Germania

Part 30

Chapter 303,992 wordsPublic domain

Harimona vleide zich neer op een berehuid naast Sogol’s stoel, heur hoofd leunend tegen zijn knie.

De sprokespreker knielde voor beiden, stemde zijn lier, tinkelde er even op en begon:

„Er was in ’t verre vreemde land een man, die op een nacht droomde, dat hij gestorven was. Het was alles duister om hem heen en hij hoorde een gestadig ruischen als van een verre zee. Hij meende, dat dit de kar van den oppergod was, die naderde, maar hij bleef in ’t duister liggen en hoorde het ruischen doch de kar kwam niet naderbij. Toen wilde hij roepen om te zeggen, dat hij daar dood lag, wachtend op de komst van den oppergod. Doch de oppergod kwam niet en toen ontwaakte hij.

„Sedert begon hij te peinzen over het leven na den dood en hij ging naar alle tempels om met de priesters te spreken. Doch de verhalen van de priesters gaven hem geen vrede en steeds werd hij gepijnigd door de gedachte, dat de dood het einde van het leven was en er daarna geen leven meer bestond, maar dat de ziel zich oploschte in het ruischen van de wereldzee.

„Dat vertelde hij ook aan de andere menschen en toen hij eens, bij een offerplechtigheid, de priesters hoonde, werd hij gegrepen en tot straf aan een eenzame rots geketend, waar hij moest verhongeren.

„Toen hij nu daar vastgeketend stond, had hij geen berouw, maar hij vloekte de menschen, die hem zoo gestraft hadden en den oppergod, die hem wel het ruischen van zijn kar had doen hooren, doch hem niet verschenen was. Dat maakte den oppergod toornig en hij hield den doodsgeest ver van de rots waar Sinterfietzilo aan was vastgeketend, zoodat de zondaar eeuwig moest hongeren.

„Maar Sinterfietzilo op zijn beurt, vloekte den oppergod en tartte hem, zeggend: „Du wreedaard, het leven kunt di mij wel geven, maar nemen kunt di het mi niet!”

„De oppergod nu, daalde af en verscheen hem en zeide:

„„Wat, du maaksel van mijn handen. De sterren allen kan ik met één slag vernietigen en dan zou ik di niet kunnen verpulveren?”

„„Neeniet, du machtelooze. Want wat geweest is, is geweest en du kunt het niet ongedaan maken.”

„„Du menschenbroedsel, wat let mi, en ik vernietig di en de heele wereld met di?”

„„Du kunt niet.... du kunt niet.... Want wat geweest is, is geweest....”

„Toen nam de oppergod de zon van den hemel en door het gat stortte een stroom water over de aarde en alles wat daar op leefde verdronk.

„Jaren liet de Oppergod de aarde zoo woest en ledig. Toen hing hij de zon weder uit en de aarde droogde en de landen kwamen weer boven en de levensboom sloeg weer nieuwe wortels en nieuwe menschen groeiden er aan, geslacht na geslacht en op een dag werd ook Sinterfietzilo weder geboren en weer droomde hij zijn doodsdroom en weer stond hij tegen den oppergod op en toen hij weder geketend was, daar sprak hij tot den oppergod:

„„Ziet di wel, dat du machteloos bent. Hier ben ik weer en wat geweest is, is geweest en geen macht, in de hemelen net zoomin als op de aarde, kan vernietigen wat bestaan heeft.”

„Toen werd de oppergod zoo woedend, dat de wereldzee opschuimde en de heele aarde overstroomde. En weer was de aarde woest en ledig, eeuwen na eeuwen tot de oppergod voldaan was en moede van het straffen. De wateren weken terug en de aarde dook weder op en de levensboom sloeg nieuwe wortels en de eerste menschen werden geboren en geslacht volgde op geslacht tot Sinterfietzilo geboren werd en tot man opgroeide en zijn droom van den dood droomde en de priesters hoonde en weder geketend werd aan de rots. En weder smaadde hij den oppergod.

„De god nu heeft zoo duizendmaal het menschdom vernietigd en duizendmaal is de levensboom weder opgegroeid en Sinterfietzilo is uit de geslachten opgestaan en heeft telkens met meer smaad den oppergod gehoond, omdat hij niet ongedaan kon maken wat gedaan was. Toen heeft de oppergod hem laten leven, zoo vastgebonden aan de rots, eeuwig versmachtend en nooit kunnende verdwijnen. En tot straf zendt de oppergod elk jaar een heiligen gier naar Sinterfietzilo en deze rijt hem met den scherpen snavel zijn lever uit. Daar lijdt Sinterfietzilo, de godenhoner, dan ’t heele jaar onduldbare smarten door, tot de lever is aangegroeid. En dan na één jaar, zoodra de lever genezen is, komt de heilige gier opnieuw. En dat altoos door, jaar na jaar, totdat Sinterfietzilo deemoedig is geworden en erkennen wil dat de oppergod almachtig is. Maar Sinterfietzilo lijdt liever alle eeuwige smarten dan dat hij zich verdeemoedigd. En de oppergod is onmachtig, want wanneer hij den levensboom uitroeit, roeit hij zichzelf uit, omdat de wortels van den levensboom gevoed worden door de ziel van den oppergod, die den levensboom uitroeiend tegelijk zichzelf zou uitroeien. Zoo leven zij dan, beiden in eeuwigen strijd, Sinterfietzilo en de oppergod en de strijd kan slechts eindigen, wanneer beiden sterven en daarom zal de strijd eeuwig duren, want alles kan de oppergod, behalve dit ééne, zichzelf vernietigen. Daarom is in dezen strijd geen overwinnaar en geen overwonnene maar een eeuwige kamp....”

De sprokespreker zweeg en bleef in het vuur staren. Harimona hief het hoofd op naar Sogol en zij zag, dat tranen langs zijn wangen biggelden.

„Waarom weent di?” vroeg ze zacht, opstaande dan en hem haar arm troostend om den hals leggend.

„Zou ik niet weenen?... Wèl heeft hij de waarheid gesproken.... Sinterfietzilo, dat ben ik.... en dat is elkeen die naar de ontraadseling van het geheim des levens streeft... En toch, hij had gelijk, Sinterfietzilo had gelijk...”

De sprokespreker zag met eerbiedige bewondering naar Sogol op.

„Groote Heer, is het mogelijk, dat zooveel wijsheid van di afstraalt.... Want ook ik Heer, geef Sinterfietzilo gelijk.... hij is grooter dan de oppergod. Want de oppergod heeft de macht tot aanval en bestraffing, maar Sinterfietzilo heeft slechts de macht tot verdediging.”

„En wat denkt de heilige vrouwe?” vroeg Sogol, zacht ironisch.

„Ik denk, dat Sinterfietzilo ongelijk heeft...”

„Ik wist het, dat du zoo denken zoudt,” antwoordde Sogol onwillig. „En waarom heeft hij ongelijk?”

„Omdat hij met menschenkracht den hemel wil bestormen. Laat menschen met menschen en goden met goden strijden. Kampt bij het zwaardspel de dwerg tegen den reus? Of de zwakke tegen den sterke? Neen, nietwaar, alleen de strijd tusschen porturen met gelijke zwaarden is schoon en edel...”

De sprokespreker was opgestaan en naderbij gekomen. Nu vleide hij zich voor Harimona neder en keek naar heur op met groote, verbaasde oogen.

„Wat is het zwaard van Sinterfietzilo?... Een kleine, kromme sikkel vol scharen, het arme, geringe menschenverstand. Maar de oppergod heeft het reuzenzwaard, waarmede hij met één slag de zon van den hemel kan losslaan, gelijk een schild van den wand. Zaagt du ooit een boer vechten tegen een hertog? De boer lag geveld vóór hij den hertog geraakt had. Zoo Sinterfietzilo, die den oppergod te lijf wil. Du kondet sprokespreker, dat de oppergod alles vermag, behalve zichzelf te vernietigen. Maar ik zeg di, dat hij ook dàt zou kunnen, als hij dat wilde...”

„Onmogelijk, onmogelijk!” kreet Sogol, als voelde hij de smart van den gier, die hem de lever openreet.

„Wanneer du denkt met dijn verstand... dan ja, mijn bruidegom, is het mogelijk. Maar als di den oppergod wilt naderen, in zijn ondoorgrondelijk wezen, moet du hem tegemoet treden zooals de boer, die den hertog tegemoet komt, niet met zijn sikkel gescherpt en gereed tot den ongelijken strijd, maar deemoedig en vol vertrouwen, zooals dat een boer past, die niet weet welke groote wijsheid woont in ’t hoofd zijns heeren, noch richten kan over diens wil en daden. Het goddelijke vangt aan, waar het menschelijke eindigt...”

Zij schrikte even op. De sprokespreker was met gebukt hoofd tot aan heur voeten gekropen en had die gekust.

„Kus mi niet, maar kus den geest, die door mi spreekt!” zeide zij, heur voet terugtrekkend.

„Di kan hij niet kussen dan in dijn lichaam!” antwoordde Sogol. En zich tot den sprokespreker richtend:

„Du man, sta recht. Ik houd niet van gebogen ruggen. Het dier gaat gebukt, omdat het een slaaf is, maar de mensch gaat rechtop. Zijn verstand heeft hem bevrijd uit den eersten staat der onderworpenheid. En het zal hem bevrijden uit den tweeden staat, tot hij vliegen kan gelijk de geest, zonder de afstanden te kennen, noch den duur van den tijd...”

„En wat de mensch zou kennen, dat zou de oppergod niet vermogen?” vroeg Harimona, zacht-droevig haar geliefde aanziende. „Want wie tijd en afstand kan vernietigen, die kan ook méér vernietigen, dan een menschenverstand kan uitdenken. Hoe groot is niet het onderscheid tusschen het dierenverstand en het menschenverstand. En du zoudt meenen, dat dan de afstand tusschen menschenverstand en godenwijsheid niet nog grooter moest zijn? Dijn trouw paard groef wel een gat in den wand van ’t donkere hol, waar zijn meester lag geketend. Maar méér vermocht het niet. Zoo dan, wel kunt di een gat graven in den hemelwand, waarachter de groote goden zijn, maar ze bevrijden kunt di niet, omdat dijn verstand daartoe niet reikt. Het is niet hun schuld, dat zij voor di onbereikbaar zijn, maar dijne. De oppergod kan alles, alles, alles, maar Sinterfietzilo kan niet alles, alles, alles begrijpen. En daarom past hem deemoed en vertrouwen en zoo goed als de wantrouwige godenvijand door den oppergod wordt gestraft, zoo goed wordt de vertrouwer in zijn alwijsheid beloond...”

„O vrouwe... o heilige vrouwe... hoe dank ik di... straks schonkt di mi spijs en drank voor het hongerende lichaam, maar dit is meer... want du verzaadt mijn smachtende ziel... o, heilige vrouwe!”

De sprokespreker had zich weder voor haar neergebogen en weende van dankbaarheid.

„Ik wil niet, ik wil niet!” kreet Sogol. Hij bracht beide handen aan de zijde, alsof zijn lever hem pijn deed. En opeens, in toornige woorden losbarstend: „Ik kàn niet vertrouwen... ik kàn mi niet verdeemoedigen... Ja, du vrouwen, die van dijn eerste jeugd gewend wordt op te zien en te vertrouwen en deemoedig te zijn en afhankelijk te wezen van den man... du kunt di verdeemoedigen ook voor de goden... En du sprokespreker, die rondreist, verbeeldend en lofzingend en uw woord tot dienend verheerlijken van anderer daden maakt—du kunt vertrouwen. Het is dijn slaafsche, zwakke aard... Maar ik ben een vorstenzoon en de kampioen, die voor mi verschijnt met verdekt gelaat, ik dwing hem met mijn zwaard ’t gelaat te toonen... Rechtop ben ik geboren en rechtop wil ik leven, al moet het dan ook zijn opblikkend naar den hemel, met een vloek op de lippen en een traan van smart in ’t oog. Mijn verstand is geen sikkel... het is een scherp gewet zwaard, dat ik wèl weet te hanteeren... En dit zeg ik di vrouw, en dit zeg ik di, sprokespreker... een slavengod mint de gebogen ruggen, maar een heerengod mint het opgerichte gelaat en ’t gereede zwaard. Ik zeg di, dat er niets bestaat buiten het verstand, en wat buiten het verstand bestaat, welnu, dat het vertrouwen vrage en deemoed eische van die dat, wat buiten het verstand is, bezitten...”

„Ik bezit het!” zeide Harimona fier.

„Heilige vrouwe!” murmelde de sprokespreker.

„Slaafschen zin bezit di! Een kol zijt di en een leugenwijf”, toornde Sogol op... „Ha... Sinterfietzilo.. wel bent di eenzaam aan dijn rots van marteling geketend... Want die ’t liefste di was, staat het verste van di... Gelooft di vrouw? Zeg mi, gelooft di in de goden?”

Hij pakte haar bij den arm en schudde haar heftig.

„Ja heer... ik geloof... ik kan niet anders dan gelooven. Want wat in mij is, volgt niet mijner wil maar die der goden...”

„Wat... na al wat du ervaren hebt aan mijn zijde, gelooft di nog?”

„Hoe meer ik ervoer, hoe dieper ik geloofde...”

„Dan weg, wèg uit mijn huis... du slavenziel, du leugenkol... wèg, wèg... ik wil di niet meer zien!...”

Hij wees haar met uitgestrekten arm naar de deur... Zij keek hem met betraande oogen verwonderd aan en volgde dan de richting van zijn uitgestrekten hand... naar de deur, de koude nachtlucht tegemoet.

De roodharige Scandiër, den rug gebogen, sloop haar na.

„Dien haar... Dien haar!” riep Sogol hem na... „Want dienen is dijn aard, slaaf!”

Hij zonk eenzaam in zijn zetel terug en staarde in den flakkerenden vuurgloed. Zijn mond vertrok zich tot een breeden trek, zijn hart bonste en zijn handen trilden.

Opeens stond hij op, trok zijn zwaard en ’t met de punt omhoog stekend, liep hij naar buiten, keek omhoog in de winteravondlucht, waar de gouden sterren in ’t diep blauw flonkerden...

„Tegen di, tegen di, tegen di, du mijn vijand zal ik kampen!” riep hij, dreigend het zwaard hooghoudend, starend met vlammende blikken in de lucht. „Verdoemd zijn de menschen, verdoemd zijn de goden... Het leven is een verdoemenis!”

Ver op den blanken weg schreed donker de vluchtende Harimona en naast haar de lange, magere sprokespreker, beiden de hoofden ver voorovergebogen, inloopend tegen den snijdenden noordenwind.

HOOFDSTUK XIX.

Nu het voorjaar was aangebroken, begon Solbert zijn mannen voor den grooten slag gereed te maken. Hij had ze allen voorzien van kortzwaarden, gesmeed door Friesche zwaardvegers, die door kondschappers onderricht van den vrijheidsoorlog, welke de hoorigen tegen de edelen in Nervigo strijden zouden, uit liefde voor de zaak der vrijheid, de wapens hadden gezonden.

De vrijgelatenen, wel wetend dat van den grooten slag hun toekomst zou afhangen, gehoorzaamden Solbert zonder morren en zoo had hij, door gestadige oefening en herhaald spiegelgevecht, ze tot een sterke bende vereenigd.

Het was bekend geworden, dat de heilige vrouw uit Beldun verdreven was en met een roodharigen sprokespreker rondzwierf in de bosschen. Solbert, verlangend haar te zien en hopend op haar bezit, reed met een vijftigtal van zijn trouwste mannen de bosschen in. Zij zagen een vrouw vluchten, volgden haar, maar toen zij de vrouw pakten, bleek het een boschwijf te zijn, dat wartaal sprak. Zij lieten de vrouw weder los en volgden haar voorzichtig, hopend zoo het verblijf van Harimona te ontdekken. Doch zij kwamen aan de rotswoningen, waar de verwilderde strijdvrouwen van koning Koenderic op hen aanstormden. Solbert gaf zijn mannen last op de vrouwen in te hakken. De mannen stormden toe. De vrouwen verdedigden zich met het kortzwaard, maar zij waren te verzwakt en werden neergehouwen of gevangen genomen. De gevangenen werden medegevoerd naar de kampen van koning Solbert en uit haar verwarde verhalen maakte hij op, dat Harimona dicht bij de holen zich ophield en dat een roodharige, lange man, met een zwaard gewapend, dat hij uit een der holen gestolen had, haar beschermde.

Solbert nu ging op een dag alleen naar het woud en bleef nabij de holen zwerven. Hij vond schreden en ontdekte een hol waar zeker nog menschen woonden, want een sintelvuur gloorde onder een pot en er lag versch geveld wild in een hoek. Hij verbergde zich achter een rotsblok en wachtte. Tegen den avond kwamen Harimona en de lange sproke-spreker terug naar het hol. Maar de koning bleef wachten den heelen nacht door om haar ’s morgens bij ’t daglicht te zien. Tegen den morgen verscheen eerst de roodharige sprokezegger en daarna uit een ander rotshol kwam Harimona. Nu kon Solbert haar hooge gestalte en haar fraaie leden zien en heur wit, stroomend haar.

Zij legde rijshout op een offersteen, en zich buigend, begon zij een hymne te prevelen. Hij zag nu ook haar schoone, roode oogen, haar rechten, fieren neus en haar zachtgewelfde kaak.

Toen zij gebeden had, kwam Solbert voor den dag.

Zij verschrikte en de sproke-zanger, zijn zwaard trekkend, stelde zich voor heur op zeggende: „Kortzwaard tegen kortzwaard!”

„Man!” riep Solbert, zijn zwaard voor zich in den grond stekend, „ik ben geen vijand, maar een vriend.”

„Wat wilt di hier?” vroeg de sprokespreker.

„Ik ben Solbert, koning der Nerviërs, de vijand van den onwaardigen Sogol, die heult met de wreede edelen. Mij is het bekend, dat de heilige jonkvrouw Harimona onschuldig en smadelijk is verdreven uit Beldun. Dat zij mij vertrouwe en mij volge... Ik bied haar eer, vrijdom en bescherming aan...”

Hij trad nader en bleef met bewonderende oogen, dicht bij Harimona staan.

„Koning,” antwoordde zij, „indien du waarheid spreekt en mijn vriend zijt, dan gaat heen en laat mi in vrede..”

„Wat? Mi zendt di weg? Mi, den vijand van den verwaten Grendelszoon, die di wegjoeg in nacht en nevel?”

„Als du zijn vijand zijt, bent di mijn vriend niet!” zeide zij uit de hoogte.

„Wat? Du blijft dien hondsvot trouw?”

„Het staat di slecht, den toekomstigen koning der Nerviërs te smaden, man!” riep Harimona uit.

„Hij, de koning der Nerviërs!... Nooit zal hij heerschen. De slag wordt weldra geslagen... mijn mannen zijn talrijk gewapend met Friesche zwaarden en welgeoefend. Ik waarschuw di, vrouw. Nog voor deze maan van den hemel zal zijn gestreken, is de Grendelszoon weder teruggejaagd in de poel, waaruit hij is opgestegen en de edelen met hun wijven zullen neergehouwen zijn...”

„Hertog Sogol is geen lafaard!”

„Een man, die een heilige jonkvrouw in den winternacht naar de bosschen jaagt, is een lafaard!” kreet Solbert.

„Ik verbied di, mijn heer te smaden... Want mijn heer is hij nog altijd...”

Solbert was weggegaan. Maar hij bleef denken aan de heilige maagd en heur trouw aan Sogol deed hem nu nog meer dan ooit, naar heur bezit wenschen.

Nogmaals kwam hij terug en nogmaals. Maar telkens werd hij smadelijk afgewezen.

Toen kwam er bitterheid in zijn hart. Hij zwoer, dat hij zijn mannen tot de overwinning zou voeren, ook al moest hij vreezen, daarna door hen met ondank beloond te worden. Maar Sogol zou hij vernederen, al kostte het hem ook alles. Dan zou zij zien, wie de sterkste was en zeker zou zij dan hem, den overwinnaar, eindelijk wel haar gunst schenken.

Hij had het plan gehad zijn mannen in een hinderlaag te voeren en ze door de edelen in de pan te doen hakken, nadat hij te voren zich van de genegenheid der edelen verzekerd had. Dan kon hij nog altijd op het Ding naar de kroon mededingen. Nu echter besloot hij zijn volk niet te verraden, hoewel hij vreezen moest zelf verraden te worden.

Op een helderen voorjaarsmorgen verscheen hij met zijn bende, zesduizend welgewapende mannen sterk voor Beldun, liet zijn horenstekers den barditus blazen en stelde zijn troepen in de saksen-slagorde.

Te Beldun was men voorbereid. Sogol verscheen met zijn horenstekers, gevolgd door de edelen te paard, in volle wapenrusting, met helmen, ronde schilden, kortzwaarden, arm- en beenringen, gevlochten ijzeren hemden met borstbukkels.

Het waren in ’t geheel twee duizend man. Maar achter de mannen volgden de edelvrouwen en maagden te paard, ook gewapend met kortzwaarden en schilden en de borsten beschermd door bronzen bukkels. En verder naar achteren volgden de knapen en meisjes, die de noodpaarden aan den teugel voerden, die dienen zouden voor de krijgers, wier paarden gewond of gedood werden.

De zon scheen Sogol en zijn mannen in ’t gelaat. Daarom begon hij dadelijk met een zwenking. Maar Solbert, die de poging merkte, zond tien saksen van honderd man voetvolk op de zwenkende ruiters aan en deze leverden den eersten strijd.

De edelen, die gemeend hadden, dat de hoorigen naar hun gewonen aard zouden vechten met knuppels, sikkels, bijlen, speren en goedendags [27] aarzelden, toen de hoorigen met getrokken kortzwaarden op hen indrongen.

De hoorigen sprongen links van de ruiters en sloegen naar Solberts bevel, de paarden de achterpooten door. Daardoor vielen de paarden zonder te steigeren neer en nu vormden de strijders een verwarde massa van paarden, die terzij of op den rug gewenteld, de pooten in de lucht uitsloegen, gevallen ruiters, die door de eigen paarden werden bedreigd en gehinderd en opdringende hoorigen. De ruiters, die goed te voet waren gekomen, stonden hun man, met het kortzwaard in de vuist. Doch de hoorigen schermden niet naar edelen aard, ook in den heetsten strijd de regels van ’t zwaardgevecht volgend, maar zij sloegen woest op de tegenstanders in, soms zelfs ’t zwaard met de linkerhand voerend. Ook hieuwen soms twee, drie hoorigen tegelijk op een edelman in, zelfs als deze al gewond was en de knie buigend, het genade-recht inriep.

Hierdoor verloren de edelen den eersten aanval en Sogol moest honderd gedoode edelen achterlaten, snel zich terugtrekken naar Beldûn en zijn zwenking was mislukt.

De saksen der hoorigen, zegevierend teruggekeerd naar Solbert, begonnen een triomfgeschreeuw aan te heffen. Zij omringden Solbert, die alleen op een hoog paard zat met een „Were Solbert! Were de koning!”

Maar Solbert keek somber, staarde over de verre landen, mistroostig dat zijn zege niet door Harimona aanschouwd werd.

Onderwijl had Sogol de teruggekeerde edelen vermaand. Hij bestrafte den hertogen, dat zij, in stede van hun mannen los van elkaar, tegelijkertijd van verschillende zijde op de saksen der hoorigen in te doen draven, bij elkaar op één hoop de saksen waren tegemoet gereden en zoo elkaar’s vrijheid van beweging hadden belet.

Nogmaals liet hij de horens schallen en nu gebood hij een nieuwe afdeeling de zwenkingslijn te verkennen.

De hertogen, Sogols les ter harte nemend, reden nu los van elkaar, met groote afstanden, terzijde een boog om de hoorigen bestrijdend om de zon in den rug te krijgen; zoodat de hoorigen het zonlicht in de oogen hebbend, minder zeker waren van hun mikpunten.

Solbert zond tien andere saksen op de edelen af. Maar ziende, dat zij los reden, vermaande hij de saksvoerders om zich niet te verdeelen, doch de edelen schijnbaar den doortocht te laten. Waren zij eenmaal door de saksen, dan moesten de saksen omkeeren, de edelen in den rug achtervolgen en Solbert zou andere saksen zenden, die dan de edelen in ’t gelaat te weer stonden, die zoo ingesloten, weder tot een klit te samen zouden worden gedreven.

Drie saksvoerders echter gaf hij deze vermaning niet, opdat zij hun saksen dadelijk tegen de edelen aanvoerend en waarschijnlijk het onderspit delvend, geen achterdocht zouden geven.

Het waren drie saksvoerders met saksen, wier mannen zeer gemord hadden. Solbert zag ze met een grim op ’t gelaat, hun verderf te gemoet rennen.

Toen de edelen de drie saksen ontmoetten en deze weder met het kortzwaard links van de ruiters indrongen, deden de edelen, die nu ruimte hadden, hun paarden snel op de achterpooten een halven draai maken. Zoo hadden zij hun aanvallers rechts en met geweldige slagen sloegen zij ze neer, geen genade kennend en ook de gewonden door een laatsten slag afmakend.

De drie honderd hoorigen lagen na een kort gevecht uitgestrekt op ’t groene veld. De andere saksen hadden de mannen toegeschreeuwd toch hun voorbeeld te volgen, doch de drie saksvoerders, meenend dat het lafheid was, hadden hun mannen op de edelen aangedreven en nu scheen de zege aan de zijde der edelen.

Deze, verheugd over hun aanvankelijke zege, draafden nu, met lossen teugel in de aangegeven zwenklijn. Doch de verspreide saksen sloten zich achter de edelen aaneen, keerden zich om en draafden in koppigen looppas de ruiters achterna.

Nu zond Solbert hun vier andere saksen tegemoet, doch deze vochten niet in gesloten wig, doch deelden zich in zeventallen. En elk zevental omringde één ruiter, die zoo, van alle zijden aangevallen, wijken of sterven moest.

De ruiters, de overmacht ziende, wendden dadelijk hun paarden om, ten einde naar Beldun terug te snellen. Doch nu stuitten zij op de hen achtervolgende saksen, die zich eveneens zevendeelden en thans stormden op elken ruiter veertien man aan. De ruiters werden gedood en de paarden in triomf onder luide „Were’s!” naar Solbert gevoerd.

De hoorigen, het beleid van hun aanvoerder erkennend, begonnen spijt te gevoelen over hun gemor en hun plannen van vroeger. Zij drongen om hem heen, staken de zwaarden naar hem op met luide juichkreten en waren vol vertrouwen in hem. Maar hij, die overdacht, hoe zij hem zouden vernederd hebben, indien het begin van den slag minder zegerijk ware geweest, keek trotsch op hen neer, met een minachtenden trek om den mond.

De hoorigen nu, kregen nog meer eerbied voor hem.