Part 29
In ’t oog van Sigbert glansde liefde. Hij bekeek de struische meiden, zooals ze daar voor hem stonden, vast geplant met de groote, bloote voeten op de aarde, breed en zwaar de heupen en forsch de vleezige schouders.
„Du denkt wel, dubbel ploegt snèl?” schertste hij. „Mi is ’t goed kinderen.... want het offer is gebracht en de spreuken zijn gesproken.”
Hij liep vooruit naar den leegen ossestal en haalde de jukken van de haken.
„Twee ploegen?” vroeg hij, nog niet goed in zijn geluk kunnend gelooven.
„Ja vaêr!” zei Reri. „Ieder met zijn meid.”
„Jong, ongelijk gaat niet. Een hond en een os vóórt niet.... Du en Reri neemt den rechtschen ploeg en de twee meiden voor den averschen ploeg.... dat vóórt.... Moêr moet den meidenploeg boomen....”
„Wat worden mijn akkers?” vroeg Tjeerd.
„Eerst ploegen!” zei Sigbert, wimperend met het rechteroog.
Hij haalde de ploegen uit den donkeren stalschuur en begon buiten het ijzer met een vuursteen te scherpen.
„’t Sjirpt als een vogel!” zei hij, met knipperend oog opziende naar de twee meiden, die den kleinsten ploeg zouden trekken en haar groote, bloote voeten in houten klossen met leeren wreefbanden staken, om meer kracht te kunnen zetten, trekkend in het zeel.
Maaike kwam met een pot warme vischsoep. Toen ze de twee meiden zag, begreep ze al veel.
„Breng nog een pot soep wijf!” zei Sigbert. „Hier de meiden willen meeploegen en du moet den boom houden.. ’t Zal nog wel gaan, wàt?”
„’t Zal zeker gaan,” zei Maaike. „Hebt di al geofferd?”
„Zou ’k anders hier staan? Dat ’s ook een vraag.”
Maaike ging een tweeden pot vischsoep halen. Sigbert dronk ’t eerst, toen Reri. Maar Tjeerd, die aan de beurt kwam, zette den pot niet aan zijn mond, maar gaf ze ’t eerst aan Walhild.
„Zie de!” zei Swanhild verwijtend tot Reri, „dat het du niet daan!”
„Had di dan honger?” vroeg Reri.
„Dat most di doen, zonder da ’k honger had.”
„Begrijp di daar wat van vaêr?” vroeg Reri.
„Ja jong, waive is mal volk,” zei Sigbert
Hij wimperoogde gestaâg, met een schalksch licht in zijn oogen, luimig bij ’t begin van dat heerlijke werk, blij met den dubbelen ploeg en de goede keus, die zijn beide jongens gedaan hadden.
Toen Maaike terug kwam met den tweeden pot vischsoep nam Reri den pot en stak ze dadelijk Swanhild toe.
„’k Heb nou geen honger meer!” zei ze, den pot afwerend.
„Grendeldebliksem!” riep Reri, „nou zie ik vaêr, dat du een waar woord zeê.”
„’k Zou maar drinken, maid!” zei Sigbert, goedig. „Du mot er op trekken en de kluit zal onder vast zitten na den winter!”
Gehoorzaam dronk nu Swanhild, den pot aan den mond zettend. Toen zij hem eindelijk van den mond nam, was er nog maar een kliekje in.
„Dat mag ’k zien!” zei Sigbert. „Vlugge vreetsters zijn vlugge werksters. Dat ’s nog een woord van mijn grootvaêr.”
Tjeerd had den kleinen ploeg al aangezet in de aarde. Nu kwamen de twee meiden naar hem toe en sloegen het zeel om de schouders. Maaike ging achter den ploeg staan, den krommen boog van den boom, met de beide handen naar elkaar gekeerd, omknellend om ’t ijzer in de voor te leiden.
De groote ploeg werd door Sigbert daarnaast gesteld, maar met den spanboom naar de tegengestelde zijde, zoodat ploegend, hij tot het ontmoetingspunt van achter zijn ploeg, den andere kon zien naderen.
Reri en Tjeerd wierpen het zeel om de schouders. Zij stonden met de gezichten naar het westen en de zon verguldde hun blonde achterkoppen en Sigbert zag naar de breede ruggen der twee kerels. Reri stond aan zijn rechtsche zij, waar het trekken ’t zwaarst viel.
Maar voor hij zijn handen aan den boom zette, liep hij naar de schuur en diep van achter een dik zeil, dat er beschuttend overgelegen had, haalde hij een stuk brood te voorschijn, dat daar sedert ’t vorige jaar gelegen had. Het was hard, verdroogd, geleek een stuk steen. Hij wilde het doorbreken, maar ’t was te hard. Daarom gaf hij ’t Reri. Die nam het in zijn groote knuisten en de palmen tegen elkaar drukkend, deed hij ’t stuk brood bersten.
„Had di dat bewaard?” vroeg Reri, met bewondering opziende naar dien grooten vader, die in den strengsten hongersnood toch nog een stuk wete-brood had bewaard.
„Zou ik niet?” vroeg Sigbert.
„Zoo’n vaêr als du bent, hebben d’r weinig!” meende Reri. „Ik zal ’m vandaag een zetje geven, vaêr!” voegde hij er bij, zijn schouder hoogrukkend in ’t zeel, om zijn vader door iets zijn liefdevolle bewondering uit te drukken.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert luid.
Hij bukte zich en legde een stuk van het brood voor de ploegschaar.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de twee reuzen in koor, krom de ruggen buigend, vast de voeten drukkend tegen den grond.
Sigbert greep den boom van den ploeg en hem wrikkend, ging de schaar diep in den zwarten grond en dan over het brok brood, dat in drie stukken werd verkruimeld.
Sigbert liet den boom los, beurde twee stukken op, gaf Tjeerd en Reri elk een stuk. Ze staken het dadelijk in den mond, het achter de kiezen duwend, zoodat hun wang bol stond.
Toen ging Sigbert naar Maaike en gaf haar het derde brok brood.
De vrouw boog zich en legde het een eindje voor de schaar van den kleinen ploeg.
„Zal ik ’t brood boomen?” vroeg Sigbert.
„Loop kerel. Ik kan d’r nog best méé, hoor!” en tot de twee meiden, die als twee dieren, geduldig in ’t zeel stonden te wachten, riep ze, den ploegboom wrikkend:
„Vort!”
Swanhild en Walhild zetten aan, de handen om ’t zeel en de zware voetklossen duwend in de aarde, trokken ze den ploeg voort. Maar Maaike kon de voor niet houden en het ijzer gleed langs het brood zonder het door te snijden.
„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert op, zijn vrouw bij de schouder ruw wegrukkend van den ploeg. „Als de wijding verkold, is ’t dijn bedrijf ’weest,” verweet hij haar.
Hij rukte den ploeg terug, zoodat Walhild, plots de zeelband tegen de borst krijgend, even gilde.
Toen, den boom wrikkend, riep hij:
„Vort!”
De meiden zetten weder aan.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riep Sigbert weer.
„Heil zij de aarde, de menschenmoêr!” riepen de drie vrouwen te samen hem na, terwijl hij, met den boom handig sturend, het stuk weibrood in de voor in vier stukken deed brokkelen. Eén stuk liet hij in de voor liggen. Eén stuk gaf hij aan Swanhild, één aan Walhild. Het derde stuk stuk nam hij zelf in den mond.
Maaike wreef de pols langs haar oogen en knippend tegen het zonlicht, begon ze te weenen.
Maar zij vroeg niet om ’t brood, wèl wetend dat zij er geen recht op had, nu zij ’t met de schaar had gemist. [24]
„Vort!” riep Sigbert, den boom van den grooten ploeg vattend.
Geduldig trokken de twee reuzen, westwaarts gaande tot den grenssteen. De kleine ploeg, getrokken door de vrouwen en gevoerd door Maaike, ging naar den grenssteen oostwaarts. Bij den grenssteen keerden de ploegen om en nu zagen Reri en Tjeerd toeloopend op Swanhild en Walhild, de meiden op ’t gebogen hoofd. De meiden ontwaarden nu de twee reuzen, verguld door ’t licht van de morgenzon, met de hoofden vooruit. En telkens keken ze op, om naar elkaar te schouwen en dan moest Sigbert een „kalm an!” roepen en moeder Maaike een „zachter meiden... of ’k hou de voor niet!”
En als ze dan zoo dicht bij elkaar waren, dat ze malkaar voorbij moesten gaan, dan juichten de meiden op en de twee trekkende kerels juichten ook.
„Gaat het?” vroeg Sigbert zijn vrouw, al weder gelukkig en welgeluimd door den voorspoed.
„’t Sniedt lijk een kaas!” zei Maaike, vastklemmend den ploegboom om mooi recht te vóren onder ’t oog van heur man en heer.
„Hier dan wijf!”
Hij spoog in zijn holle rechterhand een stuk van het wijbrood, dat hij achter zijn kiezen had bewaard en reikte het haar toe. Zij nam het snel aan en stopte het gulzig in den mond, zuigend op het kleffe meelballetje. [25]
Toen trokken ze weer verder, van elkaar af. Maar Reri en Tjeerd blikten zoo dikwerf om, dat Sigbert met een „Vort jongens!” moest waarschuwen en de twee meiden trokken als ze den grenssteen naderden te snel voor Maaike, die dan schuine voren sneed, want het verlangen om hun vrijers te zien was haar te groot. Sigbert snoof den geur op van den doorwoelden, donkeren grond. Hij scheelde langs de diepe, rechte groeven en soms nam hij even een kluitje aarde op, wreef het fijn tusschen wijsvinger en duim en riep tot zijn gebogen zonen voor zich:
„’t Is vet ’lijk room van ’t jaar,” of „’t is zeven vaarzen offers waard!” en andere uitroepen van bewondering. Ook zag hij aan velerlei teekenen van de krinkeling der wormen en de soort en aan enkele vogels, die opvlogen, dat het een vroegen en warmen zomer zou worden.
Tot den noen trokken de twee ploegen in de stille eenzaamheid der onbewoonde velden, tegenloops en afloops, elkaar strijkend voorbij. De vrouwen, zwaar bezweet, rood van de inspanning, hangend met de borsten op het zeel waren doodaf, konden niet meer voort en de voren van Maaike waren dikwijls bochtig. Maar zij hielden vol, wilden niet opgeven en Sigbert ze zoo ziende trekken, wimperoogde ze toe en in ’t voorbijgaan zeide hij hun bemoedigende woorden of schertste, dat ze tegen de kerels optrokken en dat hij ze niet voor de beste ossen ruilde.
Ze waren dan trotsch en trokken met nog meer kracht om te toonen, wat ze als vrouwen waard waren en Maaike, angstig onder ’t oog van heur man, klemde den boom vast, hoewel zij voelde, dat zij rusten moest of neervallen.
Maar nu was het noen en de ploegen, bij het kruispunt werden stilgehouden en ze liepen allen over het land naar de hut om te gaan eten en slapen.
Boven het vuur hing in den grooten pot een brei van hazevleesch met kruiden en winterwortels te pruttelen.
Maaike droeg den pot naar buiten, want ze waren allen te warm om binnen te zitten en hurkend rondom den pot begonnen ze met houten lepels te eten.
Ze spraken weinig, moe van den arbeid en na den eten gingen ze in de hut en legden zich te slapen op pelzen.
Sigbert was ’t eerst weer wakker en wekte de jongens en de meiden. Toen trokken ze weer naar de ploegen en begonnen opnieuw het werk. Doch de meiden konden niet meer zoo snel voort en Maaike hield zich moeielijk op en het kruispunt des ploegen werd telkens dichter verlegd naar den grenssteen, totdat de meiden een heele voor achter waren en tegelijk omkeerden met hun vrijers. Doch ze konden hen niet bijhouden en raakten ten laatste geheel uitgeput.
„Gaat naar huûs kinderen!” zei Sigbert. „Voor meiden hebt di dijn taak gedaan!...”
Hij keek ze nogmaals aan, knikkend goedkeurend, ziende haar bezweette roode gezichten en haar vochtige blauwe jakken.
„’t Was bestig hoor. En als ’t trouwdag is, zult di beiden een bruidsnoer van barnsteen hebben.”
De meiden gingen voor de hut zitten en keken naar het ploegen der vrijers. Die bleven trekken, met de geduldige koppigheid van lastdieren, gebogen hangend in de zélen terwijl de vader, hoog en stoer, wrikkend den ploegboom, onvermoeid bleef loopen, zijn luim niet verliezend, met de oogen op de breede ruggen en vierkante schouders van zijn twee zonen.
En als zij wat langzamer trokken, moedigde hij ze aan.
„Vórt Reri... laat di niet door de meiden uitlachen. Je grootvaêr heb ik eens zien ploegen twee weken lang.. alléén met mijn grootmoêr, zeven wenden op een dag.... Die was van jou slag, Reri.... as ’t gemeten zou worden een handbreed hooger....”
En zij, krachtig de voetklossen zettend in de aarde, voelend de bewonderende oogen van hun vrijsters in den rug of ze ziende in ’t gelaat, trokken den ploeg tot de zon al onder was en een paarsig duister de akkers besloeg.
Toen stond ook hun ploeg stil naast dien van de vrouwen en zij liepen moe en zwaar terug naar de hut, waar nu de meiden zaten in het goudrossige licht van ’t knapperende houtvuur, wachtend met den avondkost.
En den volgenden dag trokken ze weder de ploegen, de kerels en de meiden, en den volgenden dag, en den volgenden dag tot de week om was.
Thonarsdag werd gerust. Sigbert sliep den heelen dag door bij de zakken graan. De jongens en de meiden gingen langs de geploegde landen wandelen, hand in hand, Tjeerd met Walhild en Reri met Swanhild en bij de boschjes keken zij naar de boomen, waarvan er enkele vroege, die op de zonzijde stonden, al gingen ontknoppen. Reri vertelde ook van de twee goudstukken, die hij had gekregen van Maresag en hij overlegde met Swanhild wat zij er voor ruilen zouden, Friesche koeien, zwijnen van de Skalde-eilanden, Friesche sandalen voor Swanhild en een bronzen oorijzer.
Tjeerd vertelde van de groote reis, van de heldendaden van Reri en van zijn broers kracht. Maar Walhild zei dat ze Reri toch nooit tot man zou willen, al zou hij ook aanvoerder van een saks worden. En dat Tjeerd toch ook sterk was en dat hij toch tegen zijn grooten broer had òp-geploegd.
Toen keek Tjeerd Walhild dankbaar en liefdevol aan en hij pakte haar in den nek en drukte haar hoofd tegen zijn borst en kuste haar in den hals en op de wangen. Zij begonnen samen te spreken over de akkers; welke vader Tjeerd zou toewijzen en welke Reri. Walhild zei, dat Sigbert beiden met de bijl moest doen werpen.
Maar Tjeerd wilde liever dat met de kootjes zouden worden gerold, want als Reri de bijl zou werpen, ging zij over zoovele akkers heen.
Met de nieuwe week begon het zaaien en eggen. Sigbert had het graan afgedeeld en bestemd wat weite-akker en wat gerste-akker en wat spelt-akker en wat rogge-akker zou worden. Maar voor het honig-graan had hij nog geen akker gekozen en hij wist niet welken grond hij er voor kiezen zou om ’t beste beschot te krijgen.
Daarom nam hij een handvol honing-graan en wierp het omhoog in de lucht. De wind woei het oostwaarts. Toen besloot hij den kleinen, glooienden akker, die tegen het oosten lag, te kiezen.
En nu, met een schort vol zaad, liep hij langs de blauwzwarte gronden; zijn hand gruiste zacht in ’t rulle zaad en dan, met gelijke arm-zwaaien naar rechts en links, strooide hij de korrels met de zware rechterhand uit, bij elken zwaai mompelend: „Voor Wot, voor Nerth, voor Wot, voor Nerth,” en dan weer na een poos „voor Thor, voor Frigg, voor Thor, voor Frigg.”
Reri en Tjeerd, de eg trekkend, liepen achter hem aan en zagen hun vader voor zich uitgaan, zijn groot, recht lijf in gelijkmatige deining.
Drie dagen duurde het zaaien en het eggen. Toen, tegen den nanoen, als alle akkers geploegd, gezaaid en geëgd waren, riep Sigbert zijn twee zonen en de twee meiden tot zich en gebood hun, hem en Maaike te volgen.
Zij gingen naar den stroom en aan den oever ontkleedden zij zich allen. Toen daalden ze naakt af in het koude water en namen met elkaar een bad.
Maaike had aan den oever voor allen de nieuwe kleederen uitgebreid. Voor de twee vrijsters elk een wit onderkleed en een fijngeweven lichtblauw wollen opperkleed. Voor de twee zonen lange witte onderkleeren en zwaargeweven, bruinwollen bovenkleeren. Sigbert sloeg de groote, zware pij om met de witte puntmuts op den rug hangend, die hij als saksvoerder en dingrechter mocht dragen. Zij zelve trok een nieuwen donkergrijzen huifmantel aan over een wit wollen onderkleed. De oude kleeren van allen werden tot een bundel gebonden en toen naar den grooten offersteen gebracht.
Daar draaide Sigbert vuur en stak eerst een kleine mutsaard aan voor den offersteen. Daarop legde elk zijn bundel oude kleeren en toen de kleeren brandden, een dichte, zwarte rook opsteeg, hief Sigbert de handen hoog en ving met een zware stem den lofzang aan, waarop de twee zonen invielen en daarna de moeder en de twee nieuwe dochters:
„Wotan, groote Heer almachtig, Donar, met den donder krachtig, Tivaz, aller helden vaêr, De drie goden bij elkaâr. Heilige Drieëenigheid, Heilige Drievuldigheid. Houdt ons van de zorg bevrijd, Al de donk’re akkerwenden Dragen kind’ren in de lenden, Heil, de groote hemelheeren, Dat zij weren, weren, weren!...”
„Were Wotan!” riep Sigbert na den zang.
„Were Donar!” riep Reri.
„Were Tivaz!” riep Tjeerd.
„Wére, wére, wére!” riepen de vrouwen in koor.
En allen zich bukkend, kusten zij Nerthus, de aarde-moeder.
Toen nam Sigbert de kootjes en wierp ze op den offersteen, eerst voor Reri en Swanhild. Die hadden zes oogen. Toen voor Tjeerd en Walhild. Die hadden vier oogen.
„Zes wenden akker voor Reri, vier voor Tjeerd!” zei Sigbert.
En in hun nieuwe kleederen, verfrischt door het bad, zachtjes gewarmd door de stralen van de nanoenzon van ’t beginnende voorjaar, liepen zij allen paarsgewijs, hand in hand, langs den lietweg waar goudbruin in de zon, de hut lag van Reginbirn, den vader der twee maagden, zingend een lustig landliedje, de gevatte handen los slingerend aan de armen en voor zich den hoogen halboog van den goud-bewolkten hemel....
„Zije aan zije, Al in de Meie, Paar aan paar, Al naast elkaar, Nieuwe Heeren, Nieuwe kleeren Komt de nieuwe zonnegloed, Leef di in de Batouw goed.”
HOOFDSTUK XVIII.
Den heelen winter bleven de twee partijen in Nervigo gewapend tegenover elkaar staan, zonder dat het tot een groot treffen kwam.
Sogol woonde op het groote Schedelhuis te Beldûn en in een zijvleugel van dat versterkte slot huisde Harimona.
Het Ding der edelen was bijeengekomen en Sogol was tot eersten hertog gekozen. Na den beslissenden slag zou het Ding opnieuw vergaderen en als de overwinning aan de zijde der edelen was, Sogol tot koning uitroepen. Het huldigings-feest zou tegelijkertijd de bruiloft van Sogol en Harimona worden.
De strenge winter maakte het onmogelijk om veel te veranderen in ’t staatsbestuur. De edelen en de edelvrouwen zaten thuis in de groote, houten huizen, versierd met paardeschedels, die het ongeluk afweerden en warmden zich voor de groote houtvuren. Sprokesprekers trokken rond en zegden vergezeld van knapen of maagden, die vaardig waren in ’t begeleiden van de recitatie met horen en liermuziek, sproken en heldendichten op en sagen. De mannen hoorden het liefst naar de verhalen der krijgslieden, den strijd van Berenwelp met Grendel, de wraak van Grendels moeder, het gruwelijke poelwijf, den strijd van Berenwelp en Wigleif tegen den rotsdraak. Maar de maagden en vrouwen luisterden liever naar de liefdesgeschiedenis van Waldiwa, de vreemde maagd en prins Rutger of naar de smartelijke liederen die Hildburg zong, toen haar broeder en haar zonen gevallen waren. [26]
Sogol liet ook dikwerf sagen-zeggers komen, maar hij hoorde norsch toe en vond geen vermaak noch in de strijden der helden noch in de liefdesgeschiedenissen of rouw-zangen. Hij vroeg de sagensprekers of zij de helden gekend hadden en of zij wel eens een draak hadden gezien en als zij ontkenden maar voortgingen met het opzeggen, zat hij somber toe te hooren.
Er was een sproke-spreker te Beldun aangekomen, een magere, roodharige man, die zonder begeleiding was en een lier had van twee stierhorens gemaakt, waartusschen zeven snaren gespannen waren. Hij was in lompen gekleed en zag er verhongerd uit. Daarom werd hij van alle deuren teruggewezen en hij viel tegen den laten middag uitgeput neer voor het venster van Harimona’s vertrek. Zij hoorde buiten steunen en toen zij het gespannen kalfsvel, dat het venster afsloot, afnam en riep, wie daar klaagde, antwoordde de man slechts met een zucht. Zij keek nu uit het venster en den armen man ziende liggen in de koude, noodde zij hem uit, binnen te komen, zich te verwarmen en wat te eten. De man keek dankbaar op en hoewel hij zeer uitgeput was, sleepte hij zich naar de deur en Harimona, den grendel wegschuivend, liet hem binnen. Zij bood hem een ligplaats bij ’t houtvuur aan en gaf hem een nap met warme bouillon van paardevleesch.
Toen hij zich wat hersteld had, vroeg zij hoe hij in dezen ellendigen staat was geraakt. Hij antwoordde, dat hij een Skandiër van geboorte was, maar als schandekind overal veracht was geweest. Toen had hij zichzelf een lier vervaardigd en was zingende en sproke-sprekend naar de Nervigo getrokken omdat de mare ging, dat in Nervigo elkeen geacht werd om zichzelf en niet om zijn afkomst. Maar nu hij na veel ontberingen eindelijk in de Nervigo was aangekomen had hij vernomen, dat er strijd te wachten stond tusschen de edelen en de vrijgelatenen en niemand had zijn sproken willen hooren omdat hij geen schoone kleederen had en geen fraaien lier en geen geleide, dat de liederen kon zingen.
Harimona diende den man nog een nap met paardevleesch toe en zette een kan mede voor hem neer, hem gebiedend te wachten en zich voor te bereiden. Want hij zou voor Sogol mogen spreken.
Zoodra de zanger alleen was, liet hij eten en drinken staan, maar wierp zich op een overkleed van Harimona, dat over een stoel lag, ’t welk hij met kussen overdekte. Ook een paar van hare sandalen, die bij ’t vuur stonden, nam hij op en drukte ze aan zijn borst en kuste ze.
Maar Sogol wilde den man niet hooren. Hij had genoeg van de sproke-sprekers. Ellendige leugenaars waren het. Leugens waren de verhalen van de gevechten der helden en leugens de verhalen van de draken. Het waren laffe kruipers, die men onder den voet moest vermorzelen. Want wie hun geschenken gaf, bezorgen zij zoodra als held, al ware hij ook laf als een haas.
„Maar zij spreken toch ook schoone sproken van ware helden!” meende Harimona.
„Dat zijn geen helden.... de heldenmoed bestaat niet in ’t trekken op ’t zwaard en ’t sterven in den kamp. Want al die helden waren verzekerd van het eeuwige geluk in Walhalla, wanneer zij stierven. Strijden met den twijfel in de borst, strijden zonder uitzicht, dat is moed. En strijden tegen de duisternis van ’t eigen gemoed, dat is heldhaftig. Vraag dijn sprokespreker of hij een sproke kent van den strijd van een held tegen de zwartheid van ’t menschelijk lot. Van een held, die den draak van onze verblinding kan verslaan....”
Hij sloeg zich toornig met de vuist tegen het hoofd.
„Dan moest hij di bezingen, mijn geliefde!” zeide Harimona zacht.
Zij ging terug naar heur vertrek en zich tot den mageren Scandiër wendend, zeide zij:
„Mijn heer wil di hooren op één voorwaarde.... dat du geen kampen tusschen helden sterk dan lichaam bezingt maar kampen van helden, sterk van geest.”
„Vrouwe,” zei de sproke-spreker, „ik ken de sproke van den geketenden held Sinterfietzilo. Maar het is een gevaarlijke sproke, want wie haar zegt wordt door de priesters gebannen.”
„Komt mede, Scandiër. Mijn heer zal di vrijdom geven.”
Hij volgde heur naar de groote, halfduistere hal. Sogol zat op een lagen zetel voor ’t houtvuur en roode schijnsels schemerden om hem heen.
„Mijn Heer,” zeide Harimona, „hier is de Scandische sproke-spreker.”
Sogol keerde zich half om.
„Kom dichterbij, dat ik dijn gezicht zie.”
De magere, roodharige man trad tot bij ’t vuur.
„Zijn dijn haren zoo ros of is het ’t schijnsel van ’t vuur, dat ze zoo kleurt?” vroeg hij.
„Heer, het is de kleur van mijn hoofdhaar.”
„Hoe, een Scandiër met rood haar?” vroeg Sogol verwonderd.
„Ja heer.... mijn moeder was een Scandische....”
„En dijn vader?....”
„Heer, ik heb geen vader.”
„Du hebt geen vader.... en wie was dan dijn moeders vrijer?”
„Heer, mijn moeder voer mede op een skig. En in een vreemd land werd zij geroofd en die van daar verkrachtten haar. Na jaren kwam een andere skig en zij vluchtte met mi naar de skig en werd weder na lange reizen, teruggevoerd naar ’t Scandische rijk.”
„Bent di in ’t vreemde land geweest?” vroeg Sogol, vol belangstelling.
„Ja heer, maar ik was nog slechts een knaap.”
„Wat hebt di daar gezien?”
„Heer, wat ik weet is de herinnering van het kind. Er waren groote witte huizen en tempels. Er stonden beelden van goden en godinnen van witten steen, den menschen gelijk maar met edeler trekken. Meer weet ik niet, Heer.”
„Weet dijn moeder meer?”
„Zij is dood, Heer.”
„Vertelde zij di nooit wat van ’t vreemde land?”
„Niet veel heer.... maar één sproke ken ik. Doch daar ik den naam niet behouden heb van den held, wil ik hem Sinterfietzilo noemen, omdat hij ook aan een rots geketend was.”
„Spreek dijn sproke, man!” zeide Sogol ernstig. „En zoo du mij vermaakt, zal ik di kleederen en stand schenken.”