Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 37
„Ik zie,” zeide Pleydell, „dat gij mij iets over de Ellangowansche zaak te zeggen hebt. Is het iets aardsch of bovenaardsch? Wat zegt gij, mijn militaire Albumazar? Hebt gij den loop der toekomst berekend? Uwe Ephemeriden, uwe Almochoden uwe Almuten geraadpleegd?”
„Neen, waarde Pleydell, gij zijt de eenige Ptolomeus, wien ik in dit geval wil raadplegen. Als een tweede Prospero heb ik mijn staf verbroken en mijn boek in de diepte der zee geworpen. Maar ik heb toch groot nieuws. Meg Merrilies, onze oude Heidin, is heden aan Sampson verschenen en heeft hem, naar ik veronderstel, niet weinig verschrikt.”
„Waarlijk?”
„Ja! en zij heeft mij de eer aangedaan, eene briefwisseling met mij te openen, waarbij zij meent dat ik nog even diep in de geheimen der sterrewichelarij ingewijd ben, als toen zij mij voor de eerste maal ontmoette. Hier is haar geschrift, dat Sampson mij gebracht heeft.”
Pleydell zette den bril op. „Welk een gekrabbel!” zeide hij. „De letters zijn zoo groot en staan zoo recht op, als de ribben van een gebraden speenvarken. Ik kan er nauwelijks wijs uit worden.”
„Lees hard op, bid ik u!” hernam Mannering.
„Ik zal het beproeven,” hernam de advokaat – „Gij zijt een goede zoeker, maar een slechte vinder. Gij doet uw best om een vallend huis te schragen, maar hadt geen sterk vermoeden, dat het zich weder verheffen zou. Leen uwe hand aan het werk dat nabij is, zoo als gij uw oog aan het noodlot geleend hebt, dat ver af was. Laat heden avond te tien ure een rijtuig aan het eind van den krommen dijk te Portanferry wachten en de menschen, die vragen zullen: „Zijt gij hier, in Gods naam?” naar Woodbourne brengen.” Wacht, nu komen er ook verzen:
„Wat donker is zal licht En ’t onrecht worden recht, Als Bertrams recht en Bertrams macht Wordt eind’lijk aan het licht gebracht.”
Waarlijk een zeer geheimzinnige brief en het slot eene poëzie, de Cumæische Sybille volkomen waardig! – En wat hebt gij gedaan?”
„Wel,” antwoordde Mannering, „ik wilde niet gaarne eene gelegenheid, om licht over deze zaak te verspreiden, laten voorbijgaan. Misschien is de vrouw krankzinnig en alles wat zij zegt de vrucht van hare verbijsterde verbeeldingskracht; – maar gij waart zelf van gevoelen, dat zij meer van deze vreemde zaak wist, dan zij ooit gezegd heeft.”
„Gij hebt dus een’ rijtuig naar de bepaalde plaats gezonden?”
„Gij zult mij uitlachen, als ik beken dat ik dit gedaan heb.”
„Uitlachen? neen zeker niet! Ik denk dat dit het verstandigste was, dat gij doen kondt.”
„Ja,” hernam Mannering, van harte blijde dat hij zich niet belachelijk aangesteld had in het oog van zijn vriend, „en het ergste dat er van komen kan is, dat ik den wagen te vergeefs betalen moet. Ik heb een’ rijtuig met vier paarden van Kippletringan er heen gezonden en den voerman de noodige bevelen gegeven. Het zal een koude en vervelende post zijn, als ons bericht valsch is en hij te vergeefs dáar moet blijven wachten.”
„Ik denk dat het anders uitkomen zal. Deze vrouw heeft hare rol zoo lang gespeeld, dat zij aan hare voorspellingen gelooft; of als zij eene doortrapte bedriegster is, zonder een enkel greintje zelfmisleiding om hare bedriegerij te verontschuldigen, dan denkt zij misschien in den geest van hare rol te moeten blijven handelen. Zoo veel weet ik ten minste, dat ik langs den gewonen weg bij het verhoor niets uit haar kon krijgen: en het verstandigste dat wij doen kunnen is, haar gelegenheid te geven, om de zaak op hare eigene wijze aan het licht te brengen. En hebt gij nu nog meer te zeggen, of zullen wij weder bij de dames gaan?”
„Ik ben zeer ontroerd en – maar ik heb waarlijk niets meer te zeggen. Ik kan mij met niets bezig houden, dan de minuten te tellen, tot het rijtuig komt, maar kan niet verwachten dat gij even ongerust zoudt zijn.”
„Ja – daarin hebt gij gelijk! De gewoonte doet veel af. Ik stel zonder twijfel veel belang in deze zaak, maar zal den afloop best kunnen afwachten, als de dames ons op een weinig muziek willen vergasten.”
„En met behulp van de wilde eenden, niet waar?”
„Ook al, kolonel! Ongerustheid over den uitslag, zelfs van de belangrijkste zaak, heeft een rechtsgeleerde zelden zijn slaap en zijn eetlust bedorven [26]. Met dat al ben ik zeer verlangend, het geraas van den terugkeerenden wagen te hooren.”
Met deze woorden stond hij op en ging in de woonkamer, waar Julia Mannering zich op zijn verzoek aan het klavier zette. Lucie Bertram zong zeer aardig hare Schotsche volksliederen en begeleidde met hare stem het spel van Julia, die naderhand eenige sonates van Scarlatti zeer schitterend uitvoerde. De oude heer, die een weinig op de bas kraste en een groot beminnaar van de toonkunst was, bracht den avond zoo aangenaam door, dat hij misschien niet eenmaal aan de wilde eenden dacht, vóor dat Barnes het gezelschap aankondigde dat het avondmaal gereed was.
„Zeg aan Juffrouw Allan dat zij iets gereed houdt,” sprak de kolonel; „ik verwacht – ik hoop – misschien krijgen wij heden avond nog bezoek. De bedienden moeten opblijven en het hek niet sluiten, vóor dat ik het beveel.”
„Mijn hemel! wie kunt gij zoo laat nog verwachten, vader?” vroeg Julia.
„Eenige vreemdelingen, die mij misschien heden nog over zaken moeten spreken: het is echter zeer onzeker;” hernam haar vader niet zonder verlegenheid, want eene teleurstelling, die zijn scherpzinnigheid in een belachelijk licht gesteld zou hebben, zou ook voor hem zeer pijnlijk geweest zijn.
„Nu, wij zullen het hun niet vergeven, indien zij ons storen, tenzij zij eene even vroolijke luim en een even gevoelig hart medebrengen als Mijnheer Pleydell, mijn vriend en aanbidder, zoo als hij zich zelf gelieft te noemen.”
„O, Juffrouw Julia,” hernam Pleydell en bood haar op hoffelijke wijze den arm, om haar naar de eetzaal te geleiden, „er is een tijd geweest – toen ik in het jaar 1738 van Utrecht terugkwam –”
„Ik bid u, spreek daar niet van! Wij hebben u liever, zoo als gij zijt. – Utrecht, om ’s Hemels wil! – Ik denk wel, dat gij al de sedert dien tijd verloopen jaren besteed hebt, om u zoo geheel en al van de gevolgen uwer Hollandsche opvoeding te ontdoen.”
„Vergeef mij, Juffrouw Mannering! De Hollanders hebben het in het punt van galanterie veel verder gebracht, dan hunne wufte naburen toestemmen. Zij zijn stipt en bestendig in hunne hulde, als een uurwerk.”
„Dat zou mij vervelen.”
„Zij hebben een onverstoorbaren goeden luim.”
„Nog al erger en erger!”
„En dan,” ging de oude vrijer voort, „kunt gij, ofschoon uw aanbidder u gedurende zesmaal drie honderd vijfen zestig dagen den mantel omgehangen, de stoof onder de voeten gezet en u, niettegenstaande de strengste koude in den winter, of de drukkendste hitte in den zomer, altijd en overal op uwe wenken vergezeld heeft, – dan kunt gij hem, zeg ik, eensklaps, op den twee duizend een honderd en negentiende dag (zoo veel zal, naar mijne vluchtige berekening, de schrikkeljaren niet mede gerekend, het tijdvak der veronderstelde aanbidding bedragen), zonder reden of verontschuldiging zijn ontslag geven, zonder dat uw teeder hart de minste zorg over de gevolgen, welke dit voor Mijnheer zal hebben, behoeft te gevoelen.”
„Dit laatste is inderdaad een echt Hollandsche aanbeveling, Mijnheer Pleydell! Glazen en harten zouden hunne grootste waarde verliezen, indien zij niet breekbaar waren.”
„Het is misschien even moeielijk, Juffrouw Mannering, een hart te vinden dat breekt, als een glas dat onbreekbaar is; en uit dien hoofde zou ik de waarde van mijn eigen hart nog meer aanprijzen, – als ik niet zag, dat Mijnheer Sampson de handen gevouwen en de oogen gesloten heeft, en op het einde van ons gesprek wacht, om het gebed te beginnen; en, om de waarheid te zeggen, die eenden doen mij watertanden.”
Met deze woorden zette Pleydell zich aan tafel en vergat eene poos zijne hoffelijkheid om den goeden dingen, die vóor hem stonden, de behoorlijke eer te bewijzen. Hij liet eerst niets van zich hooren, dan alleen de aanmerking, dat de eenden voortreffelijk gebraden waren en de saus boven allen lof verheven was.
„Ik zie, Mijnheer Pleydell,” zei Julia, „dat ik reeds op den eersten avond, dat gij u voor mijn aanbidder verklaart, een gevaarlijken mededinger in uwe gunst heb.”
„Vergeef mij, schoone dame! uwe wreedheid draagt alleen de schuld, dat ik de onwelvoegelijkheid bega, mij in uwe tegenwoordigheid een goeden maaltijd te laten smaken. Hoe zou ik uwe strengheid kunnen verdragen, zonder mijne krachten te versterken? Op denzelfden grond, en om geene andere reden, verzoek ik verlof, een glas wijn met u te drinken.”
„Dit is misschien ook het gebruik te Utrecht, Mijnheer Pleydell?”
„Met uw verlof! De Franschen zelven, die voorbeelden van galanterie, noemen hunne gaarkoks restaurateurs; hierdoor zonder twijfel op de ondersteuning en verlichting zinspelende, welke de wanhopige minnaar bij hen vindt, als de wreedheid zijner uitverkorene hem diep ter neder slaat. Mijn eigen toestand vordert zoo veel versterking, dat ik u om dien anderen vleugel moet verzoeken, Mijnheer Sampson, zonder dat mij dit beletten zal, Juffrouw Mannering straks om een stukje taart lastig te vallen. – Ik dank u, Mijnheer Sampson! – Wees zoo goed mij een glas bier te geven, Barnes!”
Terwijl de oude heer, ingenomen door de levendigheid en oplettendheden van Julia Mannering, op dezen schertsenden, opgeruimden toon voortpraatte, kon Mannering zijn ongeduld niet langer beteugelen. Hij stond van de tafel op, onder voorwendsel dat hij des avonds nooit iets at, ging met rassche schreden in het vertrek op en neder en schoof meermalen het venster op, om te zien of hij niettegenstaande de duisternis ook iets ontdekken of van verre het geratel van een rijtuig hooren kon. Eindelijk steeg zijn ongeduld ten top. Hij verliet het vertrek, nam hoed en mantel en wandelde de laan op, alsof hij hierdoor de aankomst van het met smart verwachte rijtuig kon bespoedigen.
„Ik wenschte wel,” zei Lucie Bertram hierop, „dat de kolonel zich niet zoo laat naar buiten waagde. Gij hebt zeker reeds gehoord, Mijnheer Pleydell, welk eén schrik wij hier uitgestaan hebben?”
„Met de smokkelaars? Dat zijn mijne oude vrienden. Ik heb langen tijd geleden eenigen van hen aan hunne rechtmatige straf overgeleverd.”
„En welk een verschrikkelijken angst één dezer ellendelingen, die zich wilde wreken, ons kort daarna veroorzaakt heeft?”
„Toen de jonge Hazlewood gekwetst werd? Ja, daarvan heb ik ook gehoord.”
„Verbeeld u, waarde Mijnheer Pleydell hoe verschrikt Julia Mannering en ik zijn moesten, toen een woestaard, even vreeslijk door zijne buitengewone sterkte als door zijne barsche gelaatstrekken, plotseling op ons aanviel!”
„Gij moet weten, Mijnheer Pleydell,”, hernam Julia, niet in staat hare gevoeligheid over deze onschuldige lastering van haren minnaar te onderdrukken, „dat de jonge Hazlewood in de oogen der hier wonende jonge dames zoo schoon is, dat zij iedereen, bij hem vergeleken, afschuwelijk vinden.”
„Aha!” dacht Pleydell, een geoefend waarnemer van toon en gebaren, „er moet zeker iets tusschen de beide vriendinnen schuilen.” – „Wel, Juffrouw Mannering,” vervolgde hij, „ik heb den jongen Hazlewood sedert zijne kindsche jaren niet gezien; dus moet ik de dames wel gelijk geven; maar ik kan u, in weerwil van uwe spotternij, verzekeren, dat gij, als gij schoone mannen wilt zien, naar Holland moet gaan. De schoonste man, dien ik ooit gezien heb, was een Hollander, die Van Beest, Van Buster of zoo iets, heette. Hij zal nu misschien zoo schoon niet meer zijn.”
Nu was het Julia’s beurt, een weinig verlegen te worden; maar juist op dit oogenblik trad de kolonel weder in de kamer en zeide: „Ik hoor nog niets van hen; maar wij zullen nog eene poos hier bij elkander blijven. Waar is dominé Sampson?”
„Hier ben ik, Mijnheer!”
„Welk boek hebt gij daar vóor u, Mijnheer Sampson?”
„Het is de geleerde De Lyra, kolonel. Ik wilde den heer Pleydell, indien het hem gelegen kwam, naar zijn gevoelen over eene duistere plaats daarin vragen.”
„Daartoe heb ik thans in het geheel geen lust, Mijnheer Sampson!” antwoordde Pleydell; „hier is aantrekkelijkers. Ik hoop deze beide jonge dames te bewegen, een liedje met mij aan te heffen, waarbij ik de basstem zal zingen. Berg De Lyra maar weer weg, man! die moet een gelegener tijdstip afwachten.”
De teleurgestelde Sampson sloeg het zware boekdeel toe en kon volstrekt niet begrijpen, hoe zulk een geleerd man, als de heer Pleydell, zich met zulke zotternijen kon bezig houden. De oude heer echter, onbekommerd dat hij zijn goeden naam bij Sampson op het spel zette, schonk zich weder een glas Bourgogner in, hief met eene niet meer zeer schoone stem een bekend lied aan, verzocht de dames het met hem te zingen, en kweet zich uitmuntend van de op zich genomen baspartij.
„Maar zullen uwe rozen door het laat opblijven niet verwelken, meisjes?” vroeg de kolonel eindelijk.
„Geenszins, waarde vader!” antwoordde Julia; „uw vriend, de heer Pleydell, dreigt morgen een scholier van Mijnheer Sampson te worden; dus moeten wij heden avond zoo veel mogelijk partij van onze verovering zoeken te trekken.”
Men zong dus nog een stukje en hierop volgde weder een gesprek, dat hoe langer zoo levendiger werd. Eindelijk, nadat de klok reeds lang geleden één uur geslagen had en op het punt stond om den snellen voortgang des tijds weer aan te kondigen, zag Mannering, wiens ongeduld reeds lang in teleurstelling overgegaan was, op zijn horologie en zeide: „Er is geen denken meer aan; wij moeten hen opgeven,” toen plotseling – maar wat toen plaats had, vordert een afzonderlijk hoofdstuk.
VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
Rechter Dit bevestigt waarlijk alles, Wat de Heidin vertelde! Ge zijt geen wees, noch zonder vrienden; Ik ben uw vader; – hier staat uwe moeder; Daar uw oom. – Deez’ is uw neef – En allen hier zijn uwe bloedverwanten.
De Recensent.
Toen Mannering zijn horologie weder in den zak stak, hoorde hij een ver verwijderd en hol geraas. „Dat is zeker een rijtuig!” zeide hij: – „of is het niets dan het ruischen van den wind door de bladerlooze boomen? Kom eens dadelijk aan het venster, Mijnheer Pleydell!”
Pleydell, die in een levendig gesprek met Julia gewikkeld was, voldeed evenwel oogenblikkelijk aan dit verzoek, nadat hij, om geen koude te vatten, den grooten zijden zakdoek, welken hij in de hand hield, om den hals geslagen had. Het geraas van een rijtuig werd intusschen zeer duidelijk hoorbaar en Pleydell snelde, alsof hij al zijne nieuwsgierigheid tot op dit oogenblik bewaard had, naar de deur. De kolonel schelde en beval Barnes de vreemdelingen, die met den wagen kwamen, in een ander vertrek te brengen, daar men niet wist wie zij waren Maar vóor dat dit bevel nog uitgesproken was, hield het rijtuig reeds voor de deur stil, en oogenblikkelijk riep Pleydell: „dat is immers onze vriend uit het Liddesdal met een tweeden jong mensch van dezelfde grootte.”
Dinmont herkende hem dadelijk aan de stem en riep uit: „O, als gij het zijt, Mijnheer Pleydell, dan zijn wij zeker geborgen.”
Terwijl de pachter bleef staan, om Pleydell te begroeten, trad Bertram, verblind door het schitterende licht en verbijsterd door zijnen zonderlingen toestand, bijna zonder het te weten in de huiskamer en stond plotseling voor den kolonel, die hem te gemoet kwam. Bij het heldere licht in het vertrek was er geen vergissing in den persoon mogelijk, en hij was zelf even onthutst op het gezicht van hen, die hij zoo onverwachts voor zich zag, als deze over zijne zoo hoogst verrassende verschijning waren. Men bedenke, dat ieder der aanwezenden zijne bijzondere redenen had, om met ontroering den binnentredende te zien, die hun in het eerst bijna als een spook moest voorkomen. Mannering zag den man vóor zich staan, dien hij meende in Indië gedood te hebben; Julia zag haren minnaar in een zeer gevaarlijken toestand, en Lucie herkende dadelijk den man die op den jongen Hazlewood geschoten hadt.
Bertram, die in den starenden blik, welken de verbaasde kolonel op hem vestigde, misnoegen over zijn ongenoodigd bezoek meende te lezen, haastte zich te zeggen, dat zijn verschijnen op deze plaats onwillekeurig was, daar men hem hierheen gevoerd had, zonder dat hij wist waarheen men hem bracht.
„De heer Brown, geloof ik,” hernam Mannering.
„Ja, Mijnheer,” hernam de jongeling bescheiden maar standvastig; „dezelfde dien gij in Indië gekend hebt, en ik durf hopen dat gij mij dáar van zulk eene zijde hebt leeren kennen, dat gij mij op mijn verzoek de getuigenis niet zult weigeren, dat ik fatsoenlijk man en man van eer ben.”
„Mijnheer Brown, ik ben zelden – ik ben nooit zoo verrast geweest. Gij hebt, wat er ook tusschen ons voorgevallen is, – zonder twijfel het recht, u op mij te beroepen.”
Op dit oogenblik trad Pleydell met Dinmont binnen en zag met verwondering, dat de kolonel zich nauwelijks van zijne eerste verbazing hersteld had; dat Lucie Bertram van angst en schrik bijna in onmacht viel en Julia Mannering te vergeefs hare vrees en angst zocht te verbergen of te onderdrukken. „Wat beteekent dit?” riep hij uit; „heeft deze jonge man het hoofd van Medusa in de hand? Laat mij hem aanzien. – Bij den hemel!” sprak hij in zich zelven, „het ware evenbeeld van den ouden Ellangowan! – Dezelfde krachtige gestalte en schoone trekken; – maar met veel meer verstand in de uitdrukking! De heks heeft woord gehouden.” – Plotseling trad hij naar Juffrouw Bertram en zeide: „Zie dezen man aan, lieve Lucie! hebt gij nooit iemand gezien, die op hem geleek?”
Lucie had slechts een vluchtigen blik op den bewerker van haren angst geslagen, dien zij oogenblikkelijk als den man herkende, die het leven van den jongen Hazlewood in gevaar gebracht had; en deze omstandigheid verhinderde, dat herinneringen, welke eene nauwkeuriger beschouwing in hare ziel opgewekt konden hebben, bij haar opkwamen. „Vraag mij niet naar hem,” riep zij uit. „Zend hem weg, zend hem om Gods wil weg! Hij zal ons nog vermoorden!”
„Vermoorden!” hernam Pleydell met bevreemding. „Geef mij maar den pook! – Doch gekheid! Wij zijn immers met ons drie mannen, behalve de bedienden, en dan is onze eerlijke vriend uit het Liddesdal er ook nog; die is alleen een half dozijn waard. Wij hebben de major vis [27] op onze zijde. – Maar hoe dit ook zij, Dandie – Davie – of hoe gij heeten moogt, stel gij u tusschen dien knaap en ons, om de dames te beschermen.”
„Mijn hemel, Mijnheer Pleydell! dat is kapitein Brown; kent gij kapitein Brown niet?”
„Neen, maar als hij uw vriend is, dan zijn wij veilig genoeg; blijf evenwel bij hem staan.”
Dit alles gebeurde zoo snel, dat het voorbij was, voor dat Sampson uit de verstrooiing, waarin hij verzonken was, tot zich zelven kwam. Nu sloeg hij het boek toe, waarin hij, in een hoek van de kamer, gelezen had en trad nader, om de vreemdelingen te zien. Nauwelijks echter had hij Bertram aangezien, of hij riep uit: „Indien het graf zijne dooden kan wedergeven, dan is dit mijn waarde en geëerde meester!”
„Bij den hemel, wij hebben gelijk!” riep Pleydell. „Ik was er zeker van dat ik gelijk had! Hij is het ware evenbeeld van zijn vader. – Maar wat scheelt u, kolonel? Waarom heet gij uw gast niet welkom? Ik denk, – ik geloof – ik vertrouw, dat wij gelijk hebben. – Nog nooit zag ik eene zoo in het oog loopende gelijkenis. Maar geduld! – Sampson, spreek geen woord. – Ga zitten, jonge heer!”
„Vergeef mij,” hernam Bertram. „Ik bevind mij, naar ik hoor, in het huis van den kolonel Mannering en wenschte eerst te weten, of mijne toevallige verschijning hem onaangenaam is, dan of ik welkom ben.”
Mannering hervatte dadelijk: „Welkom, zonder twijfel welkom, en wel bijzonder als gij mij kunt zeggen, hoe ik u dienen kan. Ik geloof dat ik nog eenig onrecht jegens u goed te maken heb; dit heb ik ten minste dikwijls vermoed. Maar uwe plotselinge en onverwachte verschijning en de smartelijke herinneringen, welke daardoor bij mij opgewekt werden, hebben mij in het eerst verhinderd u te zeggen, zoo als ik u nu zeg, dat uw bezoek, waaraan ik het ook verschuldigd moge zijn, mij zeer aangenaam is.”
Bertram beantwoordde Mannering’s deftige en ernstige beleefdheid met eene dankbare, maar afgemetene buiging.
„Lieve Julia,” hervatte de kolonel, „gij zoudt waarlijk best doen, met ons te verlaten, – Mijnheer Brown, gij zult mijne dochter wel willen verontschuldigen: ik zie, dat sommige omstandigheden smartelijke herinneringen bij haar opwekken.”
Julia Mannering stond op en verwijderde zich. Maar toen zij Bertram voorbij ging, kon zij zich niet weerhouden hem toe te voegen: „Onbezonnene! ten tweeden male!” Zij sprak echter zoo zacht, dat niemand dan hij alleen deze woorden hooren kon. Lucie Bertram volgde hare vriendin vol verwondering, maar zonder dat zij het waagde eenen tweeden blik op het voorwerp van haren schrik te slaan. Zij zag dat er een misverstand plaats had, en wilde de verwarring niet vermeerderen door den vreemdeling een moordenaar te noemen. Zij zag tevens, dat de kolonel hem kende en als een’ man van stand behandelde; dus moest hij of de dader niet zijn, of Hazlewood had gelijk en het schot was toevallig geweest.
Het in de kamer teruggebleven gezelschap zou geen kwade groep voor een’ bekwamen schilder opgeleverd hebben. Ieder der aanwezenden hield zich te zeer met zijne eigene aandoeningen bezig, om op te merken, wat er bij de anderen omging. Bertram bevond zich onverwachts in het huis van den man, voor wien beurtelings de tegenstrijdigste aandoeningen in zijn boezem opwelden. Op het eene oogenblik gevoelde hij een innigen afkeer van hem, als zijn persoonlijken vijand, en in het daarop volgende was hij wederom geneigd, hem, als den vader van zijne beminde Julia, te eerbiedigen. Mannering was met zich zelven in tweestrijd. Zijne ridderlijke denkbeelden van beleefdheid en gastvrijheid en zijne vreugde over de ontdekking, dat hij zich niet langer behoefde te beschuldigen van een medemensch in een tweegevecht van het even beroofd te hebben, kampten met de opwellingen van den ouden weerzin en de vooringenomenheid, welke, op het gezicht van den man tegen wien hij ze eenmaal gekoesterd had, in zijn trotsch gemoed weder ontwaakten. Sampson leunde, bevende van aandoening, op een stoel en vestigde zijne blikken, welke eene angstige bezorgdheid uitdrukten, onbewegelijk op Bertram. Dinmont staarde, tot aan de kin in zijn ruigen jas gewikkeld, het geheele tooneel vol verbazing met groote oogen aan.
Pleydell alleen was geheel in zijn element. Hij alleen overlegde en handelde. Hij dacht reeds vooruit aan eene schitterende zegepraal in een zonderling, geheimzinnig en ingewikkeld rechtsgeding; en geen jonge vorst, die, vol opgewekten moed, aan het hoofd van een dapper leger zijn eersten veldtocht opent, kan ooit eene levendiger vreugde gevoelen. Hij was dadelijk druk in de weer en nam de leiding van alles op zich. „Komt, komt, mijne heeren! gaat zitten!” zeide hij; „dit behoort tot mijn vak: gij moet mij hier alles voor u laten regelen. Ga zitten, waarde kolonel! en laat mij stil begaan. – Ga zitten, Mijnheer Brown! aut quocunque alio nomine vocaris. [28] – Neem plaats, dominé. – Daar is een stoel voor u, eerlijke Dinmont!”
„Ik weet niet, Mijnheer Pleydell,” antwoordde Dinmont, eerst op zijn grove kleeding en dan op de rijke meubels ziende, „mijne kleederen zijn niet fraai genoeg; het zou misschien best zijn, als ik ergens anders heen ging en u alleen liet, tot dat gij uwe zaken –”
De kolonel, die op dit oogenblik eerst den wakkeren Dandie herkende, ging dadelijk naar hem toe, heette hem hartelijk welkom en betuigde hem, dat hij na alles wat hij in Edinburg van hem gezien had, overtuigd was, dat zijn ruwe kleeding en dikbezoolde laarzen zelfs eene koninklijke gezelschapszaal eer zouden aandoen.