Part 25
Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.
Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.
Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.
Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.
Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.
Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.
HOOFDSTUK XIV.
Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.
Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.
„Harimona!” riep hij.
Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.
„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”
Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.
Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.
Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneens òf gevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had. Ja, zijn knieën kon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?
Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.
Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.
Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.
Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?
Weer wilde hij schreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven ... was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?
Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.
Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan een afgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?... En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden... was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd...?
Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.
Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?
Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt... o nog hooger, nog hooger...
Neen, neen, neen... hooger niet... daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag...
En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen... En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zich oploste in de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind... en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.
Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.... Hij legde zijn oor op den bodem.... luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.... Dat was zijn paard.... hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven....
Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.
Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken....
Ja... wèl was het zijn paard... Zijn paard ... zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken...
Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?
Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.... als een wind of als een geur of als een zonnestraal? [18]
En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?
Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.
Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.... Wellicht... wellicht... wellicht.... o, hoe durfde hij die gedachte aan.... wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.... Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.... De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.... En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna... ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?... [19] Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?
De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.... bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen... zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.... Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.... O, mocht ik bevrijd worden... De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden....
Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.
Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.... O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren... Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht... waarom niet? Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard... beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard....
En het bleef graven.... Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.
Als hij ’t eens riep.... Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.... Neen, zwijgen moest hij.... een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.
Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.... Ja.... het gat moest dieper worden.... want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.... Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.... toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.... Ja.... dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.... Nogmaals floot hij.... twee, driemaal achtereen.... De hoef begon weder te woelen.... En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.... en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.
Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.... en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.
O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.
Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.
„Kom dan Hadoe.... kom dan zoet beest.... zoek dan, zoek dan dijn heer.... zúúúúúút.... zsúúúúúúút... dijn heer is hier.... kom.... kom....”
Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.... Hij schrikte.... daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij een visioen.... een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.... een geest.... een ziel.... een god.... wie dan ook.... had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend....
Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten... met lange, loshangende haren... vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden... Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.
„Hadoe! Kom dan, mijn jongen... kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.
Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.
Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.
Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.
Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?
Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd... Zijn laatste vriend liet hem alleen... maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.
Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.
„Schipper!” riep Sogol luide.
Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.
„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”
De man antwoordde niet.
Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.
Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.
„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.
„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.
„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”
„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen... Ik heb zoo’n dorst...”
„Ligt di hier lange?”
„Van gistermorgen... En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”
„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”
Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.
Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had. Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.
Van nixen had daar die zeeman gesproken... Waren het werkelijk nixen?... Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haun naderde.
Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.
„Schipper!” riep hij nogmaals.
De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.
„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”
„Heer... heer... ik kan niet meer...”
„Kom, kom... du moet niet versagen... De redding is nabij...”
„Neen heer, neen... nixen zijn kwaje machten... als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend... ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”
De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.
Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.