Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 10

Chapter 103,846 wordsPublic domain

„Verzoek hem dan beleefdelijk uit mijn naam (uit naam van den kolonel Mannering), heden avond bij mij te komen eten en de noodige papieren mede te brengen; en spreek gij er met niemand over juffrouw, als ik u bidden mag.”

„Geen woord, Mijnheer;” antwoordde zij met een buiging. „Ik wenschte wel dat gij of een ander achtenswaardig heer, die voor het vaderland gevochten heeft,” (met een derde buiging) „het goed mocht krijgen, nu de oude familie het toch verlaten moet, en niet die listige schelm Glossin, die zijn opkomst aan den ondergang van zijn besten vriend te danken heeft. En nu zal ik zelve maar mantel en overschoenen nemen en naar Mac-Morlan gaan, om uwe bevelen te volbrengen. Het is hier vlak bij.”

„Ik zal u zeer dankbaar wezen. Wil ook mijn knecht zeggen mijn brieventasch naar boven te brengen.” Na deze woorden ging de waardin heen en, na eenige oogenblikken, zat de kolonel Mannering met de pen in de hand vóor zijne tafel. Wij nemen de vrijheid over zijnen schouder te zien en deelen onzen lezers gaarne den inhoud van zijn schrijven mede. Het was een brief aan den heer Arthur Mervyn, van Mervyn-Hall, in Westmoreland. Na een kort bericht van des schrijvers wedervaren, sedert hij van hem vertrokken was, schreef hij verder:

„En kunt gij mij nu nog mijne zwaarmoedigheid kwalijk nemen, waarde Mervyn? Denkt gij, dat ik na vijf en twintig jaren, waarin ik veldslagen geleverd, wonden ontvangen, gevangenschap en allerhande soort van ongelukken ondergaan heb, nog dezelfde levendige, moedige Guy Mannering kan zijn, die de Skiddaw met u beklom, of korhoenders op Grosfel schoot? Dat gij, die altijd in den schoot van het stille, huislijk geluk gebleven zijt, weinig veranderd zijt, dat uw gang nog zoo licht, dat uwe verbeelding nog zoo vol helderen zonneschijn blijft, is het gezegende uitwerksel van gezondheid en gemoedsgesteldheid, verbonden met tevredenheid en eene zachte vaart op den stroom des levens. Maar mijne loopbaan was vol bezwaren, vol twijfelingen en dwalingen. Sedert mijne kindsheid was ik een speelbal van het toeval, en ofschoon de wind mij dikwijls in eene veilige haven bracht, was het toch zelden in die, waarheen de stuurman zijnen koers gericht had. Laat ik u, maar slechts met korte woorden, de zeldzame en bonte lotgevallen van mijne jeugd en de ongelukken van mijn mannelijken leeftijd herinneren.

„Mijne jeugd, zult gij zeggen, is toch niet zeer rampspoedig geweest. Alles ging wel niet naar wensch; maar toch redelijk goed. Mijn vader, de oudste zoon van een aanzienlijk, maar verarmd geslacht, liet mij bij zijnen dood met weinig vermogen, maar met den naam van hoofd van het geslacht, aan de bescherming van zijne meer bemiddelde broeders over, die mij zoo hartelijk beminden, dat zij bijna om mij twistten. Mijn oom, de bisschop, wilde een geestelijke van mij maken en mij een goede standplaats verschaffen; mijn oom, de koopman, wilde mij op een kantoor plaatsen en bood mij een aandeel in de uitgebreide zaak van: Mannering en Marshal, in Lombardstreet, aan. Zoo, tusschen deze twee zachte, gemakkelijke, wel gevulde stoelen van de godgeleerdheid en van den koophandel geplaatst, gleed ik, ongelukskind, tusschen beiden door en kwam op een’ dragonderszadel terecht. Vervolgens wilde de bisschop mij met de nicht en erfgename van den domdeken van Lincoln verbinden, en mijn oom, de koopman, sloeg mij een huwelijk met de eenige dochter van den grooten wijnhandelaar, den ouden Sloethorn, voor, die rijk genoeg was om goudstukken in het water te werpen en banknoten tot garenklosjes te gebruiken; en nochtans trok ik mijn hals uit beide strikken en huwde – de arme, de doodarme Sophia Wellwood.

„Gij zult zeggen, dat ik over mijne militaire loopbaan in Indië, waarheen ik mijn regiment gevolgd ben, toch eenigermate voldaan moest zijn; en dat is ook zoo. Gij zult mij herinneren dat, ofschoon ik de hoop van mijne beide voogden verijdelde, ik mij nochtans hun ongenoegen niet op den hals gehaald heb, – dat de bisschop mij, bij zijn dood, behalve zijn zegen, zijne geschrevene leerredenen en eene merkwaardige portefeuille, met de portretten van beroemde geestelijken van de Engelsche kerk, vermaakte; en dat mijn oom, sir Paul Mannering, mij tot eenigen erfgenaam van zijne rijkdommen maakte. Dit hielp mij echter niets. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat er iets op mijn gemoed drukte, dat ik wel met mij in het graf zal nemen, eene eeuwigdurende bitterheid in den kelk des levens. Ik zal u nu alles uitvoeriger verhalen, dan ik doen durfde, toen ik onder uw gastvrij dak leefde. Gij zult er mogelijk dikwijls over hooren spreken en misschien zal men er vele verschillende en verdichte omstandigheden bij verhalen. Ik zal u daarom alles openhartig mededeelen, en laat ons dan nooit weder over die gebeurtenis en over de droefheid, waarmede ze mijne ziel vervuld heeft, spreken.

Sophia volgde mij, zoo als gij weet, naar Indië. Zij was even onschuldig, als vroolijk; maar, tot ons beider ongeluk, ook even vroolijk als onschuldig. Door mijne studiën, welke ik opgegeven had, en door mijne afgezonderde levenswijze, had ik gewoonten aangenomen, die bestaanbaar waren met mijnen stand als bevelhebber van een regiment in een land, waar ieder, die aanspraak maakt op den rang van een fatsoenlijk man, gastvrijheid beoefent en verwacht. Gij weet, hoeveel moeite wij somtijds hadden, om blanke gezichten te vinden om onze kaders voltallig te houden. In zulk een oogenblik van verlegenheid kwam een jongeling, Brown genaamd, als vrijwilliger bij ons regiment, en bleef als kadet bij ons, daar hij meer smaak in den krijgsdienst vond dan in den koophandel, waaraan hij zich tot dus ver toegewijd had. – Ik wil mijn ongelukkig slachtoffer recht laten wedervaren. Hij gedroeg zich bij elke gelegenheid zoo dapper, dat men hem de eerste opengevallen officiersplaats ten volle waardig keurde. Ik moest gedurende eenige weken wegens een tocht in de verte, afwezig zijn. Toen ik terug kwam, vond ik dezen jongen man als huisvriend, als bezoeker van mijne vrouw en dochter, in mijn huis. Dit mishaagde mij in vele opzichten, ofschoon er op de zeden of het karakter van den jongen niets te zeggen viel.

„Ik zou mij wellicht nog wel met zijne gemeenzaamheid in huis verzoend hebben; maar ik werd door anderen opgehitst. Indien gij den Othello naleest (ik durf het boek nooit openslaan), zult gij u eenigszins kunnen verbeelden, wat het gevolg was; – ik bedoel hiermede mijne vermoedens; mijne daden waren. Goddank! niet zoo misdadig. Wij hadden eenen anderen kadet, die vurig naar de opengevallen officiersplaats haakte. Deze maakte mij opmerkzaam op de coquetterie, zoo als ik het noemde, door zijne inblazingen verleid, tusschen mijne vrouw en den jongen Brown. Sophia was deugdzaam, maar trotsch op hare deugd; en, door mijne ijverzucht verbitterd, was zij onvoorzichtig genoeg, eene gemeenzaamheid voort te zetten en aan te moedigen, welke ik, zoo als zij zag, afkeurde en met wantrouwen beschouwde. Tusschen Brown en mij bestond eene soort van inwendigen tegenzin. Hij deed eenige pogingen, om mijne vooroordeelen te overwinnen; maar door mijne vooringenomenheid beschouwde ik ze uit een verkeerd oogpunt. Toen hij zich dus met minachting afgewezen zag, liet hij af; en daar hij zonder naastbestaanden, zonder vriend was, bespiedde hij natuurlijk des te zorgvuldiger het gedrag van iemand, die beiden bezat.

„Het is vreemd, hoe smartelijk het mij valt, dezen brief te schrijven. En toch voel ik mij geneigd, deze foltering te rekken, als of ik daardoor de gebeurtenis, welke mijn leven zoolang verbitterd heeft, verwijderen kon. Maar– ik moet alles verhalen, en zal kort wezen.

„Mijne vrouw was, hoewel niet jong meer, nog zeer schoon, en – laat mij dit tot mijne rechtvaardiging zeggen – had gaarne, dat men haar daarvoor hield. Nog eenmaal herhaal ik het, ik twijfel nooit aan hare deugd; maar, door de listige inblazingen van Archer verleid, dacht ik, dat zij zich weinig om de rust van mijn gemoed bekommerde, en dat de jonge Brown haar, mij ten trots en om mij te kwellen, zoo vele oplettendheid bewees. Hij beschouwde mij misschien van zijnen kant als een heerschzuchtig aristocratisch gezind mensch, die zijnen rang misbruiken wilde, om, zoo wel in het burgerlijke leven als in het leger, diegenen, welke het lot onder hem geplaatst had, te kwellen en te krenken. En indien hij mijne dwaze jaloezie opmerkte, dacht hij waarschijnlijk zich het best over de kwellingen, die ik hem kon aandoen, te kunnen wreken, door mij aan die gevoelige zijde te kwetsen. Een mijner vrienden, een scherpziend man, wilde een onschuldiger of ten minste minder beleedigende uitlegging aan deze oplettendheden geven, en zocht mij te overreden, dat Brown eigenlijk een oog had op mijne dochter Julia, en dat hij aan de moeder zooveel oplettendheden bewees, om hare gunst te winnen. Dit dingen naar de hand mijner dochter van een jongeling zonder naam, en wiens afkomst niemand kende, kon wel niet zeer vleiend en aangenaam voor mij zijn; nochtans kon ik mij door deze dwaasheid niet zoo diep beleedigd voelen, als door de groote vermetelheid, welke ik veronderstelde. Maar, hoe dit zij, ik was gevoelig beleedigd.

„Een klein vonkje wordt licht een heldere gloed, als alles, wat rondom ligt, gemakkelijk vuur vat. Ik heb de onmiddellijke oorzaak van den twist geheel vergeten; maar zoo veel herinner ik mij nog, dat het eene kleinigheid aan de speeltafel was, welke hooge woorden en eene uitdaging ten gevolge had. Wij ontmoetten elkander in den morgenstond, buiten de werken van de vesting, waar ik het bevel voerde, op de grenzen van de volkplanting. Dit was wegens Brown’s veiligheid, indien hij overwinnaar mocht worden. Bijna wensch ik, dat hij het geworden ware, zij het ook te mijnen koste! maar hij viel bij het eerste schot. Wij snelden hem te hulp, maar eenige inlandsche struikroovers, Looties genaamd, die altijd op buit loeren, overvielen ons. Met veel moeite bereikten Archer en ik onze paarden, en niet dan na een hevig gevecht, waarin deze gevaarlijk gewond werd, konden wij ontsnappen. Tot overmaat van ongeluk op deze noodlottigen dag, wilde mijne vrouw, die het oogmerk waarmede ik de vesting verliet, vermoedde, mij in haren palankijn volgen, en werd door eene andere bende van deze roovers overvallen en bijna gevangen genomen. Zij werd wel spoedig door eene afdeeling van onze ruiterij gered, maar ik kan voor mij zelven niet verbloemen, dat hare reeds zwakke gezondheid door de rampen van dien ongelukkigen morgen hevig geschokt werd. Archer, die dacht, dat hij zijne wonden niet overleven zoude, bekende, dat hij sommige omstandigheden verdicht en aan andere de slechtste uitlegging gegeven had; maar deze ophelderingen en de daarop volgende wederzijdsche vergeving konden de vorderingen van hare ziekte niet stuiten. Zij stierf omstreeks acht maanden na dit ongelukkig voorval en liet mij eene eenige dochter na, die mevrouw Mervyn wel tijdelijk onder hare bescherming heeft willen nemen. Julia was ook zeer ziek, en wel zoo gevaarlijk, dat dit mij bewoog mijn Commando neer te leggen en naar Europa terug te keeren, waar hare geboortelucht, de tijd en de nieuwheid der voorwerpen rondom haar medegewerkt hebben, om hare treurigheid te verdrijven en hare gezondheid te herstellen.

„Nu kent gij mijne geschiedenis en zult mij niet meer naar de oorzaak van mijne zwaarmoedigheid vragen; maar veroorloof mij nu ook, mij ongestoord aan deze neiging over te geven. Dit verhaal bevat zeker genoeg, om den vreugdebeker, welken het dak en de roem mij, zoo als gij dikwijls zegt, tot opbeuring van mijne latere levensjaren bereid hebben, zoo niet te vergiftigen, ten minste te verbitteren.

„Ik kon nog menige omstandigheid hier bijvoegen, welke onze oude leermeester, als bewijzen voor „ongeluksdagen,” aangehaald zou hebben; maar gij zoudt lachen, als ik daarvan spreken wilde, te meer, daar gij weet, dat ik daaraan geen geloof hecht. Intusschen heb ik, sedert ik in het huis ben, vanwaar ik u thans schrijf, een zeldzamen samenloop van omstandigheden vernomen, die ons, indien ik alles door degelijke bewijzen bevestigd vind, in het vervolg eene heerlijke stof tot overweging zal opleveren. Maar ik zal u nu niet langer lastig vallen, daar ik iemand verwacht, om over den aankoop van een landgoed, dat juist in deze streek geveild zal worden, te spreken. Het is een goed, waarmede ik bijzonder ingenomen ben, en ik denk, dat mijne handelwijze de tegenwoordige eigenaars, die het verlaten moeten, zeer gelegen zal komen, daar iemand hier een plan heeft, om het, zoo mogelijk, onder de waarde te koopen. Mijne hartelijke groeten aan uwe echtgenoote, en ofschoon gij nog gaarne voor een levendig jonkman wilt doorgaan, verzoek ik u mijne Julia voor mij te kussen. Vaarwel, waarde Mervyn. Steeds de uwe,

Guy Mannering.”

Toen Mannering dezen brief geëindigd had, trad Mac-Morlan in het vertrek. Het bekende karakter van den kolonel stemde den verstandigen en braven man aanstonds tot openhartige vertrouwelijkheid. Hij verklaarde hem de voor- en nadeelen van het goed. Het was, zeide hij, ten minste grootendeels op den mannelijken erfgenaam gevestigd, en de kooper zou het voordeel genieten, van een groot gedeelte van de kooppenningen in handen te houden, als misschien de erfgenaam, die in zijne jeugd verdwenen was, binnen zekeren bepaalden tijd weder opdaagde.

„Maar waarom heeft de verkoop dan plaats?” vroeg Mannering.

„Het heet,” antwoordde Mac-Morlan glimlachend, „om interest van het geld te trekken, in plaats van de onregeld betaalde, onzekere pachtgelden van slecht bebouwde landerijen; maar eigenlijk vooronderstelt men, om aan de wenschen en bedoelingen van zeker iemand te voldoen, die een oog op het goed heeft, en als voornaamste schuldeischer, door middelen, welke hij zelf het best kennen zal, de zaak zoo ver gebracht heeft. Men denkt, dat het hem dus zeer gelegen zou komen, het goed te koopen, zonder kooppenningen te betalen.”

Mannering overlegde met Mac-Morlan, wat er gedaan moest worden, om deze oneerlijke bedoelingen te verijdelen. Hierna spraken zij lang over het vreemde verdwijnen van Hendrik Bertram, juist op zijn vijfden verjaardag, waardoor Mannering’s toevallige waarzegging, op welke hij zich echter, zoo als men wel veronderstellen zal, niet beroemde, vervuld geworden was. Mac-Morlan bekleedde nog niet zijn post, toen het ongeval plaats had, maar was best bekend met alle omstandigheden en beloofde Mannering bovendien, dat hij hem een omstandig verhaal van den sheriff zelven, die de zaak onderzocht had, verschaffen zoude, indien hij zich in dat gedeelte van Schotland vestigde. Met deze belofte scheidden zij, zeer ingenomen met elkanderen en met hetgeen zij afgehandeld hadden.

Den volgenden dag woonde Mannering de godsdienstoefening bij. Van de familie van Ellangowan was niemand in de kerk, en men vernam, dat de oude heer eerder erger dan beter was. Hans werd weder gezonden om hem en zijne dochter te halen, en kwam weder zonder hen terug. Juffrouw Bertram, hoopte echter, dat haar vader den volgenden dag vervoerd zou kunnen worden.

DERTIENDE DE HOOFDSTUK.

„Zij melden mij, des rechters vonnis luidde, Dat al wat gij bezit, verbeurd zou zijn. – Hier stond een woestaard, met een gretig oog De handen leggend op het zilverwerk; Daar dreef een tweede, grijnzend, bitteren spot Over uw val – en had bezit genomen Van het aloude, zoo beminde huisraad.”

Otway.

„Den volgenden morgen steeg Mannering vroegtijdig te paard, en sloeg, door zijn bediende vergezeld, den weg naar Ellangowan in. Hij behoefde niet naar den weg te vragen, daar eene verkooping ten platte lande als eene algemeene vergaderplaats, waar men zich vermaken zal, beschouwd wordt en van alle kanten nieuwsgierigen of gegadigden naar het slot stroomden. Na een aangenamen rid van omstreeks een uur, ontdekte hij de torens van den ouden burcht. De gedachte aan de verschillende aandoeningen, waarmede hij zoo vele jaren geleden een laatsten blik op deze bouwvallen geworpen had, ontroerde zijne ziel. Het landschap was nog hetzelfde; maar hoe waren de gevoelens, de verwachtingen en uitzichten van den toeschouwer veranderd! Toen waren het leven en de liefde nieuw voor hem, en zijne verwachtingen door beider stralen verguld. En nu, teleurgesteld in zijne liefde, verzadigd van roem en alles, wat de wereld geluk noemt, was zijn hart vervuld met bittere en smartelijke herinneringen, en hoopte hij niets meer, dan een eenzaam verblijf te vinden, waar hij zich ongestoord aan zijne zwaarmoedigheid, die hem tot aan het graf vergezellen zoude, kon overgeven. „Maar waarom,” sprak hij bij zich zelven, „waarom zou ik over verlorene hoop en verijdelde uitzichten klagen? Zouden de oude geweldenaars, welke deze ontzachelijke torens gebouwd hebben, om tot eene vesting voor hun geslacht te dienen en om de zetel van hunne macht te zijn, zouden deze ooit gedroomd hebben, dat er een dag komen kon, waarop de laatste telg van hun geslacht, als bedelaar, uit zijne bezittingen verdreven zou worden! Maar de natuur blijft altijd onveranderlijk goed. Even schoon zal de zon deze bouwvallen beschijnen, of ze het eigendom zijn van een vreemdeling of van eenen lagen bedrieger, die de wet misbruikt, als of het vaandel van den eersten stichter van „de torens wapperde.”

Onder zulke overdenkingen kwam Mannering aan de deur van het huis, dat dien dag voor een’ ieder open stond. Hij trad met anderen binnen, die de vertrekken doorkruisten, om iets van hunne gading uit te zoeken, of enkel om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. Er ligt iets treurigs in zulk een tooneel, zelfs onder de gunstigste omstandigheden. De verwarde toestand van het huisraad, dat van zijne plaats genomen is om gemakkelijk bezichtigd en door de koopers weggehaald te kunnen worden, is onaangenaam voor het oog. Die voorwerpen, welke, behoorlijk en netjes geschikt, er goed en fraai uitzien, schijnen dan oud en slecht, en de vertrekken, ontbloot van alles, wat ze gemakkelijk en aangenaam maakt, hebben een vervallen en treurig voorkomen. Ook stuit het, de heiligdommen van huiselijke gezelligheid en afzondering voor de blikken van nieuwsgierigen en van het gemeen opengesteld te zien, en hunne ruwe aanmerkingen en lompe spotternijen over gebruiken en meubelen, welke hun vreemd zijn, te hooren – eene vroolijke tijdkorting, die door den brandewijn, welke bij zulke gelegenheden in Schotland vlijtig rondgaat, nog meer opgewekt wordt. Dit alles is het gewone gevolg van zulke omstandigheden, als men op Ellangowan zag; maar de gedachte, dat zij hier het geheele verval van een oud en aanzienlijk geslacht aanduidden, maakte ze dubbel gewichtig en pijnlijk

Het duurde vrij lang, voor dat de Kolonel Mannering iemand vond, die geneigd was, zijne herhaalde vragen naar den heer Ellangowan zelven te beantwoorden. Eindelijk verhaalde hem eene oude meid, die zich, toen hij het haar vroeg, de oogen met haar voorschoot afdroogde, dat Mijnheer iets beter was en men hoopte, dat hij dienzelfden dag het huis nog zou kunnen verlaten. „juffrouw Lucie,” vervolgde zij, „verwachtte ieder oogenblik het rijtuig, en, in aanmerking van het jaargetijde dat het weêr zoo schoon was, had men den ouden heer in zijn gemakkelijke stoel naar het grasperk voor het oude slot gedragen, opdat hij dit treurig tooneel niet zou zien.”

Mannering ging daarheen, om hem op te zoeken, en zag spoedig de kleine groep, die uit vier personen bestond. De heuvel was steil, zoo dat hij tijd had, hen te beschouwen en te overleggen op welke wijze hij hen aanspreken zou.

Bertram, verlamd en bijna niet in staat zich te bewegen, zat in zijn gemakkelijken armstoel, met eene slaapmuts op het hoofd, in een kamerjapon gehuld, de voeten in dekens gewikkeld. Achter hem stond dominé Sampson, dien Mannering oogenblikkelijk herkende; met de handen over elkander op de rotting, waarop hij leunde. De tijd had geenerlei verandering bij hem te weeg gebracht, behalve dat zijn zwarte rok valer van kleur was geworden en zijne magere wangen nog meer ingevallen waren, dan toen Mannering hem het laatst gezien had. Aan de eene zijde van den ouden man stond eene bloeiende schoonheid, een meisje van omstreeks zeventien jaren, die de kolonel voor zijne dochter hield. Zij keek van tijd tot tijd angstig naar de laan, als of zij het rijtuig verwachtte, en tusschenbeide legde zij de dekens terecht, om haren vader voor de koude te beschutten, of beantwoordde de vragen, die hij gemelijk en verdrietig scheen te doen. Zij waagde het niet naar het woonhuis te zien, ofschoon de stemmen van de vergaderde menigte hare aandacht tot zich trekken moesten. De vierde persoon was een rank, welgekleed jongeling, die in de bekommering van juffrouw Bertram en in hare bezorgdheid voor den toestand van haar vader scheen te deelen.

Deze jongeling was de eerste, die den kolonel bespeurde, en hij ging hem aanstonds te gemoet, alsof hij hem op eene beleefde wijze beletten wilde, de treurige groep te naderen. Mannering bleef staan en verklaarde zich. Hij verhaalde hem, dat hij een vreemdeling was, dien de heer Bertram voorheen vriendelijk en gastvrij onthaald had; dat hij zich op zulk een treurig tijdstip niet opgedrongen zou hebben, indien het hem niet voorgekomen was, dat de ongelukkigen ook van hunne vrienden verlaten waren, en dat hij alleen wenschte om de diensten, die in zijne macht stonden, aan den heer Bertram en diens dochter aan te bieden.

Hierop bleef hij op eenigen afstand van den armstoel staan. Zijn oude kennis staarde hem met verdoofde oogen aan en scheen hem volstrekt niet te herkennen. Sampson scheen te diep in treurigheid verzonken te zijn, om zijne tegenwoordigheid te bemerken. De jongeling sprak alleen met Lucie, die bedeesd nader trad en Mannering voor zijne goedheid dankte; „maar,” vervolgde zij, terwijl er tranen in hare oogen kwamen, „ik vrees, dat mijn vader zich niets meer van u herinneren kan.”

Nu ging zij met den kolonel naar den armstoel en zeide: „Vader! hier is de heer Mannering, een oud vriend, die u komt bezoeken, om naar uwen welstand te vernemen.”

„Hij is van harte welkom,” hernam de oude heer, terwijl hij zich in zijn stoel ophief en eene buiging poogde te maken. Een glans van gastvrije tevredenheid scheen hierbij over zijn bleek gelaat te zweven. – „Maar, lieve Lucie! laat ons naar huis gaan; gij kunt dien heer niet in de koude laten staan. – Dominé krijg den sleutel van den wijnkelder; mijnheer Man ... Ma ... onze gast zal, na zijn rid, wel iets willen gebruiken.”

Mannering was onuitsprekelijk getroffen, terwijl hij deze verwelkoming vergeleek met de wijze, waarop hij door denzelfden man ontvangen was, toen hij hem voor de eerste maal ontmoette. Hij kon zijne tranen niet weerhouden; en door deze zichtbare ontroering won hij aanstonds het vertrouwen van de hulpelooze dochter.

„Ach!” zeide zij, „dit treft zelfs een vreemdeling! maar het is misschien beter voor mijn vader, dat hij in zulk eenen toestand is, dan dat hij alles wist en zien kon.”

Op dit oogenblik kwam een livereibediende op den heuvel en zeide zachtjes tegen den jongeling: „Mevrouw uwe moeder wacht ginds met ongeduld op u, om voor haar op het zwart ebbenhouten kabinet te bieden, en Lady Johanna Devorgoil is bij haar: gij moet oogenblikkelijk komen.”

„Zeg hun, dat gij mij niet vinden kondt, Tom, – of, wacht – zeg, dat ik naar de paarden zie.”

„Neen, neen!” zeide Lucie Bertram ernstig; „indien gij de ellende van dezen ongelukkigen dag niet verzwaren wilt, ga dan zonder dralen naar uw gezelschap. Deze heer zal ons wel naar het rijtuig willen geleiden.”

„Zonder twijfel,” hernam Mannering; „uw jonge vriend kan op mijne dienstvaardigheid vertrouwen.”

„Vaarwel dan!” zeide Karel, nadat hij Lucie iets in het oor gefluisterd had, en snelde toen van den heuvel af, als of hij vreesde, bij langzamere schreden zijn voornemen niet getrouw te zullen blijven.