Part 28
Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.
En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenen wachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.
In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.
Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.
En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.
HOOFDSTUK XVI.
Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voorname Bedekauwers tot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.
Maar Mise had gewild, dat ook de Bedekauwers zouden hooren hoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.
Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.
Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.
Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:
De kots van den koning, Smaakt zoet als honing.
Pimm zeide:
’t Volk in óvervloeden leeft, Als zijn koning overgeeft.
Pinn sprak:
Toen Mise véél gedronken had, Gaf hij den gasten elk nog wat.
Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.
Dan lachte koning Mise en alle Velagers lachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.
Hall, Hamm en Hann lachten dan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde, die hun magere gelaten afschrikwekkend maakten.
Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.
Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde van zijn heldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.
Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.
Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.
Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:
MISÈRE.
Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:
„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog....”
En Pinn besloot:
„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”
Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.
„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”
Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetener werden en hun holle oogen vochtig.
Nu breidde Pill de armen uit en met luider stem zeide hij op:
Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her; Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr, Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne, Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.
En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier, Geheeten was hij Giseman, zijn vader heette Tsier, Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood, En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.
De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed, Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed. Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht, Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.
De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur, En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur, De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog, Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.
Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof, Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof, In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd, Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.
Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel, Zij achtte niet op goud of goed, maar op wie haar beviel, En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit, Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.
De haven nu van Velago, die was heel dik verzand, En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land, Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee, Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.
De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw, Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou, Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand, Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.
De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw, Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou, Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid, Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.
De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag, En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach, Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal, De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.
De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep, Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep. Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag, Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.
De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau, Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw, En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen, Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.
Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht, Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht. De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek, En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.
Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer, En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer. Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid, Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.
De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag, En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag, De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk, De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.
Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest, De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd. Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên, En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.
De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard, Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard. De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak, En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.
Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo, Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo, Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman, En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.
Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond, En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond, Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans, Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.
Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot, Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood. De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek, En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.
Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man, Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan. Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn, En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.
Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd, Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd. Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min, Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.
Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon, En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon. De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit, Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.
Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer, Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer. Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand, En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.
Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien, Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien, Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk, Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.
Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan, En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân, In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot, Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!
Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.
Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.
Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.
Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.
Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!
Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.
Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”
Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.
De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.
Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:
„En waar blijft de sproke op Gise!”
„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”
„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”
„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”
„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!...”
De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.
De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.
Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:
Dit is eens konings honk, Hij at, dronk en stonk.
HOOFDSTUK XVII.
Tegen het voorjaar was Reri zeer stil geworden. Hij sprak weinig, zat gehurkt voor ’t vuur in den gloed te staren en liep daarna opeens naar buiten, langs de velden, die ver tot den horizont glooiend oploopend, blauwzwart lagen onder den dijzigen luchtboog. Hij liep dan los op de bonkerig gekniede beenen, met groote stappen, zijn klein hoofd op den korten nek, naar den grond tot hij, bij de rivier in een eenboom stappend, met krachtigen riem-wrong stroomafwaarts wrikte tot bij de hut van Reginbirn, die twee dochters had, Swanhild en Walhild.
Hij klopte aan de deur en als een van de twee meisjes opendeed, vroeg hij of Reginbirn binnen was. Dan kwam hij bij den boer voor het vuur zitten en hij ging spreken over het land en den oogst en over de jacht en over het Friese vee.
Na een poos ging hij weg en thuis zat hij weder voor het vuur. Hij vroeg na eenigen tijd of Tjeerd ook niet eens mee wou gaan naar Reginbirn, die wilde eenden wist te vangen, door een stuk veen te branden, waardoor ze den jager niet in den reuk kregen en ze dan door een klein hondje in een net te jagen.
Tjeerd ging mede en zat ook bij Reginbirn te spreken voor het vuur en dan keken zij beiden, de twee kerels, naar Swanhild en Walhild, die in ’t halfduister zaten te weven.
Nu ook werd Tjeerd stil en Maaike begreep wel, dat als de twee bij het vuur zaten te peinzen en dan opstonden en naar Reginbirn gingen, dat het om de meiden was.
Sigbert vond het goed. Zij waren oud genoeg om den meiboom te planten. Maar voor gezaaid was, zou hij toch zijn toestemming niet geven, want hij wist wel hoe ’t ging als de liefde ze in den kop zat. Dan was alle werk te veel en de beste kinderen werden opstandig tegen den eigen vader.
„Vaêr,” zei Tjeerd, „wij moeten het di nou maar zeggen. Ik neem Walhild en Reri neemt Swanhild.”
„Nou jong, vrijen is geen trouwen... en vóór den zaai komt er niks van...”
Reri zei heelemaal niets en Tjeerd wou nog wel even wat terug zeggen, maar hij zag de oogen van zijn vaêr en hield zich stil.
Nog een paar dagen liepen ze allen dag naar Reginbirn. Als ze nu kwamen, stonden Swanhild en Walhild al aan de deur, twee breedheupige maagden, met zware schouders, korte nekken, ronde gezichten met blauwe oogen, groote neuzen, forsche kaken en vlassig haar, die zéér op elkaar geleken, van gelijke grootte, half-weezen en bekend als goede weefsters.
Achter de hut, waar de linden stonden, ging Reri met Swanhild en Tjeerd met Walhild, ieder naar een andere zij zitten en terwijl de maagden weefden, zaten ze te kijken naar het afloopen van de leemen ring om de spoel en het trekken der draden uit het vlas.
Reri zei weinig. Zijn kleine oogen keken naar de knuistige handen, naar de ronde armen, naar den dikken, korten, roomigen nek, naar het haar, dat dezelfde kleur had als het vlas op ’t rokken en naar de schouders, de borsten en de heupen. Swanhild deed alsof zij het niet merkte en spon heel ijverig. Maar soms keek ze even op en dan kleurde ze meteen en spon weer ijverig, want ze had wel gezien wat Reri in zijn oogen had.
Tjeerd sprak veel met Walhild, die gaarne het rokken rusten liet en naar hem opzag en hoorde naar zijn verhalen van de groote reis of van de heilige jonkvrouw met de roode oogen en het witte haar. Soms ook stond ze op en ging met Tjeerd wandelen. Zij liepen over den al zachten grond langs de velden van Sigbert en Tjeerd vertelde, dat zijn vader na den zaai zijn toestemming zou geven en het land toewijzen voor hem en voor Reri. Tjeerd sloeg zijn arm om haar hals en de twee, zoo zachtjes langs de velden loopend, keken beiden naar de einder en naar de zon, wachtend op het voorjaar.
Reri hield er meer van bij Swanhild te zitten en haar te hooren zingen. Zij kende veel weefliedjes, die ze zong op deuntjes, die pasten bij het regelmatige trekken van de draden. Maar enkele liedjes, die zij wist dat hij ’t allerliefste hoorde, zong zij niet tot hij haar er om vroeg en zij eerst hem plaagde, zeggend dat zij ze vergeten had, tot hij haar beetpakte om de schouders en haar kneep en zij hem met een stomp of een klap van zich afsloeg. Want hij was erg onhandig en hij wist niet, dat hij haar pijn deed. Maar als hij dan wat bedremmeld bleef zitten, spijtig dat hij haar geknepen had, begon zij weer, heur vingers nat makend, het vlas van ’t rokken te trekken en zong, met hooge stem de liedjes, die hij ’t liefst hoorde, als:
Spoeletje mîn, Spoeletje mîn, Draai di fin, Draai di fin, Frikke vrouw, Frikke vrouw, Die di rustend vinden zou, Draaide di dan in het rond, Slaapsters komen op den hond. [22]
of:
Draai, spoeltje draai, Het lijnwaad wordt zoo fraai, Spin een kleedje voor een bruid, Die gaat in het voorjaar uit, Meien op het huis, Moeder is niet thuis, Meien op den nok, Vader heeft een stok, Meien in de hand, Vrijen is geen schand. Fluk spoeletje fluk, Het lijnwaad, dat wordt smuk.
Sigbert was nog een laatsten vroegen ochtend langs de akkers geloopen, en toen, met een paar handevol graan naar een offersteen gegaan, die grenssteen van zijn akkers, aan Nerthus gewijd was. Hij strooide het graan op den steen en ook een paar korrels van ’t honiggraan er bij, keek rondom of hij alleen was. Toen sprak hij, de handen beide zegenend boven den steen houdend:
Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde, Dat de geweldige, eeuwige Heerscher, De akkers doe gedijen, vol en krachtig, Gun veel halmen en veel korrels, Laat de breede gerste wassen, Laat de witte weite wassen, En aller aarde wasdom. Erce, Erce, Erce, Moeder der aarde. [23]
Zoo bleef hij staan, wachtend tot de zon van achter de wolken opgerezen was en zijn stralen over het graan en den steen wierp. Toen, de armen naar de zon uitbreidend, zeide hij:
Oostwaarts sta ik, hulpe smeek ik Ik bid tot den hoogen Heer, tot den grooten Heer, Ik bid tot den heiligen Wachter van ’t hemelrijk, Tot de aarde bid ik en tot den hemel daarboven, En tot de waarachtige, heilige Freija, Dat zij wasdom verwekken en doen gedijen.
En nu, zijn oogen afwendend van de zon, knielde hij ter aarde, omvatte den offersteen met zijn beide armen en zei:
Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder, Worde vruchtbaar in Wot’s omarming, Vul di met vrucht, den menschen tot nut, Heil zij di, Aarde, Menschenmoeder.
Toen stond hij op en keek langs zijn landen, paarsblauw schemerend onder de ijle, wegvliedende morgennevels. Ver, bij den hoogen lietweg, zag hij twee paren loopen, blauwzwart tegen de wijde blankheid van den luchtboog. Hij liep dwars over het land ze tegemoet, aan zijn hooge gestalte Reri herkennend.
„Kinders,” zei hij, toen hij dichtbij ze was, „vandaag is het ploegdag en morgen is het ploegdag, tot de akkers omgewoeld zijn. Wij zullen samen ploegen maar ieder hoede daarna zijn eigen akker, ik den mijne, Reri den zijne en Tjeerd den zijne.”
„Vaêr,” zei Swanhild, „de ossen zijn weg in ’t Batouwsche land en ’t zal lang duren voor ’t land afgeploegd is. Laat mi den ploeg trekken nevens Reri.”
„Ik wil trekken naast Tjeerd, vaêr!” zei Walhild.