Part 31
„Dit is een waarachtige koning!” zeiden enkelen, „Wij hebben ongelijk gehad te morren.”
De edelen van Sogol, ziende dat ook de tweede poging om te zwenken zoo geheel mislukt was, begonnen zich onwillig te toonen. Enkele hertogen zeiden, dat zij nooit op deze wijze zouden kunnen zwenken, daar de kleine afdeelingen altoos door de overmacht der hoorigen zouden worden vernietigd. Anderen vroegen, waar hij het kampen had geleerd, dat men hem tot aanvoerder had gesteld. Misschien in de bosschen?
Doch de vrouwen, die haar mannen hadden verloren, waren het meest verbitterd. Zij droegen hem, sedert Harimona’s verjaging, reeds een kwaad hart toe, doch zij hadden het niet gewaagd zich te uiten. Nu echter riepen eenige maagden, minder voorzichtig dan de moeders, dat dit de straf was voor de verjaging van de heilige vrouw. En anderen spraken van den „godverzaker”!
Want Sogol had verboden, voor het begin van den strijd een offer te doen brengen aan Tivaz en Donar en had al de paardenschedels van zijn huis geslagen, voor hij ten krijg reed, zeggende, dat het krijgsgeluk niet in een geslachte vaars en niet in een dooden paardeschedel school, maar in het verstand onder den levenden menschenschedel.
De zon steeg hooger aan den hemel en de edelen moesten, om de bewegingen van de hoorigen te kunnen volgen, de handen dwars voor de oogen schermen. Zij zagen dat Solbert vijf saksen tot één grooten saks vereenigde en zelf aan ’t hoofd rijdend, optrok tegen Beldûn.
Sogol gebood, dat de edelen een wijden kring zouden vormen om den saks en dan op dezen inrijden, zoo den saks omsluiten.
Een hertog trad naar voren en zeide, dat deze vechtwijze verouderd was. Want een kring van ruiters om een saks van voetvolk kon alleen de buitenste rijen wonden en de binnenste rijen konden dan, gedekt door de lijken der buitenste, de ruiters van links naderen en doorsteken.
„Zwijg!” beval Sogol. „Ik beveel!”
„Maar ik gehoorzaam niet,” zei de hertog.
Hij wilde zich met zijn mannen terugtrekken.
Sogol reed op hem toe en hieuw met zijn zwaard naar den hertog. Deze weerde met zijn schild den slag af en hieuw nu op Sogol in. Sogol’s arm werd geschampt. Hij keek rond maar de oogen der edelen waren koud en wantrouwig.
„Zult di dijn aanvoerder niet wreken?” kreet hij.
„Wreek di zelf!” riep een edelman.
„Jaag hem weg.... naar ’t bosch!” gilde een maagd.
Onderwijl naderde de drom van Solbert en de edelen stonden nog niet geschaard.
„Schaart u!” kreet Sogol, zich vooropstellend.
De edelen bleven weifelen.
Toen reed Sogol alleen met gevierden teugel den drom der hoorigen tegemoet.
Solbert, den eenzamen ruiter ziende, vermoedend dat hier een list te vreezen was, gebood zijn drom stand te houden en reed alleen op Sogol aan.
Toen hij hem dicht genaderd was, riep hij:
„Vrouwebeul sta.... Ik ben de wreker van Harimona!”
„Kortzwaard tegen kortzwaard, slavenheer!” antwoordde Sogol.
De edelen, door den moed van Sogol, die alleen den heelen drom had doen stand houden, weder verzoend, kwamen nu hun veldheer achterna rijden en wachtten gespannen op het tweegevecht dat volgen zou.
Solbert, gebogen over de hals van zijn paard, zijn kortzwaard geveld vooruit, reed op Sogol in.
Deze gaf zijn paard een kleinen ruk aan den teugel en liet den aanvaller voorbijschieten.
Een gejoel ging op uit de rijen der edelen. Zij schaamden zich, dat hun voorvechter op deze wijze de regelen van het tweegevecht te paard schond, daar de eerste aanval met het geheven schild behoorde afgeweerd te worden.
Sogol wendde zich echter niet tot de edelen en zonder Solbert verder te weer te staan riep hij, zijn paard aanzettend en in vollen draf op de hoorigen inrennend:
„Weg met de slaven! Voorwaarts!”
Hij rende alleen vooruit op den dichten drom der hoorigen in. Deze, zonder aanvoerder, weken terug voor den ruiter.
Sogol gaf zijn paard een ruk aan ’t bit en met een sprong over de hoofden der voorsten heen, kwam hij midden in de troep hoorigen en zich buigend terzij van het paard, sloeg hij op ze in.
Solbert snelde nu Sogol achterna. Maar toen hij zijn zwaar paard eveneens den sprong wilde doen wagen, hield het paard de beide voorpooten gestrekt voor zich uit en weigerde den sprong.
De edelen, hun aanvoerder ziende hoog te paard midden tusschen het voetvolk der kerels, snelden hem thans te hulp, dadelijk als hun heer, inhakkend op het voetvolk, dat verward, begon te wijken en zonder bezonnenheid met de kortzwaarden in ’t rond sloeg.
Solbert nu, snelde zijn mannen vooruit, trachtend achter hen te komen, om ze zoo te kunnen bevelen. Doch de hoorigen, hun aanvoerder spoorslags ziende rijden in de richting van den vijand afgekeerd, snelden in wilde vlucht hem achterna.
Sogol vervolgde ze niet en liet de edelen, die de vluchtenden achterna snelden, door zijn horenstekers terugroepen.
Want hij berekende dat Solbert spoedig zijn reserve-saksen, die verder naar achteren wachtend stonden, zou bereikt hebben en dan met een overmacht vallend over de door de vervolging vermoeide edelen, deze zou van de paarden slaan en ombrengen.
De ruiters bleven onwillig staan.
„Wat heer? Verbiedt di ons dat grauw neer te hakken?” vroeg een hertog.
„Wilt di bevelen?” antwoordde Sogol smadelijk. En toen de man hem honend met de oogen aanzag, hief Sogol zijn zwaard op en hieuw hem met één slag neer.
De man viel terzij van zijn paard, dat wegrende over het veld. Nu zagen de edelen, dat Sogol gelijk had gehad. Want Solbert kwam aanrennen gevolgd door versche saksen, de grootste kerels van de bende en toen het paard met den gedooden ruiter terzij naast zich slepend over grasveld hun bereikte, ging een gierend hoongeschrei uit de rijen op.
„Aan di hertog!” zeide Sogol tot den hertog, die hem voor dezen aanval te lijf had gewild.
De hertog, den aankomenden drom gewapende reuzen ziende, wijfelde.
„Hoort di niet?”....
De man keek om naar zijn ruiters.
Nu reed Sogol weder alleen vooruit, maar hij uitte geen krijgskreet. Dicht bij Solbert hield hij zijn paard in.
„Verrader!” schreeuwde Solbert, die ook zijn paard betoomde.
„Treed toe!” riep Sogol, zijn schild ophoudend.
Solbert rende, met vooruitgestoken zwaard op hem af, en ’t dicht bij ’t schild van Sogol hoogheffend, sloeg hij toe.
Het zwaard butste domp en brak dan middendoor.
Solbert week snel ter zijde uit en rende in vollen vaart achter zijn mannen om.
De edelen snelden nu opnieuw Sogol te hulp en weer vlood de bende der hoorigen, vervolgd door de edelen. Ditmaal liet Sogol ze niet terugblazen, want hij wist wel, dat Solbert niet dadelijk tot een derden aanval gereed zou zijn en eerst zijn mannen opnieuw zou moeten ordenen.
De edelen, inrijdend op de vluchtende drommen, Sogols moedig voorbeeld volgend, deden hun paarden te midden van het voetvolk springen en dan, zich buigend over de paarden, hakten zij de vluchtenden over de ruggen, de schouderbladen en de achterhoofden of met schuine slagen in den nek zoodat het gebeurde, dat een man nog een stap voortliep, terwijl zijn hoofd, door een krachtigen slag geheel van de romp gescheiden, al neergevallen was.
De edellieden gilden en riepen al slaande smaadwoorden:
„Vaal grauw! Lompenpak! Hongerlijders! Slavenzielen!” De vluchtende hoorigen, te midden van de kreten en het gekerm der gewonden en stervenden, hieven vluchtend vaak de handen omhoog roepend: „Genade heer! Genade heer!” Maar de ruiters zwierden hun zwaarden suizend door de lucht en sloegen de beide hooggeheven handen van de polsen af, met een luiden lach opschreeuwend of smadend:
„Pak dijn genade, hondsvot! Grijpt de vrijheid, Grendelgebroed!”
Solbert, bij zijn laatste wachtende saksen gekomen, gebood hen onmiddellijk tegen de vluchtende ridders op te trekken. Doch de eerste verwonden waren reeds aangedragen en hun gekerm en afzichtelijke verminkingen, maakten de hoorigen, niet gewend aan de verschrikkingen van den krijg, beangst. Zij aarzelden.
„Zult di optrekken, lompenpak!” gilde Solbert.
„Lompenpak!” riepen de hoorigen verontwaardigd. „Als wi lompenpak zijn, bent di een lompenkoning!”
„Weg met de lompenkoning!” riep een saksaanvoerder, die al vaak tegen Solbert gekuipt had. Solbert reed op hem toe, sloeg hem met het zwaard den arm van den romp.
„Voorwaarts!” riep hij, nu alleen wegrennend, de schaar van vluchtende hoorigen te gemoet, waarachter hoog de ruiters reden, de zwaarden met snelle slagen heffend en doen dalend. Ver achter hen, over hunne hooge hoofden heen tegen het zachtglooiende groene veld, was de weg geteekend door neergehurkte menschen zich als donkere, bruine dieren wentelend in doodskrampen en wondsmarten.
De vluchtende horde, ziende dat tegen hen tegemoet de eigen genooten inrenden, wilden stilstaan en zich omkeeren. Maar de volgende scharen vluchtende, liepen tegen hen op en een wijle was ’t een handgevecht tusschen het voetvolk onderling, dat een dichte kluwen van met de zware lijven tegen elkaar opwerkende menschen vormde.
Doch de stroom van de opdringende versche saksen was te sterk. Hun voormannen wigden in het kluwen doorgangen en eenmaal in gang, dreef de geheele bende nu weer voorwaarts tegen de horde der vervolgende ruiters in.
Deze, in de woede der vervolging, stortten moedig en onvervaard op de saksen in. Maar de versche saksen, vechtend met kalmte en links de ruiters aanvallend, drongen de ruiters opeen en deze, door de opdringende ruiters achter hen aan, gehinderd in ’t zwenken en wenden, sprongen van de paarden.
Nu kwam een soortgelijke verwarring onder de ruiters, als straks onder het voetvolk was ontstaan. Zij vluchtten terug, achtervolgd door de saksen.
Doch zoodra de ruiters ongewond uit het gedrang kwamen, wonnen ze dadelijk afstand op de voetgangers, daar deze geen paard konden bijhouden en zoo vielen er minder van de vluchtende ruiters dan er van de vluchtende voetknechten waren neergeveld.
Het was onderwijl noen geworden en de zon, schelzilver aan een blankblauwen hemel, begon nu de hoorigen in de oogen te schijnen.
Nu zou het voordeel geheel in dat van Sogols mannen komen, want de edelen waren in den rug door Beldun beschermd, dat tegen de glooiing gelegen, een natuurlijke schans vormde.
Solbert verzamelde daarom zijn mannen en ordende ze opnieuw. Hij liet de gewonden door de vrouwen en grijsaards naar de kampen dragen en besloot tot den laatsten beslissenden aanval over te gaan, voor de zon lager was gedaald.
Hij reed op een versch paard voor de hoorigen heen en weer, moedigde hen aan, herinnerde hen er aan, dat het thans hun laatste kans was om de overwinning te behalen.
Sogol, bemerkend dat een groote, algemeene aanval voorbereid werd, riep nu de vrouwen-bende op.
Hij reed langs haar heen en stil staande voor haar gelid, hoog en somber op zijn bezweet en beschuimd zwart paard, zeide hij:
„Vrouwen en maagden, volgt uwe mans getrouw. Bedenk wel, dat dit onze laatste kans is. Winnen wij dezen aanval, dan is ons de zege!”
Hij verwachtte, dat zij hem met een jubelend „Were!” zouden beantwoorden, maar zij zwegen allen.
„Zijt di bevreesd, kinderen?” vroeg hij wat milder, ziende naar de gelederen der vrouwen en maagden, kloek maar zwijgend op de trappelende, hooge paarden gezeten.
„Heer, waar is de heilige vrouw?” vroeg een maagd.
„Ja... de heilige vrouwe... waar is de heilige vrouwe? Zij zal ons aanvoeren!” riepen anderen.
„Zij is bij haar drekgoden!” zei Sogol minachtend. „Ik zal di aanvoeren...”
Hij reed weg van de gelederen en rende naar de mannen.
„Mannen, dit is onze laatste kans. Bedenk wel... als du di ditmaal zelve helpt, zal de zon di helpen...”
Hij wees met zijn zwaardpunt naar de zon, die recht achter hen al begon te dalen.
„Were Balder!” riep een stem.
„Were Balder! were Balder!” riepen ze allen.
„Were dijn zwaard!” riep Sogol, duister en honend.
„Voorwaarts!” gilde hij.
En hij reed vooraan op den toestormenden dichten drom der hoorigen aan, die ditmaal dicht bijeen aanstormden, in hun schilden het hihàhihà van den barditus doende weerschallen.
Ditmaal reed Solbert achter den eersten drom, van verre gevolgd door een tweeden drom.
Sogol, zijn doorzicht erkennend, hield ook in en liet zijn ruiters voorbij rennen, achter hen de leiding nemend.
De vrouwen hadden zijn bevel niet gevolgd. Haar breede rij stond onbewogen, wachtend op het treffen der mannen.
Het schampen van de zwaarden en het gegil en gekrijsch kondde Sogol, dat de eerste drommen op elkaar gestooten waren.
Beiden bleven thans, vechtend tot op het uiterste, dicht bijeen, geen voet wijkend, de stervenden nog trachtend door zwakken stoot of houw den vijand te treffen. Er waren hoorigen, die in waanzinwoede gerakend, met schuim op den mond en bloedbeloopen oogen opsprongen tegen de paarden en zich met de tanden vastklemden in ’t vleesch van den hals. Er waren ruiters, die van de paarden afgedrongen, te voet zich bleven weren, houwend rond zich heen een open plaats en zelf bloedend uit vele wonden, verwoed doorhouwden, tot ze opeens stijf achterover vielen.
Toen gaf Solbert een teeken aan zijn horenstekers en opeens wierpen wel honderd hoorigen de zwaarden weg, staken twee vingers van elke hand in den mond en begonnen schril en met korte stooten te fluiten.
De paarden, verschrikt, steigerden, hoorden niet naar het toom, keerden zich op de achterpooten draaiend om en snelden door elkaar weg.
Sogol wilde ze terug drijven. Maar opnieuw schrilde het snerpende, snijdende krijschgefluit en ook zijn paard werd schichtig, keerde zich om en hoewel hij ’t den bek samenkneep met het bit, nam het in doodsangst het bit tusschen de tanden en snelde weg...
„Verloren! Verloren! Verloren!” huilde Sogol, zijn hoofd naar den grond om niet zijn ondergang te zien. Maar opeens hoorde hij juichend geroep, hooge stemmen van vrouwen...
Hij keek op...
De bende der vrouwen en maagden kwam aangerend en voorop reed Harimona, in een lang, wit gewaad, dat ver naar achteren over haar slank, zwart paard heen hing. Zij hield een klein, glinsterend zwaard stijf en schuin-recht voor zich uit
„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.
Heur witte haren zwierden haar, wijd golvend in den wind, na. Heur roode oogen glinsterden als ros vuur in windtocht.
„Were Wotan... Were Wotan!” gilde zij.
Zij scheen Sogol niet te zien, reed hem voorbij en de vrouwen en maagden reden hem bijna omver. Doch zijn paard, nu schrikkend van de hooge gillende stemmen der vrouwen keerde zich om en rende weer op de vijanden in, Harimona achterna.
De paarden der vluchtende ridders waren kalmer geworden. Want de fluiters bij de hoorigen raakten vermoeid en de natgeworden vingers en beblaarde lippen maakten het fluiten steeds moeielijker.
Nu zagen zij de vrouw, blank op haar donker ros....
Zij reed alleen alle anderen vooruit, midden op de benden van de hoorigen aan.
Solbert kreeg haar in ’t oog.
Hij hield zijn paard in.
„De heilige vrouwe!” kreet hij, zonder zich rekenschap te geven van zijn roep.
„Were Wotan! Were Wotan!” gilde zij.
De hoorigen hadden den roep van hun aanvoerder gehoord.
„De heilige vrouwe!” riepen er eenigen, die haar faam kenden van verhalen... Een paar mannen keerden zich om, verschrikt door de gestalte.
Maar Solbert, zich herstellend, rende op haar toe, het zwaard opgeheven... De man en de vrouw stietten op elkaar in.
Doch Solberts paard, vlak voor zich ziende het wapperen van haar wit los gewaad, steigerde, draaide zich schichtig om.
Solbert rukte aan ’t bit. Maar opeens zag hij Harimona in de oogen. Het was hem of een stralend vuur daaruit op hem toe schoot... Hij sidderde door al zijn leden, liet zijn zwaard uit de handen vallen... hief de handen op.
Nogmaals sprong het paard op... Solbert viel van ’t paard en op den grond knielde hij:
„Genade, heilige vrouwe?” smeekte hij.
Zij liet het bebloede zwaard zinken...
„Genade di en dijn mannen!” antwoordde zij.
Zijn mannen, ziende hoe hun aanvoerder talmde voor de heilige maagd en neerviel, waren ontzet. Eén riep er: „De heilige vrouwe is onkwetsbaar!”
Een ander: „Zij roept Wotan aan...” En meteen wierpen zij de wapens weg en renden terug naar de kampen.
De vrouwen en maagden waren Harimona genaderd en wilden voortstormen, de vluchtende hoorigen achterna. Maar Harimona hief haar zwaard op en beval: „Sta!”
Toen de vrouwen weer stil stonden, riep zij:
„Vrouwen en maagden, stijgt af en help de gewonden... die van de edelen en van de hoorigen. De strijd is geëindigd. Solbert vraagt genade.”
Sogol was terzijde te paard blijven zitten.
Hij zag hoe Harimona afsteeg, op Solbert toeliep en hem opheffend, naar hem toeleidde.
„Koning Sogol, uw hertog vraagt genade!” zeide Harimona.
„Heer, ik vraag genade!” zeide Solbert... „Zie, mijn mannen vluchten en ik ben machteloos...”
Nu eerst zag Harimona, dat Solbert bloedde uit een wonde in de zijde...
Sogol steeg af en steunde zijn tegenstander van zooeven.
„Koning” zeide Solbert, „mijn rijk is uit... wees goed voor haar... weet, dat ik haar beminde... maar zij heeft mij verworpen, ofschoon ik haar alles aanbood, voor di, hoewel du haar alles had ontnomen... Vaarwel, heilige vrouw... Trouw is het hoogste!...”
Hij sloot de oogen en zijn gelaat werd lichtgeel.
„De lever is doorboord!” zeide Sogol, de wond beschouwend.
Zij tilden den dooden Solbert op en droegen hem langzaam naar terzij.
„Hertog, zorg voor zijn eer!” beval Sogol een der edelen.
Samen liepen daarna beiden een poos zwijgend naast elkaar naar Beldun toe.
„Hoe kwaamt di hier, heilige vrouwe?” vroeg Sogol.
„De oppergod leidde mi!” antwoordde Harimona.
Hij keek haar donker met vragenden blik aan.
„Is dijne lever ook nog krank?” vroeg Harimona.
„Nog altijd....” zeide hij somber.
„Hoe kwaamt di hierheen?”.... vroeg hij weer.
„Ik voelde, dat du in nood waart. Toen heb ik een wit kleed aangegord en een paard bestegen en een zwaard in de hand genomen om di te redden....”
„Wie meldde di mijn gevaar?”
„De oppergod in mij, Sogol....”
„De lever?” vroeg hij.
„Neen.... het hart!”....
Hij zag haar aan en uit haar oogen straalde hetzelfde licht, dat Solbert verward had en verdeemoedigd.
„Vergeef mi!”.... zeide Sogol, voor ’t eerst zwak en deemoedig.
„Ik heb di niets te vergeven... want ik heb di altoos blijven beminnen....”
„Ook toen ik di verjoeg....”
„Toen het meest.... want weet koning, de lever begrijpt het hart niet, maar het hart begrijpt de lever wèl.... In de lever woont de twijfel, maar in het hart de liefde... En dat koning is de levensboom, die duizendmaal vernietigd, duizendmaal weer wortels schiet.... want hij is een deel van God zelf....”
Berlijn 1905.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.
[2] Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Het religieuze instinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.
[3] De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.
[4] Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.
[5] Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?
[6] Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” in Kudrun, vers 51.
[7] Vd. D. Detlefsen, Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.
[8] Drie maagden in een gouden huis, Die zijn van alle markten thuis, De eene, die spint zijde, De andere vormt uit krijde (krijt, leem) De derde snijdt het haverstrôo Behoede Wod ons kind’jes lôo. (land.)
[9] Naar een perkament uit 1300. n. Chr., dus bijna 15 eeuwen later, dan den tijd waarin dit verhaal speelt. Evenwel thans, 6 eeuwen nadat het perkament beschreven werd, leert ons de moderne hygiëne nog bijna juist hetzelfde:
Een zeer matig gebruik van alcohol; geen te warm eten gebruiken; niet te weinig slaap genieten; niet te koud baden; zuivel gebruiken; zieken niet aanraken!... Dergelijke levensregelen zijn gevolg van langdurige opmerkingen, waarschijnlijk door het eene geslacht aan het andere, eeuw na eeuw bij monde overgeleverd, juist als b.v. de bakerspreuken en wiegedeuntjes, tot ze eindelijk te boek werden gesteld, de dadelijk nuttige spreuken (zooals de medische) natuurlijk eeuwen vóór de bakerspreuken, die men van veel minder belang vond en lang voor de nuttige spreuken, de heldensagen—machtsmiddel van Koningen en priesters.
[10] Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl. Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft II Berlijn 1904.
[11] Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.
[12] Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).
[13] Nachtreizen. De oude Germanen rekenden bij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.
[14] De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig. Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande... kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!
Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.
Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.
De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.
Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!