Guy Mannering of de Sterrewichelaar
Part 11
„Waar loopt Karel Hazlewood heen?” vroeg de zieke, die waarschijnlijk reeds aan zijne tegenwoordigheid en oppassing gewoon was; „waar loopt Karel Hazlewood toch heen? waarom gaat hij nu weg?”
„Hij komt dadelijk terug,” zeide Lucie vriendelijk.
Nu hoorde men onderscheidene stemmen van den kant der bouwvallen (de lezer herinnert zich, dat het oude slot met het strand gemeenschap had) en de sprekers kwamen den trap op. „Ja,” zeide een stem „hier is overvloed van schelpen, zoo als gij te recht aanmerkt, en indien iemand een nieuw huis wilde bouwen, wat zeker wel noodig is, die vindt eene menigte goede gehouwen steenen in dit oude duivelsnest.”
„Mijn hemel!” riep juffrouw Bertram tegen Sampson, „dat is de stem van den ellendigen Glossin. Als mijn vader hem ziet, zal de arme man het met den dood bekoopen.”
Sampson keerde zich dadelijk om, en ging met groote schreden heen, om te zien of Lucie goed gehoord had. Toen Glossin van onder de poort der bouwvallen trad, riep Sampson hem toe: „verwijder u! verwijder u! wilt gij eerst dooden en dan bezit nemen?”
„Zachtjes, zachtjes, dominé Sampson!” antwoordde Glossin trotsch, „indien gij op den kansel niet preeken kunt, hier verlangen wij geene predicatie. Wij houden ons aan het recht, vriend! en laten het Evangelie aan u over.”
Reeds sedert eenigen tijd kon de ongelukkige zieke den naam van dezen man niet zonder de hevigste ontroering hooren noemen, en ook nu had zijne stem eene oogenblikkelijke uitwerking. Bertram sprong zonder hulp op, en wendde zich tot hem. De doodelijke bleekheid van zijn gelaat stak verschrikkelijk af bij de hevigheid zijner taal. „Uit mijne oogen, slang!” riep hij; „uit mijn gezicht, koude slang, die ik gekoesterd heb, tot ze mij beet! Vreest gij niet, dat de muren van mijne vaderlijke woning neerstorten en u armen en beenen verbrijzelen zullen? Vreest gij niet, dat de grond in het slot van Ellangowan gapen zal om u te verslinden? Waart gij niet zonder vriend, zonder huis, zonder geld, toen ik u liefderijk de hand bood? en wilt gij niet mij en dat onschuldige meisje, van alles ontbloot uit het huis verdrijven, waarin wij en de onzen gedurende duizend jaren huisvesting gevonden hebben?”
Indien Glossin alleen geweest ware, zou hij waarschijnlijk weggeslopen zijn; maar de gedachte dat er buiten zijn begeleider, een landmeter, nog een vreemdeling tegenwoordig was, deed hem zijne toevlucht tot onbeschaamdheid nemen. Maar zelfs voor zijne schaamteloosheid was deze onderneming te moeielijk. „Mijnheer, – Mijnheer Bertram!” stamelde hij; „gij moest mij niet beschuldigen, maar uwe eigene onvoorzichtigheid –”
Mannering’s verontwaardiging steeg ten top. „Mijnheer,” sprak hij tot Glossin, „zonder in bijzonderheden over dezen redetwist te willen treden, moet ik u zeggen, dat gij daartoe een zeer ongeschikten tijd, plaats en gezelschap hebt gekozen. Gij zult mij verplichten met te vertrekken, zonder iets meer te zeggen.”
Glossin, een groot, sterk, gespierd man, wilde het liever tegen een vreemdeling opnemen, dien hij hoopte door zijn snoeven schrik aan te jagen, dan zijne slechte zaak tegen zijnen beleedigden begunstiger vol te houden en sprak op trotschen toon: „Ik weet niet, wie gij zijt, Mijnheer! maar ik zal niet dulden, dat iemand zich zulke verwenschte vrijheden tegen mij veroorlooft.”
Mannering was driftig van aard. Zijne oogen schoten vlammen. Hij naderde Glossin toornig en zeide: „Dat gij mij niet kent, doet niets ter zake. Ik ken u; indien gij niet oogenblikkelijk van dezen heuvel afgaat, zonder éen enkel woord te spreken – bij den hemel, die boven ons is, dan zult gij met ééne schrede van boven naar beneden vliegen.”
De gebiedende toon van den rechtvaardigen toorn bracht eensklaps de woede van den zwetser tot bedaren. Hij weifelde, keerde zich om, mompelde tusschen de tanden, dat hij het alleen deed om de dame geen’ schrik aan te jagen, en bevrijdde het gezelschap van zijne hatelijke tegenwoordigheid.
De knecht van de waardin te Kippletringan, welke den heer en zijne dochter met een rijtuig zou afhalen, was intusschen genaderd. Toen hij hoorde, wat hier voorviel, zeide hij overluid: „Indien hij was blijven staan, zou ik hem geholpen hebben, dien lagen schelm!”
Hij berichtte nu, dat bet rijtuig gereed stond. Het was echter reeds te laat. Door de hevige inspanning bij deze laatste uitbarsting van zijne verontwaardiging waren de zwakke krachten van Bertram geheel uitgeput, en toen hij weder op zijn stoel nederzeeg, blies bij, bijna zonder doodstrijd, den laatsten adem uit.
Het uitdooven der levensvonk veroorzaakte zoo weinig verandering in zijne trekken, dat het weeklagen van zijne dochter, toen deze zag dat zijn oog gebroken was, en voelde dat zijn pols stil stond, het eerst zijn dood aan de omstanders aankondigde.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De klok slaat één – wij letten op den tijd Alleen als zijne vlucht ons aangekondigd wordt, ’t Was wijs te zorgen, dat men ’t hooren moet. Plechtig, als englentaal, treft mij der klokken klank.
Young.
De zedeles, welke de dichter zoo kunstig gehaald heeft uit de noodzakelijke wijze om de vlucht der uren aan te kondigen, mag wel toegepast worden op het aantal daarvan, die des menschen leven uitmaken. Wij zien de ouden van jaren, de zwakken, en menschen die in gevaarlijke ondernemingen gewikkeld zijn, en allen, die als het ware op den rand van het graf staan, zonder eenige les te trekken uit het gevaar waarin zij verkeeren, tot hun laatste uur werkelijk geslagen is, dan, om éen kort oogenblik ten minste:
„– Schrikken ons hoop en vreeze op En staren bevend over den smallen rand Van ’s levens afgrond – en zien wat? Een bodemlooze diepte – en somb’re eeuwigheid, Die hij niet ontgaat, –
De talrijke nieuwsgierigen en lediggangers, die met het uitzicht van zich te vermaken, of, zoo als zij het zelven noemden, „om zaken te doen” op Ellangowan gekomen waren, bekommerden zich er weinig om, wat zij, die bij deze gelegenheid leden, gevoelden. Weinigen wisten inderdaad iets van deze ongelukkige familie. De vader, ongelukkig, zwak van geest en in stille afzondering levende, was sedert vele jaren, als het ware, door zijne medemenschen vergeten; zijne dochter was onbekend opgegroeid. Maar toen het bekend werd, dat den ongelukkigen Bertram het hart door smart gebroken was, toen hij het huis zijner voorvaderen verlaten moest, werd plotseling eene algemeene deelneming opgewekt, even als de wateren uit de rotsen stroomen, als de profeet ze met zijn staf aanraakt. Men sprak met achting van den hoogen ouderdom en den onbevlekten naam van dit geslacht, en de heilige, aan het ongeluk verschuldigde, eerbied, waarop in Schotland zelden te vergeefs aanspraak gemaakt wordt, werd hier met recht betoond.
Mac-Morlan kondigde dadelijk aan, dat de geheele verkoop geen voortgang zou hebben en dat hij de dochter vooreerst in het bezit zou laten, tot zij met hare vrienden raadplegen en de begrafenis van haren vader bezorgen kon.
Bij de algemeene deelneming had Glossin eerst eenige oogenblikken gezwegen; maar toen hij zag, dat de algemeene verontwaardiging der menschen niet tegen hem gericht was, verstoutte hij zich, te eischen dat de verkooping voortgaan zoude.
„Ik neem het op mij, ze uit te stellen,” antwoordde Mac-Morlan, „en ben verantwoordelijk voor de gevolgen. Ik zal het ook behoorlijk bekend maken, wanneer de verkoop plaats zal hebben. Het is in ’t voordeel van alle belanghebbenden, dat de landerijen den hoogstmogelijken prijs opbrengen, en dat is zeker in dit oogenblik niet te verwachten. Ik neem alle verantwoordelijkheid op mij.”
Glossin verwijderde zich uit het vertrek en verliet spoedig en heimelijk het huis, waarschijnlijk tot zijn geluk, daar Hans, de voerman, reeds bezig was, om eenen talrijken troep barrevoets gaande jongens te bewijzen, dat het zeer geraden zou zijn, hem met een hagel van steenen van het landgoed af te jagen.
Eenige vertrekken werden in der haast voor Lucie en het lijk haars vaders in orde gebracht. Mannering dacht nu, dat zijne verdere bemiddeling niet meer noodig was en zelfs verkeerd uitgelegd zou kunnen worden. Bovendien bemerkte hij, dat verscheidene met het geslacht Ellangowan vermaagschapte familiën, die inderdaad hunne voornaamste aanspraak op eenig aanzien op deze verwantschap grondden, nu geneigd waren aan hunne stamboomen eene schatting te betalen, waartoe het ongeluk van hunne bloedverwanten hen nooit had kunnen bewegen. Zeven aanzienlijke en rijke mannen betwistten elkander de eer, de begrafenis van Bertram te regelen, even als een zevental steden zich de eer betwistten om de geboorteplaats van Homerus te zijn, ofschoon geen hunner hem bij zijn leven eene schuilplaats had aangeboden. Daar Mannering nu begreep, dat zijne tegenwoordigheid verder nutteloos was, besloot hij een reisje van veertien dagen te doen, na verloop van welken tijd de uitgestelde veiling van het goed Ellangowan plaats zoude hebben.
Vóór zijn vertrek verzocht hij echter Sampson te spreken. Toen de arme man vernam, dat een vreemd heer naar hem vroeg, verscheen hij zonder dralen. Op zijn ingevallen gelaat, welks trekken door de zoo korteling geleden smart nog scherper geworden waren, was de verwondering over het onverwacht verzoek te lezen. Hij maakte een paar diepe buigingen voor Mannering, bleef vervolgens rechtop voor hem staan en wachtte geduldig op diens bevelen.
„Gij kunt waarschijnlijk niet gissen,” zeide Mannering, „wat een vreemdeling u te zeggen heeft?”
„Misschien wildet gij mij verzoeken, eenen jongeling in de fraaie letteren en andere humaniora te onderwijzen: maar ik kan niet – ik kan niet – ik heb nog iets van groot belang te verrichten.”
„Neen, Mijnheer Sampson, zoo ver gaan mijne wenschen niet. Ik heb geen zoon, en mijne eenige dochter zoudt gij vermoedelijk voor geen geschikte leerling houden.”
„Zeker niet,” hernam de argelooze man. „Intusschen heb ik juffrouw Lucie in alle nuttige kundigheden opgeleid, ofschoon de huishoudster haar in de nuttelooze kunst van knippen, zoomen en andere huishoudelijke zaken onderwezen heeft.”
„Nu, het is juist over juffrouw Lucie dat ik spreken wilde. Gij kunt u mijn gelaat denkelijk niet herinneren?”
Sampson, die gewoonlijk zeer afgetrokken was, herinnerde zich noch den sterrewichelaar van vroegere jaren, noch den vreemdeling, die de partij van zijn beschermer tegen Glossin gekozen had, zoo verward waren zijne gedachten door den plotselijken dood van zijn vriend.
„Nu, dat doet niets ter zake,” vervolgde Mannering. „Ik ben een oude bekende van uwen gestorven vriend, in staat en geneigd, om zijne dochter in hare tegenwoordige omstandigheden te helpen. Buitendien ben ik voornemens het goed te koopen, en wensch uit dien hoofde, dat het huis en alles goed in orde gehouden worde: wilt gij nu zoo goed zijn,” vervolgde hij, terwijl hij Sampson eene goudbeurs in de hand stak, „deze kleine som voor de gewone huiselijke uitgaven te gebruiken?”
„Ver–ba–zend!” riep de verraste dominé uit. „Maar wilt gij niet wachten –”
„Onmogelijk, Mijnheer Sampson! onmogelijk,” hernam Mannering, terwijl hij zich verwijderde.
„Ver–ba–zend!” herhaalde Sampson en volgde den kolonel, met de beurs in de hand, tot aan de trap. „Maar ten opzichte van dit geld –”
Mannering vloog zoo snel mogelijk de trappen af.
„Ver–ba–zend!” riep Sampson nu voor de derde maal en stond bij de huisdeur. „Maar, wat dit geld aangaat –”
Maar Mannering zat reeds te paard en hoorde hem niet meer. De dominé, die nooit voor zich zelven, noch voor een’ ander, het vierde gedeelte van deze som, welke toch niet meer dan twintig guinjes bedroeg, in bezit had gehad, overlegde bij zich zelven hoe hij met dit blinkende, aan hem toevertrouwde goud handelen zou. Gelukkig vond hij ook in Mac-Morlan eenen belangeloozen raadgever, die hem de beste middelen aan de hand gaf, om het ten voordeele van miss Bertram te gebruiken, daar er geen twijfel was, tot welk oogmerk de gever het bestemd had.
Verscheidene adellijke familiën noodigden Lucie Bertram nu dringend uit, om van hare welwillende gastvrijheid gebruik te maken. Zij gevoelde echter eenen natuurlijken tegenzin, eer als een voorwerp van medelijden dan van gastvrijheid bij eene of andere familie in te wonen, en besloot den raad en het gevoelen van haars vaders naaste bloedverwante, mejuffrouw Margareta Bertram van Singleside, eene oude ongehuwde dame, aan wie zij haren tegenwoordigen ongelukkigen toestand geschreven had, af te wachten.
Haar vader werd deftig, maar zonder veel praal begraven, en nu kon de ongelukkige wees zich slechts als de enkele bewoonster van het huis beschouwen, waarin zij geboren was en den zwakken grijsaard met zoo veel geduld en zorgvuldigheid opgepast had. Mac-Morlan gaf haar hoop, dat zij niet onverwachts of onvriendelijk van deze schuilplaats beroofd zou worden; maar het toeval wilde het anders.
Twee dagen vóor den bepaalden verkoopdag verwachtte Mac-Morlan ieder oogenblik Mannering’s terugkomst, of ten minste een brief met eene volmacht, om het landgoed voor hem te koopen. Maar te vergeefs; geen van beide kwam. Toen de bepaalde dag aanbrak, ging hij zelf naar het postkantoor; maar er waren nog geene brieven voor hem. Nu zocht hij zich te overreden, dat de kolonel tegen den tijd van het ontbijt zou komen, en verzocht zijne vrouw, haar best porselein voor den dag te halen en alles tot ontvangst van den gast gereed te maken. Maar ook deze hoop werd verijdeld. „Had ik dit kunnen vooruitzien,” zeide hij in zich zelven, „ik zou geheel Schotland doorgereisd hebben, om iemand te vinden, die tegen Glossin kon en wilde opbieden.”
Maar helaas! het was te laat. Het bepaalde uur sloeg en de gegadigden verzamelden zich reeds in de herberg te Kippletringan, waar de verkooping nu plaats zou hebben. Mac-Morlan verspilde met voorbereidingen zoo veel tijd, als hij welstaanshalve maar konde, en las de koopvoorwaarden zoo langzaam voor, alsof het zijn eigen doodvonnis geweest ware. Zoo dikwijls de deur van het vertrek geopend werd, keek hij op; maar zijne hoop werd hoe langer hoe flauwer. Hij luisterde naar ieder gedruisch op straat, of hij ook het rollen van een rijtuig of getrappel van paarden kon ontdekken; maar te vergeefs. Nu kwam de troostrijke gedachte bij hem op, dat Mannering een’ ander gevolmachtigd kon hebben, en gaarne zou hij het gebrek aan vertrouwen op hem, dat daarin zou doorstralen, over het hoofd gezien hebben. Maar ook deze hoop verdween. Glossin bood den hoogsten prijs voor de heerlijkheid Ellangowan met alle landerijen. Daar hier niets tegen in te brengen was en er geen hooger bieder optrad, zag Mac-Morlan zich gedwongen na het aftoopen van een’ zandlooper, het gewone tijdperk, dat den kooper toegestaan wordt om behoorlijke zekerheid te stellen, te verklaren, dat de verkoop wettig gesloten en genoemde Gilbert Glossin kooper van gezegde heerlijkheid en landerijen geworden was. De brave ambtenaar weigerde aan een prachtig gastmaal, waarop Gilbert Glossin, nu heer van Ellangowan, het overige gezelschap onthaalde, deel te nemen, en ging zeer ontstemd naar huis. Hij zocht zijn misnoegen lucht te geven door klachten over de onbestendigheid en luimen van de Indische rijkaards, die geen veertien dagen lang, weten wat zij willen. Maar zelfs deze troost zou hem spoedig benomen worden.
Des avonds om zes uur kwam er namelijk een renbode, „zoo dronken als een zwijn,” gelijk de dienstmeid zich uitdrukte, met een’ langen brief van den kolonel, welken hij vier dagen vroeger uit eene stad omstreeks dertig uren van Kippletringan afgezonden had, inhoudende eene behoorlijke volmacht voor Mac-Morlan, of voor wien ook, die door hem aangewezen mocht worden, om de heerlijkheid Ellangowan met hare aanhoorigheden te koopen. Mannering meldde tevens, dat eene gewichtige familiezaak hem naar Westmoreland riep en verzocht hem, zijne brieven onder adres van den heer Arthur Mervyn van Mervyn-Hall te zenden.
Mac-Morlan wierp in zijne eerste drift de volmacht de onschuldige dienstbode naar het hoofd, en kon zich niet dan met moeite weerhouden, zijne gramschap aan den renbode te koelen, door wiens traagheid en dronkenschap hij zoo deerlijk teleurgesteld was.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Jan Schraap, – mijn goed, mijn goud zijn weg, Koop nu mijn land van mij! Geef me wat goud, o brave Jan, Mijn land ten uwe zij! Jan ving daarop te rekenen aan; De som kwam keurig uit; Hij gaf hem voor elken schellings waard Niet meer dan twee drie duit.
De Erfgenaam van Linne.
De Jan Schraap van Ellangowan was nog knapper dan die van wien de dichter spreekt. Het gelukte hem bezit van de landerijen te krijgen zonder een enkelen duit uit te betalen.
Zoodra Lucie Bertram deze smartelijke en, in de laatste dagen, geheel onverwachte tijding kreeg, bespoedigde zij hare toebereidselen, om onverwijld de vaderlijke woning te verlaten. Mac-Morlan bood haar hierbij de behulpzame hand en verzocht haar zoo vriendelijk en dringend, om in zijn huis te vertoeven tot zij antwoord van hare nicht ontvangen, of een vast levensplan gemaakt zoude hebben, dat zij meende, zulk eene welgemeende en hartelijke uitnoodiging niet van de hand te kunnen wijzen zonder onbeleefd te zijn. De echtgenoote van Mac-Morlan was eene zeer beschaafde vrouw, door geboorte en manieren best berekend, om zulk een bezoek te ontvangen en Lucie het verblijf in haar huis aangenaam te maken. Daar juffrouw Bertram nu niet langer voor huisvesting behoefde te zorgen en van eene vriendelijke ontvangst verzekerd was, maakte zij zich met een lichter hart gereed, om den weinigen dienstboden van haren vader hun loon te betalen en vaarwel te zeggen, wat, door de plaats hebbende omstandigheden, dubbel treffend voor haar moest zijn. Zij ontvingen allen nog eene kleinigheid, boven hetgeen zij te vorderen hadden, en namen onder dankzeggingen en heilwenschen afscheid van hunne jonge meesteres. Er bleef niemand meer in het vertrek dan de heer Mac-Morlan, die gekomen was om zijn gast naar zijn huis te geleiden, dominé Sampson en Lucie Bertram.
„En nu,” zeide het arme meisje, „nu moet ik nog een’ mijner oudste en beste vrienden vaarwel zeggen. God zegene u, beste Mijnheer Sampson, en vergelde u al het goede, dat gij, vooral door uw’ onderricht, aan mij gedaan hebt, en beloone u voor uwe vriendschap jegens mijn gestorven vader! Ik hoop, dat ik nog dikwijls van u mag hooren!” Met deze woorden drukte zij hem een papier met eenige goudstukken in de hand en stond op, om de kamer te verlaten.
Sampson stond ook op, maar bleef sprakeloos van verbazing voor haar staan. Het denkbeeld, van Lucie te scheiden, waarheen deze zich ook mocht begeven, was in zijne eenvoudige ziel niet opgekomen. Hij legde het geld op de tafel.
„Het is zeker te weinig,” zeide Mac-Morlan, die Sampson’s bedoeling verkeerd opvatte, „maar de tegenwoordige omstandigheden –”
Sampson wenkte ongeduldig met de hand. „Het is niet om het geld,” zeide hij, „om het geld is het niet – maar dat ik, die gedurende meer dan twintig jaren mij aan haars vaders disch verzadigd heb, haar nu verlaten, haar in smart en droefheid verlaten zal. – Neen, juffrouw Lucie, dat kan uwe bedoeling niet zijn! Gij zoudt uws vaders ouden hond niet verstooten, en zoudt gij mij erger behandelen dan een dier? Neen, Lucie Bertram! zoo lang ik leef, kan ik niet van u scheiden. Ik zal u niet tot last zijn, daar zal ik wel voor zorgen. Maar, gelijk Ruth tot Naomi sprak: „verg niet dat ik u verlaten en zonder u terug zou keeren. Waar gij henen gaat, zal ik henen gaan waar gij blijft, daar zal ik blijven; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; waar gij sterft, daar zal ik sterven en ook mijn graf hebben. Jehova straffe mij, zoo iets, dan de dood alleen, ons van elkander zal scheiden.”
Bij deze woorden, het langste antwoord dat Sampson ooit gegeven had, stroomden den goeden man de tranen uit de oogen. Lucie en Mac-Morlan werden, door deze onverwachte uitbarsting van zijn gevoel en de uiting van zijne onwankelbare gehechtheid, diep getroffen.
„Sampson,” zeide Mac-Morlan met vochtige oogen, „mijn huis is groot genoeg; indien gij daar vertoeven wilt, zoo lang juffrouw Bertram mij met haar bezoek wil vereeren, zal ik mij gelukkig rekenen, zulk eenen waardigen en getrouwen vriend onder mijn dak te hebben.”
Om alle mogelijke tegenwerpingen van Lucie tegen het medebrengen van zulk eenen onverwachten begeleider te voorkomen, voegde hij er op kiesche wijze bij: „mijne zaken vorderen dikwijls eenen beteren rekenaar, dan ik onder mijne klerken heb; het zou mij dus zeer aangenaam zijn, als gij mij nu en dan daarbij wildet helpen.”
„Zeer gaarne, zeer gaarne,” antwoordde Sampson levendig; „ik versta het gewone en het Italiaansche boekhouden.”
De voerman, die intusschen in de kamer gekomen was, om te berichten dat het rijtuig gereed stond, was onbemerkt getuige van alles en verzekerde naderhand aan de waardin van Kippletringan, dat „dit het roerendste en treffendste tooneel was, dat hij ooit gezien had, het sterven van den grijzen schimmel was er niets bij.” Deze onbeduidende omstandigheid had later gewichtige gevolgen voor Sampson.
Mevrouw Mac-Morlan heette hare gasten hartelijk welkom. Haar gemaal vertelde haar, even als den overigen huisgenooten, dat hij Sampson’s hulp tot het uitpluizen van eenige verwarde rekeningen noodig had, en dat deze, gemakshalve, zoo lang dit duurde, bij hem zoude inwonen. Mac-Morlan’s wereldkennis bewoog hem de zaak op deze wijze voor te stellen, daar hij wel inzag, dat Sampson, hoe eerbiedwaardig zijne trouwe verkleefdheid zoo wel voor zijn hart als voor de familie Ellangowan ook was, nochtans ongeschikt was als gezelschap van de dames en, over het geheel, als begeleider van een mooi, jong meisje van zeventien jaar, een vrij belachelijke figuur maakte.
Sampson verrichtte alles, wat Mac-Morlan hem toevertrouwde, met veel ijver. Spoedig bemerkte men echter, dat hij iederen morgen, na het ontbijt, op een bepaald uur verdween en tegen den tijd van het middagmaal terug kwam. Den namiddag besteedde hij aan het kantoorwerk. Eindelijk trad hij op een Zaterdag met zegevierende blikken voor Mac-Morlan en legde twee goudstukken op tafel. „Waartoe moet dat dienen, Sampson?” vroeg deze.
„Ten eerste, om u voor de onkosten, welke ik u veroorzaak, schadeloos te stellen; het overige is ten behoeve van Mejuffrouw Bertram.”
„Maar, beste Sampson, uw werk op mijn kantoor vergoedt mij alles rijkelijk; ik blijf nog in uw schuld, vriend!”
„Dan is alles voor juffrouw Bertram,” hernam Sampson dadelijk.
„Maar dominé! maar dit geld –”
„Is eerlijk verdiend, Mijnheer Mac-Morlan! Het is de milde belooning van een jongen heer, dien ik dagelijks drie uren onderwijs in de oude talen geef.”
Na eenige vragen bleek het, dat deze milde leerling niemand anders dan de jonge Hazlewood was. Deze nam zijne lessen ten huize van vrouw Candlisch, die Sampson’s belangelooze verkleefdheid overal ten hoogste roemde en hem daardoor zulk eenen onvermoeiden en edelmoedigen leerling verschaft had.
Mac-Morlan was hierover zeer verwonderd. Dominé Sampson was wel een zeer geleerd en uitmuntend man en de klassieke schrijvers waren zonder twijfel wel waard gelezen te worden; maar dat een jongeling van twintig jaren zulk eene vurige zucht voor de letteren zou hebben, dat hij dagelijks een paar uren ver heen en terug reed, enkel om onderwijs van Sampson te ontvangen, kwam hem toch vrij ongeloofelijk voor. Er was weinig list noodig, om Sampson uit te hooren, daar de eerlijke man nooit aan strikvragen dacht. „Weet juffrouw Bertram wel, hoe gij uwen tijd besteedt, vriend?”