Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 14
„O! dat is al te onderdanig,” viel hij mij in de rede. „Onderworpenheid is eene uitmuntende deugd in de beoefening; maar uwe gedurige herhaling van die woorden doet mij aan de eindelooze buigingen van onze zwarte dienaren in Indië denken. Met één woord, Julia, ik weet dat ge gaarne gezelschap hebt, en ben voornemens, de dochter van een overleden vriend te verzoeken, eenige maanden bij ons door te brengen.”
„Toch om ’s hemels wil geene gouvernante, vader!” riep ik ongelukkige uit, terwijl mijn angst voor het oogenblik mijne voorzichtigheid overwon.
„Neen, geene gouvernante, Julia,” antwoordde mijn vader ernstig; „maar een meisje, in de school van den tegenspoed opgevoed, door wier uitmuntend voorbeeld gij, naar ik hoop, de kunst zult leeren, u zelve te beheerschen.”
Het scheen mij te gevaarlijk hierop te antwoorden, en ik zweeg dus eenige oogenblikken. Eindelijk vroeg ik: „Is dat meisje uit Schotland, vader?
Een droog – ja! was zijn antwoord.
„Heeft zij veel van het Schotsche accent?” vervolgde ik.
„Wat drommel!” antwoordde mijn vader driftig; „denkt gij, dat ik mij om de uitspraak van a’s, aa’s, i’s en ie’s bekommer? Ik zeg u, Julia, dat ik zeer ernstig spreek. Gij hebt eene groote neiging tot vriendschap, dat is, gij maakt u gaarne gemeenzaam en vertrouwelijk, en noemt dit vriendschap (was dit niet zeer hard, Mathilda?) „Om u nu gelegenheid te geven, ten minste met eene waardige vriendin om te gaan, heb ik besloten dat dit meisje gedurende eenige maanden onze gast zal zijn, en ik verwacht dat gij haar alle oplettendheid zult bewijzen, die het ongeluk en de deugd toekomt.”
„Zonder twijfel, lieve vader! – Heeft mijne aanstaande vriendin rood haar?”
Mijn vader wierp mij een strengen blik toe. Gij zult misschien zeggen, dat ik het verdiende; maar ik geloof, dat de booze geest mij soms tot zulke tergende vragen aandrijft.
„Zij overtreft u even zeer ten opzichte van uiterlijke schoonheid, als in voorzichtigheid en genegenheid voor hare vrienden.”
„Maar houdt gij deze meerderheid dan voor eene aanbeveling? – Maar neen, beste vader! ik zie dat gij alles, wat ik zeg, veel te ernstig opneemt. Wie het meisje ook zijn moge, zij zal geene reden hebben om over gebrek aan oplettendheid van mijn kant te klagen, daar zij door u aanbevolen wordt. Heeft zij eene kamenier bij zich?” vervolgde ik na eene korte tusschenpoos; „anders moet ik voor haar zorgen.”
„Neen – neen – eigenlijk geen bediende; de geestelijke, die bij haren vader woonde, een zeer braaf man, vergezelt haar, en ik geloof dat er voor dezen ook nog wel plaats in ons huis te vinden zal wezen.”
„Lieve hemel! een geestelijke, vader?”
„Ja, Julia, een geestelijke; verwondert u dat zoo? Hadden wij ook geen geestelijke bij ons, toen wij in Indië waren?”
„O ja! maar toen waart gij bevelhebber, lieve vader!”
„Dat ben ik nog, Julia, ten minste in mijne eigene familie.”
„Zonder twijfel, vader! Maar zal hij dan de godsdienstoefeningen naar de gebruiken der Engelsche kerk bij ons waarnemen?”
Bij deze vraag zette ik zulk een onnoozel gezicht, dat zijn ernst overwonnen werd. „Kom, Julia,” zeide hij, „gij zijt een ondeugend meisje; knorren helpt niet bij u. Het meisje, dat ik tot uw gezelschap bestemd heb, zult gij zonder twijfel leeren liefhebben; de man, dien ik, bij gebrek van een beter woord, kapelaan genoemd heb, is een zeer waardig, doch ook, in sommige opzichten, eenigszins belachelijk man, die het nooit bemerken zal dat gij om hem lacht, als gij het niet al te hardop doet.”
„Die trek in zijn karakter bevalt mij uitmuntend, beste vader! Maar ligt het huis, dat wij betrekken zullen, even aangenaam als dit?”
„Misschien niet zoo goed naar uw zin. Er is geen meer onder de vensters, en gij zult zeker geene andere muziek hooren, dan die gij zelve in huis zult maken.”
Deze laatste slag maakte een einde aan den scherpen wedstrijd van ons vernuft: want gij zult begrijpen, Mathilda, dat ik daardoor geheelenal den moed tot antwoorden verloren had.
Maar mijn moed is toch, zoo als gij uit deze samenspraak misschien duidelijk zult bespeuren, ongevoelig en, als het ware, ondanks mij zelve geklommen. Brown in leven, vrij en in Engeland! Angst en verlegenheid kan en moet ik verdragen. Over een paar dagen vertrekken wij van hier naar onze nieuwe woonplaats. Ik zal niet in gebreke blijven, u te schrijven hoe ik over onze Schotsche gasten denk, die mijn vader, zoo als ik met grond vermoed, als een paar achtbare verspieders in huis denkt te nemen, als een soort van Rozencrantz en Guldenstern [7], de eene in een priesters-, de andere in een vrouwenrok. Hoe verschillend van het gezelschap, dat ik zoo gaarne gehad zou hebben! Ik zal oogenblikkelijk na mijne komst in onze nieuwe woonplaats schrijven en u de verdere lotgevallen melden van uwe
Julia Mannering.”
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Door zachte hoogten omgeven, Met beuken en eiken begroeid, Waar, ruischend door groene dreven, Een kabblend kristal beekje vloeit, –
Warton.
Woodbourne, het landgoed, dat Mannering door tusschenkomst van den heer Mac-Morlan gehuurd had, lag vriendelijk aan den voet van een boschrijken heuvel, die het ruime en gemakkelijke huis tegen het oosten en noorden beschutte. De voorgevel zag op een klem, door eene rij oude boomen omringd grasperk uit, waarachter eenige bouwlanden lagen, die zich uitstrekten tot aan de rivier, waarop men uit de vensters van het huis het uitzicht had. Een vrij groote, ofschoon ouderwetsche tuin, eene goed voorziene duiventil en zoo veel land, als tot het gerijf der bewoners noodig was, maakten dit kleine landgoed, zooals de advertentiën het uitdrukken, „in alle opzichten tot een geschikt verblijf voor eene aanzienlijke familie.”
Hier besloot Mannering, ten minste voor eenigen tijd, zich te vestigen, Ofschoon uit Indië gekomen, had hij volstrekt geene zucht, om met zijn rijkdom te pralen, en was inderdaad te trotsch om ijdel te zijn. Uit dien hoofde wilde hij als een welgesteld man op zijn landgoed leven, zonder de weelde die men destijds als het bijzondere kenmerk van een Oostindisch ambtenaar beschouwde, in zijne huishouding in te voeren of toe te laten.
Hij had de heerlijkheid van Ellangowan nog steeds op het oog, waarvan Glossin misschien, naar Mac-Morlan’s denkbeelden, zich spoedig zou moeten ontdoen, daar eenige der schuldeischers hem het recht betwistten, zulk een aanzienlijk gedeelte der kooppenningen in handen te houden, en het zeer twijfelachtig was, of hij de geheele som wel zou kunnen betalen. Mac-Morlan hield zich verzekerd, dat hij, in dat geval, gaarne zijn koop afstaan zou, indien men hem iets meer bood dan den prijs, waarvoor hij het goed gekocht had. Het zal misschien vreemd schijnen, dat Mannering zoo bijzonder aan eene plaats gehecht was, welke hij slechts eenmaal in zijne jongelingsjaren, en voor zoo korten tijd, bezocht had; maar, hetgeen daar voorgevallen was, had zijne verbeelding sterk getroffen. Dáar scheen een noodlot te heerschen, dat de merkwaardigste gebeurtenissen in zijne eigene familie met de lotgevallen van de bewoners van Ellangowan verbond, en hij was bezield met een geheim verlangen, om dat terras zijn eigendom te noemen, waarop hij uit de sterren een lot voorspeld had, dat in den jongen erfgenaam van dat geslacht zoo wonderbaar vervuld was, en zoo treffend overeenkwam met een ongelukkig voorval in zijne eigene familie. Bovendien kon hij, nu dit denkbeeld eenmaal wortel in zijn ziel had geschoten, ook niet dan zeer ongaarne zijn plan door een mensch als Glossin verijdeld zien. Dus verbond zich zijn hoogmoed met zijne neiging, om het voornemen te versterken, zoo mogelijk het landgoed te koopen.
Men zou echter eene onrechtvaardigheid jegens Mannering begaan, indien men niet erkende dat ook zijn wensch, om de ongelukkige Lucie van dienst te zijn, een groot aandeel in zijn besluit had. Het nut, dat Julia uit het gezelschap van Lucie Bertram, op wier voorzichtigheid en gezond verstand bij zich gerust verlaten kon, zou kunnen trekken, was door hem niet onopgemerkt gebleven, en zijne achting voor haar was nog zeer vermeerderd, sedert Mac-Morlan hem onder het zegel der strengste geheimhouding haar gedrag jegens den jongen Hazlewood had toevertrouwd. Mannering’s voorstel, om bij hem in te wonen, kon misschien hare kieschheid beleedigen, indien zij zich daardoor van de tooneelen harer jeugd en de weinige menschen, die zij hare vrienden noemde, moest verwijderen; maar zij kon zich gemakkelijk laten overhalen, om eenigen tijd als gast te Woodbourne door te brengen, zonder zich eenigszins vernederd te gevoelen. Lucie Bertram nam, na eenig beraad, het verzoek aan, om eenige weken bij Julia Mannering te vertoeven. Zij gevoelde maar al te goed, dat het hoofddoel van Mannering was, hoezeer hij uit kieschheid de waarheid zocht te verbloemen, haar in haar ongeluk te ondersteunen en te beschermen. Te zelfder tijd ontving zij van mevrouw Bertram, hare bloedverwante, aan wie zij geschreven had, zulk een koelen en troosteloozen brief terug, als zij ooit had kunnen verwachten. De brief bevatte wel eene kleinigheid aan geld, maar tevens eene dringende vermaning, om daarmede zeer zuinig om te gaan. Zij raadde, of liever vermaande Lucie zeer ernstig, alle pogingen in het werk te stellen, om bij eene stille familie te Kippletringan, of in dien omtrek, in den kost te komen. Ten slotte verzekerde zij Lucie evenwel dat, ofschoon haar eigen inkomen zeer bekrompen was, zij hare nicht toch geen gebrek zou laten lijden. Deze koude, gevoellooze brief perste Lucie tranen af, te meer daar de goede dame, bij het leven van Lucie’s moeder, omstreeks drie jaren lang gastvrij te Ellangowan onthaald was en eerst, toen haar eene erfenis van 400 pond sterling jaarlijksch inkomen te beurt viel, dat gastvrije huis verlaten had, waar zij anders tot aan den dood van den eigenaar eene gewenschte schuilplaats zou hebben gevonden. Lucie had veel lust om deze armzalige gift, welke de hoogmoed der oude dame, na een harden strijd met hare gierigheid, afgedwongen had, terug te zenden, maar na eenig beraad bestoot zij aan hare bloedverwante te schrijven, dat zij deze geringe som niet als een geschenk, maar als geleend geld zou behouden, dat zij hoopte haar spoedig weder te kunnen betalen, en raadpleegde haar tevens over de uitnoodiging, welke zij van den kolonel Mannering en zijne dochter ontvangen had. Reeds met den omgaanden post ontving zij een antwoord op dezen brief, uit vrees dat eene ijdele kieschheid of dwaasheid, zoo als hare oude nicht het noemde, haar verleiden mocht, om zulk een gunstig aanbod van de hand te wijzen en daardoor hare bloedverwanten tot last te blijven. Er bleef Lucie dus geene keus over, tenzij zij haren tegenwoordigen gastheer, den braven Mac-Morlan, die te milddadig was, om rijk te zijn, nog langer lastig wilde vallen: want door wie zij in het eerst zoo dringend uitgenoodigd was, hadden allengskens, het zij zwijgend, hetzij onder het uiten van hun misnoegen over de voorkeur, die zij aan Mac-Morlan’s uitnoodiging gegeven had, opgehouden zich om haar te bekommeren.
Het lot van Dominé Sampson zou treurig genoeg geweest zijn, indien het van iemand anders dan van Mannering, die steeds een bewonderaar van origineele menschen was, had afgehangen. Mac-Morlan had hem omstandig verhaald, hoe de brave man ten opzichte van de dochter van zijn overleden begunstiger gehandeld had. In antwoord op dien brief vroeg Mannering, of Sampson nog die bewonderenswaardige stilzwijgendheid bezat, waardoor hij zich te Ellangowan zoo bijzonder onderscheidde. Toen de kolonel hierop een bevestigend antwoord ontving, schreef hij in zijn volgenden brief aan Mac-Morlan: „Ik verzoek u, den goeden Sampson te laten weten, dat ik zijne hulp noodig zal hebben, om de boekverzameling, die ik van mijn oom, den bisschop, geërfd heb en die ik per scheepsgelegenheid naar Schotland laat brengen, te rangschikken en er een catalogus van te maken. Ook zal hij eenige papieren moeten afschrijven en in orde brengen. Bepaal zijne belooning zoo, als u goeddunkt. Bezorg den armen man eene behoorlijke kleeding en laat hem met juffrouw Bertram te Woodbourne komen.
De brave Mac-Morlan was zeer verheugd over deze opdracht. Lang dacht hij er over na, hoe hij het aanleggen zou, om den goeden man van kleeding te doen veranderen, wat toch volstrekt noodzakelijk was, daar zijne tegenwoordige kleêren in een beklagenswaardigen toestand waren. Gaf men hem het geld, om zelf het noodige aan te schaffen, dan liep hij groot gevaar zich belachelijk te maken: want als Sampson, ofschoon dit eene groote zeldzaamheid was, een enkele maal zelf nieuwe kleedingstukken aankocht, was zijne keus doorgaans zoo vreemd, dat hij de geheele dorpsjeugd verscheidene dagen achter zich aan kreeg. Ook kon men niet zoo maar in eens een kleermaker bij hem zenden, om hem de maat te nemen, en hem dan de nieuwe kleederen, als of hij een’ schooljongen ware, in huis laten brengen, daar hij dit waarschijnlijk zeer kwalijk zon nemen. Mac-Morlan besloot eindelijk Lucie Bertram om raad te vragen en om hare bemiddeling te verzoeken. Zij antwoordde hem, dat, ofschoon zij zich geenszins het bestuur over de garderobe van een heer kon aanmatigen, er nochtans niets gemakkelijker was, dan Sampson op nieuw te kleeden.
„Wanneer mijn vader,” zeide zij, „toen wij nog te Ellangowan woonden zag dat een kleedingstuk van Sampson vernieuwd moest worden, moest een dienstbode des nachts in zijne kamer gaan (de goede man slaapt heel vast), de oude kleeren wegnemen en nieuwe er voor in de plaats leggen. Men merkte nooit op, dat Sampson op deze verandering in zijn uiterlijk de minste acht sloeg.”
Mac-Morlan ging dus naar eenen bekwamen kleermaker, die na eene opmerkzame beschouwing van den ouden man, op zich nam, om twee stel kleederen, het eene zwart, het andere donkergrijs, voor Sampson te maken, die hem (zoo als de kunstenaar zich uitdrukte) zoo goed zitten zouden, als iets voor een man van zulk eene wonderlijke gestalte, met de bloote hulp van menschelijke scharen en naalden, gemaakt kon worden. Nadat de kleederen te huis gekomen waren, wilde Mac-Morlan zijn voornemen wijselijk slechts langzamerhand uitvoeren, nam dienzelfden nacht een zeer noodzakelijk stuk van zijne kleeding weg en legde het nieuwe er voor in de plaats. Toen deze verwisseling onopgemerkt scheen te blijven, ging Mac-Morlan spoedig tot het vest en eindelijk tot den rok over. Toen Sampson dus, als het ware, geheel herschapen en voor het eerst van zijn leven behoorlijk gekleed was, meende men toch te bemerken, dat de goede man eene verwarde en duistere bewustheid had, dat er eene verandering in zijn uitwendigen mensch had plaats gehad. Zoo dikwijls men nu dit gevoel op zijn gelaat kon lezen en de goede man eenen strakken blik op de mouw van zijnen rok, of op zijne knieën vestigde, waar hij waarschijnlijk eenige oude lappen, of blauwe stoppen op een zwarten grond, welke daardoor eenigszins naar borduurwerk zweemden, miste, zocht men zijne opmerkzaambeid op iets anders te leiden, totdat hij door den tijden het gebruik aan zijne nieuwe kleeding gewoon was geworden. De eenige aanmerking, welke hij ooit over deze zaak maakte, was, dat de lucht te Kippletringan gunstig voor de kleederen scheen te zijn, daar zijn rok er bijna nog even nieuw uitzag, als toen hij hem voor de eerste maal aantrok, en dat was, toen hij zijn examen als predikant zou doen.
Toen hij het grootmoedig aanbod van Mannering vernam, wierp hij eerst een bezorgden en vragenden blik op Lucie Bertram, alsof hij vreesde dat hij daardoor van haar zou moeten scheiden; maar zoodra Mac-Morlan hem verzekerde, dat Lucie cok eenigen tijd als gast te Woodbourne zou doorbrengen, wreef hij zich de groote handen en barstte in een schaterlach uit. Na deze ongewone uiting zijner vreugde, bleef hij voor het overige in de geheele zaak geheel lijdelijk.
Het was bepaald, dat de heer Mac-Morlan en zijne vrouw het huis eenige dagen vóor Mannering’s aankomst betrekken zouden, zoowel om alles in orde te brengen, als om Lucie Bertram’s overgang in zijne familie met de meest kiesche verschooning van haar gevoel te doen plaats hebben. Dien ten gevolge betrok de familie Woodbourne, de aanstaande woning van den kolonel, in het begin van de maand December.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
– Een reusachtig genie – tegen geheele bibliotheken bestand!
Boswell’s Leven van Johnson.
De bepaalde dag, waarop Mannering en zijne dochter te Woodbourne verwacht werden, verscheen. Het uur naderde en ieder van het kleine gezelschap in huis had zijne bijzondere redenen tot bezorgdheid. Mac-Morlan wenschte natuurlijk, zich in de gunst en bescherming van zulk een rijken en invloedrijken man, als Mannering, te bevestigen. Met behulp van zijne menschenkennis had hij spoedig bemerkt dat Mannering, ofschoon edelmoedig en weldadig, het zwak had, eene stipte vervulling van zijne bevelen tot in de geringste kleinigheden te verwachten en te vorderen. Hij zag dus nauwkeurig na, of alles overeenkomstig de wenschen en bevelen van den kolonel ingericht was, en doorliep, in deze onzekerheid, meer dan eens het geheele huis van de vliering tot de stallen. Zijne vrouw bewoog zich in een kleineren kring, waartoe alleen de eetkamer, het vertrek van de huishoudster en de keuken behoorden. Zij vreesde niets anders, dan dat het middagmaal niet goed zou zijn, en daardoor haren roem, als eene zorgvuldige en bekwame huisvrouw, benadeeld zou worden. Zelfs Sampson werd in zooverre in zijne gewone gemoedsrust en lijdelijkheid gestoord, dat hij tweemaal naar het venster liep, dat op den weg uitzag, en beide malen uitriep: „Waarom toeven de wielen van hun rijtuig zoo lang?”
Lucie, de bedaardste onder de wachtenden, had hare eigene treurige gedachten. Zij was nu op het punt, om aan de zorg, ja bijna aan de weldadigheid van vreemdelingen overgelaten te worden, wier karakter, hoe vriendelijk het haar tot hiertoe ook voorgekomen was, zij toch niet dan onvolkomen kende. Vol angstige verwachting gingen voor haar de oogenblikken van onzekerheid voorbij.
Eindelijk hoorde men het ratelen van den wagen. De bedienden, die reeds aangekomen waren, plaatsten zich in het groote portaal, om hun meester en meesteres te ontvangen, met een vertoon van gewicht en eene drukte, welke voor Lucie, die aan geen gezelschap, noch aan de zeden en gebruiken der groote wereld gewoon was, iets verontrustends hadden, Mac-Morlan ging naar de deur, om den heer en de dame des huizes te ontvangen, en na weinige oogenblikken waren zij in de zaal.
Mannering, die volgens gewoonte de reis te paard gedaan had, trad met zijne dochter aan den arm binnen. Julia was eerder klein dan groot, maar had eene zeer fraaie gestalte, doordringende donkere oogen en lang gitzwart haar, dat zeer goed bij het levendige, geestige gelaat stond, waarop een weinig hoogmoed en een weinig beschroomdheid, veel scherpzinnigheid en eenige aanleg tot bijtende scherts geteekend stonden. „Ik zal niet van haar houden,” dacht Lucie bij het eerste gezicht; bij den tweeden blik dacht zij: „ik zal toch wel veel van haar houden.”
Julia was om het ruwe winterweder tot aan de kin in mantel en pels gehuld; haar vader droeg zijnen militairen overrok. Hij boog voor mevrouw Mac-Morlan, voor wie Julia ook eene beleefde, maar zeer kleine neiging maakte. Hierop leidde Mannering zijne dochter naar Lucie, en deze vriendelijk, ja bijna met vaderlijke teederheid bij de hand vattende, zeide hij: „Julia, dit is Lucie Bertram, die mijne goede vrienden hier, naar ik hoop, overgehaald hebben, om ons huis met een langdurig bezoek te vereeren. Het zal mij bijzonder verheugen, als gij Woodbourne voor haar zoo aangenaam kunt maken, als Ellangowan voor mij was, toen ik voor den eersten keer, als reiziger, dit land bezocht.”
Julia beloofde dit met eene buiging en vatte liefderijk de hand harer nieuwe vriendin. Mannering wendde zich nu tot Sampson, die, sedert de kolonel in de kamer was gekomen, zonder ophouden buigingen had gemaakt en zijn rug boog, even als een kunstbeeld dat dezelfde bewegingen gedurig herhaalt, totdat de wil des kunstenaars ze doet ophouden. Mannering wierp een strengen, bestraffenden blik op zijne dochter, niettegenstaande hij zelf eenige moeite had om het lachen te onderdrukken, waartoe deze oogenschijnlijk veel lust had, terwijl hij den braven man met de volgende woorden aan haar voorstelde: „Mijn goede vriend, de heer Sampson, die mijne boekverzameling in orde zal brengen, zoodra ze aankomt, en van wiens groote geleerdheid ik nog veel nut hoop te trekken.”
„Ik ben overtuigd, papa, dat wij dezen heer veel dank verschuldigd zijn, en om mijne dankbetuiging klem bij te zetten, moet ik bekennen, dat ik nooit het oogenblik zal vergeten, waarop wij hem voor ’t eerst ontmoetten.” – Haar vader fronsde de wenkbrauwen en hij vervolgde haastig, zich tot Lucie wendende: „juffrouw Bertram, wij hebben heden eene lange reis afgelegd: veroorloof mij, dat ik mij eenige oogenblikken vóór het middagmaal verwijder!”
Hierop verstrooide zich het geheele gezelschap, behalve Sampson, wien het nooit in de gedachten kwam om zich te kleeden, dan wanneer hij opstond, of zich uit te kleeden, behalve als hij naar bed ging. Hij bleef dus alleen en herkauwde intusschen een wiskunstig betoog, tot het gezelschap weder bij elkander kwam om naar de eetzaal te gaan.
Des avonds nam Mannering de gelegenheid waar, om zijne dochter een oogenblik alleen te spreken, en hield met haar het volgende gesprek.
„Hoe bevallen u uwe gasten, Julia?”
„O! juffrouw Bertram bijzonder; maar die geestelijke is een origineel, lieve vader, dien geen mensch bijna zonder lachen kan aanzien.”
„Zoo lang hij onder mijn dak woont, Julia, moet een ieder dàt leeren.”
„Lieve hemel, vader! zelfs de bedienden konden niet ernstig blijven!”
„Dan mogen zij mijne liverei uittrekken, en lachen, als zij niet meer in mijn dienst zijn. Sampson is een man, dien ik om zijne eenvoudige oprechtheid en goedhartigheid hoogacht.”
„Ook ben ik overtuigd van zijne milddadigheid,” hernam Julia lachende, „want hij kan geen lepel vol soep naar den mond brengen, zonder aan alles, wat nabij hem is, iets mede te deelen.”
„Julia, gij zijt onverbeterlijk; onthoud dit echter wel: ik verwacht, dat gij uwen spotlust zooveel in toom zult houden, dat gij noch dezen waardigen man, noch Lucie Bertram, die iedere beleediging, hem aangedaan, misschien grievender zal krenken dan hem zelven, beleedigt. En nu, goede nacht, kindlief, – maar laat ik u nog dit zeggen: Sampson heeft wel niet de Gratiën gehuldigd, maar er zijn vele dingen in deze wereld, die wezenlijk veel belachelijker zijn dan eenvoudigheid van karakter en onbeschaafde manieren.”
Een paar dagen later verlieten de heer Mac-Morlan en zijne vrouw, na een hartelijk afscheid, Woodbourne, waar de nieuwe huishouding thans behoorlijk ingericht was. De beide meisjes oefenden zich onderling en deelden elkanders genoegens. Mannering werd aangenaam verrast door de ontdekking, dat Lucie Bertram zeer bedreven was in het Fransch en Italiaansch, wat zij mede aan den ijver van Sampson, die zich in stilte, door onvermoeide vlijt, de meeste nieuwe zoo wel als de oude talen eigen gemaakt had, te danken had. Van de toonkunst verstond zij weinig of niets, maar hare nieuwe vriendin ondernam, om haar daarin te onderwijzen; waartegen deze aan Lucie de gewoonte om groote wandelingen te doen, het paardrijden en den noodigen moed, om alle soorten van weder te trotseeren, leerde. Mannering zorgde dat het haar, tot uitspanning in de lange winteravonden, aan geene boeken, waarin onderhoud en leering gepaard gingen, ontbrak. Dus verliepen de avonden, te meer daar hij zelf met veel smaak en gevoel voorlas, zeer aangenaam.