Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 13

Chapter 133,892 wordsPublic domain

„Gij vraagt mij, waarom ik niet aan mijn vader zeg dat Brown nog leeft, of ten minste, dat hij de wonde, die hij in hun ongelukkig tweegevecht ontving, overleefd, en aan mijne moeder geschreven heeft, dat hij geheel hersteld was en veel hoop had, spoedig uit zijne gevangenschap te ontvluchten. Ik heb gewichtige redenen daartoe. Een krijgsman, die in den oorlog, zijn dagelijksch werk, zoo dikwijls zijn natuurgenoot verslagen heeft, gevoelt waarschijnlijk geene onrust bij de herinnering aan het vermeende ongeluk, dat mij bijna van schrik deed versteenen. Indien ik hem den brief aan mijne moeder toonde, moest er dan niet uit volgen, dat de levendige Brown, die zijne aanspraken, waarom mijn vader voorheen naar zijn leven gestaan heeft, hardnekkig volhoudt, veel gevaarlijker voor de rust van zijn gemoed zou zijn, dan nu bij zijn vermeenden dood. Indien hij uit de handen dier roovers ontsnapt, dan zal hij, hiervan ben ik overtuigd, spoedig in Engeland komen, en dan is het ook nog steeds vroeg genoeg, om te overleggen, hoe ik mijn’ vader zijn bestaan ontdekken zal. Maar indien, helaas! mijne vaste en onwankelbare hoop mij bedroog, waartoe zou ik dan een geheim ontsluieren, waaraan zoo vele smartelijke herinneringen verbonden zijn? Mijne waarde moeder vreesde de ontdekking er van zoo zeer, dat ik geloof, dat zij mijn vader liever in den waan wilde laten, dat Brown’s oplettendheden haar golden, dan hem te openbaren dat Brown eigenlijk mij op het oog had. Mathilda! hoeveel eerbied ik ook aan de nagedachtenis van mijne moeder verschuldigd ben, ik mag toch niet onrechtvaardig jegens mijn vader zijn. Het dubbelzinnig gedrag van mijne moeder kan ik, als onrechtvaardig jegens mijn vader en hoogst gevaarlijk voor haar en mij, nooit goedkeuren. Doch, vrede zij hare asch! Hare daden werden meer door haar hart, dan door haar hoofd geregeld; en zou hare dochter, die al hare zwakheden geërfd heeft, de eerste wezen, die den sluier voor hare gebreken wegtrekt?”

VIERDE UITTREKSEL.

Mervyn-Hall

„Is Indië het land der wonderen, waarde Mathilda, dan is hier het land der poëzie. De natuurtooneelen zijn prachtig en verheven: donderende watervallen, hooge bergen, die hunne kruinen tot aan den hemel verheffen, meren, die door schaduwrijke valeien kronkelen en met iedere bocht naar nog meer romaneske plekken voeren, en rotsen, die tot aan de wolken reiken. Hier het wilde en woeste van Salvator Rosa, dáár de betooverende tooneelen van Claude Lorrain. Het verheugt mij ook ten minste één voorwerp te vinden, waarvoor mijn vader met geene mindere geestdrift is bezield, dan ik. Als schilder en dichter beide, is hij een bewonderaar der natuur, en dikwijls heb ik met het grootste genoegen hem den aard en de oorzaak van deze heerlijke bewijzen harer scheppende kracht hooren ontleden. Ik wenschte maar dat hij zich hier, in deze betooverende landstreek wilde nederzetten! Maar hij wil verder naar het noorden en is thans juist op reis, om, naar ik me verbeeld, in Schotland een landgoed te koopen, waar hij zich voor goed vestigen wil. Herinneringen uit zijne jeugd boezemen hem eene bijzondere liefde voor dat land in. Ik moet mij dus nog verder van u verwijderen, lieve Mathilda, voor dat ik eene vaste woonplaats heb. En welk eene vreugde zal het voor mij zijn, als ik eens zeggen kan: „kom Mathilda, en wees de gast van uwe getrouwe Julia!”

„Ik bevind mij thans ten huize van den heer en Mevrouw Mervyn, oude vrienden van mijn vader. De dame is eene goede, zorgvuldige, eerbare huisvrouw; maar fijne beschaving en verbeelding moet gij bij haar evenmin zoeken als bij Juffer Julia. Lees maar: – gij ziet, dat ik de bijnamen, die wij op school uitvonden, niet vergeten heb! De heer Mervyn verschilt véel van mijn vader, ja is een geheel ander mensch; maar hij vermaakt mij en heeft van zijn kant geduld met mij. Hij is een gezet man, zeer goedaardig, heeft veel gezond verstand en scherp oordeel, schertst gaarne. Daar hij denkelijk in zijne jeugd een beau garçon was, is hij niet geheel zonder verbeelding op dat punt en is bovendien met hart en ziel landbouwer. Ik vind er vermaak in, met hem op de toppen der bergen en tot aan den voet der watervallen te klimmen; maar daarentegen moet ik dan zijne rapen, zijn klaver en zijne vreemde grassoorten bewonderen. Me dunkt, hij beschouwt mij als een eenvoudig, romanesk, goedaardig meisje, dat (het woord wil er uit) niet van schoonheid ontbloot is, en ik houd het er voor, dat Mijnheer goeden smaak betoont wat vrouwelijke bevalligheid betreft, maar verwacht geenszins, dat hij verder in mijn binnenste zou weten door te dringen. Hij schertst met mij, laat zich door mij bij de hand leiden en klautert naast mij voort (want de lieve man is thans door de jicht gekweld), terwijl hij oude geschiedenissen uit de groote wereld, waarvan hij veel gezien heeft, vertelt, waarbij ik toeluister, grimlach en zulk een vriendelijk en mooi gezichtje zet, als ik maar kan, en mij zoo eenvoudig mogelijk voordoe. Op deze wijze leven wij zeer tevreden met elkander voort.

„Maar ach, liefste Mathilda! hoe zou ik mijn tijd, zelfs in dit betoverend paradijs, aan de zijde van een paar menschen, die zoo weinig passen bij de natuurtooneelen rondom hen, kunnen doorbrengen, indien gij mij niet zoo getrouw op mijne weinig belangrijke brieven wildet antwoorden! Ik bid u, schrijf mij toch ten minste iedere week drie malen. Aan stof kan het u zeker niet ontbreken.”

VIJFDE UITTREKSEL.

„Hoe zal ik u mededeelen, wat ik u nu te zeggen heb? Mijne hand en mijn hart sidderen nog zoo hevig, dat het schrijven mij bijna onmogelijk is. Zeide ik u niet, dat hij nog leefde? Zeide ik u niet, dat ik niet wanhopen wilde? Hoe kondet gij denken, waarde Mathilda, dat mijn voorgevoel, omdat ik zoo jong van hem gescheiden ben, eer uit eene vurige verbeelding dan uit mijn hart ontsproten was? Neen, hoe dikwijls wij ons ook in de gevoelens van ons hart mogen bedriegen, ik was zeker, dat dit gevoel echt was. Maar laat ik u alles verhalen, lieve vriendin, en deze bekentenis, het sterkste bewijs van mijne openhartigheid jegens u, zij het heiligste pand van onze vriendschap.

Men gaat hier vroeg te bed, vroeger, dan mijn met zorg belast hart rust kan vinden. Ik breng daarom gewoonlijk nog een paar uren op mijne eigene kamer met lezen door, waar, zoo als ik u reeds meen gezegd te hebben, een klein balkon op het schoone meer uitziet, waarvan ik u eene kleine schets heb pogen te geven. Mervyn-Hall, gedeeltelijk een oud en oorspronkelijk tot verdediging ingericht gebouw, ligt op den steilen oever van het meer, zoo dat een steen, van dit balkon afgeworpen, in het water, dat hier aan den oever zelfs bevaarbaar is, nedervalt. Ik had mijn venster gedeeltelijk opengelaten om, vóor dat ik naar bed ging, als naar gewoonte, nog eens het heldere maanlicht op het meer te zien. Geheel verdiept in het schoone tooneel in den koopman van Venetië, waar twee minnenden, als om strijd, het bekoorlijke van een stillen zomerschen nacht schilderen, gaf ik mij langzamerhand over aan soortgelijke herinneringen en gevoelens, welke het tooneel bij mij opwekte, toen ik eensklaps den toon eener fluit op het meer hoorde. Ik heb u reeds gezegd, dat de fluit Brown’s lievelings-instrument was. Wie kon het toch zijn, die deze tonen voortbracht, daar de nacht wel stil en helder, maar veel te koud en het jaargetijde te ver gevorderd was, om iemand tot een tochtje op het meer, alleen tot zijn genoegen, uit te lokken? Ik ging naar het venster en luisterde met ingespannen aandacht. De tonen zwegen eenige oogenblikken, lieten zich toen weder hooren, verstomden nogmaals en verhieven zich, al nader en nader komende, weder. Eindelijk onderscheidde ik duidelijk het kleine Hindo-liedje, dat gij altijd mijn lievelingsstukje noemdet – gij weet, van wien ik het geleerd heb. Het was zijne fluit, het ware zijne tonen. Was het aardsche muziek of zweefden deze tonen op de vleugelen van den wind tot mij, om mij zijn dood aan te kondigen?

„Er verliep eenige tijd, voor dat ik moed vatte om op het balkon te treden. Niets kon mij daartoe den moed schenken, dan mijne vaste overtuiging dat hij nog leefde en dat wij elkander zouden wederzien. Deze overtuiging bemoedigde mij en ik waagde het, schoon met een kloppend hart. Ik zag eene boot met een enkel man; o Mathilda! hij was het zelf! Ik herkende hem, na zulk eene lange scheiding en zelfs in de duisternis van den nacht, even goed, als of wij eerst gisteren van elkaâr gescheiden waren en ik hem in den heldersten zonneschijn weder ontmoet had. Hij voer met zijne boot onder het balkon en sprak met mij. Nauwelijks weet ik, wat hij zeide en wat ik antwoordde. Waarlijk, tranen verstikten bijna mijne stem, maar het waren vreugdetranen. Wij werden door het blaffen van een hond, die zich op een kleinen afstand hooren liet, gestoord en moesten scheiden, maar niet voor dat hij mij bezworen had, hem heden avond op dezelfde plaats en hetzelfde uur eene tweede bijeenkomst toe te staan.

„Maar waar zal dit op uitloopen? Kan ik deze vraag beantwoorden? Neen, dat kan ik niet! De Hemel, die hem van den dood redde en uit zijne gevangenschap verloste; die mijn vader bewaarde voor het storten van het bloed eens mans, die hem geen haar op het hoofd gekrenkt zou hebben, – de Hemel moet ook mij uit dezen doolhof redden. Voor het tegenwoordige vergenoeg ik mij met het vaste besluit, dat Mathilda nooit over hare vriendin, mijn vader nooit over zijne dochter, en mijn minnaar nooit over haar, op wie hij zijne genegenheid gevestigd heeft, zal behoeven te blozen.”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Met een man praten uit het raam! ’t is me wat liefs! –

Shakspeare.

Wij moeten voortgaan met onze uittrekkels uit de brieven van Julia Mannering, welke bewijzen dat zij een gezond verstand, goede grondbeginselen en een gevoelig hart bezat; maar men ontdekte ook bij haar duidelijk den invloed van eene gebrekkige opvoeding en van de dwaasheid eener onverstandige moeder, die haren echtgenoot in haar hart zoo lang een tiran noemde, totdat zij hem als zoodanig vreesde, en zoo lang romans las, totdat zij op de daarin voorkomende intrigues zoo verzot werd, dat zij hare neiging niet weerstaan kon, zelve een’ kleinen familie-roman op te zetten, waarvan hare dochter, een zestienjarig meisje, de heldin moest wezen. Zij vond haar grootste vermaak in kleine geheimen en listen, en beefde nochtans voor het misnoegen, dat deze verachtelijke handelwijze bij haren echtgenoot gaande maakte. Zoo begon zij dikwijls, enkel tot vermaak, of misschien om aan hare zucht tot intrigue te voldoen, het een of ander stukje, wikkelde zich er dieper in dan zij vermoedde, zocht zich er dan door nieuwe kunstgrepen uit te redden of haren misslag te verbloemen, en geraakte eindelijk zoo verward in hare eigen netten, dat zij zich vaak gedwongen zag, uit vrees voor ontdekking, hare kunstgrepen en kuiperijen, welke zij alleen uit moedwil aangevangen had, voort te zetten.

Gelukkig had de jongeling, dien mevrouw Mannering zoo onvoorzichtig in haren huiselijken kring toegelaten en aangemoedigd had, om zijn oog op hare dochter te slaan, edele grondbeginselen en een fijn eergevoel, waardoor hij een veel minder gevaarlijke huisvriend werd, dan zij hopen of verwachten kon. Niets kon tegen hem ingebracht worden, dan zijne onbekende afkomst; in ieder ander opzicht was hij mild door de natuur bedeeld. De edelste hoedanigheden, gepaard met eene levendige zucht naar roem, openden hem de schoonste vooruitzichten, en allen, die den wakkeren jongeling opmerkzaam gadesloegen, voorspelden hem eene schitterende loopbaan. Men kon intusschen niet verwachten, dat hij de verzoeking, waaraan Julia’s onvoorzichtige moeder hem blootstelde, zou weerstaan, of dat hij onverschillig zou blijven voor een meisje, dat door hare schoonheid en bevalligheid, zelfs op plaatsen, waar zulke bekoorlijkheden niet zulke groote zeldzaamheden zijn als in eene afgelegene Indische vesting, zijne liefde kon rechtvaardigen. De ongelukkige gevolgen, welke hieruit voortvloeiden, heeft Mannering in zijn brief aan Mervyn verhaald; het zou dus overbodig zijn hierover verder uit te weiden.

Wij zullen dus voortgaan met de uittreksels uit Julia Mannering’s brieven aan hare vriendin.

ZESDE UITTREKSEL.

„Ik heb hem wedergezien, Mathilda! ik heb hem tweemaal gezien. Ik heb alle mogelijke gronden aangevoerd, om hem te overtuigen, dat deze geheime bijeenkomsten voor ons beiden gevaarlijk zijn; ja ik heb getracht hem te overreden, zijne uitzichten op wereldsch geluk te vervolgen, zonder verder acht op mij te slaan, en te gelooven, dat ik mij gelukkig genoeg gevoelde, nu ik wist dat bij niet onder het zwaard van mijn vader gevallen was. Hij antwoordde, – maar hoe kan ik alles zeggen, wat hij antwoordde? De hoop, welke mijne moeder hem toestond te koesteren, deed hij als zijn wettig recht gelden, en hij zocht mij tot eenen dwazen stap, tot eene verbintenis zonder de toestemming van mijn vader, over te halen. Maar, Mathilda, hiertoe kan hij mij nooit overhalen. Ik ben standvastig gebleven, ik heb het verraderlijk gevoel, dat luide voor hem begon te pleiten, overwonnen, maar hoe zal ik mij redden uit dit ongelukkig doolhof, waarin het noodlot en eigene dwaasheid ons gewikkeld hebben?

Het hoofd begint mij te draaien, Mathilda! zoo lang heb ik hierover nagedacht, en nog vind ik er niets beters op, dan mijnen vader alles openhartig te bekennen. Hij verdient dit uit hoofde zijner onophoudelijke goedheid jegens mij; en sedert ik zijn karakter meer van nabij heb gadegeslagen, meen ik opgemerkt te hebben, dat hij slechts dan hard is, wanneer hij bedrog of misleiding vermoedt. Zijn karakter werd misschien vroeger door iemand, die hem dierbaar was, in dit opzicht miskend. Hij helt ook eenigszins tot het romaneske over, en ik heb gezien dat het verhaal van eene edelmoedige daad, een trek van heldenmoed of deugdzame zelfverloochening, tranen uit zijne oogen lokten, die bij een gewoon ongeluk droog bleven. Maar Brown houdt staande dat mijn vader persoonlijk tegen hem ingenomen is. En dan nog zijne onbekende afkomst, waarlijk, dat zou een steen des aanstoots wezen. Ik hoop, lieve Mathilda, dat geen uwer voorvaderen ooit bij Poitiers of Azincourt gevochten heeft! Indien mijn vader niet zoo veel eerbied voor de nagedachtenis van den ouden Sir Miles Mannering had, zou ik met niet half zoo veel angst mijn hart voor hem openleggen.”

ZEVENDE UITTREKSEL.

„Ik heb zoo even uwen aangenamen, uwen hoogstwelkomen brief ontvangen. Hartelijk dank, dierbare vriendin, voor uwe deelneming en uwe raadgevingen! Ik kan ze niet, dan door een onbegrensd vertrouwen vergelden.

Gij vraagt mij van welke afkomst Brown dan eigenlijk is, dat mijn vader hierin zoo veel aanstootelijks vindt. Het verhaal zijner geschiedenis is kort. Hij is afkomstig uit Schotland en, daar hij vroeg ouderloos bleef, werd hij door bloedverwanten in Holland opgevoed. Hij werd voor den handel bestemd en zeer jong naar een onzer Oostindische koloniën, waar zijn pleegvader een’ handelsvriend had, gezonden. Maar toen hij in Indië aankwam, was deze vriend overleden, zoo dat hem niets anders overbleef, dan eene plaats als klerk op een kantoor te zoeken. Het uitbarsten van den oorlog en de verlegenheid, waarin wij in het eerst geraakten, gaven allen jongen lieden, die geneigd waren deze loopbaan te omhelzen, gelegenheid, om bij het leger geplaatst te worden; en Brown, die grooten lust voor den krijgsdienst had, was de eerste, die eene loopbaan, welke tot rijkdom voeren kon, vaarwel zeide, om den weg des roems te bewandelen. Het overige van zijne geschiedenis is u bekend. Verbeeld u nu de verbittering mijns vaders, die den handel veracht (ofschoon het grootste deel van zijn vermogen, door mijn oudoom, in dien eerbiedwaardigen stand verworven is) en in het bijzonder de Hollanders niet genegen is; denk eens, hoe mijn vader het, naar alle waarschijnlijkheid, opnemen zou, wanneer van Beest Brown, die uit medelijden door het huis van Beest en van Bruggen opgevoed werd, om de hand zijner eenige dochter vroeg! Neen, Mathilda! dat zou nooit goed gaan! Ik ben waarlijk ook zoo kinderachtig, dat ik mij nauwelijks onthouden kan, mijns vaders aristocratische gevoelens te deelen. Mevrouw Van Beest Brown! Die naam heeft inderdaad niet veel uitlokkends. – Wat zijn wij toch kinderachtig!”

ACHTSTE UITTREKSEL.

„Alles is voorbij, Mathilda! Ik zal nooit den moed hebben, mijn hart voor mijn vader bloot te leggen. Ja, ik vrees zeer, dat hij reeds langs een anderen weg achter mijn geheim gekomen is; en hierdoor wordt alle hoop vernietigd, welke ik op eene openhartige en vrijmoedige bekentenis had durven bouwen.

Gisteren nacht kwam Brown, als naar gewoonte, en zijne fluit verkondigde mij dat hij naderde. Wij waren overeengekomen, dat hij steeds dit teeken zou gebruiken, in de hoop dat Brown, indien hij door een’ der huisgenoten opgemerkt mocht worden, voor een’ dier bewonderaars der natuur zou doorgaan, die door de heerlijke landstreek zoo menigvuldig herwaarts gelokt worden, en, in hunne geestdrift, het meer of de oevers daarvan op alle uren bezoeken en dikwijls door muziek hun gevoel lucht geven. De tonen der muziek moesten mij ook tot een voorwendsel dienen, indien men mij op het balkon mocht bespeuren. Maar gisteren nacht, juist toen ik sterk op mijn voornemen aandrong, om alles openhartig aan mijnen vader te bekennen, dat door hem even ernstig bestreden werd, hoorden wij het venster in mijnheer Mervyn’s studeervertrek, dat juist onder mijne kamer is, zachtjes open doen Ik gaf Brown een teeken om zich te verwijderen, en trad snel van het balkon, in de flauwe hoop, dat onze bijeenkomst onopgemerkt gebleven zou zijn.

Maar helaas, Mathilda! deze hoop verdween, zoodra ik het gelaat van den heer Mervyn den volgenden morgen bij het ontbijt zag. Zijne veelbeteekenende blikken schenen mij te zeggen, dat hij alles wist, en door zijne vertrouwelijkheid tergde hij mij zoo zeer, dat ik boozer had moeten worden, dan ik nóg ooit in mijn leven geweest ben, indien ik het slechts had durven wagen, maar ik moest voorzichtig zijn. Mijne wandelingen zijn nu binnen de grenzen van zijn erf, waar de goede man mij zonder veel ongemak vergezellen kan, beperkt. Ik heb reeds een paar malen bemerkt, dat hij mijne gedachten poogde te doorgronden en op mijn gelaat zocht te lezen, wat er in mijn hart omging. Meer dan eens heeft hij over de fluit gesproken en de waakzaamheid en den trouw zijner honden geroemd. Ook hield hij lofspraken op zijn heer, die nooit verzuimt met geladen geweer de ronde te doen, en liet zich zelfs iets van voetangels en klemmen ontvallen. Ik zou ongaarne een ouden vriend van mijn vader in zijn eigen huis beleedigen, maar ik verlang er naar, hem te toonen dat ik mijns vaders dochter ben; en ik ben zeker, dat de heer Mervyn daarvan overtuigd zal wezen, wanneer ik ooit aan mijne drift toegeef en hem op deze zinspelingen en wenken antwoord. Eén ding weet ik zeker en daarvoor ben ik hem hartelijk dankbaar: hij heeft aan zijne vrouw geen woord gezegd. Lieve hemel, welke lessen zoude ik dan niet hebben moeten aanhooren over de gevaren der liefde en der nachtlucht op het meer! welke prêken over het gevaarlijke van verkoudheden en fortuinzoekers, en over het nut en voordeel van gesloten vensters en het gebruiken van een kopje slemp! Ik kan het schertsen niet laten, Mathilda, ofschoon ik in mijn hart bedroefd en treurig ben. Wat Brown nu doen zal, weet ik niet; ik vermoed nochtans, dat de vrees voor ontdekking hem vooreerst van zijne nachttochtjes terughouden zal. Hij heeft zijn verblijf genomen in eene herberg aan de overzijde van het meer, onder de naam van Dawson – men kan niet ontkennen, dat hij zeer ongelukkig in de keus van namen is. Hij heeft den krijgsdienst, geloof ik, nog niet verlaten, maar spreekt geen woord over zijne tegenwoordige uitzichten.

Mijn angst stijgt ten top, daar mijn vader plotselijk en, naar het schijnt, zeer slecht geluimd teruggekomen is. Onze goede gastvrouw verwachtte hem eerst over acht dagen, zoo als ik uit een levendig gesprek, dat zij met hare huishoudster hield, vernomen heb; maar ik vermoed, dat zijne komst niet zoo onverwacht was voor zijn vriend Mervyn. Hij was jegens mij zoo bijzonder koel en stijf, dat daardoor mij de moed begaf, om mij aan zijne grootmoedigheid over te geven. Het is hem mislukt, in het zuidwesten van Schotland een landgoed, waarmede hij zeer ingenomen was, te koopen, en hieraan schrijft hij zijne verdrietige luim toe; maar ik geloof niet, dat zijn humeur door zulk eene kleinigheid bedorven zou worden. Zijn eerste tocht na zijne aankomst was met de schuit van den heer Mervyn dwars over het meer naar de herberg, waarvan ik u gesproken heb. Verbeeld u eens, met welken angst ik zijne terugkomst verwachtte. Wie kon de gevolgen berekenen, indien hij Brown gezien en herkend had! Hij kwam intusschen terug, zonder naar het scheen iets bemerkt te hebben. Ik hoor, dat hij voornemens is een huis te huren in de nabijheid van dat zelfde Ellangowan, waarvan ik zoo veel moet hooren, daar hij denkt, dat dat goed, hetwelk hij zoo vurig wenscht te bezitten, spoedig weder te koop zal zijn. Ik zend dezen brief niet af, voor dat ik met mijns vaders voornemens nauwkeurig bekend ben.

„Ik heb nu met mijn vader gesproken, zoo vertrouwelijk gesproken, als ik denk, dat hij mij toestaan wil. Heden morgen, na het ontbijt, verzocht hij mij, met hem in de bibliotheek te gaan; mijne knieën knikten en, zonder overdrijving, Mathilda, ik kon hem nauwelijks naar de kamer volgen. Ik vreesde, ik weet niet wat. Van mijne kindsheid af heb ik alles rondom hem voor zijne donkere blikken zien beven. Hij verzocht mij te gaan zitten, en nooit heb ik een bevel zoo gaarne gehoorzaamd: want waarlijk, ik kon nauwelijks blijven staan. Hij wandelde de kamer steeds op en neder. Gij hebt mijn vader gezien en ook door u is het niet onopgemerkt gebleven, dat zijne trekken bijzonder sprekend zijn. Zijne oogen zijn natuurlijk licht van kleur, maar ze worden donkerder en schieten vlammen, als hij ontroerd of toornig wordt. Ook heeft hij de gewoonte, bij hevige aandoeningen, zijne lippen in te trekken, een teeken, dat de aangeboren drift van zijn gemoed met zijne door langdurige pogingen verworven zelfbeheersching in strijd is. Het was de eerste maal, dat ik mij sedert zijne terugkomst uit Schotland met hem alleen bevond, en ik twijfelde niet dat hij spreken wilde over het onderwerp, dat mij de meeste vrees inboezemde.

Tot mijne onuitsprekelijke blijdschap was mijne vrees ongegrond. Wat mijn vader van mijnheer Mervyn’s vermoedens of ontdekkingen weten mocht, hij was niet voornemens over deze zaak te spreken. In mijn angst verheugde mij dit zeer, ofschoon de wezenlijkheid, ingeval hij de geruchten welke hem ter ooren konden gekomen zijn waarlijk onderzocht had, niets geweest zou zijn in vergelijking van hetgeen hij misschien vermoed had. Maar, hoe zeer mijn moed bij deze onverwachte uitkomst geklommen was, waagde ik het toch niet het gesprek te beginnen, maar wachtte stilzwijgend op zijne bevelen.

„Julia,” zeide hij, „mijn zaakwaarnemer in Schotland schrijft mij, dat het hem gelukt is een fatsoenlijk gemeubeleerd huis, van al het noodige voor mijn huisgezin voorzien, voor mij te huren: het ligt geen uur gaans van het landgoed, dat ik koopen wilde.” – Hier zweeg hij en scheen mijn antwoord te verwachten.

„Ieder verblijf, dat u bevalt, vader, zal mij aangenaam zijn.”

„Hm! maar het is mijn plan niet, Julia, dat gij den ganschen winter geheel alleen in dit huis wonen zult.”

Mijnheer en mevrouw Mervyn, dacht ik bij mij zelve, en zeide: „ieder gezelschap, dat u aangenaam is –”