Geschiedenis van Arthur Pendennis
Part 96
Er moesten nog maar weinige, zeer weinige dagen verloopen vóór dien zaligen dag, waarop Foker jufvrouw Blanche de zijne zou kunnen noemen; de inwoners van Clavering waren te hoop geloopen om het prachtigste nieuwe rijtuig ter wereld te bewonderen, dat in het koetshuis van het Wapen van Clavering stond en, in vergelding voor een dankbaar aangenomen slokje, aan de belangstellenden getoond werd door mijnheer Foker’s eersten koetsier. Madame Fribsby was bezig met het vervaardigen van eenige mooie kleedjes voor de boerendochters, die als een soort van bruidskoor bij het ontbijt en de trouwplechtigheid zouden verschijnen. Tevens zouden er bij deze heerlijke gelegenheid onbeschrijfelijk groote feesten in het park gegeven worden.
„Ja, mijnheer Huxter, de gelukkige landlieden, de roem van hun land, zullen zich in de ridderzaal vereenigen. De vette os zal geslacht worden, de gevulde beker zal rondgaan, de klokken zullen vroolijk galmen; en mijn schoonvader, het oog bedauwd met een traan des gevoels, zal op den drempel van het slot zijn zegen over ons uitspreken. Dat zal, geloof ik, de gang der plechtigheid wezen, mijnheer Huxter; en ik hoop dat wij u zullen zien en uw lief vrouwtje aan de zijde van haar man. Wat zult gij gebruiken, mijnheer? Jufvrouw Lightfoot, wilt ge zoo goed zijn mijn geachten vriend en lijfarts, mijnheer Huxter, mijnheer Samuel Huxter, lid van het koninklijk chirurgisch genootschap, het beste voor te zetten wat uw hotel bevat en het bedrag van het feestgelag op mijne rekening te stellen? En mijnheer Lightfoot, wat zult gij gebruiken? ofschoon ik geloof, dat gij reeds genoeg hebt gehad, – Ja, dat zie ik.”
Aldus sprak Henry Foker aan het buffet van het Wapen van Clavering. Hij bewoonde kamers in dat hotel en had daar een kring van vrienden rondom zich vergaderd. Ieder, die er kwam, onthaalde hij op drank. Hij stond op vertrouwelijken voet met iedereen. Hij gevoelde zich zoo gelukkig! Hij danste als het ware rondom madame Fribsby, jufvrouw Lightfoot’s boezemvriendin, die nadenkend in het buffet zat. Hij vertroostte jufvrouw Lightfoot, aan wier huwelijkshemel zich reeds wolkjes vertoonden; want wij moeten naar waarheid getuigen, dat de jonge Lightfoot, nu hij de volle heerschappij over den kelder voerde, die niet over zijn eigene teugellooze driften had, en van den morgen tot den avond proefde en dronken was. En het was voor zijne liefhebbende vrouw een jammerlijk gezicht, als zij den forschen jonkman over de plaats of door de koffiekamer zag zwaaien, of hem met de boeren en winkeliers zijn eigene fijne wijnen en met zorg gekozen voorraad gedistilleerde vochten zag uitdrinken.
Wanneer mijnheer Morgan, de hofmeester, den tijd kon uitbreken, kwam hij van het park overwippen en dronk een glaasje op kosten van den kastelein van het Wapen van Clavering. Met woeste en spottende gelaatstrekken luisterde hij naar Lightfoot’s dronkemanstaal. Jufvrouw Lightfoot gevoelde zich altijd dubbel rampzalig, wanneer haar ongelukkige echtgenoot onder het oog van zijn kameraad was. Pas weinige maanden getrouwd, en dan te moeten bedenken, dat het reeds zoo ver gekomen was! Madame Fribsby kon gevoelen voor haar; zij kon zelve even slechte voorbeelden van mannen aanhalen. Ook zij had verdriet gehad en treurige ondervinding van de mannen verkregen. Niemand schijnt ten volle gelukkig te mogen zijn, en er is alsem, gelijk mijnheer Foker aanmerkte, in ieders beker. En echter scheen er geen alsem in den beker van dien braven jonkman zelven te zijn! Hij liep over van geluk en opgeruimdheid.
Mijnheer Morgan was onuitputtelijk in zijn opmerkzaamheden voor Foker. „En echter mag ik hem niet lijden,” zeide de openhartige jonge heer tegen jufvrouw Lightfoot. „Hij ziet er altijd uit, alsof hij mij de maat voor mijne doodkist wil nemen. Mijn schoonvader is bang voor hem; schoonpapa is – hm! – het komt er niet op aan, maar schoonmama is een best mensch, jufvrouw Lightfoot.”
„Ja, dat is mylady ook,” erkende jufvrouw Lightfoot, met een zucht, bedenkende, dat het misschien beter voor haar ware geweest, als zij hare meesteres nooit verlaten had.
„Ik houd niet van Morgan, schoon ik de reden niet weet,” hernam Foker; „en hij wenscht, dat ik hem als hofmeester zal aannemen. Blanche wil ook, dat ik hem in dienst zal nemen. Waarom is jufvrouw Amory zoo met hem ingenomen?”
„Is jufvrouw Amory zoo met hem ingenomen?” vroeg juffer Lightfoot, naar het scheen door deze mededeeling zeer getroffen; en de waardige kasteleines kreeg nog meer redenen om ongerust te worden. Op zekeren morgen, namelijk, werd haar een brief met het postmerk Boulogne bezorgd, over welken zij en haar man aan het twisten waren toen Foker de trap langs het buffet afging, om zich naar het Park te begeven. Hij was gewoon daar te ontbijten en zich een poosje in het bijzijn van Armida te verkwikken. Daar het gezelschap van Clavering hem onuitsprekelijk verveelde en hij niet van de jacht hield, vertrok hij dan, om zich een paar uren met biljarten en het gezelschap in het Wapen van Clavering te vermaken. Aldus werd het tijd om met jufvrouw Amory uit rijden te gaan, en na bij haar gedineerd te hebben, vertrok hij weer en keerde bedaard naar zijn logement terug.
Lightfoot en zijne vrouw twistten dus over den brief. Wat beteekende die buitenlandsche brief? Waarom kreeg zij altijd brieven van buitenslands? Wie schreef die? Dat wilde hij weten. Hij geloofde niet, dat zij van haar broeder kwamen. Raakte het hem niet? Het raakte hem wel, en met een vloek greep hij zijne vrouw en tastte naar haar zak, om zich van den brief meester te maken.
De arme vrouw gaf een gil en riep uit: „Daar hebt ge hem dan!” Juist toen haar man den brief opnam en mijnheer Foker binnentrad, gaf zij op diens gezicht andermaal een gil en trachtte opnieuw het papier te bemachtigen. Lightfoot duwde haar echter weg en opende het schrijven, uit hetwelk een ingesloten brief op de ontbijttafel viel.
„Handen thuis, als gij uw leven liefhebt!” zeide de kleine Henry, toespringende. „Sla geene handen aan eene vrouw, mijnheer. De man, die de hand aan eene vrouw slaat, anders dan uit vriendelijkheid, is een – hola, dat is een brief voor jufvrouw Amory. Wat beteekent dit, jufvrouw Lightfoot?”
Jufvrouw Lightfoot begon op een klagenden en verwijtenden toon tegen haar man uit te varen: „Gij lafaard! eene vrouw, die u van de straat heeft opgeraapt, zóó te behandelen! de handen aan uwe vrouw te slaan! Waarom heb ik u ook getrouwd! Waarom heb ik mylady voor u verlaten! Heb ik daarom achthonderd pond aan het in orde brengen van dit huis besteed, opdat gij maar zoudt drinken en allerlei uitspattingen begaan?”
„Zij ontvangt brieven en wil mij niet zeggen wie die schrijft,” zeide mijnheer Lightfoot met dubbelslaande tong; „het zijn familiezaken. Wilt ge ook iets gebruiken, mijnheer?”
„Ik zal dezen brief aan jufvrouw Amory geven, daar ik zelf naar het park ga,” zeide Foker, zeer bleek wordende; en de missive van de tafel opnemende, op welke het ontbijt der arme kasteleines aangericht stond, ging hij heen.
„Hij staat op het punt van te komen, – wel verduiveld, wie staat er op het punt van te komen? Wie is J. A., vrouw? Voor den duivel, wie is J. A.?” schreeuwde de echtgenoot.
Maar jufvrouw Lightfoot riep terug: „Houd uw mond, dronken varken,” haalde snel haar hoed en doek, zag mijnheer Foker na, die de straat opging, sloeg een achterweg in, die er evenwijdig mee loopt, en vloog zoo haastig zij kon naar de portiersloge van Clavering Park. Foker zag wel eene gedaante die hem vooruitsnelde, doch toen hij aan de portiersloge kwam, was zij verdwenen. Hij vroeg daar wie hem zoo even was voorafgegaan en of het jufvrouw Bonner niet was geweest? Hij kon zich bijna niet op de been houden en de boomen dansten voor zijn oogen. Een paar malen moest hij tegen de bladerlooze stammen der lindeboomen uitrusten.
Lady Clavering bevond zich met haar zoon in de ontbijtkamer en haar gemaal zat over zijne courant te geeuwen. „Goedenmorgen, Henry,” zeide de begum. „Hier zijn brieven, hoopen brieven; Lady Rockminster zal Dinsdag komen, in plaats van Maandag, en Arthur komt met den majoor heden, Laura gaat bij doctor Portman logeeren en komt van daar naar de kerk, – en maar wat deert u, mijn jongen? Hoe ziet ge zoo bleek?”
„Waar is Blanche?” vroeg Henry met eene haperende stem; „is zij nog niet beneden?”
„Blanche is altijd de laatste,” zeide het zoontje, onder het eten van zijne kadetjes; „zij is een luilak, dat is zij. Als gij niet hier zijt, ligt zij tot aan het tweede ontbijt te bed.”
„Houd je mond, Frans,” sprak zijne moeder.
Na eenige oogenblikken kwam Blanche met een bleek gelaat en een tamelijk nieuwsgierigen blik op Foker beneden; daarop trad zij vooruit, kuste hare moeder en kwam Henry met een gelaat te gemoet, dat hare liefste lachjes tot zijne verwelkoming vertoonde.
„Hoe gaat het, Henry?” vroeg zij en stak hem hare beide handen toe
„Ik gevoel mij onwel,” antwoordde hij. „Ik – ik heb een brief voor u meegebracht, Blanche.”
„Een brief? en van wien? voyons,” sprak zij.
„Dat weet ik niet, maar ik zou het gaarne vernemen,” zeide Foker.
„Hoe zou ik dat weten, voordat ik hem gezien heb?” vroeg Blanche.
„Heeft jufvrouw Bonner u dat nog niet verteld?” vroeg hij met eene onvaste stem. „Daar schuilt een geheim onder. Geef gij haar den brief, Lady Clavering.”
Met verwondering nam Lady Clavering den brief uit de bevende hand van den armen Foker aan en bekeek het adres. Maar nauwelijks had zij dit gedaan, of zij begon aan al hare leden te beven, liet met een ontsteld gelaat den brief vallen, snelde naar Frans, dien zij aan haar hart drukte, en riep snikkende uit: „Neem hem weg – het is onmogelijk, onmogelijk!”
„Wat is er gaande?” vroeg Blanche, met een lachje, dat echter een akeligen indruk maakte: „het is maar een brief van – van een armen bloedverwant, dien wij ondersteunen.”
„Dat is niet waar, dat is niet waar,” gilde Lady Clavering. „Neen, Frans – is het wel zoo, Clavering?”
Blanche had den brief opgenomen en trad er mee naar het vuur, doch Foker liep haar na en greep haar bij den arm met de woorden: „Ik moet dien brief zien. Geef hem over. Gij zult hem niet verbranden.”
„Gij – gij zult jufvrouw Amory op die manier niet in mijn huis behandelen,” riep de baronet uit: „geef den brief terug, voor den duivel!”
„Lees hem – en zie haar eens aan,” zeide Blanche, op hare moeder wijzende; „voor haar – voor haar hield ik het geheim. Lees hem nu maar, wreedaard!”
En Foker brak den brief open en las het volgende:
„Ik heb de laatste drie weken niet geschreven, mijn schatje van een Betsy; maar deze dient om u mijn vaderzegen te geven, en ik zal er bijna even spoedig zijn als mijn brief, want ik wensch de plechtigheid bij te wonen en mijn schoonzoon te zien. Ik zal mijn intrek bij jufvrouw Bonner nemen. Ik heb een aangenaam najaar doorgebracht en woon hier in een hotel waar voornaam gezelschap bijeen is en dat op goeden voet is ingericht. Ik kan het niet geheel goedkeuren, dat gij mijnheer P. bedankt en mijnheer F. genomen hebt; ik vind Foker ook zulk een welluidenden naam niet, en naar de beschrijving, die gij van hem geeft, schijnt hij een sukkel en gansch niet mooi. Maar hij heeft duiten, en dat is het voornaamste. Dit weinige zij, totdat wij elkander zien, mijne kleine lieve Betsy, genoeg van uw toegenegen vader
„J. Amory Altamont.”
„Lees dat eens, Lady Clavering; het is te laat om het voor u te verbergen,” zeide de arme Foker; en toen de radelooze vrouw er haar blik over had laten gaan, brak zij weer in zenuwachtig gillen uit en klemde haar zoon krampachtig vast.
„Men heeft u tot een verworpeling gemaakt, arme jongen,” sprak zij. „Men heeft uw oude moeder onteerd; maar ik ben onschuldig, Frans; voor God betuig ik, dat ik onschuldig ben. Ik heb dit niet geweten, mijnheer Foker; wezenlijk, dat heb ik niet.”
„Daarvan ben ik ook overtuigd,” zeide Foker, naar haar toetredende en hare hand kussende.
„Edele, edele Henry!” riep Blanche in vervoering uit; maar hij trok de hand terug, die zich aan haar kant bevond, en keerde zich met bevende lippen van haar af. „Dat is iets anders,” zeide hij.
„Het was om harentwil, Henry – om harentwil,” en wederom plaatste jufvrouw Amory zich in postuur.
„Er had ook iets om den mijnen gedaan moeten worden,” sprak Foker. „Ik zou u genomen hebben, wie gij ook geweest waart. Alles wordt te Londen besproken, en zoo wist ik ook wel, dat het met uw vader niet – niet goed afgeloopen was. Denkt gij, dat ik u om uwe familie zou getrouwd hebben? Wel verduiveld! Met hart en ziel heb ik u twee jaar liefgehad, en ondertusschen hebt gij mij tot een speelbal gebruikt en mij bedrogen,” schreeuwde de jonkman uit. „O Blanche, Blanche, het is hard om dat te verduren,” en bij die woorden sloeg hij de handen voor zijn gelaat en snikte.
„Waarom heb ik het hem dien avond niet verteld, toen Arthur mij waarschuwde!” dacht Blanche.
„Wijs haar niet af, Henry,” riep Lady Clavering uit. „Neem haar, neem al wat ik bezit. Gij weet dat het, bij mijn dood, het hare is. Deze jongen is onterfd” – (De jonge heer Frans, die als verbijsterd dit vreemde tooneel had bijgewoond, barstte hier in een luid geschreeuw uit). „Neem tot den laatsten stuiver, dien ik bezit. Geef mij genoeg om van te leven, om mij met dit kind te gaan verbergen en beiden te ontvluchten. O, het zijn beiden slechte, slechte mannen geweest. Misschien is hij op het oogenblik reeds hier. Laat mij hem niet zien. Clavering, gij lafaard, bescherm mij tegen hem.”
Op dit voorstel sprong Clavering op. „Dat is u geen ernst, Jemima. Meent gij dat?” vroeg hij. „Gij zult u toch aan mij en Frans niet onttrekken? Ik heb het niet geweten, zoo waarlijk helpe mij –! Ik had er even weinig vermoeden van als van het uur van mijn dood, Foker, totdat de kerel overkwam en mij ontdekte, die vervloekte ontvluchte misdadiger.”
„Die wat?” vroeg Foker, en Blanche gaf een gil.
„Ja,” schreeuwde de baronet op zijne beurt, „ja, een vervloekte weggeloopen strafgevangene – een kerel, die de handteekening van zijn schoonvader, een verwenschten procureur, had nagemaakt; die een anderen kerel aan de Botany Baai vermoordde, en toen de vlucht nam naar de wildernissen, waar ik wenschte dat hij gestorven was. En hij kwam ruim zes jaar geleden bij mij en plunderde mij uit, en ik heb mij geruïneerd, om dien helschen booswicht te onderhouden! En Pendennis weet het, en Strong weet het, en die verwenschte Morgan weet het, en zij weet het, het is den hemel bekend hoelang; maar ik heb het nooit willen vertellen en ik heb het voor mijne vrouw geheim gehouden.”
„En gij hebt hem gezien en hem niet doodgeslagen, Clavering, gij lafaard?” zeide de vrouw van Amory. „Kom mee, Frans; uw vader is een bloodaard. Ik ben onteerd, maar ik ben uw oude moeder, en gij zult – gij zult mij toch liefhebben, niet waar?”
Blanche begaf zich éplorée naar hare moeder; doch Lady Clavering deinsde met een zekeren schrik voor haar terug. Raak mij niet aan, riep zij; gij hebt geen hart en hebt er nooit een gehad. Ik doorzie nu alles. Ik zie waarom die lafaard zijne plaats in het parlement aan Arthur zou afstaan; ja, die lafaard! en waarom gij dreigdet, dat gij mij zoudt noodzaken u de helft van het fortuin van Frans uit te keeren. En toen Arthur u wilde trouwen zonder dat gij een duit ten huwelijk bracht, omdat hij mijn jongen niet wilde berooven, liet gij hem varen en naamt gij den armen Henry. Laat u niet met haar in, Henry. Gij zijt er te goed voor. Trouw die – die dochter van een misdadiger niet. Kom mee, Frans, mijn lieveling; kom bij uw arme oude moeder. Wij zullen ons ergens verbergen, maar wij zijn eerlijk, ja, wij zijn eerlijk.
Onderwijl was er een zonderling gevoel van opgetogenheid in Blanche’s gemoed opgekomen. Die maand, welke zij met Henry had doorgebracht, was haar onuitstaanbaar lang gevallen. Al zijn geld en pracht was ternauwernood in staat geweest, haar aan hem zelven te gewennen. Haar geduld was uitgeput door zijn onnoozele manieren, en het stuitte haar hem verder te vleien en te bewierooken.
„Wacht even, mama; wacht even, mevrouw,” riep zij uit met een gebaar, dat gepast was, al scheen het ook wat theatraal. „Ik heb geen hart, zegt gij? Ik houd de schande mijner moeder geheim. Ik sta mijne rechten aan mijn halven broeder, mijn onechten broeder af – ja, mijne rechten en mijn fortuin. Ik verraad mijn vader niet, en echter heet het, dat ik geen hart heb. Nu wil ik mijne rechten doen gelden, en de wetten van mijn land zullen mij die toekennen. Ik beroep mij op de rechten van mijn land – ja, de rechten van mijn land! Die vervolgde man keert heden terug. Ik verlang naar mijn vader te gaan.” En het dametje zwaaide hare hand en beschouwde zich als eene heldin.
„Zult gij dat doen?” riep Clavering met een zijner gewone vloeken uit. „Ik ben vrederechter en ik zal hem, voor den duivel, laten arresteeren. Daar komt een rijtuig; misschien zit hij er in. Laat hem maar komen!”
Er naderde inderdaad een rijtuig door de laan en de beide vrouwen begonnen om het hardst te gillen, daar zij verwachtten binnen een oogenblik Altamont te zien verschijnen.
De deur ging open en mijnheer Morgan diende majoor Pendennis en mijnheer Pendennis aan, die bij hun binnentreden al de aanwezigen in dezen hooggaanden twist vonden. De ontbijtkamer was door een hoog kamerschut van de vestibule afgescheiden, en wel waarschijnlijk is het, dat mijnheer Morgan, volgens zijne gewoonte, van dat scherm gebruik had gemaakt, om zich in te wijden in hetgeen er voorviel.
Den vorigen dag was er bepaald, dat de jongelui uit rijden zouden gaan, en op het bepaalde middaguur werden mijnheer Foker’s paarden uit het Wapen van Clavering aangebracht. Jufvrouw Blanche vergezelde hem echter bij deze gelegenheid niet. Pen trad naar buiten en drukte hem op het bordes de hand, en Henry Foker reed weg, door zijn rijknecht in rouwlivrei gevolgd. Al de voorvallen, die het belangrijkste gedeelte van ons verhaal hebben uitgemaakt, waren door de betrokken partijen gedurende deze twee of drie uren besproken. Er was menige raad gegeven, menige geschiedenis verteld, menige schikking voorgeslagen; maar ten slotte reed Henry Foker heen, onder een meewarig: „God zegen’ u!” van Pen. Het was een somber diner op Clavering Park, waarbij de nieuw aangestelde hofmeester niet bediende en beide de dames afwezig waren. Na het diner zeide Pen: „Ik zal naar Clavering wandelen, om te zien of hij aangekomen is.” En hij ging de donkere laan door en de brug over en nam den weg langs zijn eigen buitenplaatsje, welks stille en hem zoo goed bekende landerijen nu verlicht werden door den gloed der ovens en smidsen van de werklieden, die den nieuwen spoorweg aanlegden; en op die wijze bereikte hij het stadje en begaf hij zich naar het Wapen van Clavering.
Het middernachtsuur was reeds voorbij, toen hij, uiterst bleek en ontroerd, op Clavering Park terugkwam. „Is Lady Clavering nog op?” vroeg hij. Ja, zij bevond zich nog in hare zitkamer. Hij ging daarheen, en trof de arme dame in een beklagenswaardigen toestand, schreiende en sidderende, aan.
„Ik ben het, – Arthur,” zeide hij, naar binnen ziende, en daarop binnentredende greep hij hare hand met warmte en drukte er een kus op. „Gij zijt altijd de voorkomendste vriendin voor mij geweest, lieve Lady Clavering,” zeide hij. „Ik houd zeer veel van u, en nu heb ik nieuws voor u.”
„Noem mij zoo niet,” gaf zij ten antwoord, terwijl zij zijne hand drukte. „Gij zijt altijd een goed kind geweest, Arthur, en het is zeer vriendelijk van u, dat gij nu komt, – zeer vriendelijk. Bij wijlen gelijkt gij bijna sprekend op uwe ma, beste jongen.”
„Lieve goede Lady Clavering” herhaalde Arthur, met bijzonderen nadruk op die woorden, „er is iets zeer zonderlings gebeurd.”
„Is hèm iets overkomen?” kon Lady Clavering ternauwernood uitbrengen. „O, het is verschrikkelijk als ik bedenk, dat ik daarom blij zou zijn – verschrikkelijk.”
„Hij is in welstand. Hij is er geweest en hij is weer weg, lieve mevrouw. Maak u niet ongerust, – hij is weg en gij zijt altijd Lady Clavering.”
„Is het dan waar, wat hij mij somtijds gezegd heeft,” kreet zij, „dat hij –”
„Dat hij getrouwd was voordat hij u trouwde,” vulde Pen aan. „Hij heeft het heden avond bekend. Hij zal nooit weer terugkomen.” Er volgde wederom een gil, maar nu sloeg zij haar armen om Pen’s hals, kuste hem en barstte op zijn schouder in tranen los.
Wat Pen onder tal van snikken en vragen te vertellen had, moeten wij in weinige woorden samenvatten, want wij hebben onze bepaalde grens bereikt en ons verhaal spoedt ten einde. Amory was aangekomen met den omnibus van den spoorweg, die de oude diligences Alacrity en Perseverance had vervangen, en aan het Wapen van Clavering afgestapt. Hij bestelde een diner onder den aangenomen naam van Altamont en wilde, daar hij van gezelligen aard was, met den kastelein drinken, die er niets tegen had van zijn wijn mee te proeven. Toen hij mijnheer Lightfoot had uitgehoord omtrent de familie op het park, en hem daaruit gebleken was, dat jufvrouw Lightfoot, gelijk zij verzekerd had, haar mond had gehouden, liet hij door mijnheer Lightfoot nog wat wijn brengen en na afloop van dit feestmaal begaven beiden zich in hoogst opgewonden toestand naar jufvrouw Lightfoot’s buffet.
Zij zat daar met hare vriendin madame Fribsby thee te drinken, en Lightfoot was thans zoo zalig, dat hij zich over niets ter wereld zou verwonderd hebben, zoodat, toen Altamont jufvrouw Lightfoot als eene oude kennis de hand schudde, die herkenning hem volstrekt niet vreemd voorkwam, maar hem alleen eene voldoende reden toescheen om nog meer te drinken. De heeren gingen dus aan den brandewijngrog, dien zij ook de dames wilden laten proeven, zonder zich om de verschrikte blikken van beiden te bekommeren.
Terwijl zij daarmee bezig waren – het was omstreeks zes uur in den namiddag – kwam mijnheer Morgan, Sir Francis Clavering’s nieuwe hofmeester, binnen en werd uitgenoodigd mee te drinken. Hij koos zijn geliefkoosden drank en het gezelschap was spoedig in een algemeen gesprek verdiept.
Na eene poos begon mijnheer Lightfoot in te dutten. Mijnheer Morgan had meer dan eens aan madame Fribsby een wenk gegeven om het vertrek te verlaten; doch die dame, naar het scheen op zonderlinge wijze hier geboeid, of wel verbijsterd, of misschien ook door jufvrouw Lightfoot aangespoord om niet te vertrekken, bleef zitten. Dit ergerde mijnheer Morgan, die zijn misnoegen te kennen gaf in bewoordingen, welke jufvrouw Lightfoot kwetsten en Altamont deden zeggen, dat hij een rare klant en niet bijzonder beleefd jegens dames was.
De woordenwisseling tusschen de beide heeren maakte de vrouwen zeer beangst, en inzonderheid jufvrouw Lightfoot, die alles aanwendde om mijnheer Morgan tot bedaren te brengen; en onder voorwendsel van den vreemde een lucifer te geven, stak zij hem een papiertje toe, waarop zij heimelijk geschreven had: „Hij kent u. Maak u uit de voeten.” Misschien wekte de wijze, waarop dat papier overhandigd werd of de gast het las, achterdocht op, want toen hij kort daarna opstond en verklaarde, dat hij naar bed ging, stond Morgan met een schaterlach ook op en zeide, dat het nog veel te vroeg was om te gaan slapen.
Toen de onbekende desniettemin zeide, dat hij zich naar zijne slaapkamer zou begeven, antwoordde Morgan, dat hij hem den weg zou wijzen.
„Kom dan maar boven,” was het wederwoord van den vreemdeling. „Ik heb daar een paar pistolen om elken verrader of spion voor den kop te schieten,” en daarbij zag hij Morgan met zulke vlammende blikken aan, dat deze Lightfoot bij zijn kraag greep en wakker schudde, en daarbij uitriep: „John Amory, ik arresteer u in naam der koningin. Leen mij de hand, Lightfoot. Deze vangst is duizend pond waard.”