Geschiedenis van Arthur Pendennis
Part 97
En daarbij strekte hij de hand uit om zijn gevangene te grijpen; maar de ander balde zijne vuist en bracht met zijne linkerhand aan Morgan zulk een geweldigen slag op de borst toe, dat hij achter mijnheer Lightfoot neertuimelde. Deze heer, die van athletische gestalte en moedigen aard was, zeide, dat hij zijn gast de hersens zou inslaan, en maakte zich gereed die bedreiging ten uitvoer te leggen, toen de vreemdeling zijn rok afwierp en, onder het vervloeken van zijne tegenstanders, hun toebulderde, dat zij maar moesten opkomen.
Maar met een doordringenden gil wierp zich jufvrouw Lightfoot voor haar man, terwijl madame Fribsby met een nog luider kreet op den vreemdeling toesnelde en onder den uitroep: „Armstrong, Johnny Armstrong!” zijn ontblooten arm greep, op welken een hart en de letters M. F. getatoueerd zichtbaar waren.
Die uitroep van madame Fribsby scheen den vreemdeling te verwonderen en nuchter te maken, en op haar neerziende, zeide hij: „Waarachtig, het is Polly!”
„Dit is Amory niet,” ging madame Fribsby voort; „het is Johnny Armstrong, mijn ondeugende man, die mij in St. Martin’s kerk trouwde, die stuurman op een Oostindievaarder was en mij twee maanden later verliet, die booswicht! Dit is John Armstrong – hier staat het merk op zijn arm, dat hij voor mij maakte.”
„Ik ben John Armstrong, dat is maar al te waar, Polly,” zeide de vreemdeling „Ik ben John Armstrong, Amory Altamont, – en laten zij nu maar allen opkomen en zien wat zij tegen een Britsch zeeman kunnen uitrichten. Hoera! daar gaat het er op los!”
Nog altijd riep Morgan: „Arresteer hem!” Doch jufvrouw Lightfoot riep uit: „Hem arresteeren? hem arresteeren? gemeene spion! Hoe! het huwelijk stuiten, mylady ruïneeren en ons het Wapen van Clavering ontnemen?”
„Zegt hij, dat hij ons het Wapen van Clavering zal ontnemen?” vroeg mijnheer Lightfoot, zich plotseling omkeerende. „Ik zal hem ophangen, – ik zal hem worgen.”
„Houd hem vast, manlief, tot de omnibus voorbijkomt, die naar den spoorweg rijdt. Die zal dadelijk hier zijn!”
„Wel verd–! ik zal hem smoren als hij eene vin verroert,” zeide Lightfoot. En op die wijze hielden zij Morgan in bedwang tot de omnibus voorbijkwam en mijnheer Amory of Armstrong naar Londen vertrok.
Morgan was hem nagereisd; maar hieromtrent lichtte Arthur Pendennis Lady Clavering niet in, en toen hij haar verliet, bad zij ’s hemels zegen over hem af aan de sponde van haar zoon, dien zij ging kussen terwijl hij lag te slapen. Het was een drukke dag geweest.
Wij moeten de gebeurtenissen van nog één dag opteekenen, en wel van den dag toen mijnheer Arthur getooid met een nieuwen hoed, een nieuwen blauwen rok en eene blauwe das, met een nieuw fantasievest, nieuwe laarzen en nieuwe hemdsknoopjes (hem geschonken door de hooggeboren vrouwe gravin douairière van Rockminster) aan een eenzame ontbijttafel op Clavering Park verscheen, waar hij ternauwernood een enkele bete kon nuttigen. Er lagen twee brieven naast zijn bord, waarvan hij eerst den een, welks adres met eene ronde kantoorhand geschreven was, opende, om vervolgens den anderen te lezen, waarvan de hand hem beter bekend was.
De brief No. 1 luidde als volgt:
„Maatschappij voor den handel in Garbanzos-wijn, gevestigd in Shepherd’s Inn.
Maandag.
„Waarde Pendennis, Ik feliciteer u hartelijk met de gebeurtenis, die u voor uw gansche leven gelukkig zal maken, en verzoek u, mijne vriendelijkste complimenten aan mevrouw Pendennis te willen overbrengen, die ik nog langer hoop te kennen dan ik haar reeds gekend heb. En wanneer ik haar aandacht vestig op de omstandigheid, dat zuivere sherry een der noodzakelijkste artikelen is om het haar gemaal genoeglijk in huis te maken, ben ik zeker dat ik haar tot klant zal hebben om den wille van u zelven.
„Maar ik heb u andere zaken dan mijn eigene mee te deelen. Gisterennamiddag kwam zekere J. A. op mijne kamers aan, uit Clavering, dat hij verlaten had onder omstandigheden, welke gij ongetwijfeld kent. Ondanks de oneenigheid, die wij hadden gehad, kon ik niet nalaten hem voedsel en dak te verleenen (en hij maakte zoowel van de Garbanzo Amontillado als van de Toboso-ham een ruim gebruik), waarop hij mij verhaalde wat hem weervaren was, benevens nog een aantal andere verbazende avonturen. De schavuit trouwde reeds op zijn zestiende jaar en herhaalde later die plechtigheid nog vele malen – te Sidney, in Nieuw Zeeland, in Zuid-Amerika, in Newcastle, en dat alles nog vóórdat hij onze arme vriendin de modemaakster leerde kennen. Het is een volslagen Don Juan.
„En het scheen ook alsof de kommandeur hem eindelijk verraste, want terwijl wij aan den maaltijd zaten, hoorden wij drie zware slagen op mijne buitendeur, die onzen vriend van schrik deden opspringen. Ik heb hier zelf een paar belegeringen doorgestaan en ging dus naar mijn gewone plaatsje op verkenning uit. Gelukkig is er thans geen enkele wissel van mij in omloop, en bovendien melden de heeren van dat vak zich niet op die wijze aan. Ik zag, dat het Morgan, de voormalige bediende van uw oom was, met een agent van politie (die ik echter geloof dat geen echte agent was). Zij zeiden, dat zij een bevel van gevangenneming hadden tegen John Armstrong, alias Amory, alias Altamont, een ontvlucht strafgevangene, en dreigden de deur in te slaan.
„Nu had ik, mijnheer, in mijn eigen dagen van gevangenschap een kleinen uitweg langs de goot naar het venster van Bows en Costigan ontdekt, en ik zond onzen Alias nu langs dien bedekten weg, die echter zeer wrak was geworden, zoodat ik niet zonder vrees voor zijn leven was, en daarop liet ik, na eenige onderhandeling, mijnheer Morgan met zijn vriend binnen.
„De schelm was echter van het bestaan van dien bedekten weg onderricht, want hij liep dadelijk door naar de kamer en gelastte den politieagent naar beneden te gaan en op de deur te passen, waarna hij mijne kleine trap opvloog, alsof hij de inrichting van het huis kende. Toen hij het venster uitging hoorden wij eene ook aan u welbekende stem uit Bows’ bovenkamertje roepen: „Wie zijt gij, en wat duivel komt gij doen? Als ge prijs op uw leven stelt, verlaat dan die goot, want er is al een man doodgevallen.”
„En terwijl Morgan gedurende dien overtocht in de duisternis trachtte te zien of die ijzingwekkende tijding wel waar was, nam hij een bezemstok en brak met een krachtigen slag de verbindingspijp af. Van morgen vertelde hij mij opgetogen, dat deze eenvoudige list hem ingegeven was door de herinnering aan zijn schatje van een Emily, toen zij de rol van Cora vervulde, en door de brug van Pizarro. Ik wenschte, dat die schurk van een Morgan op de brug ware geweest, toen de generaal zijne list te baat nam.
„Indien ik van Alias iets nader verneem, zal ik het u melden. Hij heeft nog overvloed van geld, en toen ik hem aanspoorde daarvan een weinigje aan onze arme vriendin de modemaakster te zenden, begon de schavuit te lachen en zeide, dat hij niet méér bezat dan hij zelf noodig had; maar hij zou met genoegen eene lok van zijn haar zenden aan ieder, die er prijs op stelde. Vaarwel – leef gelukkig en geloof mij altijd
„Uw toegenegen E. Strong.”
„En nu de andere brief,” zeide Pen. „Die goede oude vriend!” en hij kuste het lak alvorens het te verbreken.
„Warrington, Dinsdag.
„Ik mag dezen dag niet laten voorbijgaan, zonder u beiden Gods besten zegen toe te wenschen. Moge de hemel u, beste Arthur en lieve Laura, gelukkig maken. Ik geloof, Pen, dat gij de beste vrouw van de wereld gekregen hebt, en hoop, dat gij haar als zoodanig zult liefhebben en koesteren. De kamers zullen zonder u, Pen, zeer eenzaam wezen; maar als ik er mij verveel, zal ik een nieuw thuis hebben bij mijn broeder en zuster. Ik oefen mij hier reeds op de kinderkamer, om mij op de rol van oom George voor te bereiden. Vaarwel! doe uw huwelijksreisje en keer dan terug naar
„Uw toegenegen G. W.”
Pendennis en zijne vrouw lazen dien brief te zamen toen het ontbijt bij doctor Portman was afgeloopen en de gasten vertrokken waren, en het rijtuig, te midden van eene bijeengeschoolde volksmenigte, voor het huis van den doctor stond te wachten. Doch een zijdeurtje leidde naar de begraafplaats der St.-Mary’skerk, wier klokken luide galmden, en hier was het, op de graszode die Helena’s graf bedekte, dat Arthur aan zijne vrouw George’s brief liet zien. Was het uit droefheid of uit besef van geluk, dat Laura’s tranen zoo overvloedig op het papier neerstroomden? En nogmaals, in de nabijheid der gewijde asch, kuste en zegende zij haar dierbaren Arthur.
Er werd dien dag slechts één huwelijk in de kerk van Clavering voltrokken want ondanks Blanche’s opofferingen voor hare lieve moeder, kon de eerlijke Henry Foker geen vergiffenis schenken aan de vrouw, die haar bruidegom misleid had, en zeer te recht beweerde hij, dat zij hem andermaal zou bedriegen. Hij deed een reisje naar de pyramiden en naar Syrië, waar hij zijn hartzeer achterliet, en kwam terug met een mooien baard en eene verzameling tarboeshes en narguilés, waarop hij al zijne vrienden onthaalt. Hij leeft op grooten voet en neemt, op Pen’s aanraden, zijne wijnen van de beroemde gewassen van den hertog van Garbanzos.
Het lot van den armen Cos is reeds in vroegere bladzijden van dit verhaal vermeld. Na zulk een leven kon men geen roemrijk einde verwachten. Morgan is een der geachtste ingezetenen in het kerspel van St. James en heeft zich bij de tegenwoordige staatkundige beweging als een man en een Brit doen kennen. Wat Bows betreft – deze werd na het overlijden van den heer Piper, den organist te Clavering, door de kleine jufvrouw Sam Huxter, die dominé Portman om haar vinger windt, uit Londen gehaald, om naar een vacanten post te dingen, en behaalde ook de overwinning. Toen Sir Francis Clavering zijn onwaardig leven eindigde, nam dezelfde onvermoeide kleine bemoeial het district stormenderhand in, dat nu in het parlement vertegenwoordigd wordt door den weledelgeboren heer Arthur Pendennis. Blanche Amory is, gelijk iedereen weet, te Parijs getrouwd, en de salons van madame la comtesse de la Blague de Montmorenci de Valentinois behoorde onder de meest bezochte der hoofdstad. Het duel tusschen den graaf en het jonge en heethoofdige lid der bergpartij, Alcide de Mirobo, was alleen het gevolg van den twijfel, dien deze laatste in de club opperde omtrent de echtheid der titels, die de edelman voerde. Madame de la Blague de Montmorenci de Valentinois ondernam eene reis na die gebeurtenis, en Bungay kocht hare gedichten en gaf die uit, met de gravinnenkroon prijkende op het werk der gravin.
Majoor Pendennis werd in zijne laatste dagen heel fijn, en was nooit gelukkiger dan wanneer Laura hem met hare lieve stem iets voorlas of naar zijne verhalen luisterde. Want deze beminnelijke dame is de vriendin van oud en jong en brengt haar leven door met anderen gelukkig te maken.
„En welk soort van echtgenoot zou die Pendennis wel zijn?” vraagt wellicht menig lezer, bezorgd voor het heil van zulk een huwelijk en voor het fortuin van Laura. Wij verwijzen de vragers naar de dame zelve, die, ofschoon zij zijne gebreken en sombere buien wel opmerkt (en ziet en bekent dat er betere mannen zijn dan hij is), hem toch altijd de standvastigste liefde toedraagt. Zijne kinderen, of hunne moeder, hebben nooit een hard woord uit zijn mond gehoord, en begroeten hem, wanneer zijne vlagen van neerslachtigheid of afgetrokkenheid voorbij zijn, weer met onverminderde achting en vertrouwen. Zijn vriend is nog altijd zijn vriend, – geheel gezond van hart, want die ziekte is nooit gevaarlijk voor een gezond orgaan. En George vervult zijne rol van peter uitmuntend en woont alleen. Indien mijnheer Pen met zijne werken meer naam gemaakt heeft dan zijn kundiger vriend, die bij niemand bekend is, zoo leeft George toch tevreden zonder dien roem. Zoo de beste menschen niet de hoogste prijzen in de loterij des levens trekken, weten wij, dat het aldus bepaald is door den Beschikker der loterij. Wij weten en zien dagelijks, dat de valschen en boozen leven en voorspoedig zijn, terwijl de goeden worden weggeroepen en de dierbaren en jeugdigen vóór hun tijd ten grave dalen; wij zien in ieders leven een verstoord geluk, een veelvuldig struikelen, een onvruchtbaar streven, een strijd tusschen goed en kwaad, waarin de sterken dikwijls bezwijken en de vluggen achterhaald worden; wij zien bloemen der deugd op onreine plaatsen groeien, gelijk wij het grootste en luisterrijkste geluk soms ontsierd zien door smetten der ondeugd en vlekken des kwaads. En laten wij nu, daar wij weten hoeveel er nog aan den besten onder ons ontbreekt, eene liefderijke hand, in weerwil van al zijne feilen en tekortkomingen, aan Arthur Pendennis toereiken, die geen held beweert te zijn, maar alleen een man en een broeder.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] In het begin dezer eeuw de toongever der modewereld te Londen.
[2] Niet met zwakke vleugelen.
[3] Herinnering aan den Vicar of Wakefield, van Goldsmith.
[4] Vanity Fair (De Kermis der IJdelheid).