Part 24
„Ja Harimona.... ik ben bang.... Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.... Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.... Ziet di daar den ingang van de grot.... Zoo is de dood.... En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.... Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.... Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.... dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.... en die waarheid zelf een ontnuchtering....”
Hij stond op en leunde op zijn zwaard.
„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.... Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.... kom.... kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.... Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen... De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.... Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.... Zoo zal de dood wel zijn.... een schaduw van het leven.... zoo zal het zijn.... geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken....”
Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.
„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”
Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.
Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:
„Braaf zoo mijn jongen.... Braaf zoo!....”
En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.
HOOFDSTUK XII.
De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.
Dadelijk werd toen een gezantschap naar koning Tjilbard gezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.
Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.
„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.
Dat wisten de afgezanten niet.
Tjilbard wierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.
„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”
„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”
„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”
„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet, begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”
„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”
„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken... en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen... Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven...”
Koning Tjilbard liet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.
De koning bekeek de saks [16] en vroeg:
„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”
„Ja heer.”
„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”
„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”
Nu zond koning Tjilbard verspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.
Koning Tjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.
Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.
Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.
Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?
Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar....
Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.
Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.... dat was alles zijn made.... mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.
Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.
Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.... en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?...
Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand....
Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep....
„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.... laten ze dan maar opkomen, de Frisen.... Batouwers waren ook hun man weerd.... Hij en Reri en Tjeerd.... Ze moesten niet aan hun akkers komen.... al waren ze duizend maal Frisen.... Grendeldebliksem.... Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.... dat was bekend.... zij hadden vredige harten.... maar van hun land moesten ze afblijven.... dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en de Brukteren en de Kaninefaten en de Dantubaren.... die allen waren al slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.... de Batouwer was als zijn vee.... harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst....”
Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.... hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.... als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.... niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.
En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.... Gegild hadden de wijven en geschreid de kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.... Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden....
Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.... Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.... omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog....
Grendeldebliksem.... wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.... Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden....
En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.... „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.... drie vaarzen zal ik di offeren.... drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.... geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.... Groote Wot, spaar ons voor de Frisen....”
Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:
Nerthus zal di garen, Nerthus zal di baren,
en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor....
En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.
HOOFDSTUK XIII.
Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden [17] te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.
Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger, want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.
De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.
Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.
De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.
De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.
Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.
Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.
Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op het Ding de rechten van den koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.
De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.
Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zoo leefde hij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.
De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.
Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.
Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.
De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.
Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.
De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.