dat alles goed zal gaan, als Mijnheer Pleydell de zaak op zich neemt.”
„Gij hebt gelijk, Dandie,” sprak Pleydell. „Maar zwijg nu stil. – Welaan, eindelijk zit gij allen. Nu een glas wijn, voor dat ik geregeld begin te ondervragen. – En nu,” vervolgde hij, zich tot Bertram wendende, „weet gij, wie of wat gij zijt?”
In spijt van zijne verlegenheid, kon Bertram zich bij deze vraag niet van lachen onthouden en antwoordde; „waarlijk Mijnheer, vroeger dacht ik dat ik het wist; maar ik moet bekennen dat sedert kort zekere omstandigheden twijfelingen in mij opgewekt hebben.”
„Zeg ons dan, waarvoor gij u voorheen gehouden hebt.”
„Ik hield mij voor Van Beest Brown en noemde mij zoo. Ik heb als kadet, of vrijwillige, onder den kolonel Mannering gediend, toen hij bevel voerde over het ** regiment dragonders en als zoodanig was ik niet onbekend hij hem.”
„Deze verklaring moet ik bevestigen” hernam de kolonel, „en voeg er bij hetgeen zijne bescheidenheid hem verbood te zeggen, dat hij zich als een bekwaam en moedig mensch onderscheiden heeft.”
„Des te beter, waarde kolonel! maar dit behoort tot de algemeene eigenschappen. – De heer Brown moet ons zeggen waar hij geboren is.”
„In Schotland geloof ik; maar de plaats kan ik niet bepalen.”
„Waar opgevoed?”
„In Holland.”
„Herinnert gij u ook iets uit uwe vroegste jeugd, vóor dat gij Schotland verlaten hebt?”
„Zeer onvolkomen. Ik herinner me echter duidelijk, – en deze indruk is door de daarop volgende harde behandeling misschien des te dieper in mijne ziel gegrift – dat ik in mijne kindsheid een voorwerp van liefderijke zorg en toegenegenheid was. Ik heb nog eene flauwe herinnering aan een vriendelijken, goedaardigen man, dien ik vader noemde, en aan eene ziekelijke vrouw, die zonder twijfel mijne moeder was; het zijn evenwel enkel donkere, verwarde beelden, die mij voor den geest zweven. Ik herinner mij ook nog een lang, mager, in het zwart gekleed’ man, die mij lezen leerde en met mij ging wandelen, en ik geloof dat hij juist in de laatste oogenblikken”–
Hier kon Sampson zich niet langer bedwingen. Terwijl ieder woord, dat Bertram sprak, hem overtuigde dat de zoon van zijn weldoener vóor hem stond, had hij met de uiterste inspanning zijne hevige aandoeningen onderdrukt; toen Bertram echter van zijn leidsman en leermeester begon te spreken, moest hij zijn gevoel lucht geven. Hij stond eensklaps op en riep, met gevouwene handen, bevende van ontroering en met tranen in de oogen, uit: „Hendrik Bertram! zie mij aan! was ik die man niet?”
„Ja!” riep Bertram en sprong van zijn stoel op, alsof er plotseling een licht in zijne ziel opgegaan was; „ja, dat was mijn naam! en dit is de stem en de gestalte van mijn goeden ouden leermeester!”
„Sampson wierp zich in zijne armen, drukte hem, snikkende van verrukking, duizend malen aan zijn hart, tot hij eindelijk zijn overkropt gevoel lucht gaf en luide begon te weenen. Mannering was hevig aangedaan. Pleydell was niet minder bewogen en wischte de glazen van zijn bril af, en de goedhartige Dinmont riep snikkende uit: „Dat is een drommelsche vent; hij maakt waarlijk dat ik doen moet, wat ik sedert den dood mijner oude moeder niet gedaan heb.”
„Komt, komt!” riep Pleydell eindelijk, „Stilte voor het gerechtshof! Wij hebben met eene listige tegenpartij te doen. Wij moeten geen tijd verliezen. Ik vertrouw, dat er voor het aanbreken van den morgen nog wel iets te doen zal zijn.”
„Ik zal een paard laten zadelen, als gij het verkiest,” hernam de kolonel.
„Neen, neen! tijds genoeg, tijds genoeg! – Maar hoor, dominé! ik heb u behoorlijk tijd gegeven om uw gevoel te uiten. De tijd is nu verstreken; gij moet mij mijn onderzoek ongestoord laten voortzetten.”
Sampson, die gewoon was ieder die hem bevelen verkoos te geven te gehoorzamen, zonk weder op zijn stoel neder. Hij spreidde zijn zakdoek over zijn gelaat en scheen, naar zijn gevouwen handen te oordeelen, een stil dankgebed ten hemel op te zenden. Soms sloeg hij den doek voor de oogen weg, alsof hij zich overtuigen wilde dat de aangename verschijning niet verdwenen was, en verzonk dan weder in stille verzuchtingen, tot dat eenige belangrijke vragen van Pleydell zijne aandacht weder trokken.
„En nu,” zeide Pleydell, nadat hij Bertram nog verscheidene vragen, zijne vroegste jeugd betreffende, gedaan had – „en nu Mijnheer Bertram, want ìk geloof dat wij u in het vervolg bij uw eigen naam moeten noemen, verhaal ons nu alles wat gij u van de wijze waarop gij Schotland verlaten hebt, kunt herinneren.”
„Waarlijk, het verschrikkelijke van dien dag is wel onuitwischbaar in mijn geheugen geprent, maar de angst zelf, welken dit tijdstip zoo diep in mijne ziel gegrift heeft, is waarschijnlijk oorzaak dat de bijzonderheden mij slechts duister en verward voor den geest zweven. Ik herinner mij nochtans dat ik ergens wandelde, ìn een bosch geloof ik –”
„O ja in het bosch van Warroch, mijn zoon!” riep Sampson.
„Stil, Mijnheer Sampson!” hernam Pleydell.
„Ja, het was in een bosch en er was iemand bij mij – deze goedhartige man, geloof ik.”
„O ja, ja Hendrik! God zegene u! Ik was het zelf.”
„Zwijg toch dominé! en stoor ons niet,” hernam Pleydell. Hierop wendde hij zich tot Bertram en sprak: „Ga voort, bid ik u!”
„Vervolgens zat ik, even als bij een snelle verandering in een droom, voor mijn leidsman te paard, geloof ik.”
„Neen, neen!” riep Sampson uit, „nooit heb ik ik mij zelven en veel minder u aan zulk een gevaar blootgesteld.”
„Op mijn woord, dat is onverdragelijk!” hernam Pleydell. „Hoor, dominé! als gij nog één woord spreekt, voor dat ik u verlof geef, dan lees ik drie spreuken uit het Zwarte Boek, zwaai mijn staf driemalen over mijn hoofd, vernietig het geheele tooverwerk van dezen nacht en verander Hendrik Bertram weder in Van Beest Brown.”
„Ik verzoek nederig om verschooning, Mijnheer!” hernam Sampson; „het was slechts verbum volans.” [29]
„Nu, nolens volens, [30] gij moet u stil houden.”
„Wees stil, Mijnheer Sampson! bid ik u,” hernam de kolonel, „het is voor uw wedergevonden vriend van het uiterste belang, dat gij den heer Pleydell zijne ondervraging ongehinderd laat voortzetten.”
„Ik zal stom zijn,” antwoordde Sampson onthutst.
„Plotseling,” vervolgde Bertram, „sprongen er twee of drie mannen op ons los en scheurden ons van het paard. Ik kan mij verder niets herinneren dan dat ik onder een hevig gevecht poogde te ontvluchten en eene zeer groote vrouw, die onverwachts uit de struiken te voorschijn kwam en mij eenigen tijd onder hare bescherming nam, in handen viel. Al het overige komt mij als, een bange, verwarde droom voor. Ik heb nog een flauwe en duistere herinnering aan een zeestrand, aan een hol en aan een sterken drank, die mij in een langen en diepen slaap deed vallen. Dan is er eene groote gaping in mijne herinneringen, tot dat ik mij als een mishandelden, half verhongerden kajuitsjongen op een schip, en vervolgens in Holland als schoolknaap, onder de bescherming van een koopman, die genegenheid voor mij opgevat had, in mijn geheugen wedervind.”
„En wat verhaalde deze man u van uwe afkomst?”
„Zeer weinig, en hij beval mij niet verder te vragen. Men gaf mij te verstaan, dat mijn vader, aan den smokkelhandel op de oostkust van Schotland deel genomen had en in een gevecht met de tolbedienden gesneuveld was; dat zijne vrienden in Holland destijds juist een schip aan de kust gehad hadden, en dat een gedeelte van het scheepsvolk in hetzelfde gevecht gewikkeld geweest was en mij, daar ik door den dood van mijn vader ouderloos geworden was, uit medelijden medegenomen had. Toen ik ouder werd, vond ik in dat verhaal veel, dat ik met mijne eigene herinneringen niet kon overeenbrengen; maar wat kon ik doen? Ik had geen middel om zekerheid omtrent mijne twijfelingen te bekomen, en geen vriend aan wien ik ze mededeelen en met wien ik er over spreken kon. Het overige van mijne geschiedenis is den kolonel Mannering bekend. Ik ging naar Indië en werd kantoorbediende bij een Hollandsch handelshuis, dat spoedig hierop in verval geraakte. Nu ging ik tot den krijgsdienst over en hoop dezen stand geene oneer aangedaan te hebben.”
„Gij zijt een wakkere jongen, voor wien ik wel borg wil blijven” zeide Pleydell. „Ik wenschte van harte dat ik zelf bij u aanspraak op den naam van vader, welke zoo langen tijd vreemd voor u geweest is, kon maken. Maar die twist met den jongen Hazlewood. –”
„Was enkel toeval,” sprak Bertram. „Ik reisde voor mijn genoegen in Schotland, en na een verblijf van acht dagen bij mijn vriend Dinmont, dien ik het geluk had toevallig te leeren kennen –”
„Het was een geluk voor mij,” viel Dinmont hem in de rede. „De drommel! een paar landloopers hadden mij zonder genade de hersenen ingeslagen, indien hij hen niet op het lijf gevallen was.”
„Kort nadat wij in het stadje ** van elkander gescheiden waren, werd ik op den weg naar Kippletringan door roovers van mijn reisgoed beroofd. Gedurende mijn verblijf in dit dorp ontmoette ik den jongen Hazlewood toevallig. Ik naderde om Juffrouw Mannering, die ik in Indië gekend had, te begroeten; maar Mijnheer Hazlewood, die mij waarschijnlijk naar mijne slechte kleeding beoordeelde, beval mij op hoogen toon mij te verwijderen, en gaf aanleiding tot den twist, waarbij ik het ongeluk had de toevallige oorzaak van zijne verwonding te zijn; – En nu, Mijnheer, – nu ik alle uwe vragen beantwoord heb –”
„Neen, neen, nog niet alle,” hernam Pleydell, listig glimlachende; „ik heb nog eenige vragen, welke ik tot morgen zal uitstellen: want het is, geloof ik, tijd de zitting voor heden nacht, of liever dezen morgen, te sluiten.”
„Ik heb, om mij dan juister uit te drukken, alle vragen, welke gij voor het tegenwoordige wildet doen, beantwoord, Mijnheer, – wilt gij nu ook wel de goedheid hebben, mij te zeggen wie gij zijt, waarom gij zoo veel belang in mijne zaken stelt en voor wien gij mij houdt, daar mijne aankomst zoo vele beweging veroorzaakt heeft?”
„Wel, Mijnheer, ik ben Paulus Pleydell, een advocaat uit Edinburg. Wie gij zijt, kan ik op dit oogenblik nog niet zoo bepaald zeggen: maar binnen korten tijd hoop ik u als Hendrik Bertram, vertegenwoordiger van een der oudste geslachten in Schotland en erfgenaam van de heerlijkheid Ellangowan, met alle hare aanhoorigheden, te kunnen geluk wenschen. – Ja,” vervolgde hij, de oogen sluitende en tot zich zelven sprekende, „wij moeten zijn vader voorbijgaan en hem als den erfgenaam van zijn grootvader Lodewijk laten optreden, die de stichter van het fideicommis en tevens de eenige verstandige man in zijn geslacht was, van wien ik ooit gehoord heb.”
Allen waren opgestaan om zich ter rust te begeven. Nu trad Mannering naar Bertram toe, die hoogst verwonderd over Pleydell’s woorden stond en zeide: „Ik wensch u geluk met de uitzichten, welke het geluk voor u geopend heeft. Ik was reeds vroeg een vriend van uw vader, en het toeval bracht mij even onverwachts in den nacht, waarin gij geboren zijt, in het slot Ellangowan, als gij thans in mijn huis gekomen zijt. Ik wist hier niets van, – toen, maar ik vertrouw, dat alles wat tusschen ons voorgevallen is, vergeten en vergeven zal zijn. Geloof mij, uwe verschijning als de heer Brown heeft mij van het smartelijkste gevoel, dat onophoudelijk mijn hart bezwaarde, bevrijd, en uw recht op den naam van een ouden vriend maakt uwe tegenwoordigheid als de heer Bertram, dubbel aangenaam.”
„En mijne ouders?” vroeg Bertram.
„Zijn beiden dood – en het eigendom van uw geslacht is verkocht, doch zal, hoop ik, weder te verkrijgen zijn. Alles, wat in mijne macht staat en dienen kan om uwe rechten te doen gelden, bied ik u van ganscher harte aan.”
„Neen, dat moet gij aan mij overlaten,” hernam Pleydell; „dat behoort tot mijn vak. Dat zal een heerlijke zaak voor mij zijn!”
„Ik weet wel,” zei Dinmont nu, „dat het mij en mijns gelijken niet past, zulke heeren, als gij zijt, in de rede te vallen; maar als geld den kapitein bij zijne zaak kan helpen, en men zegt immers, dat processen nooit goed gaan zonder geld –”
„Behalve des Zaterdagsavonds,” merkte Pleydell aan.
„Ja, maar als gij geen geld wilt hebben, dan neemt gij de zaak ook niet aan; dus zal ik u nooit weder op een Zaterdag lastig vallen; – maar ik wilde zeggen dat ik geld op zak heb, dat zoo goed als des kapiteins eigendom is. Mijne Ailie en ik hebben het ten minste altijd zoo beschouwd.”
„Neen, neen, Liddesdaller! het is volstrekt niet noodig. Bewaar uw geld en koop vee voor uwe landerijen.”
„Vee voor mijne hoeve? Mijnheer Pleydell! gij hebt kennis van vele dingen, maar Charlies-hope kent gij niet. Wij zijn zoo ruim van vee voorzien, dat wij jaarlijks, vel en vleesch te zamen, wel voor zes honderd pond sterling verkoopen.”.
„Kunt gij dan geene andere hoeve pachten?”
„Dat weet ik haast niet. Er worden niet dikwijls hoeven verpacht en de hertog wil niet gaarne oude pachters verstooten; en buitendien ben ik de man niet, om rond te sluipen en mijne buren in hun pachtgeld te overbieden.”
„Ook uw buurman niet van Dawstoncleugh – Devilstone – of hoe heet de plaats?”
„Hoe, Jock van Dawstoncleugh? Neen waarlijk niet. Hij is wel een vervloekte stijfkop, en wij hebben reeds dikwijls over de scheiding van ons land getwist; maar de duivel zal mij halen, als ik hem onrecht aandoen wilde.”
„Gij zijt een brave kerel,” hernam Pleydell. „Ga nu naar bed. Ik verzeker u, dat gij geruster slapen zult dan menig man, die een geborduurden rok uittrekt en zijn hoofd met eene kostbare slaapmuts bedekt. – Kolonel, ik zie dat gij met onzen waarden vondeling diep in gesprek gewikkeld zijt; maar uw Barnes moet mij om zeven uren wekken, want mijn knecht is een rechte slaapkop en mijn klerk Driver heeft zich uw bier zonder twijfel maar al te goed laten smaken. Juffrouw Allan heeft hem beloofd dat zij hem goed zou verzorgen, en zij zal spoedig genoeg ontdekt hebben, wat hij daaronder verstaat. Goeden nacht, kolonel – goeden nacht, dominé Sampson – goeden nacht, eerlijke Dinmont – goeden nacht eindelijk, nieuw gevonden vertegenwoordiger der Bertrams, der Mac-Dingawaies, der Knarths, der Arths, der Godfrieds en der Rolands en, wat de laatste en beste naam van allen is, erfgenaam van de heerlijkheid Ellangowan met alle aanhoorigheden, volgens de bepalingen van Lodewijk Bertram, wiens vertegenwoordiger gij zijt.”
Met deze woorden nam de oude heer zijn licht en begaf zich naar zijne slaapkamer. Het overige gezelschap volgde zijn voorbeeld, nadat Sampson zijn „kleinen Hendrik Bertram,” zoo als hij den zes voet langen jongen krijgsman noemde, nog eenmaal omhelsd en aan zijn hart gedrukt had.
EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
– Mijne verbeelding Is geheel met hem vervuld, Ik ben te grond gericht, ik sterf terstond, Als Bertram wegblijft.
Einde goed alles goed.
Op het bepaalde uur zat de onvermoeide Pleydell reeds in een gestikten zijden slaaprok, met eene fluweelen muts op het hoofd, bij een goed vuur, met een paar waskaarsen vóor zich op de tafel, en was ijverig bezig zijne papieren, betrekkelijk den moord van Frans Kennedy, na te zien. Er was ook reeds een renbode naar Mac-Morlan gezonden, om dezen te verzoeken, zoo spoedig mogelijk te Woodbourne te komen, waar eene gewichtige zaak zijne tegenwoordigheid vorderde. Dinmont, die door de gebeurtenissen van den vorigen avond zeer vermoeid was, en het onthaal te Woodbourne oneindig beter vond dan zijn verblijf bij Mac-Guffog, maakte volstrekt geene haast om op te staan. Bertram zou, bij zijn brandend ongeduld, wel vroeger zijne slaapkamer verlaten hebben; maar de kolonel had hem bij het naar bed gaan beloofd, hem op zijne kamer een bezoek te brengen, dat hij dus moest afwachten. Hij was, op bevel van den kolonel, door Barnes van al het noodige tot eene behoorlijke kleeding voorzien en reeds lang klaar, vóor dat zijn gastheer, wien hij met ongeduld wachtte, zich bij hem liet aanmelden.
Eindelijk verscheen de kolonel en had een langdurig en openhartig gesprek met Bertram. Zij hielden evenwel ieder elk eene zaak geheim. Mannering kon het niet over zich verkrijgen, van zijne sterrewichelarij te spreken, en Bertram zweeg, om gemakkelijk te raden redenen, over zijne liefde tot Julia. In alle andere opzichten was hun onderhoud openhartig en aangenaam voor beiden, en de toon van den kolonel werd op het laatst zelfs hartelijk. Bertram mat zijn gedrag zorgvuldig naar dat van zijn gastheer af, en scheen de aangeboden vriendelijkheid eer met dank en voldoening aan te nemen dan daarom te smeeken.
Lucie Bertram zat reeds in de ontbijtkamer, toen Sampson, met een opgeruimden glimlach op het gelaat, binnentrad. Dit was eene zoo groote zeldzaamheid, dat Lucie in het eerst dacht, dat iemand den goeden man iets op de mouw gespeld en hem daardoor in deze verrukking gebracht had. Nadat hij eenigen tijd met rollende oogen en gapenden mond gezeten had, brak hij eindelijk het stilzwijgen af en zeide: „En wat denkt gij van hem, Juffrouw Lucie?”
„Van wien toch, Mijnheer Sampson?”
„Van Hend – neen – van hem, dien gij reeds kent.”
„Dien ik reeds ken?”
„Ja, gij hebt hem reeds gezien – van den vreemdeling, die gisteren avond met het rijtuig gekomen is, die den jongen Hazlewood gekwetst heeft – ha, ha, ha!” barstte de dominé uit met een schaterlach, die op een paardengehinnik geleek.
„Waarlijk, Mijnheer Sampson, gij hebt een vreemd onderwerp voor uwe scherts gekozen! – Ik denk niets van dezen man; ìk hoop slechts, dat de verwonding toevallig geweest is en dat wij niet voor eene herhaling behoeven te vreezen.”
„Toevallig! ha, ha, ha!” brulde weêr Sampson.
„Wezenlijk, Mijnheer Sampson,” zeide Lucie eenigszins geraakt, „gij zijt heden morgen buitengewoon vroolijk.”
„Ja zeker, dat ben ik, ha, ha, ha! en grappig er bij, ha, ha, ha!”
„Zoo ongemeen grappig, dat ik liever de oorzaak van uwe vroolijkheid kennen, dan enkel getuige van de uitwerkselen van uwe opgeruimdheid wilde zijn.”
„Gij zult alles weten, Lucie! Herinnert gij u uw broeder nog?”
„Goede Hemel! hoe kunt gij mij dit vragen? Niemand weet beter dan gij, dat hij op den dag, waarop ik geboren ben, verdwenen is.”
„Zeer waar, zeer waar,” antwoordde Sampson en werd treurig bij deze gedachte, „Hoe kon ik dit ook vergeten? ja, ja! maar al te waar! Maar herinnert gij u uwen waardigen vader nog?”
„Zoudt gij daaraan twijfelen, Mijnheer Sampson? Er zijn nog niet zeer vele weken verloopen, sedert –”
„Waar, waar – ja, maar al te waar. Ik zal bij deze herinneringen niet meer schertsen. – Maar zie dezen jongen man aan!” – Bertram trad op dit oogenblik de kamer binnen. – „Ja, zie hem goed aan. Hij is uws vaders levend evenbeeld; en daar de hemel u uwe beste ouders ontnomen heeft – o mijne kinderen, hebt elkander lief.”
„Ja, het zijn mijns vaders trekken; het is zijne gestalte,” riep Lucie, verbleekende. Bertram sprong toe, om haar te ondersteunen. Sampson haalde water, dat hij, in zijne haast, uit de kokende theeketel kreeg, om haar in het gezicht te sprengen. Maar gelukkig kwam Lucie vroeg genoeg weder bij en werd dus voor de aanwending van dit kwalijk gekozen middel bewaard.
„Ik bezweer u, Mijnheer Sampson,” sprak zij met eene bevende, doch plechtige stem, „is dit mijn broeder?”
„Ja, dat is hij, dat is hij. Het is mijn kleine Hendrik Bertram, zoo zeker als Gods zon aan den hemel staat.”
„En dit is mijne zuster?” riep Bertram met verrukking uit, en gaf zich geheel aan het gevoel van broederlijke genegenheid over, dat, bij gebrek van een voorwerp waarop het zich vestigen kon, zoo lang in zijn hart gesluimerd had.
„Ja, zij is uwe zuster, Juffrouw Lucie Bertram, die gij, door mijne geringe pogingen, volkomen bedreven zult vinden in de talen van Frankrijk, van Italië en zelfs van Spanje, als mede in het lezen en schrijven van hare moedertaal, in het rekenen en in het gewone Italiaansche boekhouden. Van hare bekwaamheden in vrouwelijke handwerken en het bestuur der huishouding (die zij nochtans, ik moet dit zeggen, om een’ ieder’ het zijne te geven, niet van mij, maar van de huishoudster geleerd heeft) wil ik niet spreken. Ook beroem ik mij niet op hare vlugheid in het bespelen der muziekinstrumenten, daar zij dit grootendeels aan het onderricht van eene achtenswaardige, deugdzame, zedige, doch met dat al zeer levenslustige jonge dame, Mejuffrouw Julia Mannering, te danken heeft. Suum cuique tribuito.” [31]
„Gij zijt dan de eenige, die mij overblijft,” sprak Bertram ontroerd tot zijne zuster, „De kolonel heeft mij uitvoerig de ongelukken van onze familie verhaald; maar mij niet gezegd, dat ik hier mijne zuster zoude vinden.”
„Dat liet hij aan dezen braven man over; aan dezen goeden en getrouwen vriend, die mijn vader in zijne langdurige ziekte oppaste en vertroostte, die hem zag sterven en mij, arme wees, zelfs onder de hardste slagen van het noodlot niet wilde verlaten.”
„God zegene u daarvoor!” zeide Bertram bewogen en drukte Sampson de hand. „Gij verdient de liefde, waarmede ik altijd zelfs het schaduwbeeld, dat mij uit mijne kindsheid van u bijgebleven is, vereerd heb.”
„En God zegene u beiden, mijne waarde kinderen!” hernam Sampson. „Ware het niet om u geweest, ik zou gaarne (indien het den Hemel behaagd had) mijn hoofd naast mijn weldoener in het stille graf nedergelegd hebben.”
„Maar ik hoop, en heb grond te hopen,” vervolgde Bertram, „dat wij betere dagen beleven zullen. Al ons geleden onrecht zal hersteld worden, nu de Hemel mij vrienden en middelen gegeven heeft, om mijne rechten te doen gelden.”
„Ja, ware vrienden,” herhaalde Sampson, „en, zoo als gij wel zegt, gezonden door Hem, tot wien ik u vroegtijdig, als tot de bron van al het goede, leerde opzien. Vooreerst de groote kolonel Mannering uit Oost-Indië, een geleerd man, als men de weinige gelegenheid, welke hij gehad heeft om kunde te verzamelen, in aanmerking neemt; vervolgens de beroemde rechtsgeleerde de heer Pleydell, ook een zeer geleerd man, die zich soms met beuzelingen, hem onwaardig, bezig houdt; en dan de heer Andrew Dinmont, van wiens geleerdheid ik nooit gehoord heb, maar die, even als eertijds de aartsvaders, zeer bedreven is in alles, wat tot de veeteelt behoort. Eindelijk ben ik zelf er ook nog. Ik heb meer gelegenheid gehad om kennis te verzamelen, dan genoemde achtenswaardige mannen, en heb ze, indien het mij past te zeggen, niet verwaarloosd, in zoo verre namelijk mijne geringe vermogens mij in staat gesteld hebben, daarvan partij te trekken. – Zeker, lieve Hendrik! wij moeten onze lessen spoedig ervatten. Ik zal met de beginselen aanvangen – ja, wij zullen met de ware kennis der Engelsche spraakkunde beginnen om zelfs tot de Hebreeuwsche of Chaldeeuwsche taal op te klimmen.”